← België

Arrest 166910 - Milieuvergunningen - 18/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.910 Rolnummer: A. 177224/VII-36589 Zaak: Arrest 166910 - Milieuvergunningen - 18/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-26 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 13:53 Fiche Arrest nr 166.910 van 18 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.910 van 18 januari 2007 in de zaak A. 177.224/VII-36.

  1. In zake : de n.v. PASFROST, die woonplaats kiest bij advocaat M. RYELANDT, kantoor houdende te BRUGGE, Filips de Goedelaan 11 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. PASFROST op 28 september 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 27 juli 2006, houdende definitieve uitspraak na een proefvergunning, verleend aan de verzoekende partij, voor de exploitatie van een diepvriesgroentenbe- drijf, gelegen aan de Passendalestraat 80 te Passendale (Zonnebeke); Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 december 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; VII-36.589-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. RYELANDT, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. DE BISSCHOP die, loco advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij exploiteert een bedrijf waar groenten worden bewerkt en diepgevroren. Ze beschikt voor de exploitatie over een meermaals gewijzigde basisvergunning, die nog loopt tot 1 september
  5. De betwisting betreft enkel de van de inrichting deel uitmakende grondwaterwinning. 1.
  6. Op 16 juli 2003 dient de verzoekende partij een milieuvergunnings- aanvraag in voor een aantal veranderingen. Op 6 november 2003 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen over de aanvraag. Relevant in de onderhavige zaak is de beslissing die werd genomen inzake de winning van ondiep grondwater (uit het Ieperiaans zand) : er werd gevraagd 110.000 m³ per jaar te mogen oppompen, maar de bestendige deputatie vergunt slechts 70.000 m³, voor een termijn van vijf jaar. Binnen die termijn dient een hydrogeologische studie te worden uitgevoerd, waaruit de effecten moeten blijken van het oppompen van zowel het vergunde als van het gevraagde debiet. Desbetreffend wordt het volgende gesteld : "Aanvrager dient een hydrogeologische studie te laten uitvoeren door een erkend deskundige grondwater. In deze studie dient het effect van de ondiepe grondwaterwinning uitvoerig onderzocht worden, zodoende dat de invloeds- straal van de winning en de effecten op de winningen in de omgeving gekend zijn. Dit houdt een gedetailleerde grondwatermodellering in voor verschillende debieten (70.000 m3/jaar en 110.000 m3/jaar), zodat kan ingeschat worden of de watervoerende laag de debieten aankan. De impact op grondwaterwinningen in de omgeving en de verlaging van de watertafel in de omgeving dienen grondig bestudeerd. De hydrogeologische parameters die in deze modellering gebruikt worden, moeten afgeleid worden uit een pompproef (geen putproef) die op het bedrijfsterrein zelf wordt uitgevoerd. Deze pompproef wordt bij voorkeur uitgevoerd op een zo groot mogelijke afstand van oppervlaktewater (beek/gracht/vijver). Gedurende deze pompproef dienen alle andere winningen in de ondiepe boorputten stil te liggen. Binnen 2 jaar na datum besluit dient deze VII-36.589-2/11 studie overgemaakt aan de vergunningverlenende overheid, Afdeling Water, afdeling Milieuvergunningen en de Vlaamse Milieumaatschappij". 1.
