← België

Arrest 167032 - Plannen van aanleg - 24/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.032 Rolnummer: A. 94942/X-9744 Zaak: Arrest 167032 - Plannen van aanleg - 24/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-15 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 06:19 Fiche Arrest nr 167.032 van 24 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.032 van 24 januari 2007 in de zaak A. 94.942/X-

  1. In zake :
  2. Alfons DE MUYNCK,
  3. de vzw NATUUR EN LANDSCHAP MEETJESLAND, die woonplaats kiezen bij Advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen :
  4. het VLAAMSE GEWEST,
  5. de gemeente KNESSELARE, die woonplaats kiezen bij Advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
  6. tussenkomende partij : de nv DRUKKERIJ VERSTRAETE, die woonplaats kiest bij Advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan
  7. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alfons DE MUYNCK en de vzw NATUUR EN LANDSCHAP MEETJESLAND op 28 augustus 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
  8. het besluit van de Vlaamse Minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media van 18 mei 2000 houdende gedeeltelijke goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg "Zonevreemde bedrijven" van de gemeente Knesselare, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 juni 2000, in zoverre dit besluit betrekking heeft op het deelplan 1/13, Verstraete,
  9. het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Knesselare van 9 februari 2000 houdende de definitieve aanvaarding van het bijzonder plan van aanleg "Zonevreemde bedrijven" van de gemeente Knesselare, in zoverre dit besluit betrekking heeft op het deelplan 1/13, Verstraete; X-9744-1/13 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 4 december 2000 ingediend door de nv DRUKKERIJ VERSTRAETE; Gelet op de beschikking van 7 februari 2001 die de tussenkomst van de nv DRUKKERIJ VERSTRAETE toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 15 december 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 3 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 oktober 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. VERMEIRE die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat T. DE SUTTER die loco Advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partijen, en van Advocaat B. ROELANDTS die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  10. Overwegende dat de familie VERSTRAETE sinds 1974 een drukkerij exploiteert aan de Urselseweg 150 te Knesselare, midden een gebied dat bestaat uit bossen en weilanden; dat het bedrijf daarvoor destijds de nodige bouw- en exploitatievergunningen heeft verkregen; dat het betrokken terrein en de omliggende terreinen evenwel volgens het gewestplan Eeklo-Aalter, vastgesteld bij X-9744-2/13 koninklijk besluit van 24 maart 1978, zijn bestemd als natuurgebied; dat een bijzonder plan van aanleg Hellegat, goedgekeurd bij besluit van de Vlaamse regering van 16 januari 1991, de bedrijfsterreinen heeft opgenomen in een ambachtelijk gebied; dat op grond van dit bijzonder plan van aanleg nog verscheidene bouwvergunningen en milieuvergunningen zijn verleend voor uitbreidingen van het bedrijf; dat het genoemde bijzonder plan van aanleg door de Raad van State is vernietigd, bij arrest nr. 78.487 van 3 februari 1999, op grond dat niet voldaan was aan de voorwaarden om te kunnen afwijken van het gewestplan; Overwegende dat de tweede verweerster inmiddels het initiatief had genomen om voor een aantal zonevreemde bedrijven, waaronder het bedrijf van de tussenkomende partij, een sectoraal bijzonder plan van aanleg op te maken; dat de gemeenteraad van de gemeente Knesselare het sectoraal bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven op 6 oktober 1999 voorlopig heeft aangenomen; dat tijdens het openbaar onderzoek bezwaarschriften zijn ingediend door de verzoekers; dat de gemeenteraad het bijzonder plan van aanleg op 9 februari 2000 definitief heeft aangenomen; dat de Bestendige Deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen op 16 maart 2000 een gunstig advies heeft gegeven; dat de Vlaamse minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening bij besluit van 18 mei 2000 het bijzonder plan van aanleg gedeeltelijk heeft goedgekeurd; Overwegende dat het bedoelde bijzonder plan van aanleg bestaat uit elf deelplannen, waaronder