id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.886 Rolnummer: A. 87308/XII-2270 Zaak: Arrest 166886 - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen - 18/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-29 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 13:50 Fiche Arrest nr 166.886 van 18 januari 2007 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.886 van 18 januari 2007 in de zaak A. 87.308/XII-
- In zake : Hendrik GOOSSENS, wonende te Willebroek, Boekweitstraat 21 tegen : de GEMEENTE WILLEBROEK, die woonplaats kiest bij advocaat A. Houtekier, kantoor houdende te Mechelen, Battelsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hendrik Goossens op 14 oktober 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 10 november 1998 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek waarbij zijn ongunstige evaluatie wordt gehandhaafd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 15 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verwerende partij; Gelet op de beschikking van 23 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-2270-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Huysmans, die loco advocaat A. Houtekier verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker is een geschoold arbeider bij de dienst beplanting van de gemeente Willebroek. Op 15 september 1998 wordt nopens hem een ongunstige evaluatie uitgebracht die als volgt wordt gemotiveerd : “Vakkennis: een geschoold arbeider zou meer moeten kennen i.v.m. snoei van heesters en dergelijke. Te weinig kennis vergeleken met de andere geschoolde werknemers in de groendienst. Verzorging v/h werk: Klein Willebroek is gema[k]kelijk te onderhouden door 1 persoon, en zou in ’t algemeen properder moeten zijn. Hoeveelheid werk: het gebruik van de werktijd is niet doeltreffend. Er wordt te veel tijd verlet met andere zaken. Stiptheid : medewerker houd[t] zich niet aan de interne uurregelingen. Moet ’s morgens en ’s middags tijdig het werk aanvatten. Afspraken met brandweerinterventie worden niet nageleefd”. Er worden aanbevelingen tot bijsturing geformuleerd : “- Afspraken met ploegbaas voor beter onderhoud in Klein Willebroek - Zorgen voor niet te veel verlet tijdens het werk. ’s Morgens en ’s middags tijdig starten. Enkel naar brandweer gaan als het toegestaan is”. Voorts wordt vastgesteld dat verzoeker een opleiding inzake snoei van heesters dient te volgen. 1.
- Bij brief van 15 september 1998 tekent verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen beroep aan tegen zijn ongunstige evaluatie. Op 10 november 1998 neemt het college van burgemeester en schepenen de bestreden beslissing, stellende dat : XII-2270-2/7 “Overwegende dat [verzoeker] voor de rubrieken A.Kennis-vakkennis, B.Kwaliteit-verzorging van het werk, C.Kwantiteit-hoeveelheid werk en F.Houding t.o.v. mensen en werk-stiptheid, een onvoldoende quotering heeft om een gunstige evaluatie te bekomen; Overwegende dat in het beschrijvend kwalificatief evaluatieverslag, ter motivatie van het toegekende evaluatieresultaat, de beoordelaars bovenvermelde rubrieken toelichten; Overwegende dat de beoordelaars tijdens het verhoor van 10 november 1998 dit bevestigen”. 1.
