← België

Arrest 167042 - Dienst Vreemdelingenzaken - 25/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.042 Rolnummer: A. 138871/XIV-15857 Zaak: Arrest 167042 - Dienst Vreemdelingenzaken - 25/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-02 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-06-29 14:17 Fiche Arrest nr 167.042 van 25 januari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.042 van 25 januari 2007 in de zaak A. 138.871/XIV-15.

  1. In zake :
  2. XXX
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren in 1967, en XXX, geboren in 1982, beiden van Soedanese nationaliteit, op 30 juni 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 juni 2003 tot weigering tot inoverwegingname van een vluchtelingenverklaring, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 28 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, d.d. 15 juni 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-15.857-1/9 Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 10 januari 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat A. DE MEU, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. De verzoekende partijen komen België binnen op 25 juli 2002 en verklaren zich vluchteling op dezelfde datum. 1.
  6. Op 12 augustus 2002 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 25 november 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. 1.
  8. De verzoekende partijen verklaren zich voor een tweede maal vluchteling op 7 januari 2003, zij zijn ondertussen niet teruggekeerd naar Soedan. 1.
  9. Op 26 februari 2003 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van inoverwegingname van een vluchtelingenverklaring. De verzoekende partijen dienen bij de Raad van State een beroep in tegen deze beslissingen. Bij arrest nr. 143.095 van 14 april 2005 werd de afstand van geding vastgesteld. 1.
  10. De verzoekende partijen verklaren zich voor een derde maal vluchteling op 23 juni 2003, zij zijn niet teruggekeerd naar Soedan. 1.
  11. Op 26 juni 2003 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van inoverwegingname van een vluchtelingenverklaring. Dit zijn XIV-15.857-2/9 de bestreden beslissingen. De beslissing ten opzichte van de eerste verzoekende partij, , is als volgt gemotiveerd: “(...) Overwegende dat betrokkene op 25/07/2002 een eerste asielaanvraag heeft gedaan die door het CGVS op 25/11/2002 afgesloten werd met een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf. Overwegende dat betrokkene op 07/01/2003 een tweede asielaanvraag heeft ingediend die door DVZ op 26/02/2003 afgesloten werd met een beslissing van weigering in overweging- name. Overwegende dat betrokkene op 23/06/2003 een derde asielaanvraag heeft ingediend waarbij hij verklaarde nog steeds niet te zijn teruggekeerd naar Soedan. Betrokkene verklaart nieuwe documenten te kunnen voorleggen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat betrokkene de brief van Bona Malwal en het zeemansboekje reeds tijdens zijn tweede asielaanvraag heeft voorgelegd en deze dus niet als nieuwe documenten kunnen beschouwd worden. De overige documenten die betrokkene voorlegt zijn een brief van SPLM hoofdkwartier en een attest van de SANO-partij waaruit zou moeten blijken dat betrokkene lid was van deze groeperingen. Beide documenten kon betrokkene reeds tijdens de procedures van zijn vorige asielaanvragen naar voren brengen. Er dient hier ook nog opgemerkt te worden dat er in beide brieven geen enkele datum vermeld wordt wanneer betrokkene lid zou geworden zijn. Bovendien zou uit de brief van SPLM moeten blijken dat betrokkene aanhanger is van deze groepering terwijl hij tijdens de procedure van zijn eerste asielaanvraag verklaarde niet politiek actief te zijn en er zelfs bij verklaarde door SPLM opgepakt te zijn geweest. Betrokkene maakt ook geen enkele melding van het feit dat hij lid was van één of andere groepering. Ook in zijn beroepsprocedure bij het CGVS heeft hij reeds de kans gehad om dit aan te halen. Bovendien heeft betrokkene tijdens de procedure van zijn tweede asielaanvraag daar geen enkele melding over gemaakt. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat betrokkene tegenstrijdige verklaringen aflegt en er kan dan ook geen geloof gehecht worden aan zijn beweringen en aan de voorgelegde documenten. De door de betrokkene aangehaalde elementen kunnen dan ook niet als nieuwe elementen beschouwd worden. Verder brengt betrokkene geen feiten en gebeurtenissen aan die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige procedure De bovenvermelde verklaring wordt niet in overweging genomen. (...).”. De beslissing ten opzichte van de tweede verwerende partij, XXX, is als volgt gemotiveerd: “(...) Overwegende dat betrokkene op 25/07/2002 een eerste asielaanvraag heeft ingediend die door het CGVS op 25/11/2002 afgesloten werd met een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf. Overwegende dat betrokkene op 07/01/2003 een tweede asielaanvraag heeft ingediend die door DVZ op 26/02/2003 afgesloten werd met een beslissing van weigering in overwegingname. Overwegende dat betrokkene op 23/0612003 een derde asielaanvraag heeft ingediend waaruit blijkt dat zij niet terugkeerde naar haar land van herkomst. En in beschou- wing nemende dat betrokkene verklaart geen nieuwe elementen en documenten te kunnen aanbrengen die betrekking hebben op feiten en gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige procedure. De bovenvermelde verklaring wordt niet in overweging genomen. (...).”.
