id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.909 Rolnummer: A. 99589/VII-23150 Zaak: Arrest 166909 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 18/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-31 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 13:52 Fiche Arrest nr 166.909 van 18 januari 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.909 van 18 januari 2007 in de zaak A. 99.589/VII-23.
- In zake : Leo WOUTERS, die woonplaats kiest bij advocaat J. VANDE MOORTEL, kantoor houdende te GENT, Groot-Brittanniëlaan 12, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Leo WOUTERS op 20 januari 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen van 23 oktober 2000, waarbij de tussenbeslissing van de Beperkte kamer, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV, van 3 oktober 2000, tot toelating van de aanwezigheid van een gerechtsdeurwaarder bij het verhoor door de geneesheer-inspecteur, wordt vernietigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 6 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; Gelet op de beschikking van 17 oktober 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 16 november 2006; VII-23.150-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. EGGERMONT, die verschijnt voor de verzoeker, en van attaché P. MYLEMANS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de gegevens dienstig voor een goed begrip van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : De verzoeker is zaakvoerder van de b.v.b.a. WOUTERS- SURMONT, gevestigd te Deurne, waar hij te zamen met anderen kinesitherapie verstrekt. Op 27 juni 1996 wordt hij in het kader van een onderzoek naar de realiteit en de conformiteit van de aangerekende verstrekkingen bezocht door de geneesheer-inspecteur van het RIZIV. Het Comité van de Dienst voor Geneeskundige Controle beslist op 27 augustus 1999 de verzoeker naar de Beperkte kamer te verwijzen. Nadat de verzoeker om uitstel heeft verzocht, wordt hij uitgenodigd op 3 oktober 2000 voor de Beperkte kamer te verschijnen om gehoord te worden nopens de tenlastegelegde inbreuken op de wettelijke en reglementaire bepalingen. Op 3 oktober 2000 verschijnt de verzoeker voor de Beperkte kamer die om een bijkomend objectief onderzoek verzoekt. Na beraadslaging beslist de Beperkte kamer om op het verzoek tot aanvullend onderzoek in te gaan, waarbij tevens de aanwezigheid van een gerechtsdeurwaarder tijdens het verhoor van de verzoeker wordt toegestaan, op voorwaarde dat zijn rol beperkt blijft tot het noteren van vragen en antwoorden zonder enig advies uit te brengen met betrekking tot de gevolgen in feite of in rechte die daaruit zouden kunnen voortvloeien. VII-23.150-2/6 Bij brief van 23 oktober 2000 deelt de minister aan de voorzitter van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle mee dat hij de beslissing van de Beperkte kamer van 3 oktober 2000 vernietigt wegens strijdigheid met artikel 141, §1, 3/ van de ZIV-wet, dat het geheim van het onderzoek waarborgt. Dit is de bestreden beslissing. Bij aangetekend schrijven van 27 oktober 2000 tegen ontvangstbewijs wordt een afschrift van de brief van de minister van 23 oktober 2000 aan de verzoeker overgemaakt. Een door de verzoeker ondertekend ontvangstbewijs wordt door verwerende partij niet voorgelegd. Dezelfde brief, wordt met het afschrift van de brief van de minister nogmaals aangetekend tegen ontvangstbewijs verzonden op 22 november
- Deze zending wordt door de verzoeker voor ontvangst ondertekend op 28 november 2000;
- Ontvankelijkheid 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als exceptie van onontvankelijkheid opwerpt dat het verzoekschrift niet binnen de voorgeschreven termijn van zestig dagen na kennisgeving van de bestreden beslissing is ingediend; dat zij zich daarvoor baseert op de eerste kennisgeving van de bestreden beslissing bij aangetekende zending tegen ontvangstbewijs van 27 oktober 2000 (stuk 9 van het administratief dossier), die niet afgehaald werd door de verzoeker niettegenstaande "de postdiensten toch steeds een bericht nalaten wanneer er zich een aangetekende zending op het postkantoor bevindt"; Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat hij geen kennis heeft van een aangetekende zending van 27 oktober 2000, waarvan verwerende partij niet het bewijs levert dat deze aangetekend werd verstuurd of dat deze door de verzoeker in ontvangst werd genomen, zodat enkel rekening kan worden gehouden met de tweede kennisgeving, van 22 november 2000, en het verzoek tot nietigverklaring op 20 januari 2001 wel degelijk tijdig werd ingediend; Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie nog toevoegt : "Verzoeker verklaart echter bij eer en geweten en te goeder trouw dat hij tot op heden