id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.911 Rolnummer: A. 177275/VII-36601 Zaak: Arrest 166911 - Milieuvergunningen - 18/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-30 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 13:53 Fiche Arrest nr 166.911 van 18 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.911 van 18 januari 2007 in de zaak A. 177.275/VII-36.
- In zake : Henri VANVOORDEN, die woonplaats kiest bij advocaat I. DEDECKER, kantoor houdende te GENK, Sint-Martensbergstraat 9 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
- tussenkomende partij : Antoon LAVRIJSEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. SURMONT, kantoor houdende te TURNHOUT, de Merodelei
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Henri VANVOORDEN op 30 september 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 25 juli 2006 waarbij deze het beroep dat door Antoon LAVRIJSEN werd ingediend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 23 februari 2006, houdende weigering van een vergunning voor het veranderen door toevoeging en uitbreiding van een vergund varkensbedrijf, gegrond verklaart, de beroepen beslissing opheft en de vergunning toekent; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; VII-36.601-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 16 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 december 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. DEDECKER, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat J. DE CONINCK die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. SURMONT, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat met een verzoekschrift van 19 oktober 2006 Antoon LAVRIJSEN, begunstigde van het bestreden besluit, vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.
- Verzoeker woont te Herk-de-Stad, Steenweg
- Zijn woning is gelegen op 250 meter afstand van het varkensbedrijf van Antoon LAVRIJSEN, de tussenkomende partij, gelegen aan de Herkkantstraat
- Het bedrijf is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 2.
- Op 2 februari 2005 dient de tussenkomende partij een aanvraag, laatst aangevuld op 25 oktober 2005, in voor het veranderen van haar vergund varkensbedrijf door toevoeging van bijkomende percelen en door uitbreiding met een co-vergistingsinstallatie met een maximumcapaciteit van 20.000 ton per jaar van mest (10-25%), energieteelten (25-40%), secundaire grondstoffen (10-30%) en organische biologische afvalstoffen (OBA) (30%) met productie van biogas en een bodemverbe- terend middel. Het aandeel mest + energiegewassen is steeds meer dan 50%. Dit VII-36.601-2/12 biogas wordt gevaloriseerd door verbranding in twee biogasmotoren met productie van warmte en elektriciteit (WKK). De warmte zal worden gebruikt voor de verwarming van het woonhuis, de bedrijfsgebouwen en voor het pasteuriseren van de biomassa. De geproduceerde elektriciteit wordt gedeeltelijk gebruikt in het eigen bedrijf en het overschot wordt op het net gezet. Een vlotte vergisting vereist dat minimaal 30% afvalstoffen in het productieproces worden gebracht. Deze kunnen afkomstig zijn uit land-en tuinbouw, maar ook uit de voedingssector. Er worden drie bezwaarschriften ingediend. Er worden ongunstige adviezen uitgebracht door het college van burgemeester en schepenen van de stad Herk-de-Stad en de Vlaamse Landmaat- schappij. Adviseren gunstig : - de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL, mits het opleggen van bijzondere voorwaarden; - de afdeling ROHM, onder voorbehoud van het verkrijgen van de nodige stedenbouwkundige vergunningen; - de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg van de administratie Gezondheidszorg; - OVAM, mits het opleggen van bijzondere voorwaarden; - de Vlaamse Milieumaatschappij, eveneens mits het opleggen van bijzondere voorwaarden. De Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert unaniem gunstig voor een beperkte termijn van vijf jaar mits het opleggen van bijzondere voorwaarden en brengt een verdeeld advies uit (iedereen gunstig behalve de afdeling Milieuvergunningen) betreffende het opleggen van een geurstudie binnen de termijn van zes maanden na het definitief verlenen van de vergunning. De gevraagde afwijkingen worden ongunstig geadviseerd, behalve inzake de twee meter hoge afsluiting en het gebruik van snelkoppelingen voor het laden van de mest zodat dit niet meer in een afgesloten ruimte moet gebeuren. De bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg weigert op 23 februari 2006 de vergunning omdat er geen duidelijkheid bestaat over de bijkomende geurhinder die de aangevraagde wijziging zou meebrengen, rekening gehouden met de door de zoon van de tussenkomende partij aangevraagde vergunning om naast het bestaande bedrijf een nieuw varkenskweekbedrijf op te starten. De bestendige deputatie stelt dat de exploitant een nieuw aanvraagdossier kan indienen bij de bestendige deputatie met een geurstudie van de totale geplande milieutechnische eenheid. VII-36.601-3/12 2.