  7. De verzoekende partij tekent tegen die beslissing administratief beroep aan. De verwerende partij beslist op 26 mei 2004 over dit beroep. Er wordt een vergunning verleend voor een proeftermijn van twee jaar, voor de gevraagde 110.000 m³. De bijzondere vergunningsvoorwaarde inzake de hydrogeologische studie wordt aangevuld met een tweede lid dat luidt als volgt : "Het studierapport van 15 april 2004 dat door de exploitant tijdens de beroepsprocedure werd toegevoegd aan het dossier moet conform de bepalingen van het eerste lid nog gepast worden aangevuld. Hierbij worden tevens de landbouwopbrengsten bepaald in een straal van 1 km rond het bedrijf; deze opbrengsten moeten vergeleken worden met de opbrengsten uit een referentiege- bied met gelijkaardige bodems en landgebruik in de omgeving De studie moet uitgevoerd worden door een erkend milieudeskundige. De aanpak wordt vooraf besproken met de afdeling Water. Het eindrapport wordt voorgelegd voor 1 mei 2006". Tevens wordt een bijkomende studie opgelegd : "Er dient een degelijke studie van de waterbalans uitgevoerd te worden waarin lozings- en watergebruiksproblematiek samen worden doorgelicht; deze studie dient te worden opgestuurd naar de Afdeling Water tegen uiterlijk 1 mei 2006". 1.
  8. Ten behoeve van de te nemen definitieve beslissing na de proeftermijn, worden volgende adviezen verleend : - de Vlaamse Milieumaatschappij "sluit zich aan bij de bevoegde instanties"; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert gunstig; - de afdeling Monumenten en Landschappen evalueert de landschappelijke integratie van het bedrijf als negatief; - de afdeling Water laat weten dat de aangevraagde aanvulling op de hydrogeolische studie niet werd bezorgd, en dat de gevraagde studie van de waterbalans laattijdig werd bezorgd; ze adviseert het debiet opnieuw te beperken tot de door de bestendige deputatie vergunde 70.000 m³, voor een termijn samenvallend met de basisvergunning; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert zoals de afdeling Water; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie ten slotte adviseert zoals de afdelingen Water en Milieuvergunningen. VII-36.589-3/11 1.
  9. Op 27 juli 2006 wordt het bestreden besluit genomen : de ondiepe grondwaterwinning (winning uit de "Ieperiaanse Zanden" of nog uit de "Formatie van Ieper") wordt vergund voor een debiet van 70.000 m³ per jaar (300 m³ per dag), voor een termijn samenvallend met de basisvergunning, tot 1 september
  10. In essentie gaat de motivering als volgt : "(...) Overwegende dat er in eerste aanleg een vergunning voor een termijn verstrijkend op 6 november 2008 voor de grondwaterwinningen, werd verleend voor : - de verdere exploitatie van de grondwaterwinning met een debiet van maximum 260 m3/dag en 45.000 m3/jaar uit de Paleozoïsche sokkel; - de verdere exploitatie van de grondwaterwinning (een debiet van maximum 280 m3/dag en 64.000 m3/jaar) en de uitbreiding (met een debiet van maximum 20 m3/dag en 6.000 m3/jaar) tot een debiet van maximum 300 m3/dag en 70.000 m3/jaar uit de Ieperiaanse Zanden; Dat in eerste aanleg vergunning werd geweigerd voor de uitbreiding van de grondwaterwinning uit de Ieperiaanse Zanden met een debiet van maximum 450 m3/dag en 40.000 m3/jaar; Overwegende dat het besluit van de bestendige deputatie na beroep door de minister gewijzigd wordt; dat er een proefvergunning voor een termijn van 2 jaar, verstrijkend op 26 augustus 2006, wordt verleend voor : - de verdere exploitatie van de grondwaterwinning met een debiet van maximum 260 m3/dag en 45.000 m3/jaar uit de Paleozoïsche sokkel; - de verdere exploitatie van de grondwaterwinning (een debiet van maximum 280 m3/dag en 64.000 m3/jaar) en de uitbreiding (met een debiet van