het deelplan 1/13, Verstraete; dat dit deelplan voor de bedrijfssite van de tussenkomende partij voorziet in aangepaste bestemmingen, met name als zone voor nijverheidsgebouwen en aanverwante voorzieningen, zone voor private parkeerplaatsen, toeritten en laad- en losplaatsen, bufferzone-groene zone, zone voor woonbebouwing, kantoren en gemeenschapsvoorzieningen op basis van de bestaande bedrijfsvoering, en zone voor schermgroen; Overwegende dat het voorliggende beroep tot nietigverklaring gericht is tegen het genoemde besluit van de gemeenteraad van 9 februari 2000 en het genoemde besluit van de Vlaamse regering van 18 mei 2000, meer bepaald in zoverre die besluiten betrekking hebben op het genoemde deelplan 1/13, Verstraete; Overwegende dat de tussenkomende partij ter zitting een besluit van de Vlaamse regering van 3 februari 2006 neerlegt, houdende voorlopige vaststelling van het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan "Historisch X-9744-3/13 gegroeid bedrijf NV Drukkerij Verstraete te Knesselare"; dat volgens het bedoelde plan de hele site van het genoemde bedrijf zou worden opgenomen in een zone voor bedrijfsactiviteiten van een historisch gegroeid bedrijf; dat uit de debatten ter terechtzitting is gebleken dat de definitieve vaststelling van het bedoelde plan geagendeerd stond op de vergadering van de Vlaamse regering van 27 oktober 2006;
  11. Overwegende dat de tussenkomende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep opwerpt, afgeleid uit het feit dat het haar "niet duidelijk" is of op het inleidend verzoekschrift voldoende fiscale zegels zijn aangebracht; dat zij ter zitting evenwel afstand doet van deze exceptie;
  12. Overwegende dat de verweerders en de tussenkomende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep opwerpen, in zoverre dit is ingesteld door de eerste verzoeker, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang; dat zij in essentie aanvoeren dat het door de verzoeker geleden nadeel niet voortvloeit uit het bestreden bijzonder plan van aanleg, maar uit de bestaande toestand van het bedrijf, en dat de bestaande toestand steunt op vergunningen die, met uitzondering van een bouwvergunning van 1991, welke door de Raad van State is vernietigd, definitief zijn geworden; dat zij voorts aanvoeren dat het bedrijf van de tussenkomende partij geen vervuiling, visuele hinder of geluidshinder veroorzaakt; dat zij ook nog aanvoeren dat de ecologische schade die de eerste verzoeker hersteld wenst te zien, betrekking heeft op niet-toegeëigende milieubestanddelen, ten aanzien waarvan hij geen persoonlijk belang kan doen gelden; dat zij ten slotte aanvoeren dat de eerste verzoeker pas ter plaatse is komen wonen nadat het bedrijf er al gevestigd was, en dat hij aanvankelijk ook zijn instemming heeft betuigd met de uitbreiding van het bedrijf; Overwegende dat niet wordt betwist dat de eerste verzoeker woont op een perceel dat paalt aan het gebied dat door het bestreden bijzonder plan van aanleg wordt beheerst; dat de verzoeker aanspraak kan maken op de eerbiediging van de bestemming die het gewestplan aan het gebied in de onmiddellijke omgeving van zijn eigendom gegeven heeft en op de eerbiediging van de eisen van de goede aanleg ter plaatse; dat hij op grond daarvan van het vereiste belang doet blijken om de nietigverklaring te vorderen van het bijzonder plan van aanleg dat volgens hem de bestemmingsvoorschriften van het geldende gewestplan schendt en de goede ordening ter plaatse in het gedrang brengt; X-9744-4/13 Overwegende dat aan die vaststelling geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat de tussenkomende partij voor het merendeel van de opgerichte constructies over een stedenbouwkundige vergunning beschikt; dat het bestreden bijzonder plan van aanleg immers tot gevolg heeft dat die constructies niet langer zonevreemd zijn, en dat het aldus een wijziging aanbrengt in de juridische toestand ervan; Overwegende dat aan het belang van de eerste verzoeker evenmin afbreuk wordt gedaan door het feit dat deze ter plaatse is komen wonen nadat de tussenkomende partij er reeds gevestigd was; dat immers het ogenblik waarop een verzoeker zich in de omgeving van een bedrijf vestigt, irrelevant is om uit te maken of hij het rechtens vereiste belang heeft om de vernietiging te vorderen van een plan van aanleg dat voor de toekomst de ruimtelijke ordening vaststelt van het gebied waarin de bedrijfssite gelegen is; Overwegende dat de exceptie niet kan worden aangenomen;