- Op 14 maart 2006 tekent de tussenkomende partij beroep aan tegen deze weigering. Zij argumenteert dat er geen rekening kan worden gehouden met het bedrijf van haar zoon waarvoor er zelfs nog geen aanvraag is ingediend. De mestproductie van dat bedrijf is niet noodzakelijk voor het biogasproject en hypothekeert het dus niet. Men kan het voorliggende project niet als een milieutech- nische eenheid beschouwen met een project dat nog niet werd aangevraagd en dus nog niet bestaat. Zij gaat verder in op een aantal in het weigeringsbesluit aangehaal- de knelpunten. Zij stelt dat er reeds zes dergelijke biogasinstallaties, gerund door landbouwers, bestaan; dat het project hoevegerelateerd is daar 50% van de aangevoerde producten afkomstig zijn van het eigen bedrijf en 50% van de afgevoerde producten naar eigen gronden gaan en dat de bevoegde instanties het project getoetst hebben aan de ruimtelijke ordening en er een stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd. Zij gaat uitgebreid in op het negatieve advies van de Vlaamse Landmaatschappij waarbij zij stelt dat de Vlaamse Landmaatschappij weliswaar negatief adviseerde op grond van de ongunstige ligging en verkeersoverlast, maar dat deze aspecten niet onder de bevoegdheid van de Vlaamse Landmaatschappij vallen. Zij brengt technische argumentatie aan tegen de bemerkingen van de Vlaamse Landmaatschappij betreffende de zuurwasser en biofilter, de geurhinder bij de voormenger, de ammoniakemissie, de wasstraat, de emissies van de motoren. Zij gaat uitgebreid in op de noodzaak van een geurstudie. Volgens haar is het onlogisch een dergelijke dure studie op te leggen wanneer duidelijk werd aangetoond dat er geen emissies zijn, buiten de uitlaatgassen van de WWK's, die dienen te voldoen aan de Vlarem-normen. Zij wijst er op dat de bestaande installaties geen klachten geven wegens geurhinder. Het is onjuist in dit verband rekening te houden met de in de toekomst geplande uitbreiding van haar zoon. Ten slotte stelt zij dat een vergunning voor vijf jaar geen oplossing is, want dat het dan onmogelijk zal zijn een investeerder te vinden die bereid zou zijn voor een zo korte duurtijd een dergelijke zware investering te doen. Zij vraagt ook te worden gehoord door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. De afdeling Monumenten en Landschappen adviseert gunstig. OVAM bevestigt haar gunstig advies uit eerste aanleg. VII-36.601-4/12 De afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen geeft een gunstig advies verwijzend naar de ruimtelijke conformiteit die werd onderzocht in de afgeleverde stedenbouwkundige vergunning. Ook de Vlaamse Milieumaatschappij herneemt haar gunstig advies uit eerste aanleg. De Vlaamse Landmaatschappij geeft een gunstig advies voor een beperkte termijn van tien jaar mits het opleggen van bijzondere voorwaarden die alle te maken hebben met beperking van de geurhinder : - de voormenger dient zo uitgevoerd te worden dat het inbrengen van de vaste stoffen geschiedt door middel van een hopper die op een hermetische en vaste wijze met de voormenger verbonden is en blijft voor de duur van de exploitatie; - het moet duidelijk zijn waar de eventueel aangevoerde mest wordt opgeslagen; - de technische specificaties van de voormenger en de eventueel benodigde opslag voor aanvoer van derden moeten binnen de drie maanden na het afleveren van de milieuvergunning worden meegedeeld aan de Vlaamse Landmaatschappij. Het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid bevestigt het gunstig advies dat in eerste aanleg was gegeven door hun buitendienst in Limburg. Op 19 mei 2006 geeft de afdeling Milieuvergunningen een gunstig advies mits onder meer de volgende bijzondere milieuvoorwaarden worden opgelegd : - de voormenger dient zo uitgevoerd te worden dat het inbrengen van de vaste stoffen geschiedt door middel van een hopper die op een hermetische en vaste wijze met de voormenger verbonden is; gebruik van een waterslot; - de sleufsilo secundaire grondstoffen/organische biologische afvalstoffen wordt volledig, inclusief de snede, afgedekt met een plastieken folie. 2.