maximum 470 m3/dag en 46.000 m3/jaar) tot een debiet van maximum 750 m3/dag en 110.000 m3/jaar uit de Ieperiaanse Zanden; (...) Overwegende dat in het ministerieel besluit, waarbij de grondwaterwinning volledig vergund werd, maar dan op proef voor 2 jaar, de volgende voorwaarden bijkomend opgelegd werden : 'a) voorwaarde 10 wordt aangevuld met een tweede lid dat luidt als volgt : 'Het studierapport van 15 april 2004 dat door de exploitant tijdens de beroepsprocedure werd toegevoegd aan het dossier, moet conform de bepalingen van het eerste lid nog gepast worden aangevuld. Hierbij worden tevens de landbouwopbrengsten bepaald in een straal van 1 km rond het bedrijf; deze opbrengsten moeten vergeleken worden met de opbrengsten uit een referentiegebied met gelijkaardige bodems en landgebruik in de omgeving. De studie moet uitgevoerd worden door een erkend milieudeskundige. De aanpak wordt vooraf besproken met de afdeling Water. Het eindrapport wordt voorgelegd voor 1 mei 2006'; b) een nieuwe voorwaarde 11 wordt toegevoegd die luidt als volgt : 'Er dient een degelijke studie van de waterbalans uitgevoerd te worden waarin lozings- en watergebruiksproblematiek samen worden doorgelicht. Deze studie dient te worden opgestuurd naar de afdeling Water tegen uiterlijk 1 mei 2006';'; (...) Overwegende dat de exploitant tijdens de vergadering op 20 juni 2006 en eveneens met zijn brief van 17 mei 2006 de voorwaarde inzake de aanvulling van de hydrogeologische studie met een studie in verband met de VII-36.589-4/11 landbouwopbrengsten in vraag stelt; dat deze voorwaarde nog steeds niet uitgevoerd werd; dat de exploitant pas in oktober 2005 prijsaanvragen voor deze studie naar verschillende studiebureau’s heeft gestuurd, wat veel te laat is om nog een zinvolle uitwerking van deze voorwaarde te verwezenlijken tegen 1 mei 2006; dat deze aanvullende studie bovendien belangrijk is, aangezien de mogelijke invloed van het bedrijf op het droogstaan van verschillende ondiepe waterputten in de omgeving van het bedrijf; dat het bijgevolg nog steeds niet duidelijk is of een grote uitbreiding van het debiet van deze ondiepe grondwaterwinning (met 40.000 m3/jaar) verantwoord is; Overwegende dat in het evaluatieverslag van 21 juni 2006 van de afdeling Milieu-Inspectie het volgende vermeld wordt : 'Op 2 juni 2006 hebben we een inspectie ter plaatse uitgevoerd. De studies, die in artikel 2.4/ als bijzondere voorwaarde in de vergunning van 26 mei 2004, werden opgelegd, hebben we opgevraagd. De nv Pasfrost heeft een waterbalans opgemaakt. De opgelegde vergelijkende studie over de landbouwopbrengsten in een straal van 1 km rond het bedrijf met de opbrengsten buiten die zone is niet uitgevoerd. Volgens het bedrijf werden er daarvoor offertes gevraagd bij verschillende studiebureau’s maar kon de studie niet toegewezen worden (geen voorstel ontvangen van de studiebureau’s, of een te hoge prijs). Op 7 juni 2006 werd ons door T&D, studiebureau van de firma, een bundel toegestuurd met o.a. de waterbalans en een opsomming van de studiebureau's waarbij een offerte werd gevraagd. In bijlage

(1)maken we er u een dubbel van over. Op 8 juni 2006 heeft de nv Pasfrost ons nog een kopie overgemaakt van een brief van de gemeente Zonnebeke waarin gemeld wordt dat er bij hen geen klachten werden ingediend door landbouwers. In de laatste alinea schrijft het gemeentebestuur evenwel dat er uit de bezoeken aan enkele omwonenden blijkt dat de ondiepe waterputten droog staan. Een kopie van deze brief van het gemeentebestuur van 22 mei 2006 is bijgevoegd (bijlage 2). Bij Milieu-Inspectie werden geen klachten ingediend. Gelet op het niet uitvoeren van de vergelijkende studie over de landbouwopbrengsten en gelet op het feit dat er in de