← België

Arrest 166913 - Milieuvergunningen - 18/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.913 Rolnummer: A. 102205/VII-23215 Zaak: Arrest 166913 - Milieuvergunningen - 18/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-01 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 13:55 Fiche Arrest nr 166.913 van 18 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.913 van 18 januari 2007 in de zaak A. 102.205/VII-23.215. In zake : Eddy DECOCK, die woonplaats kiest bij advocaat M. DOUTRELUINGNE, kantoor houdende te KORTRIJK, H. Consciencestraat 9 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. tussenkomende partij : de b.v.b.a. BRANDSTOFFEN ROOSE, die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 8 B. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eddy DECOCK op 23 maart 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 10 januari 2001 houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 6 juli 2000 houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan de b.v.b.a. BRANDSTOFFEN ROOSE, om een brandstoffenbedrijf, gelegen te Zwevegem, Ellestraat 119 A, verder te exploiteren en te veranderen door uitbreiding en toevoeging; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 15 juni 2001; Gelet op de beschikking van 25 juni 2001 die de tussenkomst van de b.v.b.a. BRANDSTOFFEN ROOSE toelaat; VII-23.215-1/28 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 11 januari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 23 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 november 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. TEMMERMAN die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. BELEYN die, loco advocaat D. VAN HEUVEN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwevegem verleent op 2 december 1992 aan de tussenkomende partij een milieuvergunning voor het exploiteren van een brandstoffenbedrijf, gelegen Ellestraat 199A (kadastrale percelen Afd. 1, Sectie B, nrs. 874n, 878h, 878L, 878mn 878n en 879s2) te Zwevegem voor een termijn verstrijkend op 1 september 2011, met als voorwerp : het uitbaten van 6 opslagtanks voor mazout van 20.000, 30.000, 30.000, VII-23.215-2/28 75.000, 75.000 en 90.000 liter, houtopslag van 500 m³, opslag van 175 ton kolen, 4.300 liter gas in verplaatsbare recipiënten, bergplaats voor 4 vrachtwagens, 2 aanhangwagens en 1 bestelwagen, en een aantal toestellen met een totaal vermogen van 22,5 kW. 1.2. De inrichting is volgens het gewestplan Kortrijk gelegen deels in woongebied, deels in agrarisch gebied. De inrichting is tevens gelegen in een recenter sectoraal bijzonder plan van aanleg nr. 20 "zonevreemd bedrijf", goedgekeurd bij ministerieel besluit van 24 juli 1998. 1.3. Op 24 maart 2000 dient de tussenkomende partij een aanvraag tot vervroegde hernieuwing van de milieuvergunning en tot verandering door uitbreiding en toevoeging van een benzinestation in, zodat de inrichting voortaan zou omvatten : - het lozen van huishoudelijk afvalwater op riool met een debiet van maximum 0,04 m³/u, 0,4 m³/d, 140 m³/j; - het lozen van bedrijfsafvalwater op riool met een debiet van maximum 0,5 m³/u, 1,38 m³/d, 504 m³/j; - opslag van 375 ton kolen; - het stallen van 13 bedrijfsvoertuigen; - herstelwerkplaats voor voertuigen met smeerput; - het wassen van max. 3 wagens per dag; - opslag van max. 9.900 liter propaan en butaan in verplaatsbare recipiënten; - opslag van max. 20.000 liter benzine in een ondergrondse gecompartimenteerde houder; - opslag van max. 48.000 liter lamppetroleum in 2 bovengrondse houders van resp. 3.000 liter en 45.000 liter; - opslag van max. 120.000 liter diesel in 2 bovengrondse houders van resp. 75.000 liter en 45.000 liter; - opslag van max. 169.000 liter gasolie in 3 bovengrondse houders van resp. 75.000 liter, 90.000 liter, 2.000 liter en 2.000 liter in bussen; - opslag van maximum 5.000 liter in bovengrondse houder; - 6 verdeelpompen voor brandstof. De bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen verleent op 6 juli 2000 de vergunning, maar weigert de vergunning voor de volgende onderdelen : VII-23.215-3/28 - de opslag van 20.000 liter benzine in een ondergrondse gecompartimenteerde houder; - 6 verdeelpompen; - de opslag van 200 ton kolen. 1.4. Zowel verzoeker als de tussenkomende partij stellen bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu beroep in tegen deze beslissing. Naar aanleiding van deze beroepen worden de volgende adviezen ingewonnen : - de Vlaamse Milieumaatschappij meldt op 13 september 2000 dat zij over geen adviesbevoegdheid beschikt met betrekking tot het beroep, onthoudt zich bijgevolg van advies, sluit zich aan bij de adviezen van de bevoegde instanties, en meldt dat de tussenkomende partij over een geldige vergunning voor het lozen van afvalwater beschikt; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert op 5 oktober 2000 dat de vergunning kan verleend worden mits aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden, behoudens wat betreft de opslag van 200 ton kolen en de opslag van butaan en propaan in verplaatsbare recipiënten; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen stelt in haar advies van 10 oktober 2000 dat de tanks voor de uitbreiding met een tankstation ingeplant worden binnen de daartoe door het bijzonder plan van aanleg bestemde zones en dat het pompeiland met luifel wordt ingeplant in de zone voor bedrijvigheid; de afdeling geeft gunstig advies onder de voorwaarde dat de door het bijzonder plan van aanleg opgelegde aanleg van een groenscherm daadwerkelijk uitgevoerd wordt; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie stelt in haar advies van 16 oktober 2000 voor dat de beslissing van de bestendige deputatie als volgt gewijzigd wordt : de opslag van 20.000 liter benzine in een ondergrondse gecompartimenteerde houder met zes verdeelslangen kan wel vergund worden, en de opslag van 9.000 liter propaan en butaan kan niet vergund worden. Tevens wo rdt voorgest eld een aantal van de bijzondere vergunningsvoorwaarden te wijzigen. 1.5. Op 10 januari 2001 beslist de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu de beroepen gedeeltelijk gegrond te verklaren, in die zin dat het voorstel van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie gevolgd wordt. Dit is de bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd : VII-23.215-4/28 "Overwegende dat de tanks voor vloeibare brandstof worden ingeplant binnen de daartoe bestemde zones zoals aangeduid op het BPA; dat het pompeiland met luifel wordt ingeplant in de zone voor bedrijvigheid; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat onderhavige beroepen betrekking hebben op de verdere exploitatie en verandering van een bedrijf voor de verdeling van brandstoffen; Overwegende dat de argumenten van het buurtcomité betrekking hebben op de ligging in woongebied en agrarisch gebied; de mogelijkheid die door de vergunning geschapen wordt om verder uit te breiden in agrarisch gebied; de toename van de hinder door lawaai, geur en bijkomend verkeer; het niet voldoen aan vereiste minimum afstanden voor de opslag van gassen en benzine en het gevaar voor lozing van producten in oppervlaktewater; Overwegende dat de argumenten van de exploitant betrekking hebben op het feit dat alle Vlarem-normen nagekomen worden; dat de inrichting zich volledig binnen het BPA bevindt en niet buiten de grenzen voorzien in het BPA kan uitbreiden; dat het groenscherm onmiddellijk na de aanpassingswerken zal uitgevoerd worden; dat er geen toename van de verkeershinder zal zijn; dat de exploitatie van een benzineverdeelstation een economische noodzaak is om de lasten van de investeringen te dragen die het milieu ten goede komen; Overwegende dat de huidige vergunning pas verstrijkt op 1 september 2011; dat een vervroegde hernieuwing aangevraagd werd omwille van de hoge financiële investering die vereist is voor de uitbreidingen en de aanpassingen die uitgevoerd worden om de ganse inrichting in overeenstemming te brengen met de toepasselijke Vlarem-II normen; Overwegende dat met betrekking tot de opslag van gassen in verplaatsbare recipiënten het volgende moet gesteld worden; dat volgens het uitvoeringsplan de opslag gelegen is onmiddellijk naast de toegangsweg voor voertuigen; dat derhalve voor deze plaats niet kan voldaan worden aan de minimum vereiste veiligheidsafstand waarbinnen een volledig open vuurverbod absoluut moet gegarandeerd worden; dat de aanvrager bij zijn beroepschrift een nieuw inplantingsplan voor de opslag toegevoegd heeft rekening houdend met hogervermeld bezwaar; dat dit evenwel slechts in aanmerking kan genomen worden voor vergunning indien dit als een uitbreidingsaanvraag ingediend wordt; dat derhalve de opslag van gassen in verplaatsbare recipiënten moet geweigerd worden; Overwegende dat inzake de opslag van benzine en het verdeelstation voor brandstoffen het volgende dient gesteld te worden: dat de benzine opgeslagen wordt in een ondergrondse dubbelwandige gecompartimenteerde houder; dat deze houder gedeeltelijk gelegen is onder de inkuiping van de bovengrondse tanks voor diesel, gasolie en lamppetroleum; dat deze ligging slechts aanvaard kan worden indien door een erkend milieudeskundige in de discipline opslag van gevaarlijke stoffen geattesteerd wordt dat de periodieke controle van de houder hierdoor niet onmogelijk gemaakt wordt; dat dit attest aan het dossier toegevoegd werd; Overwegende dat het verdeelstation voor brandstoffen een