id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.031 Rolnummer: A. 105530/X-10378 Zaak: Arrest 167031 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-09 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 06:19 Fiche Arrest nr 167.031 van 23 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.031 van 23 januari 2007 in de zaak A. 105.530/X-10.
- In zake : Jan JANSENS, die woonplaats kiest bij Advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 tegen :
- de Deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN,
- het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan JANSENS op 5 juni 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van:
- het besluit van 1 maart 2001 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende weigering van de vergunning tot het bouwen van een eengezinswoning op een terrein gelegen te Merksplas, Strikkeweg 18 en kadastraal gekend onder sectie A, nrs. 265 l, 265 g en 265 k (deel) (sic),
- het schrijven van 8 mei 2001 van de afdeling stedenbouwkundige vergunningen, waarbij aan de verzoekende partij, die tegen voornoemde beslissing beroep had ingesteld, wordt meegedeeld dat ingevolge de wijziging van het decreet de zaak niet in behandeling kan worden genomen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 21 november 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-10.378-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 27 oktober 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MALLIEN die verschijnt voor de verzoeker, van Advocaat E. WENS die loco Advocaat W. DOM verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat J. CLAES die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het advies van Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoeker eigenaar is van een landbouwbedrijf, bestaande uit een aantal bedrijfsgebouwen, op een perceel gelegen te Merksplas, aan de Strikkeweg, kadastraal gekend onder sectie A, nrs. 265 l, 265 g en 266 k (delen); dat dit perceel voordien toebehoorde aan de vader van de verzoeker, die er eveneens een landbouwbedrijf exploiteerde; dat de ouders van de verzoeker toen woonden in een woning die zich bij dat bedrijf bevond; dat zij daar na de stopzetting van de bedrijvigheid door de vader zijn blijven wonen, op een relatief klein perceel dat voortaan afgesplitst is van de eigendom van de verzoeker en dat kadastraal gekend is onder nr. 265 k; Overwegende dat de verzoeker met zijn gezin woont in een loods, welke als "noodwoning" is ingericht; dat het zijn bedoeling is om de loods af te breken en op die plaats een nieuwe eengezinswoning te bouwen; dat aanvragen tot het verkrijgen van een bouwvergunning in 1987 en 1998 zijn afgewezen; dat de verzoeker en zijn echtgenote opnieuw een aanvraag hebben ingediend, ontvangen op 23 december 1999, strekkende tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning; dat de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies heeft gegeven; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Merksplas dienvolgens bij besluit van 6 juni 2000 de gevraagde vergunning heeft geweigerd; dat de X-10.378-2/6 Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen bij besluit van 1 maart 2001 het beroep van de aanvragers heeft afgewezen en de vergunning heeft geweigerd; dat de verzoeker en zijn echtgenote tegen dit besluit beroep hebben ingesteld bij de Vlaamse regering; dat de adjunct van de directeur van de afdeling stedenbouwkundige vergunningen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bij schrijven van 8 mei 2001 heeft meegedeeld dat de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen een weigeringsbeslissing van de bestendige deputatie is afgeschaft bij een decreet van 26 april 2000, en dat de minister de zaak van de verzoeker en zijn echtgenote bijgevolg niet in behandeling kan nemen; dat het genoemde besluit van de bestendige deputatie van 1 maart 2001 en het genoemde "besluit" van de adjunct van de directeur van de afdeling stedenbouwkundige vergunningen van 8 mei 2001 het voorwerp van het voorliggende beroep vormen;
- Overwegende dat de tweede verweerder een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep opwerpt, in zoverre dit gericht is tegen het besluit van de bestendige deputatie van 1 maart 2001, op grond dat het beroep laattijdig is; Overwegende dat, zoals de verzoeker opmerkt en zoals ook de eerste verweerster erkent, het aangetekend schrijven van de dienst stedenbouwkundige vergunningen van de eerste verweerster van 2 april 2001, waarmee het bestreden besluit ter kennis van de verzoeker en zijn echtgenote werd gebracht, geen melding maakte van de beroepsmogelijkheid waarover de betrokkenen beschikten; dat pas bij een schrijven van dezelfde dienst van 21 mei 2001 gewezen werd op de mogelijkheid om tegen de beslissing van de bestendige deputatie een beroep in te stellen bij de Raad van State; Overwegende dat artikel 26 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur bepaalde, op het ogenblik dat het bestreden besluit ter kennis werd gebracht: "Een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking, die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, wordt slechts geldig ter kennis gebracht als tevens de beroepsmogelijkheden en de modaliteiten van het beroep worden vermeld. Bij ontstentenis daarvan neemt de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang"; X-10.378-3/6 Overwegende dat de termijn om beroep in te stellen tegen het besluit van de bestendige deputatie met toepassing van die bepaling is geschorst tot aan de ontvangst van het schrijven van 21 mei 2001; dat het voorliggende beroep, dat aanhangig is gemaakt bij een op 5 juni 2001 ter post aangetekend verzoekschrift, binnen de termijn van zestig dagen is ingesteld; dat de exceptie ongegrond is;
