id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.915 Rolnummer: A. 130835/VII-28597 Zaak: Arrest 166915 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 18/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-31 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-29 06:18 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)DE Fiche Arrest nr 166.915 van 18 januari 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.915 van 18 januari 2007 in de zaak A. 130.835/VII-28.597. In zake : het VERBOND DER BELGISCHE BEROEPSVERENIGINGEN VAN GENEESHEREN-SPECIALISTEN, dat woonplaats kiest bij advocaten W. GONTHIER en D. DHAENENS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 12/13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaten P. LEGROS en J. SOHIER, kantoor houdende te BRUSSEL, Emile De Motlaan 19. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het VERBOND DER BELGISCHE BEROEPSVERENIGINGEN VAN GENEESHEREN-SPECIALISTEN op 20 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het ministerieel besluit van 1 oktober 2002 tot wijziging van het ministerieel besluit van 3 mei 1999 tot vaststelling van de erkenningscriteria voor huisartsen, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 23 oktober 2002; Gelet op het arrest nr. 119.443 van 15 mei 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-28.597-1/7 Gelet op de beschikking van 8 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 22 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. VERMEULEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat C. KNOCKAERT, die loco advocaten P. LEGROS en J. SOHIER verschijnt voor de verwerende parrtij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad van State de zaak als volgt beoordeelt: 1. Juridisch kader De belangrijkste gegevens van de zaak kunnen als volgt worden samengevat : Een koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde somt in zijn artikel 1 de beroepstitels op voorbehouden aan de titularissen van een wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde of van de academische graad van arts. Tot die beroepstitels behoren die van huisarts, alsook van een hele reeks geneesheer-specialisten. Artikel 35quater van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen bepaalt : VII-28.597-2/7 "Niemand kan een bijzondere beroepstitel dragen of zich beroepen op een bijzondere beroepsbekwaamheid, dan na door de Minister tot wiens bevoegdheden de Volksgezondheid behoort of de door hem gemachtigde ambtenaar hiertoe te zijn erkend". Artikel 35sexies van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt : "De erkenning bepaald in artikel 35quater wordt toegekend overeenkomstig de door de Koning vastgestelde procedure en voor zover is voldaan aan de erkenningscriteria die zijn vastgesteld door de Minister tot wiens bevoegdheden de Volksgezondheid behoort, op advies, wanneer zij bestaan, van de Raden waaraan deze bevoegdheid is toegewezen". Ter uitvoering van artikel 35sexies werd het ministerieel besluit van 3 mei 1999 tot vaststelling van de erkenningscriteria voor huisartsen genomen. Artikel 4 van dat ministerieel besluit omvatte een regeling i.v.m. de stage die een kandidaat moet gevolgd hebben, en hield o.m. in dat de stage minstens een periode van twee jaar diende te omvatten, te volgen nadat de kandidaat gemachtigd was om de geneeskunde uit te oefenen. Het thans bestreden ministerieel besluit van 1 oktober 2002 vervangt dat artikel 4 door de volgende bepaling : “De specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde bedraagt ten minste drie jaar en bestaat uit een theoretisch en een praktisch gedeelte. Deze opleiding is alleen toegankelijk nadat ten minste zes studiejaren van de opleiding die leiden tot het uitreiken van het diploma van arts of van ‘docteur en médicine’ voltooid en gevalideerd zijn. Deze stages vinden plaats gedurende minstens zes maanden in een daartoe erkende ziekenhuisdienst en gedurende nog minstens zes maanden bij een als stagemeester erkende huisarts of in een erkend centrum voor eerstelijnszorg". De verzoekende partij is van oordeel dat deze bepaling discriminerend is ten aanzien van de studenten geneesheer-specialist, nu deze hun "specialistische opleiding" slechts kunnen aanvangen na het zevende jaar, als zij reeds het diploma van arts hebben bekomen, terwijl studenten huisarts reeds na zes jaar, en dus vooraleer zij het diploma van arts hebben bekomen, hun opleiding tot huisarts kunnen aanvatten. 