uitbreiding van de bestaande vergunde situatie is die volledig conform de Vlarem-bepalingen ingericht wordt; Overwegende dat inzake de veiligheid voor uitbating van de inrichting het volgende dient gesteld te worden dat het transport van brandstoffen volledig voorzien is langs één toegangsweg; dat het verkeer van en naar het brandstoffenverdeelstation langs dezelfde toegangsweg moet gebeuren; dat de minimale breedte slechts 5,5 meter bedraagt; VII-23.215-5/28 Overwegende dat de aanvrager verscheidene bijkomende maatregelen voorziet om de verkeersveiligheid op het terrein te verbeteren en de verkeersveiligheid voor de openbare weg niet in het gedrang te brengen; dat deze maatregelen als bijkomende bijzondere voorwaarden zullen opgelegd worden; Overwegende dat inzake brandveiligheid dient gesteld te worden dat er naast de normale toegangsweg naar het bedrijf nog twee bijkomende interventiewegen voor de brandweer voorzien werden; Overwegende dat inzake de uitbreiding van de opslag van kolen met 200 ton de aanvrager zich niet verzet tegen de weigering; dat derhalve slechts de hernieuwing van de reeds vergunde hoeveelheid toegestaan wordt; dat de opslag gebeurt in open lucht achteraan op het bedrijfsterrein; dat een sproeiinstallatie voorzien wordt om desgevallend stofhinder voor de omgeving te kunnen voorkomen; Overwegende dat de aanspraken en bezwaren aangehaald door de beroepsindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd : 1/) voor het buurtcomité : - het perceel 874/n werd in de milieuvergunning opgenomen omdat er twee smalle stroken van dit perceel gelegen zijn binnen de grenzen van het BPA dat een bedrijvenzone voorziet; het overgrote gedeelte van het perceel is gelegen in agrarisch gebied; een toekomstige uitbreiding van de inrichting in agrarisch gebied is onmogelijk; - de werken zijn inderdaad reeds aangevangen terwijl de bouwvergunning opgeschort is zolang de milieuvergunning niet definitief is; de controle hierop behoort tot de bevoegdheid van de toezichthoudende ambtenaren; - de verplichting voor de inrichting van een groenscherm werd inderdaad reeds opgenomen in de voorwaarden van het BPA; de aanbrenging van een groenscherm werd nogmaals opgelegd als bijzondere voorwaarde in de bestreden beslissing en moet onmiddellijk uitgevoerd worden; - de ondergrondse benzinetank werd reeds geplaatst; de uitbreiding met de bovengrondse tank is nog niet uitgevoerd; - uit het bijgevoegde attest van de leverancier van lamppetroleum blijkt dat de geleverde lamppetroleum een hoog ontvlammingspunt, zijnde 56 / C en derhalve als een P3 product kan ingedeeld worden; - de benzinetank ligt inderdaad gedeeltelijk onder de fundering van de inkuiping; een attest van een erkend milieu-deskundige toont aan dat hierdoor de periodieke controle van de tank niet belemmerd wordt; - de inrichting is gelegen in een bedrijvenzone doch moet voor wat de geluidsnormen betreft voldoen aan de normen voor woongebied en landelijk gebied; - het verdeelstation voor brandstoffen wordt ook voorzien van een damprecuperatiesysteem; in principe kan er geen geurhinder voor de omgeving voorkomen; - een toename van de verkeershinder kan voorkomen worden door het opleggen van een intern verkeersplan waardoor ook de veiligheid bij het op- en afrijden naar de openbare weg verzekerd blijft; - een mogelijke waardevermindering van de aanpalende eigendommen maakt geen deel uit van beoordeling van de onderhavige aanvraag; - de inkuiping van het tankenpark is voorzien van een met de hand bediende afsluitkraan zodat er steeds controle mogelijk is vooraleer de verbinding naar de KWS-afscheider gemaakt wordt; 2/) voor de exploitant : - de verplaatsing van de gasopslag maakt geen deel uit van onderhavige aanvraag; de bijzondere voorwaarde die hierop betrekking heeft dient geschrapt te worden; een opslag op een andere locatie kan slechts vergund worden na indiening van een nieuwe uitbreidingsaanvraag; VII-23.215-6/28 Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bestreden beslissing te wijzigen"; 2. De ontvankelijkheid van het beroep 2.1. Overwegende dat verzoeker zijn belang in het verzoekschrift als volgt uiteenzet : "Verzoeker woont in de onmiddellijke omgeving van de betwiste uitbating en lijdt als buurtbewoner uiteraard nadeel wanneer een vergunning wordt verleend voor de uitbreiding van de bestaande inrichting met hinderlijk karakter, niet alleen wegens de overdreven hinder die hij hierdoor als buurtbewoner kan en zal ondervinden, maar tevens ook wegens de hieruit voortvloeiende waardevermindering voor zijn onroerende eigendom. Verzoeker heeft niet alleen een persoonlijk belang als buurtbewoner en eigenaar maar tevens ook als vertegenwoordiger, minstens als lid van het 'buurtcomité van de Ellestraat en de Lettenhofstraat'"; 2.2. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst als volgt reageert : "Het is duidelijk dat verzoekende partij geenszins een belang kan doen gelden als vertegenwoordiger of lid van het 'buurtcomité van de Ellestraat en de Lettenhofstraat', comité dat trouwens geen rechtspersoonlijkheid geniet. Inderdaad is de actio popularis voor Uw Raad niet toegestaan. Verzoekende partij kan evenmin een persoonlijk belang doen gelden, nu hij niet aangeeft op precies welke afstand hij woont van de betwiste uitbating en welke bijkomende 'overdreven' hinder hij zal lijden tengevolge van de vergunde uitbreiding. Tussenkomende partij voegt enkele foto’s van de site toe, waarbij het uw Raad niet zal ontgaan dat de percelen van verzoekende en tussenkomende partijen geenszins aan elkaar grenzen en, meer nog, dat beide eigendommen afgeschermd zijn telkens door een ruim groenscherm. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat tussenkomende partij (sic) het persoonlijk belang dat hij zou hebben bij de vernietiging van de bestreden beslissing niet kan aantonen"; 2.3. Overwegende dat de tussenkomende partij bij haar toelichtende memorie nog een aantal foto's neerlegt waaruit moet blijken dat het pompstation niet zichtbaar is vanuit de eigendom van verzoeker, dat de afstand tussen het pompstation en de eigendom van verzoeker meer dan 100 meter bedraagt en dat beide gescheiden zijn door een winterharde groene bufferstrook; 2.4.1. Overwegende dat in de mate dat verzoeker optreedt in het belang van de bewoners van de Ellestraat en de Lettenhofstraat, verenigd in een buurtcomité zonder rechtspersoonlijkheid, zijn vordering een actio popularis inhoudt en derhalve onontvankelijk is; dat wat dit aspect betreft, de exceptie kan worden aangenomen; VII-23.215-7/28 2.4.2. Overwegende dat verzoeker woonachtig is in de Ellestraat, nr. 125 en dat de inrichting waarvoor de bestreden uitbreiding werd verleend gevestigd is in de Ellestraat, nr. 119A, dit is volgens de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie op een afstand van ruim 100 meter van de woning van verzoeker; dat, aangezien het om een hinderlijke inrichting (klasse I) gaat, kan worden aangenomen dat het niet is uitgesloten dat de exploitatie van het brandstoffenbedrijf diverse vormen van hinder van milieuhygiënische aard zal meebrengen voor de omwonenden van die inrichting, ook voor hen wiens woning zich op een afstand van 100 meter van de inrichting bevindt; dat het aldus niet uitsluitend gaat om visuele hinder waarvan de tussenkomende partij stelt dat deze voor verzoeker niet aanwezig is; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 3. De gegrondheid van het beroep 3.1.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het "algemeen rechtsbeginsel houdende formele en materiële motivering van bestuurshandelingen en van het algemeen beginsel dat de overheid oplegt zijn besluiten te gronden op in rechte en in feite aanvaardbare motieven"; dat het middel als volgt wordt toegelicht : "Het bedrijf ROOSE is op heden een brandstoffenbedrijf zonder bijhorend benzinestation. Het vormt ahw een eiland tussen agrarisch gebied aan de ene kant en woongebied aan de andere kant. Er is slechts één toegangsweg vanaf de hoofdweg naar het bedrijf toe, waarmee ook de omliggende woningen kunnen bereikt worden. Het bedrijf zelf is gelegen in B.P.A nr. 20 'zonevreemde bedrijven', waarvoor de voorschriften mbt de bedrijfszone van toepassing zijn. Het bedrijf is mbt zijn huidige activiteit vergund tot 1.9.2011. Verzoeker heeft geen bezwaar tegen de bestendiging van de bestaande activiteit, maar kan zich niet verzoenen met een uitbreiding van die activiteit, die de overlast voor de omwonenden zou verhogen, en vooral niet voor zover de uitbreiding de vestiging van een benzinestation behelst. De Ministeriële beslissing schendt op 5 punten de formele en materiële motiveringsplicht. 1.1.Gezien het bedrijf gevestigd is in een bedrijvenzone, dat een eiland vormt tussen een agrarisch gebied en een woonzone, moet er uiteraard meer rekening gehouden worden met de belangen en de hinder voor de omliggenden, dan voor een bedrijf dat niet zonevreemd is, en gevestigd is temidden van een grotere bedrijvenzone. De Ministeriële beslissing maakt abstractie van de feitelijke gegevens, en beoordeelt de vergunningsaanvraag alsof het terzake niet ging om een zonevreemd, maar om een zone-eigen bedrijf. 