id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.910 Rolnummer: A. 177224/VII-36589 Zaak: Arrest 166910 - Milieuvergunningen - 18/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-26 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 13:53 Fiche Arrest nr 166.910 van 18 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.910 van 18 januari 2007 in de zaak A. 177.224/VII-36.
(1)maken we er u een dubbel van over. Op 8 juni 2006 heeft de nv Pasfrost ons nog een kopie overgemaakt van een brief van de gemeente Zonnebeke waarin gemeld wordt dat er bij hen geen klachten werden ingediend door landbouwers. In de laatste alinea schrijft het gemeentebestuur evenwel dat er uit de bezoeken aan enkele omwonenden blijkt dat de ondiepe waterputten droog staan. Een kopie van deze brief van het gemeentebestuur van 22 mei 2006 is bijgevoegd (bijlage 2). Bij Milieu-Inspectie werden geen klachten ingediend. Gelet op het niet uitvoeren van de vergelijkende studie over de landbouwopbrengsten en gelet op het feit dat er in de brief van de gemeente Zonnebeke wordt aangegeven dat er een impact is op de ondiepe waterputten in de omgeving van het bedrijf lijkt het ons aangewezen om het debiet van de ondiepe grondwaterwinning te beperken'; Overwegende dat uit het bovengaande duidelijk wordt dat enkel een definitieve vergunning kan gegeven worden voor wat oorspronkelijk in eerste aanleg door de bestendige deputatie vergund werd, namelijk een vergunning voor de hernieuwing van de 2 grondwaterwinningen, de diepe en de ondiepe en een vergunning voor een kleine uitbreiding van de grondwaterwinning, namelijk met een debiet van 20 m3/dag en 6000 m3/jaar uit de Formatie van Ieper; dat het verlenen van de definitieve vergunning voor een grote uitbreiding van het debiet van de ondiepe grondwaterwinning in dit geval niet verantwoord is; (...)"; 2. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen VII-36.589-5/11 verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij volgend betoog houdt : "Door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, meer in het bijzonder wat betreft de weigering voor oppompen van ondiep grondwater voor een bijkomend debiet van 40.000 m³/jaar, zal verzoekster zeer ernstige schade lijden, in die zin zelfs dat de uitbating van het bedrijf van verzoekster hierdoor onmogelijk wordt. Naast het oppompen van diep grondwater uit de Paleozoische Sokkel, dat de laatste jaren, onder druk van gereduceerde vergunning, sterk werd gereduceerd, wordt ook nog hemelwater gebruikt, alsook recupwater, leidingwater en ondiep grondwater in het productieproces, teneinde te komen tot een sluitende waterbalans. Aan de hand van de voorgelegde waterbalansen van de afgelopen jaren, blijkt dat er bedrijfsmatig nood is aan een stijgende hoeveelheid van ondiep grondwater, voor 2005 bedroeg dit reeds meer dan 102.000 m3/jaar. Er zijn geen alternatieven meer voorhanden voor het gebruik van ondiep grondwater, tenzij leidingwater, dat qua kostprijs duur is, en niet-concurrentieel, en tijdens de periodes van grootste bedrijvigheid, nl. tijdens de zomer, niet steeds in voldoende debieten voorhanden is. E(e)n ander alternatief is de omzet van het bedrijf van verzoekster flink terugschroeven, wat de concurrentiele positie van het bedrijf ernstig aantast, in die mate dat dit zal leiden tot het faillissement van verzoekster. (zie stukken 31 en 32, balansen en jaarrekeningen van de NV PASFROST) Verzoekster wordt gedwongen om op te pompen boven de vergunde debieten, met het reëel gevaar van opstellen van PV van overtreding door de Milieu-Inspectie naar aanleiding van een controle, met reëel gevaar voor vervolging door het Parket, correctionele vervolging, en bevel tot sluiting van het bedrijf, desgevallend uitgesproken door een Correctionele Rechtbank. Indien een geldelijk nadeel zodanige proporties aanneemt dat het ook niet- pecuniaire consequenties voor gevolg heeft, moet wel worden besloten tot een MTHEN (Zie: LANCKSWEERDT, E., 'Het administratief kort geding', Kluwer, Antwerpen, 1993, p 98). 