← België

Arrest 166879 - Uitleveringen - 17/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.879 Rolnummer: A. 180174/XIV-28040 Zaak: Arrest 166879 - Uitleveringen - 17/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-19 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 13:46 Fiche Arrest nr 166.879 van 17 januari 2007 Vreemdelingen - Uitleveringen Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.879 van 17 januari 2007 in de zaak A. 180.174/XIV-28.

  1. In zake : Shaboi Andranik MAKARTCHIAN, die woonplaats kiest bij Advocaten Frank en Remi COEL, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Kardinaal Mercierplein 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Shaboi Andranik MAKARTCHIAN, van Armeense nationaliteit, op 14 januari 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de Minister van Justitie van 29 november 2006 waarbij de uitlevering van verzoeker aan de regering van Armenië wordt toegestaan, aan verzoeker betekend op 10 januari 2007; Gelet op de beschikking van 15 januari 2007 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 15 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 januari 2007 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. COEL, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat B. DERVEAUX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; XIV-28.040-1/4 Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  2. Verzoeker dient op 13 oktober 1998 een asielaanvraag in, welke wordt afgesloten door een weigeringsbeslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 15 juni
  3. 1.
  4. Gevolg gevend aan een verzoek tot rechtshulp van de Armeense overheid wordt verzoeker op 2 december 2004 aangehouden met het oog op uitlevering. Verzoeker wordt op 24 december 2004 door de Raadkamer in vrijheid gesteld. 1.
  5. Op 2 maart 2005 wordt een nieuw verzoek om rechtshulp toelaatbaar verklaard door de Federale Overheidsdienst Justitie. Bij beschikking van 4 augustus 2006 verklaart de Raadkamer het rechtshulpverzoek uitvoerbaar. De Kamer van Inbeschuldigingstelling bevestigt deze beslissing op 11 september
  6. 1.
  7. Bij aangetekend schrijven van 10 november 2006 verklaart verzoeker zich andermaal vluchteling. Er wordt hem een document bijlage 26 afgeleverd op 4 december
  8. 1.
  9. Op 10 januari 2007 wordt aan verzoeker het thans bestreden uitleveringsbesluit van 29 november 2006 ter kennis gebracht.
  10. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
  11. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat de bestreden beslissing aan verzoeker ter kennis werd gebracht op 10 januari 2006; dat het verzoekschrift naar de Raad van State werd gefaxt op 14 januari 2006; dat aldus moet worden vastgesteld dat verzoeker het beroep met de vereiste spoed heeft ingesteld; dat daarnaast moet worden vastgesteld dat verzoeker wordt vastgehouden met de bedoeling hem uit te leveren; dat de uiterst dringende noodzakelijkheid is aangetoond; 2.2.
  12. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker als middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke en draagkrachtige motivering in bestuurszaken; dat verzoeker in het tweede onderdeel van het XIV-28.040-2/4 middel stelt dat de motivering van de bestreden beslissing niet correct en in strijd is met de inhoud van het dossier daar hij, in afwachting van een beslissing in de asielprocedure moet worden beschermd tegen ieder verzoek strekkende tot uitlevering uitgaande van zijn eigen vaderland, dat hij asiel aanvroeg omdat hij beweert te worden vervolgd door de overheid in zijn land van herkomst, dat hij bijgevolg niet kan worden uitgeleverd aan zijn land van herkomst “zolang er geen recht wordt gedaan op zijn asielverzoek”, dat uit het tweede verzoek tot uitlevering onbetwistbaar de daden van vervolging van zijn eigen overheid blijken; 2.2.
  13. Overwegende dat uit de voorgelegde stukken blijkt dat verzoeker op 10 november 2006 door middel van een aangetekend schrijven asiel aanvroeg bij de Dienst Vreemdelingenzaken (“met onderhavig aangetekend schrijven gericht aan uw diensten verklaart vertoger zich vluchteling binnen het kader van de Conventie van Genève”); dat op 4 december 2006 door de directeur van de gevangenis een bijlage 26 werd opgemaakt; dat uit artikel 71/2, § 2 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen blijkt dat een vreemdeling zich in het Rijk vluchteling kan verklaren bij de ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken, evenals bij de Directeurs van de strafinrichtingen; dat er nergens uitdrukkelijk wordt gestipuleerd op welke wijze dit dient te gebeuren; dat op het ogenblik dat de Minister van Justitie de bestreden beslissing nam, op 29 november 2006, er nog geen beslissing was genomen over verzoekers asielaanvraag; dat op het eerste gezicht de Minister van Justitie bij de motivering van de bestreden beslissing rekening moest houden met de asielaanvraag van verzoeker; dat in casu verzoeker dient te worden bijgetreden wanneer hij stelt dat hij in afwachting van een beslissing in de asielprocedure dient te worden beschermd tegen ieder verzoek strekkende tot uitlevering uitgaande van zijn vaderland, temeer daar hij asiel aanvroeg op grond van het feit dat hij om drogredenen (meer bepaald om politieke redenen) zou worden vervolgd in het land van herkomst; dat het middel in die mate ernstig is; 2.
  14. Overwegende dat met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel verzoeker uiteenzet dat zijn veiligheid in het gedrang komt wanneer hij wordt uitgeleverd aan zijn land van herkomst en dat de uitvoering van de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat hij alle belang verliest bij zijn hangende asielprocedure; dat op het ogenblik dat huidig verzoekschrift werd ingediend er nog geen beslissing was genomen in verzoekers asielprocedure; dat verzoeker voldoende aannemelijk maakt dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  15. Overwegende dat is voldaan aan de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde cumulatieve voorwaarden, BESLUIT: Artikel
  16. XIV-28.040-3/4 Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Minister van Justitie van 29 november 2006 waarbij de uitlevering van verzoeker aan de regering van Armenië wordt toegestaan, aan verzoeker betekend op 10 januari
  17. Artikel
  18. De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting op zeventien januari tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter. C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-28.040-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.879 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.375 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.