  13. Overwegende dat de verweerders en de tussenkomende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep opwerpen, in zoverre dit is ingesteld door de tweede verzoekster, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang; dat zij in essentie aanvoeren dat ingevolge het specialiteitsbeginsel een vereniging zonder winstoogmerk slechts kan optreden om haar statutair doel na te streven, dat dit doel te dezen de bescherming van het leefmilieu in het algemeen betreft en dat dit doel te algemeen is om te kunnen optreden tegen een deelplan van een bepaald bijzonder plan van aanleg, dat de vordering van de tweede verzoekster aldus de kenmerken van een "actio popularis" vertoont; dat zij voorts aanvoeren dat er geen duidelijke geografische band bestaat tussen de tweede verzoekster en haar leden, enerzijds, en het bestreden bijzonder plan van aanleg, anderzijds; dat zij ten slotte aanvoeren dat, nu de tweede verzoekster haar belang bij het beroep omschrijft in het licht van de perspectieven op afbraak van het bedrijf van de tussenkomende partij en op natuurherstel, terwijl een eventuele vernietiging van het bestreden plan van aanleg geen afbreuk kan doen aan de verleende vergunningen, het met het beroep nagestreefde doel niet verwezenlijkt kan worden; Overwegende, wat de ontvankelijkheid van het beroep van de tweede verzoekster betreft, dat verenigingen zonder winstoogmerk krachtens de op het ogenblik van het instellen van het beroep vigerende bepalingen van de wet van X-9744-5/13 26 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, in rechte mogen optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht; dat inzonderheid de milieuverenigingen krachtens de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu over een persoonlijk vorderingsrecht beschikken bij de gewone rechtbanken; dat voor de Raad van State diezelfde milieuverenigingen in rechte kunnen optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere natuurlijke personen en rechtspersonen, te weten, doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks en geoorloofd belang, alsmede van de vereiste hoedanigheid; dat een milieuvereniging van de vereiste hoedanigheid getuigt wanneer het beroep kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging; Overwegende dat uit de statuten van de tweede verzoekster blijkt dat zij tot doel heeft: "de bescherming, het behoud, de valorisatie en het gebeurlijk herstel van leefmilieu, landschap, natuur- en cultuurpatrimonium in het Meetjesland, het instandhouden, het bevorderen en verbeteren van de natuurlijke omgeving en het leefmilieu"; dat uit de statuten ook blijkt dat het werkgebied van de vereniging zich uitstrekt over twaalf gemeenten van het Meetjesland, waaronder de gemeente Knesselare; Overwegende dat het bestreden deelplan van het bijzonder plan van aanleg voorziet in een bestemming van het betrokken gebied, gelegen in een van de gemeenten van het Meetjesland, die de vestiging van een industrieel bedrijf als dat van de tussenkomende partij mogelijk maakt, in afwijking van de bestemming als natuurgebied die dat gebied volgens het gewestplan heeft; dat het bestreden bijzonder plan van aanleg aldus van aard is om het instandhouden, het bevorderen en het verbeteren van de natuurlijke omgeving en het leefmilieu in het gedrang te brengen; dat het bestrijden van de betrokken afwijking binnen het statutair doel van de tweede verzoekster kan worden ingepast; Overwegende dat de tweede verzoekster blijkens haar statuten niet de behartiging nastreeft van het algemeen belang; dat zij een lokale milieuvereniging is met een beperkt geografisch werkingsgebied, te dezen het Meetjesland, waarin het gebied gelegen is dat door het bestreden deelplan van het bijzonder plan van aanleg X-9744-6/13 geregeld wordt; dat zij aldus beoogt op te treden ter verdediging van een duidelijk gelokaliseerd en specifiek belang; dat uit de door de verzoekster overgelegde stukken overigens blijkt dat een belangrijk deel van haar activiteiten zich precies situeert in het gebied waarin het bedrijf van de tussenkomende partij gelegen is; Overwegende dat het door de tweede verzoekster nagestreefde belang ten slotte niet bestaat in een loutere optelling of samenvoeging van individuele belangen van haar leden, en dat de tweede verzoekster met haar annulatieberoep zeker niet rechtstreeks de behartiging of de verdediging van individuele belangen van haar leden beoogt; Overwegende dat de exceptie niet kan worden aangenomen;