- Overwegende dat de tweede verweerder een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep opwerpt, in zoverre dit gericht is tegen het schrijven van de adjunct van de directeur van de afdeling stedenbouwkundige vergunningen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bij schrijven van 8 mei 2001, op grond dat dit schrijven geen eenzijdige uitvoerbare administratieve rechtshandeling is; Overwegende dat het schrijven van 8 mei 2001 niet uitgaat van de Vlaamse minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening, zijnde de minister bij wie de verzoeker en zijn echtgenote hun beroepschrift hebben ingediend, maar van een ambtenaar van de afdeling stedenbouwkundige vergunningen; dat die ambtenaar zich beperkt tot de mededeling dat, omwille van de afschaffing van de beroeps- mogelijkheid bij de minister, aan het beroepschrift geen gevolg gegeven kan worden; dat die brief niet beschouwd kan worden als bevattende een beslissing van de door de appellanten bevoegd geachte overheid over het beroep dat zij ingesteld hebben; dat de verzoeker zelf die brief ook niet zo begrepen heeft, aangezien hij niet gewacht heeft op een beslissing van de minister over de ontvankelijkheid en eventueel de gegrondheid van zijn beroep, maar dat hij meteen beroep heeft ingesteld bij de Raad van State, niet enkel tegen de "beslissing" van de bedoelde ambtenaar, maar ook tegen het besluit van de bestendige deputatie; Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de genoemde brief van 8 mei 2001 op zich geen enkel rechtsgevolg heeft zodat ze geen voor vernietiging vatbare eenzijdige administratieve rechtshandeling is; dat het beroep, in zoverre het tegen dat schrijven is gericht, onontvankelijk is; dat de exceptie gegrond is; dat de tweede verweerder buiten de zaak gesteld moet worden;
- Overwegende dat de verzoeker een eerste middel inroept, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, "wegens het niet meer voorhanden zijn van een administratieve georganiseerde beroepsprocedure bij de bevoegde Vlaamse minister voor Ruimtelijke Ordening tegen een besluit van de X-10.378-4/6 Bestendige Deputatie van de provincieraad te Antwerpen d.d. 1 maart 2001"; dat de verzoeker aanvoert dat, terwijl het college van burgemeester en schepenen en de gemachtigde ambtenaar op grond van artikel 53, § 2, eerste lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, een volwaardig recht van hoger beroep bij de Vlaamse regering hebben, dit recht voor de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning, zoals de verzoeker, op grond van artikel 53, § 2, tweede lid, van dat decreet, gewijzigd bij het decreet van 26 april 2000, beperkt wordt tot de gevallen waarin er geen beslissing is van de bestendige deputatie na afloop van de termijn waarbinnen deze plaats moest hebben; dat de verzoeker aanvoert dat er voor dit verschil in behandeling geen objectieve verantwoording is; Overwegende dat de verzoeker de Raad van State in dit verband verzoekt om aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid van artikel 53, § 2, van het gecoördineerde decreet betreffende de ruimtelijke ordening met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; dat hij besluit dat, indien het Arbitragehof een positief antwoord geeft op die vraag, de bestreden beslissing van de adjunct van de directeur van de afdeling stedenbouwkundige vergunningen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 8 mei 2001 vernietigd dient te worden; Overwegende dat dit middel uitsluitend gericht blijkt te zijn tegen de genoemde beslissing van de adjunct van de directeur van de afdeling stedenbouwkundige vergunningen; dat het beroep tegen die beslissing hiervóór onontvankelijk verklaard is; dat het eerste middel dan ook zonder voorwerp is geworden; Overwegende dat, nu het middel verworpen wordt om een reden die niet ontleend is aan de norm die zelf het onderwerp uitmaakt van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag, de Raad van State niet ertoe gehouden is om op dat verzoek in te gaan;
- Overwegende dat het verslag opgesteld door het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat is beperkt tot het onderzoek van het eerste middel; dat er grond is om het onderzoek verder te zetten; X-10.378-5/6 BESLUIT: Artikel
- Het Vlaamse Gewest wordt buiten de zaak gesteld. Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt gelast met een aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig januari 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-10.378-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.031 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.848 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div