brief van de gemeente Zonnebeke wordt aangegeven dat er een impact is op de ondiepe waterputten in de omgeving van het bedrijf lijkt het ons aangewezen om het debiet van de ondiepe grondwaterwinning te beperken'; Overwegende dat uit het bovengaande duidelijk wordt dat enkel een definitieve vergunning kan gegeven worden voor wat oorspronkelijk in eerste aanleg door de bestendige deputatie vergund werd, namelijk een vergunning voor de hernieuwing van de 2 grondwaterwinningen, de diepe en de ondiepe en een vergunning voor een kleine uitbreiding van de grondwaterwinning, namelijk met een debiet van 20 m3/dag en 6000 m3/jaar uit de Formatie van Ieper; dat het verlenen van de definitieve vergunning voor een grote uitbreiding van het debiet van de ondiepe grondwaterwinning in dit geval niet verantwoord is; (...)"; 2. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen VII-36.589-5/11 verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij volgend betoog houdt : "Door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, meer in het bijzonder wat betreft de weigering voor oppompen van ondiep grondwater voor een bijkomend debiet van 40.000 m³/jaar, zal verzoekster zeer ernstige schade lijden, in die zin zelfs dat de uitbating van het bedrijf van verzoekster hierdoor onmogelijk wordt. Naast het oppompen van diep grondwater uit de Paleozoische Sokkel, dat de laatste jaren, onder druk van gereduceerde vergunning, sterk werd gereduceerd, wordt ook nog hemelwater gebruikt, alsook recupwater, leidingwater en ondiep grondwater in het productieproces, teneinde te komen tot een sluitende waterbalans. Aan de hand van de voorgelegde waterbalansen van de afgelopen jaren, blijkt dat er bedrijfsmatig nood is aan een stijgende hoeveelheid van ondiep grondwater, voor 2005 bedroeg dit reeds meer dan 102.000 m3/jaar. Er zijn geen alternatieven meer voorhanden voor het gebruik van ondiep grondwater, tenzij leidingwater, dat qua kostprijs duur is, en niet-concurrentieel, en tijdens de periodes van grootste bedrijvigheid, nl. tijdens de zomer, niet steeds in voldoende debieten voorhanden is. E(e)n ander alternatief is de omzet van het bedrijf van verzoekster flink terugschroeven, wat de concurrentiele positie van het bedrijf ernstig aantast, in die mate dat dit zal leiden tot het faillissement van verzoekster. (zie stukken 31 en 32, balansen en jaarrekeningen van de NV PASFROST) Verzoekster wordt gedwongen om op te pompen boven de vergunde debieten, met het reëel gevaar van opstellen van PV van overtreding door de Milieu-Inspectie naar aanleiding van een controle, met reëel gevaar voor vervolging door het Parket, correctionele vervolging, en bevel tot sluiting van het bedrijf, desgevallend uitgesproken door een Correctionele Rechtbank. Indien een geldelijk nadeel zodanige proporties aanneemt dat het ook niet- pecuniaire consequenties voor gevolg heeft, moet wel worden besloten tot een MTHEN (Zie: LANCKSWEERDT, E., 'Het administratief kort geding', Kluwer, Antwerpen, 1993, p 98). 'Indien een administratieve beslissing de levensvatbaarheid van een onderneming in het gedrang brengt (R.v.S., nr 39.428, 21.05.1992, NV CASTERMANS) of haar naar de rand van het faillissement voert (R.v.S. nr 38.506, 16.01.92, DEKONINCK), of nog indien zij haar plaats op de concurrentiemarkt zwaar aantast (R.v.S., nr 39.410, 18.05.92, BVBA MIRAMAG BENELUX; R.v.St., nr 35.474, 27.07.1990, AGRAVITA) of de beëindiging van de economische activiteit in het verschiet brengt (R.v.S., nr 39.158, 03.04.92, NV DIRK; R.v.S., nr 37.526, 12.08.1991, NV DIRK) mag men aannemen dat die bestuurshandeling een MTHEN veroorzaakt'. De kostprijs voor gebruik van ondiep grondwater, dient per m3 geraamd te i i worden op 0,15 , terwijl de kostprijs van