2. Ontvankelijkheid 2.1. Het bestreden besluit werd opgeheven door artikel 16 van het ministerieel besluit van 21 februari 2006 (B.S. 27 februari 2006). Die opheffing neemt echter niet weg dat het bestreden besluit uitwerking heeft gehad. Het wordt niet betwist dat de verzoekende partij verder belang heeft bij de nietigverklaring. VII-28.597-3/7 2.2. In haar laatste memorie vraagt de verzoekende partij haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, "in de mate zoals weerhouden in het verslag van de auditeur", en dienvolgens het artikel 1 van het bestreden besluit te vernietigen. 3. Ten gronde 3.1.1. In een eerste middel roept de verzoekende partij de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in. Zij voert daarbij, kort samengevat, aan dat aan huisartsen de mogelijkheid geboden wordt hun opleiding aan te vatten vooraleer zij het diploma van arts hebben bekomen, terwijl kandidaat geneesheer-specialisten hun opleiding slechts kunnen aanvatten nadat ze reeds het diploma van arts bekwamen, dat het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen nochtans in een volledig gelijklopende procedure tot erkenning van de geneesheer-specialisten en van de huisartsen voorziet, waaruit blijkt dat beide categorieën van artsen enkel een erkenning tot een bijzondere beroepstitel van respectievelijk geneesheer-specialist of huisarts kunnen bekomen nadat zij de hoedanigheid van doctor in de genees-, heel- en verloskunde of de academische graad van arts hebben verworven, dat binnen het kader van dit koninklijk besluit van 21 april 1983 dus zowel de geneesheer kandidaat-specialisten als de huisartsen enkel een stageplan kunnen voorleggen, en hun opleiding tot het bekomen van een bijzondere beroepsbekwaamheid kunnen aanvatten nadat zij hun studies tot het bekomen van de titel van geneesheer hebben beëindigd en dat het bestreden besluit aldus een willekeurige discriminatie omvat die op geen enkel objectief element kan steunen. 3.1.2. De verwerende partij betoogt in haar memorie van antwoord : "Ten eerste moet erop gewezen worden dat de betwiste akte niet oplegt dat de specifieke vorming vanaf het 6de jaar huisartsengeneeskunde moet aangevat worden, maar bepaalt dat deze vorming enkel toegankelijk is na voltooiing en validering van ten minste zes studiejaren, wat impliceert dat, in sommige hypotheses, de kandidaat-algemene geneesheren de specifieke vorming later dan het 6de studiejaar kunnen volgen en dus ook wanneer zij het diploma van doctor in de geneeskunde, chirurgie en verloskunde hebben behaald. Vervolgens blijkt uit de door verzoekende partij aangehaalde discriminatie dat deze laatste gebaseerd is op het feit dat de kandidaat geneesheer-specialisten de vorming tot huisarts enkel kunnen volgen (...) nadat ze hun diploma hebben verworven. Er moet echter vastgesteld worden dat de eis om vooreerst een diploma te behalen, voortvloeit uit de verplichting bepaald in het voormelde koninklijk besluit van 21 april 1983 om ingeschreven te zijn op de lijst van de Orde der Geneesheren (art. 12, § 2, 1/). De in casu voormelde discriminatie vindt haar grondslag dus niet in de betwiste akte, maar wel in het koninklijk besluit van 12 april 1983 die de kandidaten ter verkrijging van de titel van VII-28.597-4/7 geneesheer-specialist en huisarts verplicht om aan hun goedkeuringsaanvraag voor hun stageplan, het attest waaruit blijkt dat de kandidaten ingeschreven zijn op het tableau van de Orde der geneesheren toe te voegen". 3.1.3. In haar memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende partij, samengevat, dat de verwerende partij geen enkele argumentatie ontwikkelt omtrent het ingeroepen middel betreffende het gelijkheidsbeginsel, dat zij nooit heeft betwist dat kandidaten de opleiding tot het bekomen van een speciale erkenning later dan het zesde studiejaar kunnen volgen en dat verzoeksters vordering betrekking heeft op de aan de kandidaten geboden mogelijkheid om de stage aan te vatten vooraleer zij de academische graad van arts hebben bekomen, een mogelijkheid die niet wordt geboden aan de geneesheer-specialisten, dat daarin de discriminatie ligt en niet in het koninklijk besluit van 