1.2. daar waar de bestendige deputatie nog voorhoudt 'dat kan gesteld worden dat de verandering/ verdere exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van VII-23.215-8/28 de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften' - zij het dat de motivering in feite onjuist is - wordt er in de beslissing van de Minister hoegenaamd niet meer verwezen naar enige stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten. 1.3. daar waar de Minister zelf stelt dat 'de inrichting is gelegen in een bedrijvenzone doch moet voor wat de geluidsnormen betreft voldoen aan de normen voor woongebied en landelijk gebied ', wordt hieromtrent geen nadere afweging gemaakt vooraleer tot de uiteindelijke beslissing te komen. 1.4. daar waar de Minister stelt dat 'een toename van de verkeershinder kan voorkomen worden door het opleggen van een intern verkeersplan waardoor ook de veiligheid bij het op - en afrijden naar de openbare weg verzekerd blijft', dit in feite niet alleen onjuist is, maar bovendien het interne verkeersplan irrelevant is voor de omwonenden. 1.5. gebrek aan motivering verdeelslangen-verdeelpompen. I.c. is de beslissing van de minister aldus geenszins gegrond op in rechte en in feite aanvaardbare motieven. I.1. Eerste onderdeel : Het is onjuist dat er enkel voor wat betreft de geluidsnormen verwezen wordt naar de normen voor woongebied en landelijk gebied. Het bedrijf is gevestigd middenin een woongebied en landelijk gebied, en was aanvankelijk zonevreemd. Het werd geregulariseerd door een B.P.A. zonevreemde bedrijven, waardoor de volledige oppervlakte van het bedrijf werd herschapen in bedrijvenzone. Dit kan echter niet inhouden dat de omwonenden dienen te lijden onder de regularisatie, doordat de normen mbt de toegelaten hinder binnen een bedrijvenzone worden gehanteerd om het hinderlijk karakter van het bedrijf voor zijn onmiddellijke omgeving te bepalen... Ten onrechte wordt in de beslissing van de Minister geen rekening gehouden met de bijkomende hinder die de omwonenden ingevolge een uitbreiding van de op heden bestaande activiteit zullen ondervinden. 1.2. Tweede onderdeel : De bestendige Deputatie stelde als onderdeel van haar motivering : 'dat kan gesteld worden dat de verandering/ verdere exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften'. De Minister heeft nagelaten haar beslissing op dit vlak te motiveren. Zij verwijst enkel naar 'het voorwaardelijk gunstig advies van de afdeling stedenbouwkundige vergunningen van AROHM', maar toetst haar beslissing ivm de milieuvergunning geenszins aan de voorschriften van de zone waarin het bedrijf gelegen is, noch aan deze van de omliggende zones. a. Nochtans zijn er in casu een aantal stedenbouwkundige gegevens, die effect genereren mbt het hinderlijk karakter van het bedrijf: wanneer de economische activiteit van een bedrijf verkeers- en vervoerstromen met zich meebrengt, moet het bedrijf beschouwd worden als sterk dynamiserend. Om de vervoers - en verkeersstromen te beoordelen, dient men rekening te houden met o.m. de mate van klantafhankelijkheid, en de omvang van de vervoersstroom. Een benzinestation is uiteraard in zeer sterke mate afhankelijk van een zogenaamde gemotoriseerde klandizie, die noodzakelijkerwijze, gelet op de aard van de activiteit, een grotere verkeersstroom met zich kan meebrengen. Daarenboven moet voor de aanvoer van de grondstoffen nog rekening gehouden worden met overbelasting door zwaar transport. De verkeersstromen zullen in de onmiddellijke omgeving dan ook sterk toenemen, zodat het bedrijf alleen al op dit punt als te hinderlijk te beschouwen is voor de bewoonde residentiële omgeving. VII-23.215-9/28 Het weze herhaald dat bij de beoordeling van het hinderlijk karakter van de uitgebreide uitbating moet rekening gehouden worden met de feitelijke omstandigheid dat het bedrijf zich in werkelijkheid situeert in het midden van een residentiële woonkern, dus ook rechtstreeks paalt aan 2 residentiële woonkavels en aan de achterkant afgebakend is door een agrarisch gebied. b. Ook lawaai-, stank-, stof - of reukhinder die een activiteit meebrengt maakt dat een bedrijf als sterk dynamiserend kan beschouwd worden. I.c. brengt de opslag van kolen stofhinder met zich mee, wordt lawaaihinder veroorzaakt door het af- en aanrijden van vrachtwagens van leveranciers en afnemers (hetgeen nog zal toenemen wanneer er nog een bijkomende ondergrondse opslagtank voor benzine zou komen ), reukhinder wordt enerzijds veroorzaakt door de aard van de activiteit, en zal anderzijds een toename kennen door het aan - en afrijden van wagens die aan de benzinepomp komen tanken. Ook op dit vlak zal de toegekende uitbreiding van het bestaande bedrijf overdreven hinderlijk zijn voor de bewoonde omgeving. Ten onrechte heeft de Minister bij haar beslissing geen rekening gehouden met deze feitelijke gegevens. I.3. Derde onderdeel De Minister stelt in haar beslissing dat wat de geluidshinder betreft, het bedrijf moet voldoen aan de normen die gelden in een woongebied. De desbetreffende normen worden echter niet weergegeven, noch wordt er melding gemaakt of, en zo ja in welke mate het bedrijf ROOSE voldoet aan de bepalingen mbt geluidshinder in een woongebied. De beslissing van de Minister is aldus in feite onvoldoende gemotiveerd. I.4. Vierde onderdeel De minister stelt in de motivering van haar beslissing : 'een toename van de verkeershinder kan voorkomen worden door het opleggen van een intern verkeersplan, waardoor ook de veiligheid bij het op- en afrijden naar de openbare weg verzekerd blijft'. Om dan uiteindelijk in haar beslissing te stellen dat de beoogde uitbreiding van de exploitatievergunning kan toegestaan worden mits bepaalde bijzondere voorwaarden die luiden als volgt : '- De exploitant legt binnen de periode van 1 maand een intern verkeersplan voor aan de vergunningverlenende overheid en de afdeling milieuvergunningen houdende maatregelen waardoor de veiligheid ten gevolge van het bijkomende verkeer van en naar de inrichting kan verzekerd worden. Deze maatregelen worden onmiddellijk uitgevoerd; - De toegangsweg aan de straatzijde wordt verbreed tot aan de bedrijfswoning zodat elk naar de inrichting oprijdend voertuig kan stilstaan op het eigen bedrijfsterrein in afwachting van het doorrijden naar de achtergelegen installaties ....' In de eerste plaats is het uiteraard zo dat men enkel aan het bedrijf zelf een intern verkeersplan kan opleggen, dat louter en alleen kan gelden op het terrein van het bedrijf. In het kader van de milieuvergunningsaanvraag kan men uiteraard aan de gemeente geen bijkomend verkeersplan opleggen om de verkeersveiligheid en de verkeersoverlast op de openbare weg te beperken. De motivering van de beslissing is op dit punt derhalve onjuist. In de tweede plaats is het overduidelijk dat de uitbreiding van de activiteit bijkomende verkeersproblemen zal veroorzaken in de onmiddellijke omgeving, nu de toegangsweg naar het bedrijf een landelijke weg is, waar het kruisen met vrachtwagens waarmee brandstof aan - en uitgevoerd wordt, moeilijk is. Voor zover de activiteit uitgebreid wordt, zal dit tevens een toename inhouden van personenwagens en vrachtwagens naar en van het bedrijf, waardoor de overlast voor de omliggenden uiteraard sterk zal toenemen. VII-23.215-10/28 Een intern verkeersplan op het bedrijf zelf zal daaraan uiteraard niets wijzigen vermits het hoedanook de toenemende verkeersdrukte en verkeershinder die inherent is aan de exploitatie van een benzinestation niet kan voorkomen, noch beletten. In de derde plaats gaat de Minister ten onrechte voorbij aan hetgeen door de Bestendige Deputatie terecht werd opgemerkt: het bedrijf heeft slechts één toegangsweg, zijnde een smalle oprit, gelegen onmiddellijk naast de woning van een buurtbewoner. Er zijn geen andere toegangswegen mogelijk, nu de achterliggende gronden in agrarisch gebied gelegen zijn, en er dus geen vergunning kan verleend worden voor een wegverharding. Derhalve zal alle aanvoer van brandstof, evenals alle verkeer dat naar het benzinestation of de garagewerkplaats rijdt, via die smalle toegang moeten passeren. Dit maakt dat er voor de naastgelegen woningen overdreven geluidshinder zal ontstaan die aldus de normale grenzen zal te boven gaan, terwijl er daarenboven, gelet op de opslag van brandbare producten, ontploffingsgevaar bestaat. Overeenkomstig art. 5.17.3.14 van Vlarem II dient het verkeer in zones waar redelijkerwijze brand - en ontploffingsgevaar bestaat tot een minimum beperkt te worden, en dient er een gemakkelijke toegang te bestaan voor het interventiematerieel. Gezien het onmogelijk is een tweede toegang te voorzien, en dat het evenmin mogelijk is om de bestaande toegang, op redelijke wijze, te verbreden, gelet op de configuratie van de reeds bestaande gebouwen en de beperkte oppervlakte waarover de uitbater hiervoor beschikt, is het gevaar voor bovenmatige hinder en brandgevaar dat de normale risico's te boven gaat zeker aanwezig. Er weze dan nog aan toegevoegd dat een eventuele uitbreiding van de openbare weg of de inrichting van een strook voor stilstaande voertuigen evenzeer volstrekt onmogelijk zijn, gelet op de doorlopende bebouwing aldaar aan de beide kanten van de Ellestraat. Nu de door de minister opgelegde bijzondere voorwaarden ofwel niet te verwezenlijken zijn ofwel geen noemenswaardige invloed kunnen hebben op de overdreven verkeershinder die de uitbreiding van de uitbating voor de aanpalende woonwijk zal veroorzaken, moet beschouwd worden dat het middel van verzoeker met betrekking tot de toename van overdreven verkeershinder niet naar rechte beantwoord werd. De beslissing van de minister is derhalve op dat vlak tegenstrijdig, vermits enerzijds de toenemende verkeershinder als dusdanig wordt erkend terwijl