id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.047 Rolnummer: A. 137105/XIV-15252 Zaak: Arrest 167047 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 25/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-02 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 14:17 Fiche Arrest nr 167.047 van 25 januari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.047 van 25 januari 2007 in de zaak A. 137.105/XIV-15.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat G. KLAPWIJK, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Overwinningstraat 71 A tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 18 september 1961, en XXX, geboren op 17 juni 1968, beiden van Armeense nationaliteit, op 23 mei 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 april 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 12 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op 8 mei 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 16 juni 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, d.d. 1 juni 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-15.252-1/13 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 10 januari 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. KLAPWIJK, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen komen België binnen op 31 maart 2000 en verklaren zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
- Op 12 maart 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 30 april 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. Dit zijn de bestreden beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten opzichte van XXX, eerste verzoekende partij, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U verklaart te zijn geboren in Armenië en van Azerische origine te zijn. Uw vrouw, XXX (OV 4.945.638) is van Armeense origine. In 1989 toen het conflict begon tussen Armenië en Azerbeidjan wilden uw vrienden die Armeniërs waren geen contact meer met u. U werd door uw collega's op het werk geslagen, bedreigd en vernederd. U werd onder druk gezet om ontslag te nemen en in 1990 werd u ontslagen. U werd door de buren en de familie van uw vrouw onder druk gezet om Armenië te verlaten. Op 10 december 1999 gaven politieagenten u een week de tijd om te verhuizen naar Azerbeidjan. Uw vrouw contacteerde de burgemeester die echter eiste dat uw vrouw van u zou scheiden. U liet de familienaam van uw kind veranderen en betaalde voor een andere geboorteakte. Op 15 december 1991 verhuisden u en uw vrouw naar het dorp Vogdji in de regio Hamasia waar niemand jullie kende. Op 10 juni 1999 werd u op de markt gecontacteerd door 3 agenten. Zij haalden er een man bij die bevestigde dat hij u herkende. U werd opgepakt, enkele dagen vastgehouden en geslagen. U diende akkoord te gaan om te XIV-15.252-2/13 worden omgeruild met een Armeense krijgsgevangene. Uw vrouw slaagde erin u vrij te kopen onder de voorwaarde dat u onmiddellijk zou verdwijnen. Op 15 juni 1999 verliet u Armenië en vluchtte u naar een vriend, Akhmaat in Tsjetsjenië. U vernam dat zijn vrienden fanatieke moslims waren. Nadat u het voorstel om met hen mee te strijden in een oorlog had geweigerd, werd u door hen onder druk gezet. Begin augustus 1999 deed u mee met de Tsjetsjeense strijders aan de inval in Dagestan waarna jullie terug keerden naar Tsjetsjenië. Einde november 1999 gingen julllie met commandant Gilaev naar Grozny. Na zijn dood sloten jullie aan bij een andere bende. Midden januari 2000 gingen jullie naar Komsomolsk waar jullie werden beschoten. U en nog een klein groepje strijders hielden zich vervolgens schuil in de bergen waarna u met Akhmaat terugkeerde naar Shali. Een buurman verborg jullie in de kelder en met de hulp van een smokkelaar vluchtte u op 15 maart 2000 weg uit Tsjetsjenië. Op 19 maart 2000 werd u in Rusland verenigd met uw gezin. Na uw vlucht uit Armenië werd uw vrouw bedreigd door de politie en gaf zij door waar u verbleef. Uw vrouw kende ook problemen met de inwoners van Vogdji daar zij de vrouw van een Azeri was. Op 23 maart 2000 verliet u Rusland. U vroeg samen met uw vrouw en 2 kinderen asiel aan in België op 31 maart
