← België

Arrest 167048 - Dienst Vreemdelingenzaken - 25/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.048 Rolnummer: A. 138688/XIV-15791 Zaak: Arrest 167048 - Dienst Vreemdelingenzaken - 25/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-02 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 14:18 Fiche Arrest nr 167.048 van 25 januari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.048 van 25 januari 2007 in de zaak A. 138.688/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Lombaardstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 13 november 1960 en van Oezbeekse nationaliteit, op 3 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 28 mei 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 10 juni 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, d.d. 16 juni 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-15.791-1/7 Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 10 januari 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat H. DE PONTHIERE verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat A. DE MEU, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 11 juli 2001 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
  4. Op 24 juli 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 14 september 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. Bij arrest nr. 141.744 van 9 maart 2005 van de Raad van State werd het beroep tegen deze beslissing verworpen. 1.
  6. Op 11 januari 2003 dienen de dochter van de verzoekende partij, XXX, en haar echtgenoot, XXX, een aanvraag in om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet). 1.
  7. Op 29 januari 2003 ondertekent de verzoekende partij een attest van inontvangstname van een aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Er XIV-15.791-2/7 bevindt zich geen afzonderlijke aanvraag op naam van de verzoekende partij, daterend van 11 of 29 januari 2003, in het dossier. 1.
  8. Op 28 mei 2003 neemt de minister van Binnenlandse Zaken ten opzichte van de verzoekende partij de beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motieven als volgt luiden: “(...) Onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die bij U werd ingediend door: XXX geboren te Kzyl-Ordinsk op 13/11/1960 nationaliteit: oezbekistan (Rep.) ex-kandidaat-vluchtelingen adres: 8930 Menen in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(en): er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat betrokkene in de aanvraag beweert niet over papieren te beschikken en dat ze de verplaatsing niet kan financieren, kan niet als een uitzonderlijk omstandigheid beschouwd worden. Betrokkene kan zich wenden tot de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) ten einde voor de reis en de documenten te zorgen. Het feit dat betrokkene zich integreerde in de Belgische samenleving, dat ze Nederlands leerde en dat ze talrijke sociale activiteiten ontwikkelde, vormt op zich geen buitengewone omstandigheid die het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf in België verantwoordt. De elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform. art. 9, alinea 2 van de wet van 15/12/
  9. Niets verhindert betrokkene zich te schikken naar de in voege zijnde wetten met betrekking tot de toegang, het verblijf en de vestiging op het Belgisch grondgebied, te weten: de vereiste vragen bij de diplomatieke overheden bevoegd voor het verblijf. Ten slotte dient erop gewezen te worden dat de aanvraag om machtiging tot verblijf van de moeder van betrokkene en van de dochter en haar echtgenoot eveneens onontvankelijk verklaard werd. (...)”. 1.
  10. Op 13 juli 2003 dient de verzoekende partij een aanvraag in om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet.
  11. Betreffende de toepassing van artikel 26 van voornoemd koninklijk besluit van 9 juli 2000 2.
  12. Overwegende dat het enig middel niet ongegrond lijkt, zoals blijkt uit punt 3.
  13. van huidig arrest; 2.
  14. Overwegende dat, nu de kamer het niet eens is met de conclusies van het verslag, het beroep tot nietigverklaring, overeenkomstig de artikelen 21 tot 25 van het XIV-15.791-3/7 koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt voortgezet;
  15. Betreffende de vordering tot schorsing 3.
  16. Overwegende dat de Auditeur in het verslag stelt dat indien de kamer geen toepassing maakt van meergenoemd artikel 26, de vordering tot schorsing moet worden verworpen wegens gebrek aan ernstige middelen, met toepassing van artikel 7 § 2 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; 3.
  17. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  18. Overwegende dat, met betrekking tot de eerste voorwaarde, de verzoekende partij volgend middel aanvoert: “DE MIDDELEN TEN GRONDE Schending van de artikelen 9 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het algemeen principe van verbod ultra petita te beslissen en het niet- naleven van substantiële vormen; Doordat, De bestreen beslissing ervan uitgaat dat de verzoekende partij een aanvraag tot machtiging tot verblijf zou hebben ingediend bij de Burgemeester op een niet gespecificeerde datum, in toepassing van art. 9, alinea 3 van de Vreemdelingenwet, Terwijl, De verzoekende partij totnogtoe geen enkele dergelijke aanvraag heeft ingediend; Dat het juist is dat de moeder van de verzoekende partij een regularisatieverzoek heeft ingediend, maar dat dit verzoek uiteraard alleen deze partij kan binden; Dat de Minister een beslissing heeft genomen, daar waar er geen verzoek tot regularisatie is uitgegaan van de verzoekende partij en er dus een beslissing “ultra petita” is geschied; Dat er overigens zonder aanvraag, geen beslissing kon worden genomen. ”; 3.