- Op 22 mei 2006 adviseert de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie op haar beurt, en na de exploitant te hebben gehoord, unaniem voorwaardelijk gunstig. Daarbij neemt zij de argumentatie van de afdeling Milieuvergunningen in verband met de evaluatie van de milieuhinder volledig over. 2.
- Op 25 juli 2006 sluit de minister zich aan bij het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie dat hij zo goed als woordelijk overneemt. Hij verklaart het beroep gegrond, heft de beroepen beslissing van 23 februari 2006 op en kent de gevraagde vergunning toe voor een periode aflopend op 16 maart 2025 waarbij hij voorschrijft dat de hoeveelheid mest + energiegewassen 60% moet VII-36.601-5/12 bedragen en het aandeel OBA + secundaire grondstoffen maximaal 40%. Tevens legt hij bijkomende milieuvoorwaarden op namelijk : - de voormenger moet zo uitgevoerd worden dat het inbrengen van de vaste stoffen geschiedt door middel van een hopper die op een hermetische en vaste wijze met de voormenger verbonden is; er dient gebruik gemaakt te worden van een waterslot; - de sleufsilo secundaire grondstoffen/organische biologische afvalstoffen wordt volledig, inclusief de snede, afgedekt met een plastieken folie; - de afsluiting en het groenscherm mogen worden vervangen door een aarden wal van 2,5 meter hoog met daarop een groenscherm van 5 meter breed; - in plaats van een afgesloten ruimte voor de aanvoer van mest en de afvoer van effluent moeten snelkoppelingen voorzien worden; - de door de exploitant aangegeven secundaire grondstoffen en/of organische biologische afvalstoffen mogen alleen worden verwerkt voor zover ze voorkomen op de lijst gevoegd bij de omzendbrief RO/2006/01 "afwegingskader en randvoorwaarden voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting" van 19 mei
- Dit is het bestreden besluit;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende, wat de vereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat verzoeker samengevat doet gelden wat volgt : Zijn woon-, leef- en werkklimaat wordt zeer ernstig aangetast want : - hij woont op 230 meter van de perceelsgrens van de inrichting en baat er een bloemenwinkel uit en een plantenkwekerij; - de uitbating zal aanleiding geven tot verkeershinder door het toegenomen aantal vrachtwagens dat de inrichting zal aandoen. Verzoeker zelf berekent dit aantal op 2 x 666 = 1332 per jaar; VII-36.601-6/12 - er zal visuele hinder zijn waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat er in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied met in de onmiddellijke nabijheid beschermde monumenten een industriële inrichting zal worden ondergebracht waarrond men dan een 2,5 meter hoge berm zal plaatsen; - er werden evenmin voldoende maatregelen genomen om de geurhinder te beperken tot een aanvaardbaar niveau, wat des te erger is nu de heersende ZW- wind eerst boven het bedrijf passeert alvorens verzoekers woning te bereiken; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota vooreerst stelt dat geen van de door verzoeker aangevoerde elementen nader in concreto wordt onderbouwd; dat, voorts, zij van oordeel is dat de exploitatie van de inrichting geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal meebrengen; dat zij daartoe volgende argumenten