leidingwater 1 /m³ bedraagt, dit is i i een verschil van 0,85 , op jaarbasis is dit een bedrag van 86.700 , zijnde bijkomende kost. Doch, het is niet alleen de bijkomende kost, die zwaar zou doorwegen, er is ook nog het gegeven dat leidingwater in de periodes van grootste activiteit in de zomer, niet steeds in voldoende debieten voorhanden is en er derhalve tijdens de VII-36.589-6/11 periode van grootste activiteit een acuut tekort aan vers water zou zijn, waardoor de productie zou stilvallen! Verzoekster heeft zeker in de zomer, meer dan 100 werknemers in dienst, dewelke op non-actief zouden moeten worden gezet, de vaste kosten zouden doorlopen, zonder dat omzet zou kunnen gerealiseerd worden, wat een zware aantasting zou betekenen van de cuncurrentiepositie van verzoekster en de financiële toestand. Verzoekster kent thans sinds 1999 een stijgende tewerkstelling, sociale balans in 1999 van 56,3 tot 77 in 2004, omzetten van 1,1 miljard Bfr tot 3,1 miljard Bfr, periode van 1999 tot einde 2004. Er dient rekening te worden gehouden met het feit dat er in de streek van Ardooie-Ieper-Staden-Roeselare-Tielt, zeker 15 middelgrote tot grote diepvriesbedrijven en groentenverwerkende bedrijven actief zijn, die allen voor het grootste gedeelte van hun productie, zijnde zelfs meer dan 80% aangewezen zijn op export, en derhalve elkaars concurrenten zijn, en allen ook grondwater oppompen, waaronder in het bijzonder diep grondwater, allen uit dezelfde Paleozoische Sokkel, en dat de meeste hebben moeten reduceren op het gebruik ervan, doch waarbij door verzoekster sinds 1998 zware milieu-investeringen werden doorgevoerd, waarbij zelfs meer dan 120 mio Bfr in een installatie omgekeerde osmose, dit teneinde het gebruik van diep grondwater te beperken, juist om aan de voorwaarden van de opgelegde milieuvergunningen te kunnen voldoen, investeringen die uiteraard dienen meegecalculeerd te worden in de (
  1. de)productiekost, zodat nog eens een bijkomende kost van 86.700 euro op jaarbasis enkel en alleen voor het ondiep grondwater, zeker financieel en concurrentieel (on)haalbaar is. Het is duidelijk dat verzoekster derhalve door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, meer in het bijzonder de gedeeltelijke weigering voor het oppompen van ondiep freatisch grondwater uit de Formatie van Ieper voor 40.000 m³/jaar, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt. Dit is een nadeel dat rechtstreeks voortvloeit uit het bestreden besluit"; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop als volgt reageert : "(...) In de eerste plaats dient al te worden vastgesteld dat verzoekende partij niet het minste bewijs levert voor de bewering als zou het enige alternatief voor het verder deels onvergund werken bestaan in een drastisch terugschroeven van haar omzet. Verzoekende partij heeft eigenlijk een voortrekkersrol gespeeld in de streek Ardooie-Ieper-Staden-Roeselare-Tielt binnen de sector van groentenbedrijven en diepvriesgroentenbedrijven. Zodoende lijdt verzoekende partij eigenlijk minder dan haar andere concurrenten onder het feit dat het oppompen van diep grondwater uit de Sokkel aan banden wordt gelegd. Voor wat betreft het vergunde debiet voor het oppompen van het diepe grondwater uit de Sokkel heeft verzoekende partij zich tevreden gesteld met de bestreden beslissing. De investeringen die verzoekende partij gedaan heeft om haar nood aan bijkomend diep en ondiep grondwater te kunnen afremmen, werpen hun vruchten af. De nv Pasfrost heeft inderdaad grote inspanningen gedaan om water te hergebruiken op haar bedrijf. Uit de eigen studie naar voren gebracht door verzoekende partij naar de invloed van de lozing van fosfor op het ontvangende oppervlaktewater blijkt dat niet minder dan