← België

Arrest 167052 - Dienst Vreemdelingenzaken - 25/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.052 Rolnummer: A. 133046/XIV-13826 Zaak: Arrest 167052 - Dienst Vreemdelingenzaken - 25/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-02 Raadplegingen: 45 - laatst gezien 2026-06-29 14:18 Fiche Arrest nr 167.052 van 25 januari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.052 van 25 januari 2007 in de zaak A. 133.046/XIV-13.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat E. VAN DE COTTE, kantoor houdende te 9000 GENT, Martelaarslaan 202 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 12 januari 1968 en van Joegoslavische nationaliteit, op 17 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 december 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 17 januari 2003; Gelet op de beschikking van 25 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 10 januari 2007 om 10.00 uur; XIV-13.826-1/13 Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. VAN DE COTTE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat A. DE MEU, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 3 juni 1999 en verklaart zich vluchteling op 4 juni
  4. 1.
  5. Op 3 oktober 2000 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 26 juni 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. Tegen betreffende beslissing werd door de verzoekende partij een annulatieberoep ingesteld bij de Raad van State. Bij arrest nr. 145.025 van 25 mei 2005 werd dit beroep verworpen door de Raad van State. 1.
  7. Op 1 december 2000 dient de verzoekende partij een aanvraag in om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
  8. Op 20 december 2002 wordt de aanvraag om machtiging tot verblijf door de minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk verklaard. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motieven luiden als volgt: “(...) Onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die bij u werd ingediend door: XXX + 3 kinderen nationaliteit: Joegoslavië (Servië-Montenegro) geboren te Prishtine op 12/01/1968 ex-kandidaat vluchteling adres: in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mee dat dit verzoek onontvankelijk is. Redenen: XIV-13.826-2/13 De redenen die werden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland, kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden aanvaard worden. Het feit dat betrokkene zich nooit heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dat zij sinds 1999 in België verblijft, dat zij schoolgaande kinderen heeft, dat zij goede pogingen doet om Nederlands te leren is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag in België wordt ingediend. Betrokkene wist dat haar verblijf in België van tijdelijke aard was en enkel werd toegestaan in het kader van het ontheemdenstatuut en haar asielaanvraag. Zij wist dat zij bij een eventuele negatieve beslissing het land diende te verlaten. De problemen in haar land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen door de bevestigende beslissingen van het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS) op 26/06/2001 en kennis gegeven op 28/06/
  9. Hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden.om de aanvraag in toepassing van art . 9 van de wet in België in te dienen. Tevens dient te worden opgemerkt dat het CGVS sterk twijfelt aan haar Kosovaarse afkomst. Haar geografische kennis van de regio waarvan zij beweert afkomstig te zijn is beperkt en op vragen over politiek beschrijft ze eerder de politieke situatie in Albanië. Ten slotte kan het medisch motief kan niet weerhouden worden. Uit het verslag van onze controlegeneesheer blijkt immers dat het medisch probleem afdoende in België werd behandeld en dat het haar dus niet langer verhinderd te reizen. Bovendien is de noodzakelijke medisch follow-up voor handen in haar land van herkomst. Betrokkene dient bijgevolg contact op te nemen met haar nationale vertegenwoordiging in België en/of de Internationale Organisatie voor Migratie ten einde haar terugkeer voor te bereiden. Bijgevolg dient betrokkene dringend het Belgisch grondgebied te verlaten. (...).”.