anderzijds hiermee slechts rekening gehouden werd door het opleggen van maatregelen die ofwel niet realiseerbaar zijn ofwel niet van aard zijn om het overdreven hinderlijk karakter afdoende te voorkomen of te beletten. Daarenboven mist de beslissing van de minister op dat vlak ook feitelijke grondslag. Dit kan geenszins worden vermeden of beperkt door een intern verkeersplan, nu zowel de toegang als het vertrek uit het bedrijf via één en dezelfde oprit moet gebeuren. De beslissing van de minister is dus in feite geenszins gemotiveerd. I.5 Vijfde onderdeel Terwijl de vergunningsaanvraag althans deels betrekking heeft op de inrichting van een benzinestation met inbegrip van de plaatsing van 6 verdeelpompen voor brandstof is er in de ministeriële bestreden beslissing plots sprake van '6 verdeelslangen' (zie artikel 2, 2/ van het ministerieel besluit dd. 10 januari 2001). Het is niet duidelijk welk verschil hiermee bedoeld wordt en de verschillende benaming wordt evenmin gemotiveerd"; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert : VII-23.215-11/28 "3. Betreffende het eerste onderdeel 3.1. In het eerste onderdeel wordt opgeworpen dat de Ministeriële beslissing abstractie zou uitmaken van de feitelijke gegevens, en de vergunningsaanvraag zou beoordelen alsof er het terzake niet ging om een zonevreemd, maar om een zone- eigen bedrijf. De kritiek die verzoekende partij uit in dit onderdeel is in wezen een kritiek geuit tegen het B.P.A. nr. 20 zonevreemde bedrijven. Het is niet gericht tegen het bestreden besluit. Dit onderdeel is onontvankelijk. 3.2. De inrichting is volgens het gewestplan gelegen tussen woongebied en agrarisch gebied. Dit gegeven doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Minister om zonevreemde bedrijven te regulariseren op grond van een sectoraal B.P.A. zonevreemde bedrijven. De rechtsgrond voor dergelijk sectoraal B.P.A. voor zonevreemde bedrijven is terug te vinden in de behoefte om handhaving en uitbreiding van bestaande bedrijven, kaderend binnen een globale gemeentelijke benadering te verwezenlijken. Gezien de inrichting van Roose Brandstoffen bvba is gelegen binnen het beheersgebied van het B.P.A. nr. 20 'zonevreemde bedrijven', goedgekeurd bij ministerieel besluit van 24 juli 1998, waarbinnen de voorschriften 'bedrijvenzone' van toepassing zijn, stond het dan ook aan de Minister de aanvraag te beoordelen als zijnde deze van een zone-eigen bedrijf. 3.3. Het spreekt hierbij voor zich dat alle Vlarem- normen, betrekking hebbend op gebieden palend aan woongebieden en aldus restricties opleggend, op deze inrichting van toepassing zijn, zonder dat is vereist dit expliciet in de vergunning op te nemen. Het onderdeel is tevens ongegrond. 4. Betreffende het tweede onderdeel 4.1. Dit onderdeel betreft een kritiek op de stedenbouwkundige motivatie. Uit het hiernavolgend tekstfragment uit het bestreden besluit blijkt, dat de Minister de beslissing afdoende motiveerde. De motieven van de beslissing zijn verzoekende partij wel degelijk bekend : 'Gelet op het voorwaardelijk gunstige advies van 10 oktober 2000 van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het departement Leefmilieu en infrastructuur; Gelet op de ligging van de inrichting volgens het gewestplan 'Kortrijk', goedgekeurd bij koninklijk besluit van 4 november 1977, deels in een woongebied en deels in een agrarisch gebied; Gelet op het feit dat de inrichting in een bedrijvenzone gelegen is overeenkomstig het BPA nr. 20 'zonevreemd bedrijf', goedgekeurd bij ministerieel besluit van 24 juli 1998; Overwegende dat de tanks voor vloeibare brandstof worden ingeplant binnen de daartoe bestemde zones zoals aangeduid op het B.P.A.; dat het pompeiland met luifel wordt ingeplant in de zone voor bedrijvigheid; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inr icht ing d ie he t vo o r w e r p va n de vo o r meld e milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften'; Aan de verplichting om de stedenbouwkundige toetsing van de aanvraag in het vergunningsbesluit uitdrukkelijk te veruitwendigen werd dan ook voldaan. Het is hierbij niet vereist dat het vergunningsbesluit een uitvoerige motivering opneemt over datgene wat klaar en duidelijk uit de wet voortvloeit. Het volstond hierbij vast te stellen dat het bedrijf zone- eigen is, zodat er niet dient te worden getoest aan de verenigbaarheid en bestaanbaarheid met het omliggend woongebied. VII-23.215-12/28 4.2. Uit het loutere feit dat bezwaarschriften werden ingediend tijdens het openbaar onderzoek betreffende de aanvraag, kan niet worden besloten dat de activiteiten waarvoor de vergunning wordt gevraagd, hinder en/of gevaar zullen opleveren voor de buurt en het milieu. Tegenover deze aanspraken en bezwaren van de beroepsindieners, staan de gunstige adviezen die door de bevoegde adviesverlenende organen tijdens de beroepsprocedure werden uitgebracht. Het advies van het Bestuur Milieuvergunningen besteedt aandacht aan de verschillende milieu-effecten van de inrichting en stelt dat het verdeelstation voor brandstoffen een uitbreiding van de bestaande situatie is, die volledig conform de Vlarem- bepalingen wordt ingericht. De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie trad deze gunstige adviezen bij. Hierbij werd gesteld dat : 'Overwegende dat inzake de uitbreiding van de opslag van kolen met 200 ton de aanvrager zich niet verzet tegen de weigering; dat derhalve slechts de hernieuwing van de reeds vergunde hoeveelheid toegestaan wordt; dat de opslag gebeurt in open lucht achteraan op het bedrijfsterrein; dat een sproeiinstallatie voorzien wordt om desgevallend stofhinder voor de omgeving te voorkomen. (... ) het verdeelstation voor brandstoffen wordt ook voorzien van een damprecuperatiesysteem; in principe kan er geen geurhinder voor de omgeving voorkomen'. In het bestreden besluit werd terecht besloten dat de inrichting op een verantwoorde wijze zonder overdreven hinder voor de omgeving kan worden geëxploiteerd. 5. Betreffende het derde onderdeel 5.1. In dit onderdeel uit verzoekende partij kritiek op het niet vermelden van de Vlarem- normen inzake geluidshinder. 5.2. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de wet van 29 juli 1991 is erin gelegen dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet aantreffen op grond waarvan ze werd genomen. Om aan die belangrijke bestaansreden tegemoet te komen is het evenwel niet vereist dat in de beslissing een antwoord wordt gegeven op elk van de in beroep aangevoerde argumenten. Het is voldoende dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden. 5.3. In het bestreden besluit wordt omtrent de geluidshinder het volgende gesteld : 'De inrichting is gelegen in een bedrijvenzone doch moet voor wat de geluidsnormen betreft voldoen aan de normen voor woongebied en landelijk gebied'. Uit bovenstaand tekstfragment kan worden afgeleid dat bij de beoordeling met de geluidshinder werd rekening gehouden alsmede met de onmiddellijke omgeving. Het volstaat hierbij dat de van toepassing zijnde normen worden vermeld. Het toezicht op de naleving ervan dient niet in het kader van de vergunningsprocedure te worden nagegaan. 6. Betreffende het vierde onderdeel 6.1. Conform artikel 3.3.0.1. van Vlarem II kan de vergunningverlenende overheid : VII-23.215-13/28 '§ 1. Onverminderd de milieuvoorwaarden vastgesteld door dit besluit, kan de vergunningverlenende overheid bij het verlenen van een milieuvergunning, mits motivering, bijzondere vergunningsvoorwaarden opleggen met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu, en inzonderheid met het oog op de handhaving of het bereiken van de in deel 2 van dit besluit opgenomen milieukwaliteitsnormen. Desgeval- lend moet daarbij onder meer rekening worden gehouden met de toxiciteit, de persistentie en de bioaccumulatie van de betrokken stoffen in het milieu waarin ze worden geëmitteerd. §2. De bijzondere vergunningsvoorwaarden vullen de in dit besluit vastgestelde voorwaarden aan, of stellen bijkomende eisen. Ze kunnen slechts in minder strenge zin van dit besluit afwijken wanneer dit uitdrukkelijk in dit reglement is bepaald en in geval van de in de afdelingen 1.2.2. en 1.2.3. bedoelde toelating'. Het staat aan de vergunningverlenende overheid om bij het verlenen van de vergunning, mits motivering, bijzondere exploitatievoorwaarden op te leggen, met het oog op de bescherming van mens en milieu en inzonderheid met het oog op de handhaving of het bereiken van de milieukwaliteitsnor- men. Het opleggen van bijzondere vergunningsvoorwaarden is een opportuniteitskwestie die behoort tot de vrije appreciatiebevoegdheid van de vergunningverlenende overheid. De kritiek die verzoekende partij uit op deze appreciatiebevoegdheid is een loutere opportuniteitskritiek. 6.2. Uit onderstaand tekstfragment van het bestreden besluit blijkt dat de beslissing van de Vlaamse Minister tot het opleggen van bijzondere voorwaarden teneinde de verkeersveiligheid te verbeteren, in het allerminst tegenstrijdig noch onjuist is : 'Overwegende dat de aanvrager verscheidene bijkomende maatrege- len voorziet om de verkeersveiligheid op het terrrein te verbeteren en de verkeersveiligheid voor de openbare weg niet in het gedrang te brengen; dat deze maatregelen als bijkomende bijzondere voorwaarden zullen opgelegd worden'; Uit het voorliggend administratief dossier blijkt dat maatregelen zullen worden getroffen teneinde het hinderlijk karakter van de inrichting te beletten. Om gevaarlijke situaties te vermijden, zullen er verkeerslichten worden geplaatst ter hoogte van de ingang, de burelen en de wasplaats voor vrachtwagens. Deze zullen het op- en afrijdend verkeer regelen. Om geen gevaarlijke situaties op de openbare weg te creëren, zal er een wachtzone worden voorzien ter hoogte van de burelen. Er zal tevens een snelheidsbe- perking en een verplichte rijrichting worden opgelegd voor het verkeer op het terrein. De bijkomende hinder die het bedrijf met de nieuwe milieuvergunning zal veroorzaken voor de omgeving en haar inwoners, valt aldus binnen de grenzen van het aanvaardbare. 