- B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat uw verklaringen afgelegd op het Commissariaat- generaal met betrekking tot de vervolgingen op u en uw vrouw omwille van uw Azeri-origine (vastgehouden, geslagen en bedreigd) (CGVS p. 10-13) tegenstrijdig zijn met de beschikbare informatie op het CGVS en waarvan zich een kopie bevindt in het administratief dossier. Uit deze informatie blijkt immers dat in die periode gemengde koppels in Armenië niet langer het slachtoffer waren van geweld of vervolging. De geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt verder ondermijnd daar uw verklaringen over uw verblijf in Grozny in de periode van einde november 1999 tot januari 2000 (CGVS, p. 15, 16) tegenstrijdig zijn met de beschikbare informatie op het CGVS, en waarvan eveneens een kopie is gevoegd in het administratief dossier. U verklaarde immers op het CGVS (p. 16, 17) dat in december 1999 de personen die in Grozny verbleven niet onder druk werden gezet om Grozny te verlaten. Uit de beschikbare informatie op het CGVS blijkt echter dat op 6 december 1999 de Russen een ultimatum stelden aan de rebellen aan de bevolking in Grozny door middel van het strooien van pamfletten uit vliegtuigen. Iedereen die zich na 11 december 1999 nog in de stad bevond, werd als terrorist beschouwd, het zogenaamde 'vertrek of sterf' bericht. Daarnaast zijn uw verklaringen afgelegd op het CGVS (p. 9), namelijk dat na uw vlucht uit Armenië uw vrouw meermaals werd geslagen door de bevolking, tegenstrijdig met de verklaringen van uw vrouw afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Uw vrouw antwoordde immers negatief op de vraag naar een aanslag op de lichamelijke integriteit (DVZ pt. 45). Zoals vermeld in de beslissing genomen in hoofde van uw echtgenote, dient te worden opgemerkt dat ook de opeenvolgende verklaringen van uw vrouw afgelegd bij de DVZ en het CGVS hieromtrent tegenstrijdig zijn. Bovenstaande vaststellingen ondermijnen op fundamentele wijze de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. De door u neergelegde documenten, namelijk uw geboorteakte en die van uw dochter, doen geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten opzichte van XXX, tweede verzoekende partij, is als volgt gemotiveerd: “(...) A. Vluchtrelaas U, een Armeens staatsburger van Armeense origine, verklaart dat uw echtgenoot, XXX (OV 4.945.638) van Azerische origine is. In 1989 begonnen de problemen in Nagorni Karabach. Uw familie eiste geregeld dat u van uw man zou scheiden. Ze dreigden ermee uw man te laten deporteren naar Azerbeidjan. Bij de bevalling van uw eerste kind kreeg u geen hulp en geen medicatie daar uw man een Azeri is. Uw man diende te betalen voor de geboorteakte van uw XIV-15.252-3/13 kind. Op 10 december 1991 werden jullie bezocht door 2 tantes van u samen met 2 politieagen- ten. De agenten gaven uw man 1 week de tijd om het land te verlaten. Uw man weigerde en werd door hen geslagen. U contacteerde tevergeefs de burgemeester van Leninakan en het hoofd van de politie. Op 15 december 1991 verhuisden jullie naar het dorp Vogdji waar jullie geen contact hadden met andere mensen. Jullie leefden voortdurend in angst om te worden herkend. Rond 10 juni 1999 werd uw man op de markt gecontacteerd door politieagenten en werd uw man herkend door een persoon die bij hen was. Uw man werd door de politie vastgehouden. Na enkele dagen slaagde u erin uw man vrij te kopen. Uw man vluchtte naar een vriend in Tsjetsjenië. Na zijn vertrek werd u bedreigd door de politie die wilde weten waar uw man zich bevond. Ook werd u geslagen door inwoners van het dorp die hadden ontdekt dat uw man een Azeri was. Op 18 maart 2000 werd u gecontacteerd door een persoon die u en de kinderen naar Rusland bracht waar u uw man terug zag. U vroeg samen met uw man en 2 kinderen asiel aan in België op 31 maart
- B. Motivering Uit uw verklaringen blijkt dat u zich baseert op dezelfde motieven als die aangehaald door uw echtgenoot ter staving van diens asielaanvraag. Aangezien in zijn hoofde een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen omwille van de bedrieglijkheid van zijn verklaringen, kan ook in uw hoofde onmogelijk een beslissing tot ontvankelijkheid van de asielaanvraag worden weerhouden. Bovendien dient te worden opgemerkt dat een tegenstrijdigheid voorkomt in uw opeenvolgende verklaringen afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het Commissariaat-generaal (CGVS) waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt ondermijnd. U verklaarde bij het CGVS (p. 3, 4) dat u na de vlucht van uw man uit Armenië werd geslagen door vrouwen uit het dorp daar was ontdekt dat uw man een Azeri was. Nochtans vermeldde u bij de DVZ (pt. 42) niet dat u was geslagen door inwoners van het dorp en verklaarde u uitdrukkelijk (DVZ , pt. 45) dat er geen aanslag was op de lichamelijke integriteit. De verklaring die u opgeeft na confrontatie dat u bij de DVZ niet had verklaard dat u was geslagen, namelijk dat u tijdens het eerste interview was gesteld dat geen details nodig waren (CGVS, p. 4), kan niet worden aanvaard. Omwille van bovenstaande vaststellingen kan in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie worden weerhouden. De door u neergelegde documenten, namelijk uw geboorteakte, diploma en attest van overlijden van uw moeder, doen geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten koninklijk Besluit van 1910511993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een enig middel aanvoeren dat als volgt luidt: “Enig middel schendig van artikelen 52 en 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen Doordat de eerste bestreden beslissing stelt dat de aanvraag van verzoeker bedrieglijk is en wordt als volgt gemotiveerd: ‘Vooreerst dient te worden opgemerkt dat uw verklaringen afgelegd op het Commissariaat - generaal met betrekking tot de vervolgingen op u en uw vrouw omwille van uw Azeri -origine (vastgehouden, geslagen en bedreigd)(CGVS p. 10-13) tegenstrijdig zijn met de beschikbare informatie op het CGVS en waarvan zich een kopie bevindt in het administratief dossier. Uit deze informatie blijkt immers dat in die periode gemengde koppels in Armenië niet langer het slachtoffer waren van geweld of vervolging. De geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt verder ondermijnd daar uw verklaringen over uw verblijf in Grozny in de periode van einde november 1999 tot januari 2000 (CGVS, p. 15, 16) tegenstrijdig zijn met de beschikbare informatie op het CGVS, en waarvan een kopie is toegevoegd in het administratief dossier. U verklaarde immers op het CGVS (P;16, 17) dat XIV-15.252-4/13 in december 1999 de personen die in Grozny verbleven niet onder druk werden gezet om Grozny te verlaten. Uit de beschikbare informatie op het CGVS blijkt echter dat op 6 november 1999 de Russen een ultimatum stelden aan de rebellen aan de bevolking in Grozny door middel van het strooien van pamfletten uit vliegtuigen. Iedereen die zich na 11 december 1999 nog in de staf bevond, werd als terrorist beschouwd, het zogenaamde ‘vertrek of sterf’ bericht. Daarnaast zijn uw verklaringen afgelegd op het CGVS (p.9), namelijk dat na uw vlucht uit Armenië uw vrouw meermaals werd geslagen door de bevolking, tegenstrijdig met de verklaringen van uw vrouw afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Uw vrouw antwoordde immers negatief op de vraag naar een aanslag op de lichamelijke integriteit (DVZ pt. 45). Zoals vermeld in de beslissing genomen in hoofde van uw echtgenote, dient te worden opgemerkt dat ook de opeenvolgende verklaringen van uw vrouw afgelegd bij DVZ en het CGVS hieromtrent tegenstrijdig zijn...’ En de tweede bestreden beslissing betreffende tweede verzoekster stelt dat haar aanvraag bedrieglijk is en wordt als volgt gemotiveerd: ‘Uit uw verklaringen blijkt dat u zich baseert op dezelfde motieven als die aangehaald door uw echtgenoot ter staving van diens asielaanvraag. Aangezien in zijn hoofde de bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen omwille van de bedrieglijkheid van zijn verklaringen; kan ook in uw hoofdé onmogelijk een beslissing tot ontvankelijkheid van de asielvraag worden weerhouden. Bovendien dient te worden opgemerkt dat een tegenstrijdigheid voorkomt in uw opeenvolgende verklaringen afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het Commissariaat - generaal (CGVS) waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt ondermijnd. U verklaarde bij het CG VS (p. 3, 4) dat u na de vlucht van uw man uit Armenië werd geslagen door vrouwen uit het dorp daar was ontdekt dat uw man een Azeri was. Nochtans meldde u bij de DVZ (pt. 42) niet dat u was geslagen door inwoners van het dorp en verklaarde uitdrukkelijk (DVZ, pt. 45) dat er geen aanslag was op de lichamelijke integriteit. De verklaring die u opgeeft na confrontatie dat u bij de DVZ niet had verklaard dat uw geslagen was, namelijk dat u tijdens het eerste interview was gesteld dat geen details nodig waren (CGVS, p. 4), kan niet worden aanvaard....’ TERWIJL de opgeworpen tegenstrijdigheden in de bestreden beslissing niet van aard zijn de waarachtigheid en de gegrondheid van de verklaringen van verzoekers te ontkrachten. Dat verzoekers de volgende bezwaren wensen aan te voeren tegen de argumenten aangevoerd door verwerende partij A .Leesbaarheid van het verhoorverslag in dringend beroep van eerste verzoeker Dat in de eerste plaats het verhoorverslag betreffende de verklaringen van eerste verzoeker in dringend beroep voor een objectieve derde nauwelijks leesbaar zijn; Dat het zodoende moeilijk wordt na te gaan of verwerende partij de verklaringen van verzoeker wel juist heeft weergegeven; Dat gezien de moeilijke leesbaarheid van het verslag evenmin kan worden nagegaan of de bevindingen van verwerende partij wel gegrond zijn; Dat men op grond van een dergelijk onduidelijk handschrift ten slotte geen zekerheden kan opbouwen aangaande de verklaringen van verzoeker; B. Toetsing van de verklaringen van verzoekers aan de feiten Dat in de bestreden beslissing van het verzoeker wordt gesteld dat verzoeker verklaringen