  14. Overwegende dat de verzoekers een derde middel inroepen, afgeleid uit de schending van de artikelen 19 en 21 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 11 februari 1987 houdende vaststelling van het reglement van orde van de streekcommissies van advies voor de ruimtelijke ordening in het Vlaamse Gewest, alsmede uit bevoegdheids- en machtsoverschrijding; dat zij in een eerste onderdeel in essentie aanvoeren dat uit de notulen van de vergadering van de streekcommissie van 14 januari 2000 blijkt dat de meerderheid van de leden niet aanwezig was, dat het advies dan ook niet rechtsgeldig gegeven is, dat bijgevolg artikel 19 van het gecoördineerde decreet van 22 oktober 1996 en artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 11 februari 1987 zijn geschonden; dat zij in een tweede onderdeel in essentie aanvoeren dat artikel 21 van het gecoördineerd decreet van 22 oktober 1996 bepaalt dat een bijzonder plan van aanleg wordt goedgekeurd door de Vlaamse regering, dat die bepaling niet voorziet in de mogelijkheid voor de Vlaamse regering om haar bevoegdheid te delegeren aan een van haar leden, dat er trouwens geen besluit is dat de bevoegdheid om bijzondere plannen van aanleg goed te keuren heeft gedelegeerd aan de minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening; dat de verzoekers subsidiair aanvoeren dat, indien een delegatie van bevoegdheid wettig zou zijn en indien zulke delegatie van bevoegdheid te dezen zou blijken uit het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, dan nog dit laatste besluit met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing gelaten zou moeten worden, op grond dat het niet voor advies is voorgelegd aan de Raad van State, afdeling wetgeving; dat de verzoekers ten slotte aanvoeren dat volgens het genoemde besluit van de Vlaamse X-9744-7/13 regering van 13 juli 1999 de minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening te dezen niet alleen kon optreden, en hij minstens het akkoord nodig had van de minister bevoegd inzake natuurbehoud; 5.
  15. Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat artikel 19, zesde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalt dat over een ontwerp van plan van aanleg advies wordt gegeven door de bevoegde commissie van advies; dat artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 11 februari 1987 houdende vaststelling van het reglement van orde van de streekcommissies van advies voor de ruimtelijke ordening in het Vlaamse Gewest bepaalt: "De Commissie van advies kan slechts geldig beslissen wanneer tenminste de helft van haar leden aanwezig is. Is die voorwaarde niet vervuld, dan kan de commissie tijdens haar eerstvolgende vergadering over dezelfde agendapunten geldig beslissen, ongeacht het aantal aanwezige leden. Voor nieuwe agendapunten is dan opnieuw de aanwezigheid van de meerderheid der leden vereist"; Overwegende dat uit de notulen van de vergadering van de Streekcommissie van advies voor de ruimtelijke ordening van de provincie Oost-Vlaanderen van 14 januari 2000 blijkt dat de streekcommissie op 10 december 1999 ten gronde beraadslaagd heeft over het ontwerp van bijzonder plan van aanleg; dat zij toen evenwel een beslissing diende te verdagen bij gebrek aan het vereiste aantal leden; dat zij niettemin voorstelde, met 6 stemmen vóór, 4 tegen en 3 onthoudingen, om een gunstig advies te verlenen; dat de streekcommissie vervolgens op 14 januari 2000 de behandeling van het dossier hernomen heeft en de gevoerde bespreking bevestigd heeft, en mitsdien beslist heeft om een gunstig advies te geven; Overwegende dat hieruit blijkt dat er op de eerste vergadering niet voldoende leden aanwezig waren om een regelmatig advies te kunnen geven, en dat de behandeling hernomen is op de eerstvolgende vergadering; dat de streekcommissie op die tweede vergadering regelmatig een advies heeft kunnen geven, ongeacht het aantal aanwezige leden; dat het feit dat het agendapunt reeds besproken was op een eerste vergadering aan de regelmatigheid van het advies, gegeven na een "herneming" van de behandeling en een "bevestiging" van de gevoerde bespreking, niet afdoet; dat het eerste onderdeel niet kan worden aangenomen; X-9744-8/13 5.