  12. Over de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering tot schorsing opwerpt die is afgeleid uit artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet): “II. MET BETREKKING TOT DE ONTVANKELIJKHEID XIV-15.857-3/9 De bestreden beslissing werd genomen in toepassing van artikel 51/8 van de wet van, 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij de wet van 6 mei 1993 en 15 juli 1996, als volgt gesteld: ‘De Minister of diens gemachtigde, kan beslissen de verklaring niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde verklaring heeft afgelegd bij een in het eerste lid bedoelde overheid en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli
  13. De nieuwe gegevens moeten betrekking hebben op de op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in een procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen. Een beslissing om een verklaring niet in aanmerking te nemen is alleen vatbaar voor een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. Er kan geen vordering tot schorsing tegen deze beslissing worden ingesteld.’ De wetgever heeft niet alleen de vordering tot schorsing uitgesloten, doch het staat daarenboven vast - zoals blijkt uit hetgeen volgt- dat er geen nieuwe gegevens werden aangebracht, hetgeen tot gevolg heeft dat de vordering zoals ingeleid niet-ontvankelijk is.”; Overwegende dat artikel 51/8, tweede lid, van voormelde wet bepaalt dat een beslissing om een verklaring niet in aanmerking te nemen, wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde verklaring heeft afgelegd en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 ( Vluchtelingenconventie), alleen vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State en er geen vordering tot schorsing tegen die beslissing kan worden ingesteld; dat in het arrest van het Arbitragehof nr. 61/94 van 14 juli 1994 in verband met artikel 50, derde en vierde lid van de Vreemdelingenwet (huidig artikel 51/8 van deze wet) wordt gesteld dat nieuwe gegevens in de zin van deze wetsbepaling gegevens zijn die “betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen” en dat de Raad van State, “alvorens de vordering tot schorsing niet ontvankelijk te verklaren, zal (...) nagaan of de voorwaarden met betrekking tot die grond van niet-ontvankelijkheid zijn vervuld”; dat aldus de Raad van State slechts bevoegd is om van de voorliggende vordering tot schorsing kennis te nemen zo hij van oordeel is dat de nieuwe vluchtelingenverklaring op nieuwe gegevens is gesteund; Overwegende dat de verwerende partij een beslissing heeft genomen op grond van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet en zij dus van mening is dat de verzoeken- de partij geen nieuwe gegevens heeft aangebracht dat er, wat haar betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchteling- enconventie; dat de verzoekende partijen in hun enig middel aanvoeren dat zij wel degelijk nieuwe elementen hebben aangebracht, zodat het antwoord op de exceptie samenhangt met de analyse van het middel; 2.