over zijn verblijf in Grozny in de periode van einde november 1999 tot januari 2000 verklaarde dat in december 1999 de personen die in Grozny verbleven niet onder druk werden gezet om Grozny te verlaten(CGVS, p. 15, 16, 17); Dat verwerende partij hiertegenover informatie stelt dat op 6 december 1999 de Russen een ultimatum stelden aan de rebellen aan de bevolking in Grozny door van het strooien van pamfletten uit vliegtuigen. Iedereen die zich na 11 december 1999 nog in de stad bevond, werd als terrorist beschouwd, op grond van het zogenaamde ‘vertrek of sterf’ bericht. Dat op dit punt de verwerende partij de verklaringen van eerste verzoeker verkeerd interpreteert, Dat in de eerste plaats op dit punt wordt verwezen naar hetgeen onder A hoger wordt uiteengezet; Dat hetgeen onder meer op de pagina’s 16 en 17 in verband met dit punt werd opgeschreven door verwerende partij uiterst verward en moeilijk leesbaar voorkomt; Dat het zodoende onmogelijk is het geschrevene in het kader van deze conclusies integraal weer te geven ten einde het standpunt van verzoeker uiteen te kunnen zetten en te verduidelij- ken; Dat dit uiteraard de vrijwaring van de rechten van de verdediging uiteraard niet bevordert; Dat op pagina 17 vermoedelijk verzoeker werd gevraagd: ‘dec. 99, werd de bevolking l. Gronzy onderdruk gezet... Grozny te verlaten’; Dat deze zin wordt gevolgd met de woorden: ‘niet allen waren Tsjetjenen’ Dat vervolgens vermoedelijk het volgende wordt gevraagd: In dec. ‘99: mensen .... Gronzy verbleven werden zijn onder druk gezet om Grozny te verlaten Dat eerste verzoeker hierop antwoordde: ‘neen, werden niet onder druk gezet Er werd gevochten tegen de jonge bevolking’ XIV-15.252-5/13 Dat hieruit minsten moet blijken dat tweede verzoeke een genuanceerd antwoord heeft willen geven op de hem gestelde vraag of de mensen in Grozny door de Russen onder druk werden gezet de stad te verlaten; Dat verzoeker in zijn antwoord klaarblijkelijk bij het formuleren van zijn antwoord een dubbel onderscheid voor ogen had nl.
- het onderscheid tussen de bevolking in Grony enerzijds en de vechtende rebellen anderzijds en
- het onderscheid tussen enerzijds de jonge en anderzijds de oudere bevolking van deze stad; Dat verzoeker meende te zeggen dat de bevolking op zich , en dan voornamelijk het oudere deel ervan - niet zozeer onder druk werden gezet de stad te verlaten; Dat verwerende partij nagelaten heeft het door verzoeker gemaakte onderscheid in te zien en hiermee rekening te houden in de bestreden beslissingen; Dat dit niet alleen gesteund wordt door de opgeschreven verklaringen van verzoeker doch eveneens niet wordt tegengesproken door de informatiebronnen die verwerende partij aanhaalt in de bestreden beslissingen. Dat er derhalve in hoofde van verzoeker geen sprake kan zijn van een tegenstrijdigheid in zijn verklaringen noch dat deze niet zouden overeenstemmen met de informatie waarover verwerende partij beschikt en in deze naar voren schuift. C. tegenstrijdigheden in de verklaringen van tweede verzoekster Dat in de bestreden beslissingen wordt gesteld dat tweede verzoekster tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent de slagen en vernederingen die zij had ondergaan bij het verlaten van het dorp waar ze verbleef. Dat verzoekster omtrent deze feiten in eerste instantie reeds tijdens het verhoor bij Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde: Ik voelde dat ik voortdurend gecontroleerd werd door de politieagenten. Bovendien wisten allen inwoners van het dorp dat mijn man een Azerbeidjaan was. Vele van de Armeense vluchtelingen uit Azerbeidjan roddelden over mij. Ik werd vernederd en gepest’. Dat verder in het verhoorverslag onder punt 45 nog wordt gesteld dat verzoekster de vraag of zij het slachtoffer van aan aanslag op haar lichamelijke integriteit was negatief beantwoordde. Dat zij inderdaad de mening was toegedaan dat de vraag onder punt 45 van het genoemde verslag doelde op een aanslag op de lichamelijke integriteit uitgevoerd door een orgaan van de Staat. Dat de bewoordingen ‘aanslag op de lichamelijke integriteit’ inderdaad hun betekenis ontlenen aan de Vluchtelingenconventie van Genève en dient te worden uitgelegd als arbitraire vervolging uitgevoerd door de Staat, of door agenten afhangende van de Staat, of getolereerd door de Staat. Dat bovendien het antwoord op punt 45 enkel maar door ‘Ja of ‘neen’ kan worden beantwoord hetgeen iedere nuance en ruimte voor interpretatie uitsluit in hoofde van de ondervraagde persoon; Dat verzoekster tijdens het verhoor in ontvankelijkheid verklaarde dat zij na de vlucht van haar man werd geslagen door vrouwen uit het dorp; dat zij dit eveneens in de context plaatste van de haat die haar werd toegedragen door