aanbrengt : De door de exploitatie veroorzaakte hinder zal in sterke mate worden beperkt door de opgelegde, zeer uitgebreide algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden. De geurhinder zal worden beperkt door het aanbrengen van een voormenger als een gesloten hermetisch systeem waarbij een laadhopper als onlosmakelijk deel wordt uitgevoerd, zodat geen rechtstreeks contact mogelijk is tussen de lucht en de voormenger, waarbij daarenboven gebruik moet worden gemaakt van een waterslot en de secundaire grondstoffen/organische biologische afvalstoffen volledig moeten worden afgedekt met een plastieken folie. Daarenboven moeten snelkoppelingen worden voorzien voor de aanvoer van mest en afvoer van effluent, zodat er geen contact is tussen biomassa, digestaat en buitenlucht en moet de vergistingsinstallatie zelf eveneens gesloten zijn zonder emissies naar de lucht. De visuele hinder zal door het vervangen van de 2 meter hoge afsluiting en het 5 meter brede groenscherm door een 2,5 meter hoge aarden wal met daarop een 5 meter breed groenscherm enkel verbeterd worden. Het leefklimaat zal in generlei mate worden aangetast, nu enkel de limitatief opgesomde producten als secundaire grondstoffen en/of organische biologische afvalstoffen verwerkt mogen worden. Alleszins maakt verzoeker het niet redelijk aannemelijk dat de opgelegde exploitatievoorwaarden niet toereikend zijn om de hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Er zal evenmin sprake zijn van verkeersoverlast, nu de aanvoer zal gebeuren door 580 vrachtwagens, wat amper twee vrachtwagens per dag betekent. VII-36.601-7/12 Het argument dat het vrij ongeschonden landschappelijk gebied zal worden aangetast mede door het aanbrengen van een 2,5 meter hoge aarden wal, is gratuit, zo stelt de verwerende partij, nu overeenkomstig artikel 15.4.6.
- van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, in landschappelijk waardevol agrarisch gebied alle handelingen en werken mogen worden uitgevoerd die overeenstemmen met de bestemming ervan voor zover zij de schoonheidswaarde niet in gevaar brengen. De afgeleverde vergunning doet dit niet, nu, zoals verzoeker zelf zegt, het landschap niet meer ongeschonden is maar slechts "vrij" ongeschonden en hij zelfs toegeeft dat de schoonheid ervan reeds is aangetast door het bedrijf van de tussenkomende partij. Daarenboven zal het bestaande varkensbedrijf enkel worden uitgebreid met een co-vergistingsinstallatie, wat het "landschapsschoon" geenszins in het gedrang zal brengen, nu de bestaande afsluiting van 2 meter en het groenscherm van 5 meter breed wordt vervangen door een aarden wal van 2,5 meter hoog met daarop een groenscherm van 5 meter breed. Verzoeker kan niet redelijkerwijze voorhouden dat, mits inachtname van de opgelegde milieuvoorwaarden, de uit de inrichting voortspruitende hinder hem zwaar nadeel zal berokkenen. Hij licht trouwens ook niet toe waarom het eventuele nadeel moeilijk te herstellen zou zijn; 3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij eveneens stelt dat geen van de door verzoeker aangevoerde elementen nader in concreto wordt onderbouwd en dat hij meent dat het feit dat verzoeker op 230 meter van de perceelsgrens van de inrichting woont op zich reeds van aard is om de eventuele