twee derden van de totale waterbehoefte op het bedrijf kan worden VII-36.589-7/11 ingevuld door hergebruikt water (effluentwater uit de biologische zuivering én effluentwater van de omgekeerde osmose). Het water dat werd gezuiverd via de installatie van de omgekeerde osmose is bovendien hoogkwalitatief (van drinkwaterkwaliteit) en dient niet meer te worden behandeld op het bedrijf. Dit gerecupereerd water kan onmiddellijk en zonder voorbehandeling worden gebruikt binnen het productieproces. Alle andere waterbronnen (inclusief uit ondiepe grondwaterwinning) leveren minder kwalitatief water op dat voor minder hoogwaardige toepassingen wordt gebruikt en dat dan ook alvorens gebruik binnen het productieproces nog dient te worden voorbehandeld. Er is in het jaar 2004 een totaal van 42.563 m3 ondiep grondwater opgepompt. Naar het eigen zeggen van verzoekende partij tav de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie heeft het tot midden 2005 (!) geduurd vooraleer er voor het eerst een debiet van 70.000 m3 kon worden bereikt. Verzoekende partij heeft dit op de hoorzitting van de GMVC ingeroepen als een soort 'excuus' waarom zij niet eerder haar metingen voor het voldoen aan de voorwaarden van de proefvergunning had aangevangen. Het bereiken op het bedrijf van een debiet van 70.000 m3/jaar was immers het minimum noodzakelijk om de metingen te kunnen aanvangen waarbij de verschillen in effecten op de omgeving moesten worden getest volgens de bijzondere milieuvoorwaarden tussen een model voor een debiet van 70.000 m3/jaar en een model voor een debiet van 110.000 m3/jaar. Volgens de beweringen van verzoekende partij in haar verzoekschrift voor Uw Raad zou zij thans, zijnde september 2006, al aan een debiet zitten van 102.000 m3/jaar. Een en ander doet vermoeden dat verzoekende partij inderdaad niet happig en haastig is (geweest) om bijkomende onderzoekingen te laten doen naar de noodzakelijkheid van een groter debiet, naar de effecten op de omgeving, naar een beter aanwenden van de waterbronnen op het bedrijf,... . Een bewijs van dit feit alleen al is dat verzoekster ten overstaan van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie uitdrukkelijk gewag maakte van haar voorkeur voor een bijkomende vergunning op proef voor minstens één jaar in afwachting van resultaten van bijkomend onderzoek. De Bestendige Deputatie had reeds opgemerkt dat de prognose in de oorspronkelijke vraag tot uitbreiding van het debiet van de ondiepe grondwaterwinning niet realistisch bleek te zijn. In de proefvergunning voor 2 jaar van 26 mei 2004 had de Minister zich al de vraag gesteld of de werkelijke waterbehoefte in de proefperiode wel zo drastisch zou stijgen (met 10% per jaar) als dat verzoekende partij beweerde. De Minister heeft daarbij geoordeeld dat pas op het einde van de proefvergunning een betere prognose van de werkelijke behoefte aan ondiep water zou kunnen gemaakt worden; Verzoekende partij heeft niet de aanvullende studie laten opstellen waaruit één en ander zou kunnen blijken. Verwerende partij komt hierop later terug naar aanleiding van de bespreking van de middelen strekkende tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Er dient dan ook in de eerste plaats worden vastgesteld dat het verzoekende partij zelf is die onduidelijkheid heeft laten bestaan over de werkelijke noodzaak om boven een debiet van 70.000 m3/jaar ondiep grondwater op te pompen. Verzoekende partij liet deze onduidelijkheid bestaan eerst ten aanzien van de Minister in het kader van de behandeling van de definitieve vergunning na verloop van de proefperiode van twee jaar. Zij laat deze onduidelijkheid bestaan thans ten aanzien van Uw Raad. Indien men dan bekijkt hoe de procentuele verdeling zich voordeed van