medeburgers omwille het feit dat zij met een Azeri was getrouwd, Dat zij hiermee herhaalde en bevestigde hetgeen zij eerder onder punt 42 van het verslag van Dienst Vreemdelingenzaken stelde, Dat er hier dus geen sprake kan zijn van tegenstrijdige verklaringen in hoofde van verzoekster omtrent een welbepaald feitelijk punt; Dat tenslotte, indien men zou menen dat er een tegenstrijdigheid zou bestaan quod non - deze zeker niet van dien aard is het betoog van beide verzoekers en hun daarin aangehaalde vluchtmotieven te ondermijnen; D. Overige ernstige feiten aangehaald gedurende afgelegde verhoren door eerste verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken en verwerende partij Dat eerste verzoeker in zijn relaas een groot aantal feiten heeft aangehaald die door verwerende partij in de bestreden beslissing heeft weergegeven; Dat het verbazing wekt dat verwerende partij op deze feiten geheel niet ingaat in de bestreden beslissingen terwijl verzoeker inspanningen heeft verricht zijn aanvraag tot politiek asiel zo grondig mogelijk toe te lichten ; Dat deze feiten zeer geloofwaardig overkomen en door verwerende partij als zodanig niet worden in twijfel getrokken worden; Dat de bestreden beslissingen op dit punt te kort schieten en niet afdoende zijn gemotiveerd; E. Mensenrechtenrapporten Dat verder verwerende partij in de bestreden beslissingen stelt dat er heden geen sprake kan zijn in Armenië van discriminatie of geweld door de overheid of burgers tegen in Armenië levende Azeri of half - Azeri en ter ondersteuning hiervan een enkele algemene rapporten daterend van 1999 en 2000 betreffende de etnische situatie in Armenië gedurende de afgelopen jaren. Dat de asielinstanties immers hun beslissing omtrent de gegrondheid van de asielaanvraag van de verzoeker dienen te beoordelen op het ogenblik dat een definitieve beslissing ten gronde wordt genomen; XIV-15.252-6/13 Dat het in de eerste plaats opvallend is dat de rapporten al enkele jaren oud zijn en bezwaarlijk kunnen worden beschouwd als actueel in het kader van de huidige problematiek; Dat het tevens in het oog springt dat de bewoordingen van de rapporten in kwestie vrij algemeen en oppervlakkig zijn; Dat in andere beslissingen de verwerende partij rapporten van o.a. Amnesty International - door verzoeker ter ondersteuning van zijn asielaanvraag ingeroepen -eenvoudigweg van de hand doet door te zeggen dat het enkel rapporten betreft van algemene strekking zonder ook maar enigszins de inhoud van deze rapporten te weerleggen; (beslissing van verwerende partij van 29 april 2003 - voorlaatste blad, in fine, zie stuk 3) Dat in deze de verwerende partij zelf rapporten van algemene strekking inroept die bovendien al tamelijk verouderd zijn. Dat deze tegenstrijdige opstelling van verwerende partij niet opgaat, Dat de bestreden beslissing van eerste verzoeker in geen geval als bedrieglijk kan worden bestempeld Dat immers, aldus Uw rechtspraak, het bedrieglijke karakter (van de asielaanvraag) onder meer kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van verzoeker zijn aangetast door tegenstrijdigheden of omdat ze verward of onsamenhangend zijn of omdat ze gesteund zijn op valse verklaringen of op niet authentieke documenten (R.v.St. nr. 85.846, 7 maart 2000) Dat er in het geval van eerste verzoeker zeker geen sprake is noch kan zijn van een tegenstrijdige, verwarde of onsamenhangende of valse verklaringen. Dat aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling van eerste verzoeker dan ook niet als bedrieglijk kan worden afgedaan door verwerende partij; Dat eenzelfde redering kan worden gevolg met betrekking tot de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling van tweede verzoekster; Dat op grond van hetgeen onder C wordt vermeld het niet onomstotelijk vaststaat dat verzoekster zich omtrent een bepaald feitelijk punt tegenspreekt; Dat de opgeworpen tegenstrijdigheid niet zijn grondslag vindt in het administratieve dossier; Dat de bestreden beslissingen derhalve niet afdoende zijn gemotiveerd; Dat middel als ernstig voorkomt,”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Eerste en enig middel: schending van de artt. 52 en 62 van de Vreemdelingenwet. Verzoekers menen dat door de moeilijke leesbaarheid van de gehoorverslagen het slecht na te gaan is of de verklaringen van verzoeker wel juist zijn weergegeven. Dit geldt voor verzoekers verklaring in verband met zijn verblijf in Grozny in de periode van eind november 1999 tot januari