hinder sterk te relativeren; dat aangaande de aangevoerde hinderaspecten zij in essentie doet gelden wat volgt : Wat de beweerde verkeershinder betreft zullen er in het uitgebreide bedrijf jaarlijks circa 880 vrachten uitgevoerd worden, wat neerkomt op 3,5 vrachten per dag, terwijl er voor het bestaande bedrijf op jaarbasis reeds 290 vrachten gebeuren, hetzij 1,16 vrachten per dag. De stijging van het aantal vrachten zou dus neerkomen op 2,36 vrachten per dag. Combinatie van vrachten zou toelaten jaarlijks ongeveer 133 vrachten uit te sparen wat de stijging zou terugbrengen tot 1,83 per dag. Daarbij toont verzoeker niet aan dat hij daardoor een persoonlijk nadeel zou ondervinden. De vrachten zullen gebeuren langs de vlakbij de inrichting gelegen gewestweg N2 en er zal slechts een 100-tal meter over de lokale VII-36.601-8/12 toegangsweg gereden moeten worden. Er wordt niet aangegeven waarom verzoeker ingevolge de stijging van het aantal vrachten of de door hen gevolgde weg enige persoonlijke hinder zou ondervinden. De veronderstellingen die verzoeker maakt inzake verkeershinder bij de bespreking van zijn tweede middel zijn louter hypothetisch en niet objectief onderbouwd. Hij geeft trouwens zelf toe dat het niet evident is het door de inrichting gegenereerde verkeer in kaart te brengen. Wat de visuele hinder betreft geeft verzoeker geen toelichting omtrent het concrete zicht dat hij vanuit zijn woning heeft op de vergunde inrichting en het loutere feit dat de inrichting wordt ondergebracht in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied kan geenszins gelijkgesteld worden met een persoonlijk ernstig nadeel in zijnen hoofde. Er moet rekening mee worden gehouden dat er reeds een varkensbedrijf is gevestigd en dat er een aarden wal van 2,5 meter hoog met groenscherm wordt voorzien. In verband met de eventuele geurhinder wordt vooreerst opgemerkt dat verzoeker op circa 250 meter van de inrichting woont en dat er reeds een varkensbedrijf gevestigd is. Er wordt geen aanzienlijke wijziging op het vlak van de geurhinder aangetoond. Verder blijkt uit de overwegingen van het bestreden besluit duidelijk dat de eventuele geurhinder die kan uitgaan van de exploitatie van de vergistingsinstallatie, zoals ze in concreto wordt voorzien, zoniet onbestaande dan toch minimaal is en dat er bijzondere milieuvoorwaarden werden opgelegd teneinde geurhinder te voorkomen. Daar waar verzoeker nalaat om in concreto de omvang van de beweerde hinder aan te tonen, kan bezwaarlijk worden beoordeeld of die hinder moeilijk te herstellen valt. Daarbij zou hij zich desgevallend nog kunnen richten tot de burgerlijke rechtbank waar hij niet alleen een financiële vergoeding zou kunnen bekomen maar ook herstel in natura kan vragen. Tussentijds kan hij ook voor de burgerlijke rechter met toepassing van artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek in kort geding voorlopige maatregelen vragen, dit alles hangende de annulatieprocedure; 3.4.
- Overwegende dat, zoals verzoeker zelf toegeeft, hij op ongeveer 250 meter woont van het dichtstbijzijnde perceel van de kwestieuze inrichting; dat hij ook niet langs de toegangsweg naar dat bedrijf woonachtig is, maar wel aan de overkant van de N2 waarop die toegangsweg uitgeeft; VII-36.601-9/12 3.4.