de op het bedrijf aangewende waterbronnen (minstens ten tijde van het verlenen van de proefvergunning), zal voldoende blijken waarom de Minister in de VII-36.589-8/11 proefvergunning van 26 mei 2004 gevraagd heeft om meer duidelijkheid te verschaffen in de vorm van een bijkomende studie door een erkende expert : - gewoon recuperatiewater : 50% van het in totaal op het bedrijf aangewende water - recuperatiewater met de omgekeerde osmose-installatie behandeld : 16 % van het in totaal op het bedrijf aangewende water - hemelwater : 13 % van het in totaal op het bedrijf aangewende water - sokkelwater : 3% van het in totaal op het bedrijf aangewende water; - ondiep grondwater : 17% van het in totaal aangewende water op het bedrijf Verzoekende partij zal aan Uw Raad moeten uitleggen waarom de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing (en meer bepaald de specifieke begrenzing in het MB van het debiet van ondiep grondwater tot 70.000 m3/jaar) ineens zo een zware gevolgen zou hebben voor het bedrijf van verzoekende partij. Verzoekende partij levert dit bewijs op geen enkele manier, terwijl zij dit toch zou behoren te doen. Zij moest dit thans doen in haar verzoekschrift in het kader van de uiteenzetting van haar beweerd geleden moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Verzoekende partij zal aan Uw Raad moeten uitleggen waarom de (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing haar op enigerlei wijze zal vrijwaren naar de toekomst van enige verdere toekomstige beperking door de milieuvergunnende overheid van het debiet voor ondiep grondwater. Gesteld immers dat Uw Raad de tenuitvoerlegging zou schorsen én het MB zou vernietigen (quod certe non, zoals zal blijken uit de uiteenzetting van verwerende partij naar aanleiding van de bespreking van de middelen strekkende tot de nietigverklaring), dan heeft dit nooit automatisch tot gevolg dat verzoekende partij in de toekomst sowieso recht zou krijgen op hogere debieten voor het oppompen van ondiep grondwater. Als Uw Raad de tenuitvoerlegging zou schorsen én het MB zou vernietigen (quod certe non) zal dit enkel aanleiding geven tot een nieuwe beslissing van de Minister omtrent de definitieve vergunning nà proefvergunning. Verzoekende partij stelt het voor alsof zij het slachtoffer geworden zou zijn van een meedogenloze overheid die het haar onmogelijk maakt om aan haar milieuvoorwaarden te voldoen, waardoor zij zich noodgedwongen dient bloot te stellen aan sancties. Zoals ook zal blijken uit de uiteenzetting mbt de middelen strekkende tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing is verzoekende partij ruim laat met haar kritiek op bepaalde bijzondere milieuvoorwaarden die eerst de Bestendige Deputatie in eerste aanleg en later de Minister in graad van beroep in de proefvergunning aan de exploitant heeft opgelegd. Verzoekster bewijst totaal niet dat de begrenzing van het oppompen op het bedrijf van ondiep grondwater tot een debiet van 70.000 m3 een ernstig nadeel zou opleveren voor haar productie en bijgevolg voor haar omzet. Verzoekster heeft immers nooit de zekerheid gehad dat zij bij de definitieve vergunningsbeslissing zou toegelaten worden tot het beoogde hoger debiet van 110.000 m3/jaar. De beslissing van 26 mei 2004 is en blijft een vergunning op proef voor twee jaar. Verzoekster wordt door de huidige bestreden beslissing niets 'afgenomen' dat zij al definitief zou gekregen hebben van de milieuverlenende overheid. De winning van ondiep grondwater maakt, het zij herhaald, bovendien (een) slechts een kleine deelfractie uit van de waterbronnen aangewend bij het productieproces op het bedrijf (niet meer dan 17% van het totaal benodigde water) VII-36.589-9/11 Niets bewijst dat verzoekende partij