  14. Overwegende dat de verzoekende partijen een enig middel aanvoeren dat als volgt luidt: XIV-15.857-4/9 “IV. Middelen tot nietigverklaring Schending van het artikel I,A

(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vuchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen ; van het artikel 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de zorgvuldigheidsverplichting. Manifeste beoordelingsfout. Dat de bestreden beslissingen de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het artikel 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de zorgvuldigheidsverplichting schendt wanneer deze enerzijds (ten aanzien van verzoeker) stelt dat ‘betrokkene een brief van SPLM hoofdkwartier en een attest van de SANO-partij naar voren brengt waarbij opgemerkt moet worden dat de betrokkene deze reeds tijdens zijn vorige procedure naar voren had kunnen brengen en anderzijds (ten aanzien van verzoekster) bepaalt dat ‘de betrokkene verklaart dat ze geen nieuwe elementen en documenten heeft kunnen aanbrengen’. Dat, zoals hoger in het feitenrelaas werd uiteengezet, verzoekers bij de indiening van hun derde asielaanvraag d. 23 juni 2003 op de Dienst Vreemdelingenzaken nieuwe bewijsstukken neerlegden, waaronder een ‘certificate’ afgeleverd door de heer Henery Tong Chol Bol, Executive Member of Sano party te Khartourn en een verklaring (‘to whom it may concern’) afgeleverd door de heer Stephen Baak, SPLM/A Representive te Londen (cf. stuk 3). Dat de tweede asielaanvraag van verzoekers werd afgesloten door een weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring dd. 26.02.2003 (cf. stuk 2). Dat dient vastgesteld te worden dat voormelde partijverklaringen pas in het bezit van verzoekers zijn na het afsluiten van de verzoekers tweede asielprocedure in België (cf. briefomslag uit het Verenigd Koninkrijk dd. 20.05.2003) (cf. stuk 3). Dat derhalve dient opgemerkt te worden dat verzoekers geenszins de door hen tijdens hun derde asielaanvraag neergelegde stukken konden naar voor brengen tijdens hun vorige procedure. Dat verzoekster samen met haar echtgenoot, verzoeker, wel degelijk nieuwe elementen en documenten tijdens haar derde asielprocedure heeft aangebracht. Dat de bestreden beslissingen niet afdoende gemotiveerd zijn. Dat verweerder in de bestreden beslissingen een manifeste beoordelingsfout maakte wanneer hij stelt ‘Dat verzoeker een brief van SPLM hoofdkwartier en een attest van de SANO-partij reeds tijdens zijn vorige procedure naar voren had kunnen brengen’ en dat ‘verzoekster geen nieuwe elementen en documenten heeft aangebracht’. Dat tenslotte dient vastgesteld te worden dat uit de motivering van verweerder nergens blijkt dat de door verzoekers neergelegde overtuigingsstukken aan een grondig onderzoek werden onderworpen. Dat deze stukken geenszins werden getoetst aan de Vluchtelingenconventie. Dat verweerder immers gehouden was grondig te motiveren waarom de door verzoekers overlegde stukken, die dateren van na verzoekers tweede asielaanvraag en waaruit blijkt dat verzoekers leven in gevaar is (cf. vervolging door de Soedanese autoriteiten enerzijds en door de Sharia-Wet anderzijds, niet konden weerhouden worden als bewijs van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Dat de bestreden beslissingen, genomen ten aanzien van verzoekers, niet afdoende gemotiveerd zijn en derhalve in strijd zijn met de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en met het artikel 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wanneer zij stellen dat geen nieuwe gegevens werden aangebracht om de derde asielaanvraag te motiveren. Dat de bestreden beslissingen het artikel I,A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en de zorgvuldigheidsver- plichting schenden.”; 2.
  1. Overwegende dat de verzoekende partijen in een enig middel aanvoeren dat de nieuwe elementen die zij aanbrengen, met name een “certificate” en een verklaring waaruit het lidmaatschap van de eerste verzoekende partij tot de SPLM en de SANO moet blijken, dateren van na het afsluiten van hun tweede asielaanvraag, zodat zij deze stukken niet konden indienen tijdens de vorige procedures; dat de overige onderdelen van het middel niet aan de orde zijn in het kader van het onderzoek naar de gegrondheid van de exceptie; XIV-15.857-5/9 2.
  2. Overwegende dat in de bestreden beslissing genomen ten opzichte van de eerste verzoekende partij, het volgende wordt overwogen: - betrokkene verklaart nieuwe documenten te kunnen voorleggen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat betrokkene de brief van Bona Malwal en het zeemansboekje reeds tijdens zijn tweede asielaanvraag heeft voorgelegd en deze dus niet als nieuwe documenten kunnen beschouwd worden; - de overige documenten die betrokkene voorlegt zijn een brief van het SPLM hoofdkwartier en een attest van de SANO-partij waaruit zou moeten blijken dat betrokkene lid was van deze groeperingen; - beide documenten kon betrokkene reeds tijdens de procedures van zijn vorige asielaanvra- gen naar voren brengen; - er dient hier ook nog opgemerkt te worden dat er in beide brieven geen enkele datum vermeld wordt wanneer betrokkene lid zou geworden zijn; - bovendien zou uit de brief van SPLM moeten blijken dat betrokkene aanhanger is van deze groepering terwijl hij tijdens de procedure van zijn eerste asielaanvraag verklaarde niet politiek actief te zijn en er zelfs bij verklaarde door SPLM opgepakt te zijn geweest; - betrokkene maakt ook geen enkele melding van het feit dat hij lid was van één of andere groepering, ook in zijn beroepsprocedure bij het CGVS heeft hij reeds de kans gehad om dit