  16. Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat artikel 21, derde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalt dat de Vlaamse regering de goedkeuring verleent aan een plan van aanleg; dat artikel 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt dat elke regering collegiaal beraadslaagt, onverminderd de door haar toegestane delegaties; dat de Vlaamse regering op grond van die laatste wetsbepaling bevoegd was om de haar bij artikel 21, derde lid, van het gecoördineerde decreet van 22 oktober 1996 opgedragen bevoegdheid te delegeren aan een of meer van haar leden; Overwegende dat, zoals o.m. uit de aanhef van het bestreden ministerieel van 18 mei 2000 besluit blijkt, de minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening te dezen is opgetreden op grond van de bevoegdheid die hem gedelegeerd is bij het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering; dat, in zoverre dit besluit bepalingen bevat die een reglementair karakter vertonen, voor het niet voorleggen ervan aan de Raad van State, afdeling wetgeving, overeenkomstig artikel 3, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, een verantwoording gevonden kon worden in de dringende noodzakelijkheid; dat de dringende noodzakelijkheid volgens de aanhef van het genoemde besluit te dezen werd afgeleid uit het feit "dat de bevoegdheidsbepaling ten spoedigste dient doorgevoerd in het belang van de normale werking van de instellingen en van de aan de Vlaamse regering toevertrouwde bevoegdheden"; dat er geen reden is om de betrokken bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te laten; Overwegende dat de Vlaamse regering bij artikel 12, eerste lid, 4/, van het genoemde besluit van 13 juli 1999, gelezen in samenhang met artikel 15, § 1, 1/, van dat besluit, delegatie verleent aan de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams Minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, voor het nemen van beslissingen voor de toepassing van o.m. de decreten inzake de ruimtelijke ordening; dat artikel 16, 1/, van het genoemde besluit weliswaar bepaalt dat de delegatie van bevoegdheid niet geldt voor het nemen van reglementaire besluiten, maar dat een besluit waarbij goedkeuring wordt verleend aan het geheel of een deel van een bijzonder plan van aanleg slechts een handeling van toezicht is en derhalve geen reglementair karakter vertoont, ook al heeft het plan zelf een normatief karakter; dat het bestreden besluit effectief door Minister Van Mechelen is genomen; dat het niet X-9744-9/13 door onbevoegdheid is aangetast; dat de genoemde minister bevoegd was om het bestreden besluit alleen te nemen, ook al zou het rechtsgevolgen teweegbrengen in domeinen die tot de bevoegdheid van andere leden van de Vlaamse regering behoren; dat uit geen der bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 kan worden afgeleid dat de genoemde minister het bestreden besluit slechts kon nemen na het voorafgaande akkoord van zijn collega bevoegd inzake natuurbehoud; Overwegende dat het tweede onderdeel faalt naar recht;
  17. Overwegende dat de verzoekers een vierde middel inroepen, en dat zij in het eerste onderdeel daarvan de schending aanvoeren van artikel 14 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, gewijzigd bij artikel 165 van het decreet van 18 mei 1999, van artikel 7, § 3, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning, minstens artikel 19 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en van het besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997 houdende definitieve vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen; dat de verzoekers in essentie aanvoeren dat op grond van het genoemde artikel 14, vijfde lid, van het decreet van 22 oktober 1996 het bijzonder plan van aanleg kan afwijken van de voorschriften van het gewestplan, op voorwaarde o.m. "dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen", dat er in de bestreden besluiten vooreerst geen motivering van betekenis terug te vinden is over de "hoofdprincipes" vervat in het richtinggevend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997, zoals bijvoorbeeld het principe dat het fysisch systeem ruimtelijk structurerend is, dat het bestreden bijzonder plan van aanleg voorts niet in overeenstemming is met de doelstellingen die gelden voor een buitengebied als dat van de gemeente Knesselare, met name het vrijwaren van het buitengebied voor de essentiële functies, het tegengaan van de versnippering van het buitengebied, het inbedden van landbouw, natuur en bos in goed gestructureerde gehelen, en het bufferen van de natuurfunctie in het buitengebied, en dat het bestreden bijzonder plan van aanleg evenmin strookt met de ontwikkelingsperspectieven voor de natuurlijke structuur in buitengebieden, meer bepaald het perspectief van een ruimtelijk-ecologische basiskwaliteit voor de ecologische infrastructuur en het perspectief van het herwaarderen van de bestaande bossen, dat het bestreden bijzonder plan van aanleg eveneens in strijd is met een aantal principes die gelden voor gebieden voor economische activiteiten, meer X-9744-10/13 