binnen haar bedrijf niet op een relatief eenvoudige wijze een alternatief zou kunnen zoeken voor problemen met deze kleine deelfractie van het door haar aangewende water. Verzoekster bewijst nog minder dat de begrenzing een ernstig nadeel zou kunnen opleveren dat bovendien moeilijk te herstellen zou zijn. Door het enkele feit dat verzoekster zware inspanningen heeft geleverd om te investeren in nieuwe technologieën (omgekeerde osmose) om van afvalwater op het bedrijf hoogwaardig water van drinkwaterkwaliteit te kunnen maken en door het feit dat verzoekster slechts voor een minderheid van het water nodig voor het productieproces (voor minder dan één derde) dient een beroep te doen op andere waterbronnen dan recuperatiewater dat binnen het eigen bedrijf wordt gezuiverd (recuperatiewater wordt immers nu al voor twee derden aangewend), staat zij in de praktijk sterker dan haar concurrenten die niet zoveel hebben geïnvesteerd in de recuperatie van het water en die voor een groter deel dan zijzelf een beroep dienen te doen op het blijven oppompen van diep grondwater. Er kan dan ook geen sprake zijn van een bewezen moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van de verzoekster als een rechtstreeks gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing"; 2.3. Overwegende, vooreerst, dat het door de verzoekende partij aangevoerd nadeel een financieel nadeel uitmaakt, namelijk de meerprijs die zou moeten worden betaald voor het gebruik van leidingwater; dat, behoudens bijzondere omstandigheden, dergelijk nadeel niet moeilijk te herstellen is; dat dit in de onderhavige zaak niet anders is nu volgens de verzoekende partij zelf die bijkomende kost geraamd kan worden op 86.700 euro per jaar, terwijl volgens het jaarresultaat voor december 2003 tot november 2004 een winst na belasting werd gerealiseerd van 459.000 euro; dat aldus de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit het voortbestaan van de verzoekende partij geenszins in het gedrang brengt; dat, voorts, uit de gegevens van de zaak blijkt dat het aangevoerd nadeel voortvloeit uit het verzuim van de verzoekende partij zelf; dat, immers, het oppompen van de extra 46.000 m³ grondwater per jaar bij besluit van 26 mei 2004 slechts werd vergund voor een termijn op proef van twee jaar, die moest dienen om twee studies voor te leggen waarvan de eerste een aanvullende studie betreft om de gevolgen van de gevraagde vergunning te kunnen inschatten en de tweede een nieuwe studie is om de noodzaak van de uitbreiding te kunnen beoordelen; dat de verzoekende partij evenwel de eerste aanvullende studie nooit heeft bezorgd en de tweede laattijdig; dat de verzoekende partij in het eerste middel tevergeefs het nut en de praktische haalbaarheid van de genoemde aanvullende studie bekritiseert; dat immers die studie werd opgelegd bij beslissing van 26 mei 2004 die niet werd aangevochten voor de Raad van State en dat bovendien de verzoekende partij op geen enkel moment tijdens de proefperiode eventuele problemen terzake aan het bestuur heeft gesignaleerd; dat zij blijkbaar pas in oktober 2005 de eerste concrete stappen voor het eventueel laten uitvoeren van deze studie heeft ondernomen; dat, indien de productie inderdaad zou moeten VII-36.589-10/11 worden verminderd ten opzichte van de productie gerealiseerd op basis van een precaire vergunning, de verzoekende partij deze vermindering aan zichzelf heeft te danken; Overwegende dat derhalve aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien januari tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-36.589-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.910 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.298 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.