- Verzoeker meent namelijk dat hij een genuanceerder antwoord heeft gegeven op de vraag of de mensen onder druk werden gezet om de stad te verlaten. Hij antwoordde: "neen, niet onder druk gezet. Er werd gevochten tegen de jonge bevolking." Hij maakt klaarblijkelijk een dubbel onderscheid, met name tussen de rebellen en de bevolking van Grozny, en tussen de oudere en de jongere bevolking. Verzoeker bedoelde hiermee dat de oudere bevolking niet zozeer onder druk werd gezet om de stad te verlaten. De Commissaris- generaal heeft nagelaten met deze nuancering in verzoekers antwoord rekening te houden. Zijn verklaringen zijn dus niet tegenstrijdig met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en bovendien niet tegenstrijdig met zijn neergeschreven verklaringen. Verweerder stelt vast dat er op p. 17 van het gehoorverslag van het CGVS te lezen is dat verzoeker antwoordt op de vraag of de mensen onder druk werden gezet om Grozny te verlaten, "nee, werden niet onder druk gezet; er werd gevochten tegen de jongere bevolking." De nuancering die verzoeker meent te vinden in dit antwoord, is niet gebaseerd op het gehoorver- slag, het is er namelijk niet in terug te vinden. Uit de informatie waarover het Commissariaat- generaal beschikt blijkt dat in december 1999 de bevolking en de rebellen weldegelijk gedwongen werden om de stad te verlaten, zoniet werd men beschouwd als terrorist, als men zich na 11 december 1999 nog in de stad Grozny bevond. Verweerder meent dan ook dat de Commissaris-generaal de tegenstrijdigheid terecht heeft vastgesteld. Voorts vecht verzoekster aan dat er een tegenstrijdigheid zou bestaan tussen de verklaringen van haar echtgenoot en die van haar. Verzoekster had immers in haar verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaard dat ze vernederd en gepest werd, daarom dacht ze dat ze bij de vraag over de aanslag op de fysieke integriteit niet meer hoefde te antwoorden. Deze vraag laat niet veel ruimte voor nuancering. Bovendien is het zo dat "aanslag op de fysieke integriteif” moet verstaan worden als "arbitraire vervolging uitgevoerd door de staat of door agenten van de staat, of getolereerd door de staat". In het interview op het Commissariaat- generaal heeft ze dit enkel bevestigd. Verweerder antwoordt hierop dat de vraag 45 van het gehoor bij de Dienst Vreemdelingen- zaken duidelijk is, met name dat er gevraagd wordt of er een aanslag is geweest op de fysieke integriteit. Verweerder wijst erop dat naast de vraag 42, waarin gevraagd wordt dat de kandidaat-vluchteling zijn relaas naar voren brengt, hem apart nog vragen worden gesteld XIV-15.252-7/13 waarbij evenzeer volledigheid verwacht wordt. Bovendien heeft verzoekster op alle andere vragen wél geantwoord, bijgevolg kan niet worden aangenomen dat verzoekster enkel bij deze vraag 45 dacht dat ze er niet meer op hoefde te antwoorden. Ook in de vraag 42 heeft verzoekster het niet over slagen en verwondingen door inwoners van het dorp. Verweerder meent dan ook dat de tegenstrijdigheid tussen verzoeksters verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken, waar zij het niet heeft over een aanslag op de fysieke integriteit en haar verklaringen op het Commissariaat-generaal, waar zij dat wel doet (zie verslag CGVS vrouw, p. 3-4), terecht is vastgesteld. Ten slotte merkt verweerder op dat verzoeker het heeft over Amnesty International documenten die hij zou neergelegd hebben, doch verweerder stelt vast dat deze documenten niet in het administratief dossier terug te vinden zijn. Deze opmerking mist dan ook feitelijke grondslag. Wat betreft de informatie die in het administratief dossier zit, merkt verweerder op dat verzoeker geen elementen aanbrengt waaruit zou moet blijken dat deze informatie foutief is. Verweerder wenst verder te antwoorden dat Cedoca is de auteur van de documenten. Hierbij heeft ze een aantal personen geraadpleegd, die kennis van zaken hebben. Uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat aanvaard wordt dat het Commissariaat-generaal gebruik maakt van de informatie waarover zij beschikt. De Raad stelde met betrekking tot de toegankelijkheid van de informatie dat de motiveringsplicht vereist dat de informatie verifieerbaar is als ze vermeld wordt in de beslissing en zich bevindt in het administratief dossier, wat in dezen ook het geval is. (arr. R.vSt., nr. 89.426 van 30 augustus 2000) Verweerder antwoordt verder dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris- generaal de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfswei- gering genomen door de Minister te bevestigen op basis van een aantal criteria. Eén van die onontvankelij,kheidsgronden is de "bedrieglijkheid" (cfr. artikel 52 § 1 2/ a van de Vreemde- lingenwet). Het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn. Volgens de rechtspraak van de Raad van State kan het bedrieglijk karakter worden vastgesteld indien men tegenstrijdigheden aantoont t.o.v. gebeurtenissen die algemeen bekend zijn of tussen verschillende stukken uit het dossier. Ook aanvaardt de Raad dat het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag kan worden afgeleid uit de tegenstrijdigheid van verzoekers diverse verklaringen (zie arr. nr. 85.078 van 03 februari 2000). Het eerste en enig middel is ongegrond.