'Indien een administratieve beslissing de levensvatbaarheid van een onderneming in het gedrang brengt (R.v.S., nr 39.428, 21.05.1992, NV CASTERMANS) of haar naar de rand van het faillissement voert (R.v.S. nr 38.506, 16.01.92, DEKONINCK), of nog indien zij haar plaats op de concurrentiemarkt zwaar aantast (R.v.S., nr 39.410, 18.05.92, BVBA MIRAMAG BENELUX; R.v.St., nr 35.474, 27.07.1990, AGRAVITA) of de beëindiging van de economische activiteit in het verschiet brengt (R.v.S., nr 39.158, 03.04.92, NV DIRK; R.v.S., nr 37.526, 12.08.1991, NV DIRK) mag men aannemen dat die bestuurshandeling een MTHEN veroorzaakt'. De kostprijs voor gebruik van ondiep grondwater, dient per m3 geraamd te i i worden op 0,15 , terwijl de kostprijs van leidingwater 1 /m³ bedraagt, dit is i i een verschil van 0,85 , op jaarbasis is dit een bedrag van 86.700 , zijnde bijkomende kost. Doch, het is niet alleen de bijkomende kost, die zwaar zou doorwegen, er is ook nog het gegeven dat leidingwater in de periodes van grootste activiteit in de zomer, niet steeds in voldoende debieten voorhanden is en er derhalve tijdens de VII-36.589-6/11 periode van grootste activiteit een acuut tekort aan vers water zou zijn, waardoor de productie zou stilvallen! Verzoekster heeft zeker in de zomer, meer dan 100 werknemers in dienst, dewelke op non-actief zouden moeten worden gezet, de vaste kosten zouden doorlopen, zonder dat omzet zou kunnen gerealiseerd worden, wat een zware aantasting zou betekenen van de cuncurrentiepositie van verzoekster en de financiële toestand. Verzoekster kent thans sinds 1999 een stijgende tewerkstelling, sociale balans in 1999 van 56,3 tot 77 in 2004, omzetten van 1,1 miljard Bfr tot 3,1 miljard Bfr, periode van 1999 tot einde 2004. Er dient rekening te worden gehouden met het feit dat er in de streek van Ardooie-Ieper-Staden-Roeselare-Tielt, zeker 15 middelgrote tot grote diepvriesbedrijven en groentenverwerkende bedrijven actief zijn, die allen voor het grootste gedeelte van hun productie, zijnde zelfs meer dan 80% aangewezen zijn op export, en derhalve elkaars concurrenten zijn, en allen ook grondwater oppompen, waaronder in het bijzonder diep grondwater, allen uit dezelfde Paleozoische Sokkel, en dat de meeste hebben moeten reduceren op het gebruik ervan, doch waarbij door verzoekster sinds 1998 zware milieu-investeringen werden doorgevoerd, waarbij zelfs meer dan 120 mio Bfr in een installatie omgekeerde osmose, dit teneinde het gebruik van diep grondwater te beperken, juist om aan de voorwaarden van de opgelegde milieuvergunningen te kunnen voldoen, investeringen die uiteraard dienen meegecalculeerd te worden in de (
- de)productiekost, zodat nog eens een bijkomende kost van 86.700 euro op jaarbasis enkel en alleen voor het ondiep grondwater, zeker financieel en concurrentieel (on)haalbaar is. Het is duidelijk dat verzoekster derhalve door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, meer in het bijzonder de gedeeltelijke weigering voor het oppompen van ondiep freatisch grondwater uit de Formatie van Ieper voor 40.000 m³/jaar, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt. Dit is een nadeel dat rechtstreeks voortvloeit uit het bestreden besluit"; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop als volgt reageert : "(...) In de eerste plaats dient al te worden vastgesteld dat verzoekende partij niet het minste bewijs levert voor de bewering als zou het enige alternatief voor het verder deels onvergund werken bestaan in een drastisch terugschroeven van haar omzet. Verzoekende partij heeft eigenlijk een voortrekkersrol gespeeld in de streek Ardooie-Ieper-Staden-Roeselare-Tielt binnen de sector van groentenbedrijven en diepvriesgroentenbedrijven. Zodoende lijdt verzoekende partij eigenlijk minder dan haar andere concurrenten onder het feit dat het oppompen van diep grondwater uit de