aan te halen; - bovendien heeft betrokkene tijdens de procedure van zijn tweede asielaanvraag daarover geen enkele melding gemaakt; - er kan dan ook geconcludeerd worden dat betrokkene tegenstrijdige verklaringen aflegt en er kan dan ook geen geloof gehecht worden aan zijn beweringen en aan de voorgelegde documenten; de door betrokkene aangehaalde elementen kunnen dan ook niet als nieuwe elementen beschouwd worden; - verder brengt betrokkene geen feiten of gebeurtenissen aan die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige procedure; Overwegende dat de verzoekende partijen niet betwisten dat ze de brief van Bona Malwal en het zeemansboekje reeds tijdens hun tweede asielaanvraag hebben voorgelegd; Overwegende dat de verzoekende partijen het “certificate” en de verklaring inderdaad pas mogelijkerwijze op 20 mei 2003 vanuit het Verenigd Koninkrijk hebben ontvangen, maar dat dit geen verklaring vormt waarom ze niet eerder om de toezending van deze stukken verzocht hebben; dat de verzoekende partijen evenmin verduidelijken dat deze stukken betrekking hebben op feiten en situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin zij ze hadden kunnen aanbrengen; dat de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat zij nieuwe gegevens in de zin van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet hebben aangebracht; XIV-15.857-6/9 Overwegende dat in de beslissing ten opzichte van de tweede verzoekende partij wordt overwogen dat zij verklaart geen nieuwe elementen en documenten te kunnen aanbrengen die betrekking hebben op feiten en gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige procedure; dat de verzoekende partijen dit motief niet betwisten; Overwegende dat de exceptie gegrond is en de vordering tot schorsing bijgevolg niet ontvankelijk is;
  3. Over de gegrondheid van het beroep tot nietigverklaring. 3.
  4. Overwegende dat de verzoekende partijen in een enig middel de schending aanvoeren van artikel 1, A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de zorgvuldigheidsverplichting; dat ze ten slotte aanvoeren dat er een manifeste beoordelings- fout is; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in de nota, ingediend in het kader van de schorsingprocedure, het volgende repliceerde op het middel: “IV. SUBSIDIAIR: DE MIDDELEN Enig middel: ‘Schending van artikel 1,A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de binnenkomst, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de zorgvuldigheidsverplichting.’ Verzoekers stellen ter gelegenheid van hun derde asielaanvraag stukken te hebben aangebracht die niet eerder konden worden voorgelegd. Er zou niet grondig zijn gemotiveerd waarom die stukken niet in aanmerking werden genomen. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat de bedoelde stukken wel degelijk aan een onderzoek werden onderworpen zoals blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing gegeven ten opzichte van verzoeker. Niet alleen wordt duidelijk gesteld waarom die stukken niet als nieuw kunnen worden aanvaard, met name doordat die reeds eerder hadden kunnen worden voorgelegd. Meer nog, blijkt de bestreden beslissing dat de stukken in tegenstrijd zijn met de eerder door verzoekers afgelegde verklaringen. Het volstaat niet stukken voor te leggen om nieuwe feiten aan te brengen. De stukken moeten feiten kunnen ondersteunen die kaderen in een geloofwaardig relaas dat duidt op de vervolging zoals voorzien in de Conventie van Genève. In casu is dat niet het geval. Het middel is niet ernstig.”; 3.3. Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder voor wat de organisatie van de procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een XIV-15.857-7/9 asielaanvraag betreft; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van Vreemdelingen (Vreemdeling- enwet); dat bijgevolg in voorliggend geval voornoemde schending van artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie niet dienstig kan worden aangevoerd, aangezien de verzoekende partijen niet tegelijkertijd de schending inroepen van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissingen kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partijen bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat, voor wat de materiële motivering betreft, wordt verwezen naar de analyse van de exceptie van de verwerende partij onder punt 2.2.; dat daaruit blijkt dat de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat zij nieuwe gegevens in de zin van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet hebben aangebracht; dat de bestreden beslissingen steunen op afdoende en ter zake dienende motieven die pertinent en deugdelijk zijn; Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel aan de minister van Binnenlandse Zaken de verplichting oplegt zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partijen werden opgeroepen voor een interview; dat zij tijdens dit interview de kans kregen om hun asielmotieven omstandig uiteen te zetten en aanvullende bewijsstukken neer te leggen; dat het interview plaatsvond in aanwezigheid van een tolk die de Arabische taal machtig is; dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden; dat de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat er sprake is van een manifeste appreciatie- fout; dat het enig middel ongegrond is; 3. Overwegende dat vordering tot schorsing onontvankelijk is; dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, XIV-15.857-8/9 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-15.857-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.042 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.