- Met een brief van 11 december 1998 dient verzoeker tegen voormelde beslissing klacht in bij de minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting, “wegens het ontbreken van een degelijk gemotiveerd kwalitatief evaluatieverslag en het niet rekening houden met onze argumenten in het beroep”. De minister antwoordt met een brief van 24 juni 1999 dat aan de gouverneur van Antwerpen gevraagd is de klacht te onderzoeken, dat deze met een schrijven van 3 juni 1999 meedeelde geen redenen te zien om op te treden en dat dit standpunt van de gouverneur gedeeld wordt;
- De ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat verwerende partij betoogt dat verzoekers beroep tot nietigverklaring laattijdig werd ingediend aangezien meer dan zestig dagen zijn verstreken tussen de kennisgeving aan verzoeker van de bestreden beslissing en het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring, dat de beslissing van de gouverneur van Antwerpen dateert van vóór 3 juni 1999 en de brief van de minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting 24 juni 1999 gedateerd is, zodat verzoeker meer dan zestig dagen voor het indienen van zijn verzoekschrift op 14 oktober 1999 kennis had van het feit dat noch de gouverneur, noch de minister zouden optreden, dat indien verzoeker zou opwerpen geen kennis te hebben gehad van de beslissing, op hem toch de plicht rust waakzaam te zijn, dat hij binnen een redelijke termijn stappen had moeten ondernemen om kennis te krijgen van de beslissing; Overwegende dat verzoeker, onder verwijzing naar artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, repliceert dat geen enkel schrijven aan hem of aan zijn raadsman de beroepstermijn vermeldt; XII-2270-3/7 Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie dupliceert dat verzoeker zich niet kan beroepen op artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat het niet vermelden in de betekening van de bestreden beslissing van het bestaan van het beroep bij de Raad van State en van de vormen en termijnen te dezen geen gevolgen heeft voor de tijdigheid van verzoekers beroep daar in concreto dient te worden nagegaan of verzoeker niet te lang heeft gewacht om zijn beroep in te stellen, dat de korte termijn van zestig dagen om een akte te bestrijden erop wijst dat de wetgever niet wenste dat een beroep tot nietigverklaring dat maanden na het nemen van de bestreden beslissing werd ingesteld, ontvankelijk zou zijn, dat verzoeker ook na kennisname van het auditoraatsverslag niet uitlegt waarom de beroepstermijn niet zou zijn ingegaan en wanneer en hoe hij kennis heeft gekregen van de beslissing, dat hij na ontvangst van het antwoord van de toezichthoudende overheid nog meer dan twee maanden heeft gewacht om een beroep tot nietigverklaring in te dienen, zodat hij zich niet kan beroepen op voormeld artikel; Overwegende dat verzoeker zich beroept op artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat krachtens die wetsbepaling, zoals ze toentertijd luidde, de termijn voor het annulatieberoep ten opzichte van verzoeker slechts kon ingaan op voorwaarde dat verwerende partij, toen ze de bestreden beslissing aan verzoeker betekende, het bestaan van dat beroep alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldde; dat, zoals in het arrest inzake Lecocq, nr. 134.024 van 19 juli 2004, van de algemene vergadering van de afdeling administratie is gesteld, het artikel 19, tweede lid, afwijkt van de regels betreffende de verjaring van beroepen en net als die regels van openbare orde is; dat verwerende partij heeft nagelaten aan het besproken artikel 19, tweede lid, te voldoen; dat bijgevolg het annulatieberoep tegen het bestreden besluit ontvankelijk is ingediend; dat de exceptie wordt verworpen;
- De grond van de zaak. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending van het motiveringsbeginsel aanvoert; dat hij stelt dat niet wordt ingegaan op de essentie van het bezwaarschrift, namelijk dat de evaluatie niet steunt op objectieve, concreet verifieerbare feiten, doch slechts een algemene en subjectieve stellingname inhoudt, dat niet wordt aangestipt waar het door hem uitgevoerde onderhoud juist faalt, noch wanneer hij niet stipt zou zijn en waar juist de ondoeltreffendheid in zijn tijdsgebruik XII-2270-4/7 zou schuilen, dat verwerende partij niet bewijst dat hij zijn werk niet correct en stipt uitoefent, dat hij erkent te kunnen bijleren inzake het snoeien van heesters en bomen en zelf reeds heeft gevraagd een cursus te mogen volgen, vraag waarop niet werd ingegaan, dat het oneigenlijk tijdsgebruik kan worden verklaard door het feit dat hij vakbondsafgevaardigde is, dat het bijwonen van vergaderingen