Sokkel aan banden wordt gelegd. Voor wat betreft het vergunde debiet voor het oppompen van het diepe grondwater uit de Sokkel heeft verzoekende partij zich tevreden gesteld met de bestreden beslissing. De investeringen die verzoekende partij gedaan heeft om haar nood aan bijkomend diep en ondiep grondwater te kunnen afremmen, werpen hun vruchten af. De nv Pasfrost heeft inderdaad grote inspanningen gedaan om water te hergebruiken op haar bedrijf. Uit de eigen studie naar voren gebracht door verzoekende partij naar de invloed van de lozing van fosfor op het ontvangende oppervlaktewater blijkt dat niet minder dan twee derden van de totale waterbehoefte op het bedrijf kan worden VII-36.589-7/11 ingevuld door hergebruikt water (effluentwater uit de biologische zuivering én effluentwater van de omgekeerde osmose). Het water dat werd gezuiverd via de installatie van de omgekeerde osmose is bovendien hoogkwalitatief (van drinkwaterkwaliteit) en dient niet meer te worden behandeld op het bedrijf. Dit gerecupereerd water kan onmiddellijk en zonder voorbehandeling worden gebruikt binnen het productieproces. Alle andere waterbronnen (inclusief uit ondiepe grondwaterwinning) leveren minder kwalitatief water op dat voor minder hoogwaardige toepassingen wordt gebruikt en dat dan ook alvorens gebruik binnen het productieproces nog dient te worden voorbehandeld. Er is in het jaar 2004 een totaal van 42.563 m3 ondiep grondwater opgepompt. Naar het eigen zeggen van verzoekende partij tav de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie heeft het tot midden 2005 (!) geduurd vooraleer er voor het eerst een debiet van 70.000 m3 kon worden bereikt. Verzoekende partij heeft dit op de hoorzitting van de GMVC ingeroepen als een soort 'excuus' waarom zij niet eerder haar metingen voor het voldoen aan de voorwaarden van de proefvergunning had aangevangen. Het bereiken op het bedrijf van een debiet van 70.000 m3/jaar was immers het minimum noodzakelijk om de metingen te kunnen aanvangen waarbij de verschillen in effecten op de omgeving moesten worden getest volgens de bijzondere milieuvoorwaarden tussen een model voor een debiet van 70.000 m3/jaar en een model voor een debiet van 110.000 m3/jaar. Volgens de beweringen van verzoekende partij in haar verzoekschrift voor Uw Raad zou zij thans, zijnde september 2006, al aan een debiet zitten van 102.000 m3/jaar. Een en ander doet vermoeden dat verzoekende partij inderdaad niet happig en haastig is (geweest) om bijkomende onderzoekingen te laten doen naar de noodzakelijkheid van een groter debiet, naar de effecten op de omgeving, naar een beter aanwenden van de waterbronnen op het bedrijf,... . Een bewijs van dit feit alleen al is dat verzoekster ten overstaan van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie uitdrukkelijk gewag maakte van haar voorkeur voor een bijkomende vergunning op proef voor minstens één jaar in afwachting van resultaten van bijkomend onderzoek. De Bestendige Deputatie had reeds opgemerkt dat de prognose in de oorspronkelijke vraag tot uitbreiding van het debiet van de ondiepe grondwaterwinning niet realistisch bleek te zijn. In de proefvergunning voor 2 jaar van 26 mei 2004 had de Minister zich al de vraag gesteld of de werkelijke waterbehoefte in de proefperiode wel zo drastisch zou stijgen (met 10% per jaar) als dat verzoekende partij beweerde. De Minister heeft daarbij geoordeeld dat pas op het einde van de proefvergunning een betere prognose van de werkelijke behoefte aan ondiep water zou kunnen gemaakt worden; Verzoekende partij heeft niet de aanvullende studie laten opstellen waaruit één en ander zou kunnen blijken. Verwerende partij komt hierop later terug naar aanleiding van de bespreking van de middelen strekkende tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Er dient dan ook in de eerste plaats worden vastgesteld dat het verzoekende partij zelf is die onduidelijkheid heeft laten bestaan over de werkelijke