7. Betreffende het vijfde onderdeel In het ministerieel besluit van 10 januari 2001 wordt de beslissing van de Bestendige Deputatie dd. 6 juli 2000 op een aantal punten gewijzigd. Artikel 1 § 1 wordt hierbij gewijzigd door 'zes verdeelslangen' te vermelden, daar waar de vergunningsaanvraag spreekt over de plaatsing van 'zes verdeelpompen'. Ondanks het verschil in benaming gaat het in beide gevallen wel degelijk om dezelfde 'zes verdeelpompen'. Tegenpartij toont geen enkel belang aan bij het aanvoeren van het onderdeel zodat het onontvankelijk is. Het eerste middel is deels onontvankelijk en geheel ongegrond"; VII-23.215-14/28 3.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst het volgende doet gelden : "§ 1.Aangaande het eerste onderdeel 1. Verzoekende partij stelt dat de bestreden beslissing 'abstractie (maakt) van de feitelijke gegevens' en 'de vergunningsaanvraag (beoordeelt) alsof het terzake niet ging om een zonevreemd, maar om een zoneëigen bedrijf'. Verzoekende partij voegt eraan toe dat de omstandigheid dat het bedrijf van tussenkomende partij werd 'geregulariseerd door een BPA zonevreemde bedrijven ... niet (kan) inhouden dat de omwonenden dienen te lijden onder de regularisatie'. 2. Ingevolge het BPA nr. 20 is de inrichting van verzoekende partij ingekleurd als een bedrijfszone, zodat de milieuvergunningsaanvraag moet worden beoordeeld, rekening houdende met deze bodembestemming. Zo ook heeft verwerende partij gedaan. Inderdaad, ingevolge het BPA nr. 20 is het bedrijf van tussenkomende partij niet of niet langer meer een 'zonevreemd bedrijf', maar wel een zoneëigen bedrijf in een bedrijfzone. 3. Het eerste onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. § 2. Aangaande het tweede onderdeel 1. Verzoekende partij stelt dat de Minister heeft nagelaten haar beslissing omtrent de verenigbaarheid van de inrichting met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften te motiveren. Er zou enkel verwezen worden naar 'het voorwaardelijk gunstig advies van de afdeling Stedenbouwkundige vergunning van Arohm'. 2. Verzoekende partij vergist zich. De bestemmingsconformiteit wordt in de bestreden beslissing als volgt gemotiveerd : 'Gelet op de ligging van de inrichting volgens het gewestplan 'Kortrijk', goedgekeurd bij koninklijk besluit van 4 november 1977, deels in een woongebied en deels in een agrarisch gebied; Gelet op het feit dat de inrichting in een bedrijvenzone gelegen is overeenkomstig het BPA nr. 20 'zonevreemde bedrijven', goedgekeurd bij ministerieel besluit van 24 juli 1998; Overwegende dat de tanks voor vloeibare brandstof worden ingeplant binnen de daartoe bestemde zones zoals aangeduid op het BPA; dat het pompeiland met luifel wordt ingeplant in de zone voor bedrijvigheid; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaan- vraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat onderhavige beroepen betrekking hebben op de verdere exploitatie en verandering van een bedrijf voor de verdeling van brandstoffen; Overwegende dat de argumenten van het buurtcomité betrekking hebben op de ligging in woongebied en agrarisch gebied; de mogelijk- heid die door de vergunning geschapen wordt om verder uit te breiden in agrarisch gebied; de toename van de hinder door lawaai, geur en bijkomend verkeer; het niet voldoen aan vereiste minimum afstanden voor de opslag van gassen en benzine en het gevaar voor lozing van producten in oppervlaktewater; Overwegende dat de argumenten van de exploitant betrekking hebben op het feit dat alle Vlarem-normen nagekomen worden; dat de VII-23.215-15/28 inrichting zich volledig binnen het BPA bevindt en niet buiten de grenzen voorzien in het BPA kan uitbreiden; dat het groenscherm onmiddellijk na de aanpassingswerken zal uitgevoerd worden; dat er geen toename van de verkeershinder zal zijn; dat de exploitatie van een benzineverdeelstation een economische noodzaak is om de lasten van de investeringen te dragen die het milieu ten goede komen'. De kritiek van verzoekende partij faalt bij een eenvoudige lectuur van de bestreden beslissing. 3. Bijkomend poneert verzoekende partij als zou de Minister bij haar beslissing geen rekening hebben gehouden met de feitelijke gegevens en dit terwijl verwerende partij, precies rekening houdende met de feitelijke situatie ter plaatse : - aan verzoekende partij heeft opgelegd een intern verkeersplan voor te leggen aan de vergunningverlenende overheid en de afdeling milieuvergun- ningen houdende maatregelen waardoor de veiligheid tengevolge van bijkomend verkeer en na de inrichting kan verzekerd worden (sic); - wat betreft de opslag van kolen, eraan herinnert dat deze opslag gebeurt in open lucht achteraan op het bedrijfsterrein en dat, bovendien een sproeiinstallatie voorzien wordt om desgevallend stofhinder voor de omgeving te kunnen voorkomen. 4. Aldus is ook het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond. § 3. Aangaande het derde onderdeel 1. Het is juist dat in de bestreden beslissing wordt geargumenteerd dat de inrichting is gelegen 'in een bedrijvenzone, doch voor wat de geluidsnormen betreft (moet) voldoen aan de normen voor woongebied en landelijk gebied'. Verwerende partij beklaagt zich erover dat 'de desbetreffende normen echter niet (worden) weergegeven, noch wordt er melding gemaakt of, en zo ja in welke mate het bedrijf Roose voldoet aan de bepalingen met betrekking tot geluidshinder in een woongebied'. 2. Tussenkomende partij kan zich beperken tot volgende repliek : - welke de geluidsnormen zijn die gelden in een woongebied en landelijk gebied kan door iedereen gelezen worden in Vlarem II en bijlage 2.2.1., zodat verdere omschrijvingen in de bestreden beslissing overbodig zijn; - de vraag of de inrichting van tussenkomende partij hic et nunc al dan niet beantwoordt aan deze geluidsnormen is zeer relevant in het kader van een milieuvergunningsaanvraag. 3. Aldus is ook het derde onderdeel van het eerste middel kennelijk ongegrond. § 4. Aangaande het vierde onderdeel 1. Verzoekende partij bekritiseert de overweging in de bestreden beslissing dat 'een toename van de verkeershinder kan voorkomen worden door het opleggen van een intern verkeersplan waardoor ook de veiligheid bij het op- en afrijden naar de openbare weg verzekerd blijft', overweging die naar haar mening onjuist en bovendien irrelevant is. 2. Vooreerst wenst tussenkomende partij erop te wijzen dat in de bestreden beslissing meer is te lezen dan enkel hetgeen wordt gesteld in repliek (

  1. op)de bezwaren van het buurtcomité. Zo wordt met betrekking tot de verkeerssituatie aanvullend overwogen : 'Overwegende dat de aanvrager verscheidene bijkomende maatregelen voorziet om de verkeersveiligheid op het terrein te verbeteren en de verkeersveiligheid voor de openbare weg niet in het gedrang te brengen; dat deze maatregelen als bijkomende bijzondere voorwaarden zullen opgelegd worden; Overwegende dat inzake brandveiligheid dient gesteld te worden dat er naast de normale toegangsweg naar het bedrijf nog twee bijkomende interventiewegen voor de brandweer voorzien werden'. VII-23.215-16/28 3. Verder lijkt verwerende partij uit het oog te verliezen dat de bijzondere voorwaarde die werd opgelegd met betrekking tot de verkeerssituatie, niet tot doel heeft een toename van het verkeer te verhinderen, maar wel 'een toename van de verkeershinder'. Inmiddels heeft verzoekende partij een intern verkeersplan en een interventieplan ingediend die niet alleen reeds zijn goedgekeurd, doch zelfs reeds geïmplementeerd. Door het intern verkeersplan : - heeft de toegangsweg thans een breedte van 6 meter; - worden er verkeersborden geplaatst ter hoogte van de ingang aan de burelen en de poort. Dit verkeersbord zal aanduiden dat het oprijdend verkeer voorrang heeft op het afrijdend verkeer; - is er een wachtzone voorzien ter hoogte van de burelen; - is er een snelheidsbeperking en een verplichte rijrichting opgelegd voor het verkeer op het terrein. Verzoekende partij toont niet aan dat de omstandigheid dat verwerende partij soeverein heeft geoordeeld dat deze bijkomende maatregel zou volstaan om 'een toename van de verkeershinder' te voorkomen kennelijk onredelijk is. Verwerende partij beperkt zich integendeel tot algemene overwegingen die door niets gesteund zijn. 4. Verwerende partij is niet, zoals verzoekende partij beweert, voorbijgegaan aan de overweging van de bestendige deputatie met betrekking tot de breedte van de toegangsweg. Integendeel wordt in de bijzondere voorwaarden een verbreding van de toegangsweg opgelegd, zodat 'elk naar de inrichting oprijdend voertuig kan stilstaan op het eigen bedrijfsterrein in afwachting van het doorrijden naar de achtergelegen installaties'. 5. Wat tenslotte het brandgevaar betreft heeft verwerende partij: - de opslag van gassen (