bepaald het principe van het bundelen van economische activiteiten in economische knooppunten en enkele principes in verband met de uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande bedrijven buiten de bedrijventerreinen; dat de verzoekers ten slotte aanvoeren dat de verweerders zich weliswaar beroepen op "dringende sociale, economische of budgettaire redenen" om af te wijken van de principes van het richtinggevend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, maar dat die redenen te dezen "de baan niet houden"; dat de verzoekers in de memorie van wederantwoord, na kennisneming van het administratief dossier, aan het voorgaande toevoegen dat uit een aantal adviezen blijkt dat het bedrijf van de tussenkomende partij een bovenlokaal of regionaal belang heeft, waardoor niet enkel de ruimtelijke ordening van de bedrijfssite ongeschikt is voor opname in een bijzonder plan van aanleg, maar ook de vestiging van het bedrijf moet gebeuren in een economisch knooppunt en een regionaal bedrijventerrein, niet in een buitengebied, laat staan een natuurgebied; Overwegende dat het bestreden bijzonder plan van aanleg voorziet in afwijkingen van het ter zake toepasselijke gewestplan, zijnde het gewestplan Eeklo-Aalter, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 maart 1978; Overwegende dat, zoals uit de aanhef van de bestreden besluiten blijkt, het bestreden bijzonder plan van aanleg is vastgesteld met toepassing van artikel 14, vijfde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 1999; dat die overgangsbepaling, in de versie zoals ze van toepassing was op het ogenblik dat de bestreden besluiten zijn genomen, luidt als volgt: "Gedurende een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling, kan het bijzonder plan van aanleg afwijken van de voorschriften van het gewestplan wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen"; Overwegende dat, in zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de ruimtelijke afweging mede moet gebeuren op basis van het in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen gehuldigde subsidiariteitsprincipe, vastgesteld moet worden dat dit principe betrekking heeft op de opmaak van ruimtelijke structuurplannen en ruimtelijke uitvoeringsplannen, overeenkomstig de artikelen 18 X-9744-11/13 tot 53 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening; dat, zoals in de inleiding van het richtinggevend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wordt aangegeven, het subsidiariteitsprincipe met name bepalend is voor de inhoud van de ruimtelijke structuurplannen en voor de taakverdeling met betrekking tot de uitvoering van de ruimtelijke structuurplannen; dat het te dezen evenwel om een bijzonder plan van aanleg gaat; dat een bijzonder plan van aanleg niet wordt opgemaakt ter uitvoering van enig ruimtelijk structuurplan, maar wordt aangenomen en goedgekeurd overeenkomstig de artikelen 12 tot 14 van het gecoördineerde decreet van 22 oktober 1996, in de gemeenten die vallen onder de toepassing van artikel 187, vierde lid, van het decreet van 18 mei 1999; dat de vraag of een bepaald zonevreemd bedrijf het voorwerp kan zijn van een gemeentelijk plan van aanleg, niet beantwoord kan worden op grond van het op een dergelijk plan niet toepasselijke subsidiariteitsprincipe; dat hieraan geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat artikel 14, vijfde lid, van het gecoördineerde decreet van 22 oktober 1996 uitdrukkelijk verwijst naar "de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen"; dat die bepaling immers zo begrepen moet worden dat ze verwijst naar de ruimtelijke principes die het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen als uitgangspunt neemt voor het ontwerpen van de gewenste ruimtelijke structuur, niet naar het subsidiariteitsprincipe, dat een bevoegdheidsbepalend oogmerk heeft; dat het onderdeel, in zoverre het aan de bestreden besluiten verwijt geen rekening te houden met het subsidiariteitsprincipe, faalt naar recht;
  18. Overwegende dat het auditoraatsverslag beperkt is tot het onderzoek van het derde middel en van het vierde middel, eerste onderdeel, dit laatste in zoverre het onderdeel op het subsidiariteitsprincipe betrekking heeft; dat er aanleiding bestaat om de heropening van de debatten te bevelen, voor een aanvullend onderzoek van de overige aspecten van het bedoelde onderdeel, alsmede van de overige middelen; X-9744-12/13 Overwegende dat er in de huidige stand van de rechtspleging nog geen aanleiding is om te onderzoeken of kan worden ingegaan op de vraag van de verzoekers, geformuleerd in hun memorie van wederantwoord, om in geval van vernietiging van het bestreden bijzonder plan van aanleg de vernietiging uit te breiden tot een aantal gevolgakten; BESLUIT: Artikel
  19. De debatten worden heropend. Artikel
  20. Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt gelast met een aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig januari 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-9744-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.032 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.