noodzaak om boven een debiet van 70.000 m3/jaar ondiep grondwater op te pompen. Verzoekende partij liet deze onduidelijkheid bestaan eerst ten aanzien van de Minister in het kader van de behandeling van de definitieve vergunning na verloop van de proefperiode van twee jaar. Zij laat deze onduidelijkheid bestaan thans ten aanzien van Uw Raad. Indien men dan bekijkt hoe de procentuele verdeling zich voordeed van de op het bedrijf aangewende waterbronnen (minstens ten tijde van het verlenen van de proefvergunning), zal voldoende blijken waarom de Minister in de VII-36.589-8/11 proefvergunning van 26 mei 2004 gevraagd heeft om meer duidelijkheid te verschaffen in de vorm van een bijkomende studie door een erkende expert : - gewoon recuperatiewater : 50% van het in totaal op het bedrijf aangewende water - recuperatiewater met de omgekeerde osmose-installatie behandeld : 16 % van het in totaal op het bedrijf aangewende water - hemelwater : 13 % van het in totaal op het bedrijf aangewende water - sokkelwater : 3% van het in totaal op het bedrijf aangewende water; - ondiep grondwater : 17% van het in totaal aangewende water op het bedrijf Verzoekende partij zal aan Uw Raad moeten uitleggen waarom de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing (en meer bepaald de specifieke begrenzing in het MB van het debiet van ondiep grondwater tot 70.000 m3/jaar) ineens zo een zware gevolgen zou hebben voor het bedrijf van verzoekende partij. Verzoekende partij levert dit bewijs op geen enkele manier, terwijl zij dit toch zou behoren te doen. Zij moest dit thans doen in haar verzoekschrift in het kader van de uiteenzetting van haar beweerd geleden moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Verzoekende partij zal aan Uw Raad moeten uitleggen waarom de (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing haar op enigerlei wijze zal vrijwaren naar de toekomst van enige verdere toekomstige beperking door de milieuvergunnende overheid van het debiet voor ondiep grondwater. Gesteld immers dat Uw Raad de tenuitvoerlegging zou schorsen én het MB zou vernietigen (quod certe non, zoals zal blijken uit de uiteenzetting van verwerende partij naar aanleiding van de bespreking van de middelen strekkende tot de nietigverklaring), dan heeft dit nooit automatisch tot gevolg dat verzoekende partij in de toekomst sowieso recht zou krijgen op hogere debieten voor het oppompen van ondiep grondwater. Als Uw Raad de tenuitvoerlegging zou schorsen én het MB zou vernietigen (quod certe non) zal dit enkel aanleiding geven tot een nieuwe beslissing van de Minister omtrent de definitieve vergunning nà proefvergunning. Verzoekende partij stelt het voor alsof zij het slachtoffer geworden zou zijn van een meedogenloze overheid die het haar onmogelijk maakt om aan haar milieuvoorwaarden te voldoen, waardoor zij zich noodgedwongen dient bloot te stellen aan sancties. Zoals ook zal blijken uit de uiteenzetting mbt de middelen strekkende tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing is verzoekende partij ruim laat met haar kritiek op bepaalde bijzondere milieuvoorwaarden die eerst de Bestendige Deputatie in eerste aanleg en later de Minister in graad van beroep in de proefvergunning aan de exploitant heeft opgelegd. Verzoekster bewijst totaal niet dat de begrenzing van het oppompen op het bedrijf van ondiep grondwater tot een debiet van 70.000 m3 een ernstig nadeel zou opleveren voor haar productie en bijgevolg voor haar omzet. Verzoekster heeft immers nooit de zekerheid gehad dat zij bij de definitieve vergunningsbeslissing zou toegelaten worden tot het beoogde hoger debiet van 110.000 m3/jaar. De beslissing van 26 mei 2004 is en blijft een vergunning op proef voor twee jaar. Verzoekster wordt door de huidige bestreden beslissing niets 'afgenomen' dat zij al definitief zou gekregen hebben van de milieuverlenende overheid. De winning van ondiep grondwater maakt, het zij herhaald, bovendien (een) slechts