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een enig middel de schending aanvoeren van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partijen aanvoeren dat het verslag van het verhoor van de eerste verzoekende partij nauwelijks leesbaar is, zodat niet kan worden nagegaan of de Commissaris-generaal de verklaringen wel juist heeft weergegeven en evenmin of zijn beweringen gegrond zijn; dat zij tevens aanvoeren dat de eerste verzoekende partij een genuanceerd antwoord wilde geven op de vraag of de mensen in Grozny door de Russen onder druk werden gezet om de stad te verlaten, met name dat het oudere deel van de bevolking niet zozeer onder druk werd gezet om de stad te verlaten; dat zij aanvoeren dat de tweede verzoekende partij bij vraag 45 van het verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken meende dat het ging om aanslagen op haar lichamelijke integriteit vanwege een orgaan van de Staat; dat de eerste verzoekende partij veel feiten heeft verteld waarop de Commissaris-generaal niet is ingegaan in de bestreden beslissing; dat de rapporten die de Commissaris-generaal heeft geraadpleegd al enkele jaren oud zijn, niet actueel zijn in het kader van de huidige problematiek, en een algemene strekking hebben; 2.
- Overwegende dat de motiveringsplicht zoals die is vervat in artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), tot doel XIV-15.252-8/13 heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiverings- plicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951(Vluchtelingenconventie), aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever gebruik werd gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdig- heden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van de asielaan- vraag van de eerste verzoekende partij heeft besloten op basis van volgende motieven: - de verklaringen die de eerste verzoekende partij heeft afgelegd bij het Commissariaat- generaal met betrekking tot de vervolgingen ten opzichte van haarzelf en haar echtgenote omwille van haar Azeri-origine (vastgehouden, geslagen en bedreigd) zijn tegenstrijdig met de beschikbare informatie op het CGVS en waarvan zich een kopie bevindt in het administratief dossier; uit deze informatie blijkt immers dat in die periode gemengde koppels in Armenië niet langer het slachtoffer waren van geweld of vervolging; - de geloofwaardigheid van haar asielrelaas wordt verder ondermijnd omdat haar verklaringen over haar verblijf in Grozny in de periode van einde november 1999 tot januari 2000, tegenstrijdig zijn met de beschikbare informatie op het CGVS; zij verklaarde immers XIV-15.252-9/13 op het CGVS dat in december 1999 de personen die in Grozny verbleven niet onder druk werden gezet om Grozny te verlaten; uit de beschikbare informatie op het CGVS blijkt echter dat op 6 december 1999 de Russen een ultimatum stelden aan de rebellen aan de bevolking in Grozny door middel van het strooien van pamfletten uit vliegtuigen: iedereen die zich na 11 december 1999 nog in de stad bevond, werd als terrorist beschouwd, het zogenaamde ‘vertrek of sterf’ bericht; - daarnaast zijn haar verklaringen afgelegd op het CGVS, namelijk dat na haar vlucht uit Armenië haar echtgenote meermaals werd geslagen door de bevolking, tegenstrijdig met de verklaringen van haar echtgenote afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken: de echtgenote antwoordde immers negatief op de vraag naar een aanslag op de lichamelijke integriteit (DVZ pt. 45); zoals vermeld in de beslissing genomen in hoofde van haar echtgenote, zijn ook de opeenvolgende verklaringen van haar echtgenote afgelegd bij de DVZ en het CGVS hieromtrent tegenstrijdig; - bovenstaande vaststellingen ondermijnen op fundamentele wijze de geloofwaardigheid van haar asielrelaas; - de door haar neergelegde documenten, namelijk haar geboorteakte en die van haar dochter, doen geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen; Overwegende dat een andere onontvankelijkheidsgrond de kennelijke ongegrondheid is; dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag van de tweede verzoekende partij kennelijk ongegrond heeft verklaard omdat zij zich baseert op dezelfde motieven als die aangehaald door haar echtgenoot ter staving van zijn asielrelaas, en dat aangezien in zijn hoofde een bevestigende beslissing werd genomen omwille van de bedrieglijkheid van zijn verklaringen, ook in hoofde van haar onmogelijk een positieve beslissing kan worden genomen; dat