  2. in)verplaatsbare recipiënten verboden omdat deze initieel voorzien was onmiddellijk langs de toegangsweg voor voertuigen; - aan tussenkomende partij opgelegd een interventieplan op te stellen, waarbij voorzien wordt dat - in geval van nood - naast de normale toegangsweg naar het bedrijf nog twee bijkomende interventiewegen voor de brandweer voorzien worden. 6. Voor zoveel als nodig benadrukt tussenkomende partij dat verwerende partij geen beroep heeft aangetekend tegen de goedkeuring van het verkeers- en interventieplan, dat inmiddels reeds uitgevoerd is. 7. Aldus is ook het vierde onderdeel van het eerste middel kennelijk ongegrond. § 5. Aangaande het vijfde onderdeel 1. Het is juist dat in de beslissing van de bestendige deputatie sprake is van "6 verdeelpompen", terwijl uiteindelijk 6 verdeelslangen werden vergund. Sedert de wijzigingen van de indelingslijst van Vlarem I, die van kracht werden op 1 mei 1999, worden geen verdeelpompen, maar wel verdeelslangen voor brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen vergund. In werkelijkheid beschikt tussenkomende partij over 6 verdeelslangen en deze zijn ook het werkelijke voorwerp van de aanvraag. VII-23.215-17/28 2. Vanzelfsprekend heeft de loutere verschrijving - die in de loop van de procedure werd rechtgezet - geen enkele implicatie op de reële draagwijdte van de vergunningsaanvraag, zoals deze ook is gebleken uit het dossier gevoegd bij de aanvraag en welbekend door verzoekende partij. Verzoekende partij zegt helemaal niet welk belang hij kan doen gelden bij deze loutere terminologische rechtzetting. 3. Aldus is ook het vijfde (onderdeel) ongegrond"; 3.1.4. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord als volgt repliceert : "1.1. EERSTE ONDERDEEL In tegenstelling tot de bewering van verweerster is de kritiek dienaangaande wel degelijk gericht tegen de bestreden beslissing. In de bestreden beslissing zelf wordt uitdrukkelijk overwogen dat de betwiste inrichting, voor wat de geluidsnormen betreft, moet voldoen aan de normen voor woongebied en landelijk karakter. Verzoeker stelt dan ook terecht dat ook voor de andere hinderlijke factoren, zoals verkeershinder, onveiligheid, visuele hinder, enz..... de beoordeling evenzeer diende te gebeuren op grond van de normen die bestaan voor woongebied en landelijk karakter. Dit gebeurde evenwel niet. Bij gebreke hieraan is er minstens sprake van tegenstrijdige motivering nu blijkbaar voor de geluidsnormen rekening wordt gehouden met de omgeving van residentiële bebouwing terwijl voor het overige de evaluatie gebeurde, rekening houdende met de ligging van de betwiste inrichting in een zogenaamde bedrijvenzone. Dit klemt des te meer nu in het BPA nr 20 (zonevreemd bedrijf) goedgekeurd bij Ministerieel Besluit van 21 juli 1998 evenzeer uitdrukkelijk overwogen wordt dat het bedrijf ROOSE BVBA 'als hinderlijke inrichting in de onmiddellijke nabijheid van de residentiële bebouwing door ruimtelijke draagkracht het gebied dreigt te overschrijden en dat de mogelijk gemaakte uitbreiding aldus een aantasting vormt van de woon- en leefkwaliteit van het gebied .....'. 1.2. TWEEDE ONDERDEEL Ook hier volhardt verzoeker in zijn argumentatie. Opnieuw verwijst verzoeker naar voormelde overweging in het BPA nr. 20 waarin reeds gesteld werd dat de betwiste inrichting, op het vlak van de stedenbouw en de ruimtelijke ordening, moet beoordeeld worden overeenkomstig haar ligging in de onmiddellijke nabijheid van residentiële bewoning zodat elke uitbreiding de ruimtelijke draagkracht van het gebied dreigt te overschrijden en tevens een aantasting vormt van de woon- en leefkwaliteit van het gebied. In werkelijkheid is de betwiste inrichting gelegen midden in een woongebied, gekenmerkt door een residentiële bebouwing, hetwelke op zijn beurt als het ware overgaat in een agrarisch gebied. De betwiste inrichting vormt als het ware een eiland dat deels in woongebied en deels in een agrarisch gebied gelegen is. Dienvolgens diende de Minister, om te voldoen aan haar motiveringsplicht, te voorzien in een persoonlijke en eigen motivering ivm de verenigbaarheid- onverenigbaarheid van de beoogde uitbreiding met de normen. Zulks gebeurde niet vermits de motivering zich beperkt tot de loutere verwijzing naar het standpunt van bepaalde adviesorganen en - tot het letterlijk overnemen van hun motivering, waaraan uiteindelijk de zuivere stijlformule gekoppeld werd dat 'vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimte(lijke) aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het VII-23.215-18/28 voorwerp uitmaakt van de voormelde milieuvergunningsaanvraag, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften ....' terwijl in werkelijkheid, gelet op de inplanting in een gebied van residentiële bebouwing en agrarisch gebied, de geplande exploitatie en uitbreiding evidentelijk strijdig is met het begrip van de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. 1.3 DERDE ONDERDEEL Verzoeker blijft erbij dat in de bestreden beslissing niet werd nagegaan en ook niet werd gemotiveerd dat de beoogde exploitatie van de inrichting die het voorwerp uitmaakt van de betwiste milieuvergunningsaanvraag voldoet of kan voldoen aan de bepalingen met betrekking tot de geluidshinder in een woongebied en agrarisch gebied. Het volstaat immers niet de geldende norm te vermelden, doch een passende motivering veronderstelt dat de haalbaarheid van de norm in het concrete voorliggende geval ook daadwerkelijk nagegaan wordt. Terzake blijkt dit niet gebeurd te zijn zodat op dat vlak de bestreden beslissing niet of onvoldoende gemotiveerd werd. 1.4 VIERDE ONDERDEEL Verzoeker stelt vooreerst vast dat er in de memorie van antwoord niet ingegaan wordt op zijn verwijzing naar artikel 5.17.3.14 van Vlarem 2, zijnde de beperking van het verkeer in zones waar redelijkerwijze brand- en ontploffingsgevaar bestaat en tevens de noodzaak van een gemakkelijke toegang voor het interventiematerieel. Voor het overige volhardt verzoeker in zijn standpunt dat het opleggen van een intern verkeersplan op het terrein van het bedrijf zelf per definitie geen oplossing kan bieden voor de bovenmatige verkeersdrukte en verkeerstoename die in het woongebied (residentiële bebouwing) zal ontstaan ingevolge de uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten, meer bepaald in de woonwijk van de Ellestraat zelf. Integendeel, de beoogde plaatsing van verkeerslichten ter hoogte van de ingang impliceert enerzijds de uitdrukkelijke bekentenis van de bijzondere verkeersdrukte die normaliter mag verwacht worden en anderzijds impliceert deze ook een bestendige verkeersdrukte op de Ellestraat ingevolge het alternerend op- en afrijden van de bedrijfsterreinen van verweerster, zonder dan nog te spreken van de hinder van het wachtend verkeer in de betrekkelijk smalle Ellestraat wanneer de verkeerslichten aan de ingang op rood staan. Dienvolgens wanneer de Minister motiveert door te stellen dat een toename van de verkeershinder kan voorkomen worden door een intern bedrijfsplan is deze motivering onjuist omdat zij strijdig is met de onderliggende werkelijkheid. Zij is bovendien ook tegenstrijdig nu blijkt dat het opzetten van een intern verkeersplan een hogere verkeersdrukte in het woongebied veronderstelt, maar hiervoor in de Ellestraat op zich geen oplossing biedt, zeer integendeel. 1.5. VIJFDE ONDERDEEL Verzoeker volhardt"; 3.1.5. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie er nog op wijst dat het verkeersplan intussen geïmplementeerd is, met als resultaat dat de verkeerssituatie er de facto op verbeterd zou zijn; VII-23.215-19/28 3.1.6. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog benadrukt dat de twee extra interventiewegen waarvan sprake is in de bestreden beslissing niet bestaan, vermits "de omschrijving van 'weg en wegen' (in)houdt (...) dat deze berijdbaar moet zijn en volgens ons minimaal voor het zware materiaal van de interventieploegen zoals brandweer, civiele bescherming en andere"; dat, voorts, hij nog diverse nieuwe argumenten inzake de motivering van het bestreden besluit aanvoert; 3.1.7. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie terecht opmerkt dat de nieuwe kritiek van verzoeker op het bestreden besluit onontvankelijk is; dat zij nog betoogt dat er in elk geval voor de brandweer benevens de hoofdingang nog twee extra interventietoegangen zijn om haar bedrijf te bereiken en dat aldus de toegankelijkheid voor de brandweer toereikend is, hetgeen ook blijkt uit de diverse brandweeroefeningen die in het verleden doorgingen zoals blijkt uit een door haar neergelegd stuk; 3.1.8.1. Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat vooreerst vastgesteld wordt dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord de overweging uit het ministerieel besluit van 24 juli 1998, waarbij het bijzonder plan van aanleg nr. 20 "zonevreemd bedrijf" werd goedgekeurd onvolledig citeert en uit de context haalt; dat omtrent het bedrijf van de tussenkomende partij in evengenoemd ministerieel besluit het volgende wordt overwogen : "Overwegende dat het bedrijf BVBA ROOSE als hinderlijke inrichting in de onmiddellijke nabijheid van residentiële bebouwing de ruimtelijke draagkracht van het gebied dreigt te overschrijden en dat de mogelijk gemaakte uitbreiding aldus een aantasting vormt van de woon- en leefkwaliteit van het gebied; dat de indeling in categorie 5 (verdere ontwikkeling mogelijk, zonder beperking van activiteiten) en de bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften bij het plan onvoldoende garanties bieden voor het voorkomen van een verdere ontwikkeling met andere activiteiten en dat het deelplan nr. 6 bijgevolg slechts gedeeltelijk kan worden goedgekeurd; de zone die wordt uitgesloten betreft met name de zone voor het parkeren"; dat uit deze overweging dus niet kan afgeleid worden dat het bedrijf van de tussenkomende partij na goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg de ruimtelijke draagkracht van het gebied overschrijdt en dat de uitbreiding een aantasting vormt van de woon- en leefkwaliteit van het gebied, zoals verzoeker wil laten uitschijnen, maar enkel dat voor het bedrijf van de tussenkomende partij geen verdere uitbreiding zonder beperking van activiteiten kon toegelaten worden, met name dat de zone voor parkeren diende uitgesloten te worden, hetgeen dan ook is gebeurd; dat bijgevolg het ministerieel besluit van 24 juli 1998 geen argument biedt om te besluiten dat voor VII-23.215-20/28 elke vorm van hinder veroorzaakt door de inrichting van tussenkomende partij de normen moeten gehanteerd worden die gelden in woongebied en landelijk gebied; dat het standpunt van verzoeker dat voor alle vormen van hinder veroorzaakt door de inrichting van de tussenkomende partij de normen voor woongebied en landelijk gebied moeten gelden een negatie inhoudt van het bijzonder plan van aanleg nr. 20 "zonevreemd bedrijf"; dat daarbij komt dat verzoeker nalaat aan te geven over welke specifieke vormen van hinder de verwerende partij zich een onjuist oordeel zou hebben toegemeten; dat het eerste onderdeel niet gegrond is; 3.1.8.2. Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat de verenigbaarheid van de uitbreiding met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften als volgt wordt gemotiveerd : “Gelet op de ligging van de inrichting volgens het gewestplan 'Kortrijk', goedgekeurd bij koninklijk besluit van 4 november 1977, deels in woongebied en deels in agrarisch gebied; Gelet op het feit dat de inrichting in een bedrijvenzone gelegen is overeenkomstig het BPA nr. 20 'zonevreemd bedrijf', goedgekeurd bij ministerieel besluit van 24 juli 1998; Overwegende dat de tanks voor vloeibare brandstof worden ingeplant binnen de daartoe bestemde zones zoals aangeduid op het BPA; dat het pompeiland met luifel wordt ingeplant in de zone voor bedrijvigheid; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften"; dat aldus de bestreden beslissing wel degelijk de gegevens vermeldt die de verwerende partij er toe hebben gebracht te besluiten dat de uitbreiding verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; dat verzoeker niet op goede gronden stelt dat enkel verwezen wordt naar het voorwaardelijk gunstig advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen; dat bovendien de vergunning wordt verleend onder de voorwaarden gesteld door de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, zodat dit advies integraal gevolgd wordt en bijgevolg als gunstig moet beschouwd worden; dat, voorts, verzoeker in zijn middel ten onrechte milieuhygiënische beoordelingsaspecten betrekt bij de loutere stedenbouwkundige beoordeling; dat het tweede onderdeel niet gegrond is; 3.1.8.3. Overwegende, wat het derde onderdeel betreft, dat de bedoelde passage uit de motivering de repliek bevat op het door verzoeker namens het buurtcomité aangebrachte bezwaar inzake geluidshinder; dat de motivering van de bestreden beslissing hieromtrent stelt : VII-23.215-21/28 "De inrichting is gelegen in een bedrijvenzone doch moet voor wat de geluidsnormen betreft voldoen aan de normen voor woongebied en landelijk gebied"; dat hieruit blijkt dat verwerende partij van oordeel is geweest dat wat het aspect geluidshinder betreft strengere normen moesten gehanteerd worden dan deze die gelden voor bedrijvenzones; dat welke deze normen zijn, blijkt uit de beslissing in eerste aanleg van de bestendige deputatie (artikel 4), die op dit punt niet gewijzigd wordt door de bestreden beslissing; dat daarenboven de tussenkomende partij er terecht op wijst dat die geluidsnormen door eenieder kunnen worden nagegaan in Vlarem II; dat, tenslotte, het naleven van de bij de milieuvergunning opgelegde geluidsnormen een zaak vormt van toezicht en controle nadat de vergunning is verleend; dat het derde onderdeel niet gegrond is; 3.1.8.4.1. Overwegende, wat het vierde onderdeel inzake het aspect verkeershinder betreft, dat het feit dat er een toename van de verkeersstroom zal zijn, nog niet toelaat te besluiten dat de gevraagde uitbreiding tot een onaanvaardbare hinder zou leiden; dat geen van de adviserende instanties tot zulk een oordeel is gekomen; dat in het bestreden besluit wordt overwogen dat "een toename van de verkeershinder kan voorkomen worden door het opleggen van een intern verkeersplan waardoor ook de veiligheid bij het op- en afrijden naar de openbare weg verzekerd blijft"; dat met het bestreden besluit een dergelijk intern verkeersplan wordt opgelegd; dat het de Raad van State niet toekomt zich te beraden over de opportuniteit van de opgelegde maatregelen; dat niet blijkt en verzoeker niet aantoont dat de verwerende partij terzake kennelijk onredelijk heeft geoordeeld; 3.1.8.4.2. Overwegende, wat het aspect brandveiligheid betreft, dat uit het administratief dossier blijkt dat de brandweer een positief advies heeft uitgebracht; dat in het bestreden besluit als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat de exploitant in overleg met de brandweer een interventieplan moet opstellen dat binnen een termijn van één maand aan de vergunningverlenende overheid en aan de afdeling Milieuvergunningen moet worden overgelegd, hetgeen inmiddels reeds blijkt te zijn gebeurd; dat in die omstandigheden de grief van verzoeker dat in het bestreden besluit ten onrechte gewag wordt gemaakt van twee interventiewegen ten behoeve van de brandweer -volgens een door de tussenkomende partij neergelegde verklaring van de brandweer zijn er wel twee extra "interventietoegangen" voor de brandweer- niet tot het besluit kan leiden dat niet is voldaan aan artikel 5.17.3.14 van Vlarem II, dat bepaalt dat de bereikbaarheid van het tankstation zodanig moet worden opgevat dat "... 3/ een gemakkelijke toegang bestaat voor het interventiematerieel"; dat dit des te VII-23.215-22/28 meer klemt nu een verklaring neerligt vanwege de officier-dienstchef van de brandweerdienst van Zwevegem waarin wordt gesteld dat de toegankelijkheid naar de brandweer tot het bedrijf van de tussenkomende partij toereikend is; 3.1.8.4.3. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat het vierde onderdeel niet gegrond is; 3.1.8.5. Overwegende, wat het vijfde onderdeel betreft, dat het evident is dat verdeelpompen moeten voorzien zijn van verdeelslangen en verdeelslangen van verdeelpompen om te kunnen functioneren; dat het dan ook niet nodig is expliciet te verduidelijken waarom de bestreden beslissing "6 verdeelslangen" vergunt, terwijl in de vergunningsaanvraag sprake is van "6 verdeelpompen"; dat overigens de uitleg hieromtrent correct wordt gegeven door de tussenkomende partij; dat het vijfde onderdeel niet gegrond is; 3.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel de schending aanvoert van het koninklijk besluit van 17 december 1979 houdende vaststelling van het gewestplan "Roeselare-Tielt", van het besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997 houdende definitieve vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, en van het besluit van 19 december 1997 houdende de voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare-Tielt; dat dit middel in het verzoekschrift als volgt wordt toegelicht : "Blijkbaar is de beoogde uitbreiding van de bestaande exploitatievergunning slechts mogelijk gebleken mits verwijzing naar de omstandigheid dat de inrichting in een bedrijvenzone gelegen is overeenkomstig het BPA nr. 20 'zonevreemd bedrijf', goedgekeurd bij ministerieel besluit van 24 juli 1998. Welnu, de totstandkoming van dergelijk BPA ter regularisatie van zogenaamde zonevreemde bedrijven is uitsluitend gesteund op een ministeriële omzendbrief, meer bepaald de omzendbrief RO 97-01. Dat dergelijke ministeriële omzendbrief evenwel geen enkele verordenende kracht heeft en derhalve geen geldige afwijking kan verantwoorden ten aanzien van de geldende voorschriften van hetzij het toepasselijk gewestplan, hetzij van de voorschriften van het ruimtelijk structuurplan van Vlaanderen. Dat derhalve de minister, zonder de hogere wettelijke norm te miskennen, geen rekening mocht houden met afwijkingen die het rechtstreeks gevolg zijn van voormeld BPA 'zonvreemde bedrijven'. Dat dit middel des te meer klemt nu in de motivering van voormeld BPA trouwens uitdrukkelijk verwezen wordt naar de hinderlijke inrichting van het bedrijf BVBA ROOSE op grond van de onmiddellijke nabijheid van residentiële bebouwing. 'Overwegende dat het bedrijf ROOSE BVBA als hinderlijke inrichting in de onmiddellijke nabijheid van de residentiële bebouwing door ruimtelijke draagkracht het gebied dreigt te overschrijden en dat de VII-23.215-23/28 mogelijk gemaakte uitbreiding aldus een aantasting vormt van de woon- en leefkwaliteit van het gebied .....'