21 april 1983 dat precies stelt dat de opleiding tot het bekomen van een bijzondere beroepstitel enkel mogelijk is indien de kandidaat gemachtigd is om in België de geneeskunde uit te oefenen, wat zowel geldt voor de kandidaat-geneesheer-specialisten als voor de kandidaat-huisartsen, en dat de kandidaat-huisarts wordt ontslagen van de vereiste van een laatste jaar academische vorming tot het bekomen van de academische graad van arts of dokter in de genees-, heel- en verloskunde, terwijl die verplichting wel blijft gelden voor de kandidaat-geneesheer-specialist, zodat de vordering wel degelijk haar grondslag vindt in het aangevochten ministerieel besluit van 1 oktober 2002. 3.2. Bespreking Zoals blijkt uit de bij het juridische kader vermelde bepalingen, konden de huisartsen vóór het bestreden besluit de stage slechts aanvatten indien zij gemachtigd waren tot het uitoefenen van de geneeskunde, hetgeen veronderstelt dat zij ook het vereiste diploma hadden bekomen. Ingevolge de bestreden regeling kunnen zij de stage reeds aanvatten vooraleer zij het vereiste diploma hebben bekomen, een mogelijkheid die niet bestaat voor geneesheer-specialisten, hetgeen de verwerende partij niet betwist. De personen die de opleiding volgen die leidt tot het uitreiken van het diploma van arts of van "docteur en médicine" worden dus verschillend behandeld naargelang zij de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde of de opleiding tot geneesheer-specialist willen volgen. Volgens een vaste rechtspraak van het Arbitragehof sluiten de grondwettelijke regels van de gelijkheid der Belgen voor de wet en van de niet-discriminatie niet uit dat een verschil in behandeling volgens bepaalde categorieën van personen zou worden ingesteld voor zover voor het criterium van onderscheid VII-28.597-5/7 een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande norm; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vast staat dat de aangewende middelen redelijkerwijze niet evenredig zijn met het beoogde doel. Te dezen blijkt uit het administratief dossier niet op basis van welke objectieve en redelijke verantwoording een onderscheid wordt gemaakt tussen huisartsen en geneesheer-specialisten. Integendeel blijkt uit de besprekingen van de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen dat sommige leden van oordeel waren dat "hierdoor een onevenwichtige situatie (zou) ontstaan t.o.v. kandidaat-specialisten, voor wie de specifieke opleiding slechts na het zevende jaar van start gaat". Het argument van verweerster dat de opleiding tot huisarts niet moet worden aangevat na het zesde jaar van de opleiding die aanleiding geeft tot het diploma van arts of van "docteur en médicine", en dat de betrokkenen dus ook mogen wachten tot zij dat diploma hebben bekomen, belet geenszins dat zij de stage die aanleiding geeft tot een erkenning als huisarts mogen aanvatten, terwijl de geneesheer-specialisten hun stage nog niet kunnen aanvatten maar moeten wachten tot na het zevende jaar. Het argument dat de eis voor de geneesheren-specialisten om eerst hun diploma te behalen voortvloeit uit het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen, is evenmin dienend. Artikel 12, §2, 1/ van dat koninklijk besluit bepaalt dat bij de aanvraag tot goedkeuring van het stageplan een attest moet zijn gevoegd waaruit blijkt dat de aanvrager is ingeschreven op de lijst van de orde der geneesheren, doch die eis geldt zowel voor de geneesheer-specialisten als voor de huisartsen. Waarom deze laatste spijts het voormelde voorschrift van artikel 12, §2, 1/ toch hun stage mogen aanvatten en de geneesheer-specialisten niet, is echter niet duidelijk. Het eerste middel is bijgevolg gegrond, VII-28.597-6/7 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt artikel 1 van het ministerieel besluit van 1 oktober 2002 tot wijziging van het ministerieel besluit van 3 mei 1999 tot vaststelling van de erkenningscriteria voor huisartsen, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 23 oktober 2002. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien januari tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-28.597-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.915 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.119.443 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.