  19. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “III MET BETREKKING TOT DE MIDDELEN Er wordt één middel voorgesteld, geput uit de schending van de artikelen 9 en 62 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, doordat de bestreden beslissing ervan uitgaat als zou verzoekster een aanvraag tot machtiging tot verblijf hebben ingediend bij de XIV-15.791-4/7 burgemeester op een niet nader gespecificeerde datum, terwijl verzoekende partij geen dergelijke aanvraag indiende. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat het administratief dossier geen kopij bevat van een aanvraag die gepaard zou gaan met een attest van inontvangtsname van 29 januari
  20. wel bevat het administratief dossier een aanvraag die aanleiding gaf tot dergelijk attest gedateerd op 6 augustus 2003.”; 3.
  21. Overwegende dat de verzoekende partij de schending aanvoert van de artikelen 9 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet); van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van de schending van het verbod ultra petita te beslissen en van het niet naleven van substantiële vormen; dat de verzoekende partij aanvoert dat zijzelf geen aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet heeft ingediend; 3.
  22. Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat op 11 januari 2003 een aanvraag om machtiging tot verblijf werd ingediend op basis van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet, waarin als indieners de dochter en de schoonzoon van de verzoekende partij werden vermeld, met name XXX en XXX; dat deze aanvraag werd ondertekend door hen en door de verzoekende partij; dat de verzoekende partij op 29 januari 2003 tevens een ontvangstbewijs heeft ondertekend waarin wordt vermeld dat zij een aanvraag heeft ingediend om machtiging tot verblijf; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij pas eigenhandig een aanvraag heeft ingediend op 13 juli 2003, na de bestreden beslissing van 28 mei 2003; Overwegende dat op 28 mei 2003 de minister van Binnenlandse Zaken tevens een afzonderlijke beslissing nam waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf van XXX en XXX, in toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, onontvankelijk werd verklaard; dat het beroep tegen deze beslissing bij arrest van de Raad van State nr. 160.067 van 14 juni 2006 werd verworpen; Overwegende dat in de huidige stand van het geding, op basis van de informatie die zich in het administratief dossier bevindt, niet met zekerheid kan worden afgeleid dat de verzoekende partij een aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet heeft ingediend op 11 januari 2003; dat een handtekening op de aanvraag van de dochter en de schoonzoon en een handtekening op een attest van inontvangstname, hiertoe niet lijken te volstaan; dat op het eerste gezicht de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken lijkt te zijn genomen op basis van een aanvraag die niet werd ingediend; dat het enig middel ernstig lijkt; 3.
  23. Overwegende dat, met betrekking tot de tweede voorwaarde, de verzoekende partij het volgende uiteenzet: XIV-15.791-5/7 “HET ERNSTIG TE HERSTELLEN NADEEL
  24. Wanneer de bestreden beslissingen zouden worden ten uitvoer gebracht, zou zulks betekenen dat de verzoekende partij naar Oezbekistan zou worden uitgewezen; Daarenboven, zou zulks betekenen dat de verzoekende partij niet om de regularisatie van haar verblijf in België zou kunnen verzoeken, minstens dat ze verplicht zou zijn nieuwe elementen aan een overigens onbestaand dossier te voegen. Dat het feit dat haar moeder om de regularisatie van haar verblijf heeft verzocht, kan aan de verzoekende partij niet het recht ontnemen op haar beurt en op eigen motieven, te verzoeken dat haar verblijf in België zou worden geregulariseerd. De bestreden beslissing ontneemt haar dat recht en zulks berokkent de verzoekende partij een onherstelbaar nadeel, dat ernstig is, nu het gaat om haar verblijfssituatie.
  25. In de huidige stand van het dossier kan niet worden besloten dat de gegevens, die door de verzoekende partij worden aangehaald ten einde haar asielprocedure te staven, onjuist zouden zijn, terwijl de verzoekende partij het recht heeft krachtens art. 13 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden en zelfs krachtens het art. 13 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten op effectieve rechtshulp en een gedwongen terugkeer naar Oezbekistan haar dit in feite onmogelijk zou maken.”; 3.
  26. Overwegende dat de verwerende partij hierop in de nota niet repliceert; 3.
  27. Overwegende dat de verzoekende partij reeds het voorwerp heeft uitgemaakt van een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat immers de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 14 september 2001 de beslissing heeft bevestigd van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 juli 2001 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten; dat het beroep tegen deze beslissing werd verworpen bij arrest van de Raad van State nr. 141.744 van 9 maart 2005; dat dit bevel bijgevolg definitief en principieel uitvoerbaar is; dat de uitvoerbaarheid van voormeld bevel losstaat van de thans bestreden beslissing; dat de verzoekende partij bijgevolg nog steeds kan worden gerepatrieerd, mocht de schorsing van tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing worden bevolen; dat het aangevoerde nadeel derhalve niet te wijten is aan de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing; dat de gevorderde schorsing bijgevolg geen nuttig effect kan hebben, aangezien deze niet van aard is het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel weg te nemen; 3.
  28. Overwegende dat is niet is voldaan aan één van de twee door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, XIV-15.791-6/7 BESLUIT: Artikel
  29. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  30. Het beroep tot nietigverklaring wordt voortgezet overeenkomstig de artikelen 21 tot 25 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Artikel
  31. De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-15.791-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.048 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.