- Overwegende, wat de aangevoerde toename van het vrachtwagenverkeer betreft, dat verzoeker zelf geen duidelijke raming van de te verwachten toename geeft; dat blijkens zijn uiteenzetting die hij bij het tweede middel geeft, verzoeker rekent op ongeveer 1.330 vrachtwagens voor de aan- en afvoer van 20.000 ton per jaar; dat het hier evenwel gaat om een maximumhypothese, waarbij geen rekening wordt gehouden met het feit dat de mest van het bedrijf zelf, geraamd op 2.600 ton, in de installatie wordt verwerkt; dat die mest niet moet worden aangevoerd; dat verzoeker daarenboven in twijfel trekt of er wel telkens vrachten van 30 ton zullen worden aangevoerd, aangezien de producten die als secundaire grondstoffen en OBA mogen worden gebruikt zeer divers van aard zijn; dat, evenwel, het niet is omdat diverse soorten producten kunnen worden gebruikt, deze ook allemaal zullen worden gebruikt; dat, redelijkerwijze, er mag worden van uitgegaan dat er zal gepoogd worden om de kostprijs zo laag mogelijk te houden en er dus zoveel als mogelijk met grote vrachten zal worden gewerkt; dat, rekening houdend met een aanvoer van 17.400 ton gewassen en OBA per jaar en een uitvoer van 18.000 ton digestaat per jaar, het aantal vrachtbewegingen na het opstarten van de nieuwe inrichting prima facie kan worden geraamd op een totaal van 1.180, hetgeen neerkomt op 4,7 vrachtbewegingen per werkdag; dat wanneer men dit spreidt over een hele werkdag en in acht genomen het gegeven dat verzoeker woonachtig is aan de drukke verbindingsweg Diest-Hasselt, bezwaarlijk kan worden aangenomen dat het totale vrachtverkeer ten gevolge van de exploitatie van de inrichting, laat staan van de toename ten gevolge van de in het geding zijnde uitbreiding, dermate substantieel is dat verzoeker daardoor een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel zou lijden; dat daaraan geen afbreuk doet het betoog van verzoeker dat er in bepaalde periodes van het jaar intenser vervoer zal zijn, daar dit alsdan normaliter zal worden gecompenseerd door een lagere intensiteit in andere periodes; 3.4.
- Overwegende, wat de visuele hinder betreft aan het landschappelijk waardevol gebied met in de onmiddellijke nabijheid beschermde monumenten, dat dit nadeel niet rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden milieuvergunning maar wel uit de stedenbouwkundige vergunning, die door verzoeker ook bestreden wordt voor de Raad van State; dat dan ook in het kader van die vordering het aspect visuele hinder aan de orde dient te komen; 3.4.
- Overwegende, ten slotte, dat verzoeker niet kan worden gevolgd waar hij stelt dat er niet voldoende maatregelen werden genomen ter voorkoming van geurhinder; dat het volstaat er het bestreden besluit op na te lezen om vast te stellen VII-36.601-10/12 dat de verwerende partij zeer groot belang heeft gehecht aan en aandacht heeft gehad voor de problematiek van de geurhinder; dat zij een grondige beoordeling heeft gemaakt van de technische installatie waarbij zij zich heeft laten leiden door de studie "beste beschikbare technieken voor composteer- en vergistingsinstallaties" die vaststelt dat de vergistingsinstallatie zo goed als geen geurhinder verspreidt en dat zij in het bijzonder voor die productieonderdelen die volgens dezelfde studie toch mogelijke bronnen van geuremissie kunnen zijn telkens heeft onderzocht of dit in concreto het geval kon zijn; dat daar waar dit zo was, zij bijkomende voorwaarden heeft opgelegd teneinde geurhinder zoveel als mogelijk te voorkomen, maatregelen waarvan lijkt te kunnen worden aangenomen dat zij de geurhinder effectief tot een minimum zullen beperken; dat de verwerende partij zich daarbij onder meer heeft laten leiden door de resultaten van een onderzoek ter plaatse bij een gelijkaardige, reeds in bedrijf zijnde, inrichting waaruit naar voren kwam dat de vergistingsinstalla- tie inderdaad geen geurhinder veroorzaakte en dat de geurhinder van de sleufsilo's windafwaarts maar tot op een dertigtal meter merkbaar was; dat verzoeker, die op circa 250 meter afstand van de geplande inrichting woont, niet hardmaakt dat hij toegenomen geurhinder zal ondergaan; 3.
- Overwegende dat derhalve aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, zonder dat moet worden ingegaan op de door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van de vordering, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van Antoon LAVRIJSEN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. VII-36.601-11/12 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien januari tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-36.601-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.911 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.663 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div