tijdens de werkuren hem blijkbaar zwaar wordt aangerekend, dat dergelijke evaluatie niet redelijk is; Overwegende dat verwerende partij, verwijzend naar twee functioneringsgesprekken, het evaluatieverslag, het advies van de adviescommissie, het verhoor van verzoeker en diens beoordelaars, de bestreden beslissing en het schrijven van de minister, antwoordt dat de procedure die werd gevolgd in overeenstemming is met het administratief statuut; dat zij voorts doet gelden dat de motivering van de bestreden beslissing aan de vereisten van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen voldoet, dat zij verwijst naar de belangrijkste stukken in het dossier, de rubrieken waarvoor verzoeker een onvoldoende quotering heeft om een gunstige evaluatie te verkrijgen, het kwalitatief evaluatieverslag waarin voormelde rubrieken worden toegelicht en het feit dat de beoordelaars tijdens het verhoor de feiten hebben bevestigd, dat het voor een correcte motivering niet nodig is de belangrijkste stukken in het dossier samen te vatten, dat, gelet op verzoekers aanhoudende tekortkomingen, niet meer naar een concreet feit wordt verwezen, dat dit ten overvloede blijkt uit de functioneringsgesprekken die opnieuw dezelfde tekortkomingen van verzoekers werk aan de kaak stellen, alsook uit de veelvuldige verslagen van verzoekers werktoezichter die dezelfde tekortkomingen en opmerkingen bevatten, dat verzoeker een algemeen gebrek aan kennis inzake het snoeien van heesters en dergelijke wordt verweten, een algemeen slecht onderhoud van Klein Willebroek, een stelselmatig misbruik van de werktijd en het niet naleven van de stiptheidsregel, dat het college van burgemeester en schepenen wel degelijk rekening heeft gehouden met verzoekers opmerkingen, hetgeen blijkt uit de bestreden beslissing die uitdrukkelijk verwijst naar verzoekers verhoor; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de loutere mening van een hiërarchisch overste, die niet steunt op concrete feiten, geen geldig criterium kan uitmaken, dat niet wordt verduidelijkt met welke zaken en wanneer tijd wordt verloren, wat er precies mis is met Klein-Willebroek en hoe werd aangetoond dat dit door één man kan worden onderhouden, dat opmerkingen van hemzelf of zijn verdediger niet in overweging werden genomen; XII-2270-5/7 Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie argumenteert dat de bestreden beslissing verwijst naar het verhoor van verzoeker door het college van burgemeester en schepenen en naar de negatieve elementen ervan, dat de bestreden beslissing verzoekers verweer en de negatieve elementen uitdrukkelijk vermeldt zodat het zeker is dat het college van burgemeester en schepenen er kennis van heeft genomen, dat deze verwijzing een voldoende motivering is; Overwegende dat de bestreden beslissing uitspraak doet over verzoekers beroep tegen zijn initiële ongunstige evaluatie; dat een behandeling van een zaak “in tweede aanleg” betekent dat degene die het beroep heeft ingediend er aanspraak op kan maken dat aan zijn zaak een nieuw onderzoek wordt gewijd dat logischerwijze moet resulteren in een nieuwe, al dan niet bevestigende, eindbeslissing die in haar motivering ervan moet doen blijken dat de betrokken zaak de aandacht heeft gekregen die ze verdiende; dat die eindbeslissing te dezen met betrekking tot de door verzoeker aangevoerde bezwaren enkel blijkt te vermelden dat de oorspronkelijke beoordelaars hun oorspronkelijke quotering en toelichting tijdens het verhoor hebben bevestigd; dat dergelijke motivering, gezien verzoekers bezwaren in zijn beroepschrift en tijdens zijn verhoor, al te oppervlakkig en nietszeggend voorkomt; dat immers, zelfs indien moet worden aangenomen dat in het kader van de formele-motiveringsverplichting de overheid niet verplicht is te antwoorden op elk voor haar aangevoerd argument, uit de beslissing dan toch moet blijken dat de argumentatie daadwerkelijk in de besluitvorming werd betrokken en waarom de argumenten niet werden aanvaard; dat de motivering terzake volkomen in gebreke blijft; dat ze niet laat blijken dat het college van burgemeester en schepen aan verzoekers verweer een ernstig onderzoek of weerwerk heeft besteed; dat het middel in de besproken mate gegrond is, XII-2270-6/7 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 10 november 1998 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek waarbij de ongunstige evaluatie van Hendrik Goossens wordt gehandhaafd. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien januari 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2270-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.886 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div