de asielaanvraag van de tweede verzoekende partij tevens bedrieglijk werd bevonden omdat haar verklaringen tegenstrijdigheden bevatten; Overwegende dat het verhoorverslag betreffende de eerste verzoekende partij, dat zich in het administratief dossier bevindt, werd geschreven in een handschrift dat, weliswaar mits enige inspanning en concentratie, leesbaar is; dat in het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal door de interviewer wordt neergeschreven wat de asielzoeker heeft verklaard, aangezien deze interviewer die het interview afneemt in zijn hoedanigheid van afgevaardigde en vertegenwoordiger van de Commissaris-generaal optreedt als een beëdigd ambtenaar die er alle belang bij heeft, gelet op zijn statuut, om de verklaringen van de asielzoeker zo precies en volledig mogelijk te noteren; dat het verhoorverslag, tot bewijs van het tegendeel, een vermoeden van wettigheid en overeenstemming met de werkelijkheid geniet; dat de verzoekende partijen mogen bewijzen dat hetgeen in het verhoorverslag werd neergeschreven, op een andere manier door hen werd gezegd; dat de verzoekende partijen hun beweringen evenwel dienen te ondersteunen met concrete en pertinente gegevens; dat in casu geen afbreuk wordt gedaan aan het vermoeden van wettigheid en overeenstemming met de werkelijkheid van het verhoorverslag voor het Commissariaat-generaal; XIV-15.252-10/13 Overwegende dat uit pagina 17 van het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal blijkt dat de eerste verzoekende partij heeft verklaard “neen, werden niet onder druk gezet, er werd gevochten tegen de jonge bevolking”; dat de uitleg en nuancering die de verzoekende partijen in het verzoekschrift geven, een uitleg post factum is die geen afbreuk doet aan hetgeen de eerste verzoekende partij tijdens het verhoor heeft verklaard over het al dan niet onder druk zetten van de bevolking om Grozny te verlaten; Overwegende dat de commentaar van de verzoekende partijen over de vaststellingen in de bestreden beslissingen betreffende enerzijds, de onderling tegenstrijdige verklaringen van de tweede verzoekende partij over het feit dat zij meermaals werd geslagen door de bevolking, en anderzijds, over de tegenstrijdige verklaringen die zij en de eerste verzoekende partij hierover aflegden, opnieuw een uitleg post factum betreft; dat de tweede verzoekende partij niet betwist te hebben verklaard wat werd neergeschreven, maar dat zij aanvoert de vraag anders te hebben begrepen; dat deze uitleg geen afbreuk doet aan de vaststellingen in de bestreden beslissingen, die steunen op de gegevens van het dossier; Overwegende dat, zoals hierboven reeds vermeld, de Commissaris- generaal een asielaanvraag bedrieglijk kan verklaren en dat het bedrieglijk karakter kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat de Commissaris-generaal in casu zulke tegenstrijdigheden heeft vastgesteld; dat de overige verklaringen van de eerste verzoekende partij hieraan geen afbreuk doen en dat de Commissaris-generaal niet op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten tot de onontvankelijkheid van de asielaanvragen; dat de verzoekende partijen niet aanduiden met welke verklaringen van de eerste verzoekende partij geen rekening zou zijn gehouden; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun asielaanvraag ondermeer als motief aanvoerden dat zij in Armenië in de periode 1989-1999 problemen kenden omwille van de Azeri-origine van de eerste verzoekende partij; dat het niet kennelijk onredelijk is dat de Commissaris-generaal, om deze feiten te controleren, een beroep doet op rapporten die dateren van of handelen over die periode; dat in de bestreden beslissing genomen ten opzichte van de eerste verzoekende partij immers uitdrukkelijk wordt gesteld dat “uit deze informatie blijkt immers dat in die periode gemengde koppels in Armenië niet langer het slachtoffer waren van geweld of vervolging”; dat de kritiek van de verzoekende partijen dat een beroep werd gedaan op verouderde rapporten bijgevolg niet opgaat; dat de Commissaris-generaal tevens informatie heeft geraadpleegd over de algemene toestand in Grozny in december 1999; dat deze objectieve informatie per definitie algemeen is, en dat vervolgens de individuele verklaringen van de verzoekende partij hieraan werden getoetst; dat deze informatie zich in het administratief dossier bevindt en kon worden geverifieerd door de verzoekende partijen; XIV-15.252-11/13 Overwegende dat de bestreden beslissingen steunen op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. XIV-15.252-12/13 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-15.252-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.047 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.