. Dat dienvolgens slechts een gedeeltelijke opname in het voormelde BPA aanvaard werd (met uitsluiting van een parkeerzone), wat uiteraard de bevoegde overheid dwingt tot een nauwlettend toezicht in verband met de beoordeling van het hinderlijk karakter van de inrichting ten aanzien van de bewoners van de residentiële omgeving. Dat elke administratieve beslissing die gesteund is op een andere onwettige administratieve beslissing, weze het een ministeriële omzendbrief, op haar beurt als onwettig moet beschouwd worden, wat de vernietiging van de alhier bestreden beslissing tot gevolg moet hebben"; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert : "(...) 2. Verzoekende partij werpt op dat de totstandkoming van het voormeld B.P.A. ter regularisatie van zonevreemde bedrijven zou gesteund zijn op de ministeriële omzendbrief RO 97-01, die geen enkele verordenende kracht heeft en geen geldige afwijking zou kunnen verantwoorden ten aanzien van de geldende voorschriften van het gewestplan. Omdat, volgens verzoekende partij, de bestreden beslissing zou gesteund zijn op een onwettige administratieve beslissing, dient deze op haar beurt als onwettig te worden beschouwd. 3. In het tweede middel wordt in essentie kritiek geuit tegen het B.P.A. nr 20 zonevreemde bedrijven, en niet tegen het bestreden besluit. Bovendien blijft verzoekende partij zeer vaag in de formulering van dit middel, zodat het als onontvankelijk dient te worden afgewezen. 4. Artikel 14 derde lid van het gecoördineerd stedenbouwdecreet van 22 oktober 1996 bepaalt : 'Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken'. Gezien het uitzonderlijk karakter van een B.P.A. dat afwijkt van een gewestplanbestemming, diende het B.P.A., daterend van 24 juli 1998, aan drie stringente voorwaarden te voldoen opdat het ‘desnoods’ kon afwijken van het gewestplan. Volgende drie voorwaarden dienen tegelijk te zijn vervuld : 1/ Er moet worden aangetoond dat de bestemming in het hogere plan achterhaald is, of niet meer verwezenlijkt kan worden; 2/ De in het lagere plan voorgestelde bestemming moet beantwoorden aan de op dat ogenblik bestaande planologische noden en mogelijkheden en er moet een dwingende behoefte bestaan aan een daaraan aangepaste nieuwe afwijkende ordening; 3/ Deze planologische redenen moeten duidelijk en goed gelokaliseerd kunnen worden en steunen op de eigen aard van het betrokken deelgebied, en de voorgestelde afwijkende ordening mag de algemene economie van het gewestplan niet aantasten. 5. Voormeld B.P.A. vindt zijn rechtsgrond in artikel 14 derde lid van het gecoördineerd Stedenbouwdecreet van 22 oktober 1996. De omzendbrief RO van 27 februari 1997 reikt hierbij enkel het kader aan, waarbinnen sectorale B.P.A.’s voor zonevreemde bedrijven kunnen opgestart worden. VII-23.215-24/28 De voormelde omzendbrief RO 97/01 doet geen afbreuk aan voormeld artikel 14 derde lid, dat in tegenstelling tot wat verzoekende partij beweert, de eigenlijke rechtsgrond is waarop dit B.P.A. zich steunt. De discussie die verzoekende partij poogt te ontwikkelen omtrent het gebrek aan verordenende kracht van de voormelde omzendbrief is dan ook niet relevant. 6. Het middel mist aldus elke grondslag door te stellen dat in het bestreden besluit geen rekening mocht worden gehouden met de afwijkingen die het rechtstreeks gevolg zijn van voormeld geldig tot stand gekomen B.P.A. zonevreemde bedrijven. Het tweede middel is ongegrond"; 3.2.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst het volgende doet gelden : "1. Vooraf dient tussenkomende partij een exceptie van onontvankelijkheid op te werpen. Immers heeft de raadsman van verzoekende partij destijds als gemeenteraadslid van de gemeente Zwevegem zélf het BPA nr. 20 sectoraal BPA zonevreemde bedrijven definitief aanvaard en daarbij de bezwaren aangaande de inrichting van de tussenkomende partij, o.m. van zijn eigen cliënt, verworpen. De raadsman van verwerende partij (sic) kan niet zonder de kiesheidsgeboden van artikel 92, 1/ en 3/ van de nieuwe gemeentewet te schenden voor uw Raad ontvankelijk de onwettigheid inroepen van het bijzonder plan van aanleg dat hij in een andere hoedanigheid, nl. als raadslid van de gemeente Zwevegem, mee definitief heeft aanvaard. 2. Ondergeschikt merkt tussenkomende partij op dat de omzendbrief RO97/01 niets anders is dan een verwoording van de traditionele rechtspraak van uw Raad over de wijze waarop een BPA 'desnoods' kan afwijken van een gewestplan. In de ministeriële goedkeuringsbeslissing dd. 24 juli 1998 wordt nagegaan in welke mate het door de gemeenteraad definitief aanvaarde BPA al dan niet beantwoordt aan deze voorwaarden, hetgeen wat de site van tussenkomende partij betreft zelfs leidt tot een beperking van de 'regularisatie'. Verzoekende partij beweert en bewijst niet - en kan dit niet meer doen achteraf - dat de ministeriële omzendbrief RO 97-01 verder gaat dan de traditionele rechtspraak van uw Raad aangaande afwijkende BPA’s, noch dat deze omzendbrief een verordenend karakter zou dragen, noch dat, abstractie makende van de ministeriële omzendbrief RO97-01 afbreuk werd gedaan van de klassieke criteria die door uw Raad worden weerhouden opdat een BPA van een Gewestplan kan afwijken. Tussenkomende partij herhaalt: de ministeriële beslissing houdende goedkeuring van het BPA nr. 20 worden de traditionele criteria voor uw Raad ontmoet en, wat de site van tussenkomende partij betreft, wordt precies aan de hand van de toetsing en in acht genomen de precieze ligging van deze site, de uitbreiding bij de parkeerzone geweigerd. In het tweede middel wordt door niets aangetoond dat deze toets niet correct zou zijn geschied. 3. Aldus is het tweede middel onontvankelijk en ongegrond"; VII-23.215-25/28 3.2.4. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt te volharden in het middel en dat hij in essentie herneemt hetgeen hij in zijn verzoekschrift heeft uiteengezet; dat hij tevens zijn verwijzing naar het gewestplan Roeselare-Tielt corrigeert door een verwijzing naar het gewestplan Kortrijk; dat inzake de door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie, hij als volgt repliceert : "Tenslotte moet vastgesteld worden dat de vrijwillig tussenkomende partij haar bewering dat de raadsman van verzoeker, in zijn hoedanigheid van gemeenteraadslid, gunstig zou geadviseerd hebben, niet staaft. Dit zou bovendien geen afbreuk doen aan het recht van verzoeker om de later tussengekomen Ministeriële Beslissing als dusdanig aan te vechten vermits het erga omnes vaststaat dat een ministeriële omzendbrief geen verordenende kracht heeft en derhalve niet als normatieve regel kan vooropgesteld worden"; 3.2.5. Overwegende dat de tussenkomende partij bij haar memorie nog een afschrift van de gemeenteraadsbeslissing van 27 april 1998 voegt waaruit moet blijken dat het bezwaar van verzoeker tegen het ontwerp van sectoraal bijzonder plan van aanleg, eenparig werd verworpen, en dus ook door zijn raadsman in zijn hoedanigheid van gemeenteraadslid, die ter zitting aanwezig was bij de bespreking en de stemming over dat punt; 3.2.6.1. Overwegende, wat de opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van het middel betreft, dat artikel 92, 1/ en 3/ van de nieuwe gemeentewet, zoals het gold ten tijde van het instellen van het onderhavig annulatieberoep, luidde als volgt : "Art. 92. Het is elk gemeenteraadslid en de burgemeester verboden : 1/ tegenwoordig te zijn bij een beraadslaging of besluit over zaken waarbij hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als gelastigde, voor of na zijn verkiezing, of waarbij zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Inzake voordrachten van kandidaten, benoemingen tot bedieningen en tuchtvervolgingen geldt dit verbod slechts ten aanzien van bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad; (...) 3/ als advocaat, notaris of zaakwaarnemer werkzaam te zijn in rechtsgedingen, tegen de gemeente ingesteld. Het is hem verboden in dezelfde hoedanigheid ten behoeve van de gemeente te pleiten, raad te geven of op te treden in enige betwiste zaak, tenzij hij het kosteloos doet"; dat vooreerst niet blijkt, en de tussenkomende partij niet aantoont dat de raadsman van verzoeker een "rechtstreeks" belang had bij de totstandkoming van het bijzonder plan van aanleg nr. 20; dat, voorts, het onderhavig geding niet is ingesteld tegen de gemeente; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; VII-23.215-26/28 3.2.6.2. Overwegende dat in de aanhef van het goedkeuringsbesluit met betrekking tot het bijzonder plan van aanleg verwezen wordt naar artikel 14 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat het derde lid van die bepaling luidt als volgt : "Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan van aanleg zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken"; dat luidens artikel 2, § 1 van datzelfde decreet de Vlaamse regering bindende kracht verleent aan de plannen van aanleg; dat uit deze bepalingen kan afgeleid worden dat een bijzonder plan van aanleg kan afwijken van een hoger plan, en dat dit bijzonder plan van aanleg bindende kracht verkrijgt indien het goedgekeurd wordt door de Vlaamse regering; dat de stelling van verzoeker dat het goedkeuringsbesluit van het bijzonder plan van aanleg uitsluitend gesteund is op de omzendbrief RO 97-01, die geen verordenende kracht heeft, bijgevolg feitelijke grondslag mist; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-23.215-27/28 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien januari tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, voorzitter van de VIIe kamer, de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.215-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.913 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.