nog steeds geen weet heeft van een eerdere kennisgeving dan deze op 27.10.2000 (sic). Verzoeker kan dan ook geen bericht van de postdiensten voorleggen omdat hij er geen in zijn bezit heeft. Verzoeker had er ook geen enkel belang bij om de aangetekende zending opzettelijk niet te gaan afhalen. VII-23.150-3/6 Had verzoeker geweten van de eerste aangetekende zending, zou hij deze uiteraard zijn gaan afhalen zoals hij met de tweede aangetekende zending heeft gedaan. Een eventuele nalatigheid in hoofde van de postdiensten door geen bericht achter te laten aan de woning van verzoeker, mag voor verzoeker geen negatieve gevolgen meebrengen. Anders oordelen zou heel onrechtvaardig zijn. Het is duidelijk dat de betekening aan verzoeker onderweg blijkbaar is fout gelopen. Bovendien zegt verwerende partij zelf dat het om een aangetekende zending tegen ontvangstbewijs ging, waarbij zij enkel het bewijs van een aangetekende zending voorlegt maar het ontvangstbewijs ontbreekt. Dit toont aan dat verzoeker de aangetekende zending niet heeft ontvangen, waardoor de procedure van een aangetekende zending tegen ontvangstbewijs niet werd voltooid zodat enkel met de tweede kennisgeving dd. 23.11.2000, die wel volledig en correct was voltooid, mag worden rekening gehouden. De ratio legis van een ontvangstbewijs houdt immers logischerwijs in dat de geadresseerde de aangetekende zending daadwerkelijk heeft ontvangen en dus effectief kan kennis nemen van deze zending. Het feit dat verwerende partij een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs heeft verstuurd aan verzoeker, toont tevens aan dat deze wijze van kennisgeving de gebruikelijke wijze van betekening is. Verwerende partij heeft dan ook terecht aan verzoeker een tweede betekening laten geworden"; 3.
- Overwegende dat, zoals de Raad van State onder meer in zijn arrest nr. 82.417, van 27 september 1999, heeft geoordeeld, een kennisgeving bij aangetekende zending rechtsgeldig is wanneer de postbode zich op het adres heeft aangeboden maar de brief niet heeft kunnen overhandigen, indien aan de geadresseerde een bericht werd nagelaten dat er op het postkantoor een aangetekende zending te zijner beschikking ligt; dat in dat geval de termijn begint te lopen vanaf de dag dat de aangetekende zending door de postbode werd aangeboden; Overwegende dat, anders dan de verzoeker voorhoudt in zijn memorie van wederantwoord, de verwerende partij als stuk 9 van het administratief dossier wel degelijk het bewijs voorlegt van de eerste betekening bij aangetekende zending op het privé-adres van de verzoeker; dat uit de uiteenzetting van de verwerende partij in haar memorie van antwoord moet afgeleid worden dat zij deze zending teruggestuurd gekregen heeft nadat zij niet afgehaald werd door de verzoeker, waarna de verwerende partij de bestreden beslissing een tweede keer bij aangetekend schrijven heeft betekend; Overwegende dat met betrekking tot de eerste betekening moet vastgesteld worden dat zij op hetzelfde adres is gebeurd als de uitnodiging bij aangetekende zending tegen ontvangstbewijs voor de zitting van de Beperkte kamer waarop de bestreden beslissing werd genomen, dat zij op hetzelfde adres is gebeurd als de tweede betekening van de bestreden beslissing en dat deze aangetekende VII-23.150-4/6 zendingen wel in ontvangst werden genomen; dat de verzoeker hiertegenover enkel stelt dat de verwerende partij geen bewijs levert dat de eerste kennisgeving effectief aangetekend werd verstuurd of in ontvangst genomen; dat het bewijs van de aangetekende verzending van de eerste kennisgeving wel degelijk voorligt; dat de verzoeker noch het bewijs, noch een begin daarvan, waaruit blijkt dat hij die zending niet heeft ontvangen, levert; Overwegende dat, zoals de Raad van State reeds oordeelde in het arrest nr. 90.164, van 11 oktober 2000, wanneer een eerste betekening de beroepstermijn doet lopen, een tweede betekening irrelevant is en dat de beroepstermijn tegen de bestreden beslissing is ingegaan vanaf de eerste betekening ervan; Overwegende dat derhalve de termijn voor het indienen van het verzoek tot nietigverklaring een aanvang heeft genomen met de betekening op 27 oktober 2000 van de bestreden beslissing; dat het verzoek tot nietigverklaring, ingediend bij aangetekend schrijven van 20 januari 2001 bijgevolg buiten de voorgeschreven termijn van zestig dagen gebeurde en onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. VII-23.150-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien januari tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, voorzitter van de VIIe kamer, de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.150-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.909 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div