een kleine deelfractie uit van de waterbronnen aangewend bij het productieproces op het bedrijf (niet meer dan 17% van het totaal benodigde water) VII-36.589-9/11 Niets bewijst dat verzoekende partij binnen haar bedrijf niet op een relatief eenvoudige wijze een alternatief zou kunnen zoeken voor problemen met deze kleine deelfractie van het door haar aangewende water. Verzoekster bewijst nog minder dat de begrenzing een ernstig nadeel zou kunnen opleveren dat bovendien moeilijk te herstellen zou zijn. Door het enkele feit dat verzoekster zware inspanningen heeft geleverd om te investeren in nieuwe technologieën (omgekeerde osmose) om van afvalwater op het bedrijf hoogwaardig water van drinkwaterkwaliteit te kunnen maken en door het feit dat verzoekster slechts voor een minderheid van het water nodig voor het productieproces (voor minder dan één derde) dient een beroep te doen op andere waterbronnen dan recuperatiewater dat binnen het eigen bedrijf wordt gezuiverd (recuperatiewater wordt immers nu al voor twee derden aangewend), staat zij in de praktijk sterker dan haar concurrenten die niet zoveel hebben geïnvesteerd in de recuperatie van het water en die voor een groter deel dan zijzelf een beroep dienen te doen op het blijven oppompen van diep grondwater. Er kan dan ook geen sprake zijn van een bewezen moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van de verzoekster als een rechtstreeks gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing"; 2.3. Overwegende, vooreerst, dat het door de verzoekende partij aangevoerd nadeel een financieel nadeel uitmaakt, namelijk de meerprijs die zou moeten worden betaald voor het gebruik van leidingwater; dat, behoudens bijzondere omstandigheden, dergelijk nadeel niet moeilijk te herstellen is; dat dit in de onderhavige zaak niet anders is nu volgens de verzoekende partij zelf die bijkomende kost geraamd kan worden op 86.700 euro per jaar, terwijl volgens het jaarresultaat voor december 2003 tot november 2004 een winst na belasting werd gerealiseerd van 459.000 euro; dat aldus de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit het voortbestaan van de verzoekende partij geenszins in het gedrang brengt; dat, voorts, uit de gegevens van de zaak blijkt dat het aangevoerd nadeel voortvloeit uit het verzuim van de verzoekende partij zelf; dat, immers, het oppompen van de extra 46.000 m³ grondwater per jaar bij besluit van 26 mei 2004 slechts werd vergund voor een termijn op proef van twee jaar, die moest dienen om twee studies voor te leggen waarvan de eerste een aanvullende studie betreft om de gevolgen van de gevraagde vergunning te kunnen inschatten en de tweede een nieuwe studie is om de noodzaak van de uitbreiding te kunnen beoordelen; dat de verzoekende partij evenwel de eerste aanvullende studie nooit heeft bezorgd en de tweede laattijdig; dat de verzoekende partij in het eerste middel tevergeefs het nut en de praktische haalbaarheid van de genoemde aanvullende studie bekritiseert; dat immers die studie werd opgelegd bij beslissing van 26 mei 2004 die niet werd aangevochten voor de Raad van State en dat bovendien de verzoekende partij op geen enkel moment tijdens de proefperiode eventuele problemen terzake aan het bestuur heeft gesignaleerd; dat zij blijkbaar pas in oktober 2005 de eerste concrete stappen voor het eventueel laten uitvoeren van deze studie heeft ondernomen; dat, indien de productie inderdaad zou moeten VII-36.589-10/11 worden verminderd ten opzichte van de productie gerealiseerd op basis van een precaire vergunning, de verzoekende partij deze vermindering aan zichzelf heeft te danken; Overwegende dat derhalve aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien januari tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-36.589-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.910 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.298 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div