  10. Over de gegrondheid van de zaak. 2.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat als volgt luidt: “III. MIDDELEN Onverminderd alle andere middelen aan te voeren na onderzoek van het administratief dossier of ambtshalve op te werpen door de Raad van State, werpt verzoekster volgende middelen tot nietigverklaring op. Eerste en enig middel: schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, m.n. het motiveringsbeginsel. Schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Dat de bestreden beslissing zoals alle bestuurshandelingen uitdrukkelijk dient gemotiveerd te worden en de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen. Dat de motivering afdoende dient te zijn (artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991). Dat de redenen die worden aangehaald om te stellen dat er in casu geen uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn die verantwoorden dat de aanvraag in België werd ingediend, geenszins kunnen worden weerhouden. Dat de Minister van Binnenlandse zaken immers genoegzaam op de hoogte is van het feit dat verzoekster niet over de mogelijkheid beschikt haar aanvraag in te dienen bij de bevoegde consulaire of diplomatieke post die bevoegd is voor haar verblijfplaats of plaats van oponthoud in het buitenland. Dat de interpretatie die volgens de Dienst Vreemdelingenzaken moet gegeven worden aan de begrippen ‘verblijfplaats’ of ‘plaats van oponthoud in het buitenland’ zoals voorzien in artikel 9.
  12. Vw, impliceert dat het gaat over respectievelijk een ‘stabiele plaats in het land van oorsprong dat niet de woonplaats van de vreemdeling in het betrokken land is, een voorafgaande verplaatsing van het land van oorsprong naar een derde land, waar de vreemdeling op niet- precaire wijze verblijft, d.w.z. op een legale wijze voor een periode van meer dan drie maanden’. Dat dergelijke verblijfstitel op de Belgische diplomatieke post dient voorgelegd te worden om een aanvraág op grond van artikel 9.
  13. Vw in te kunnen dienen. Dat dit in casu betekent dat verzoekster haar aanvraag zou moeten indienen via de Belgische diplomatieke of consulaire XIV-13.826-3/13 post in Belgrado of Sofia, welke beiden bevoegd zijn voor de verblijfplaats van verzoekster in haar land van oorsprong, zijnde Joegoslavië. Dat het voor verzoekster dan ook onmogelijk is haar verzoek conform art. 9.
  14. Vw in te dienen via de Belgische diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de eventuele plaats van oponthoud in het buitenland, nu zij niet over een niet-precaire verblijfstitel beschikt voor eender welk derde land. Dat dergelijke verblijfstitel bekomen gewoonweg onmogelijk is, daar verzoekster met geen enkel derde land een voldoende hechte band heeft en zij niet in het bezit is van een geldig internationaal paspoort, noch enig ander identiteitsdocument. Dat aangezien in Joegoslavië geen Belgische ambassade of consulaire post geopend is, verzoekster over geen andere mogelijkheid beschikte dan haar aanvraag in België in te dienen. Dat de bestreden beslissing op dit punt dan ook niet kan worden weerhouden. Dat de weigeringsbeslissing voorts stelt dat verzoekster op de hoogte was van het feit dat haar verblijf van tijdelijke aard was en enkel werd toegestaan in het kader van het ontheemden- statuut en haar asielaanvraag en zij bij een eventuele negatieve beslissing het land diende te verlaten. Dat de bestreden beslissing echter voorbijgaat aan het feit dat de volledige procedure van verzoekster inmiddels al bijna vier jaar in beslag neemt. Dat verzoekster zich bewust is van het feit dat haar beroep bij de Raad van State tegen de bevestigende beslissing van weigering van verblijf niet schorsend werkt, doch zij uiteraard het resultaat hiervan wenst af te wachten. Dat aan verzoekster niet kan verweten worden dat zij zich binnen deze vierjarige periode inmiddels volledig heeft aangepast aan de samenleving en haar kinderen alhier jarenlang naar school gaan en uiteindelijk rust en standvastigheid hebben gevonden na de traumatische ervaringen opgedaan tijdens de oorlog. Dat door deze procedure dermate lang te laten aanslepen, de Belgische overheid dan ook mede verantwoordelijk is voor de inmiddels volledige integratie van verzoekster en haar kinderen in België en haar thans dan ook niet kan worden verweten dat zij zich gedurende vier jaar voortdurend bewust moest zijn dat zij op elk ogenblik paraat moest zijn om het land te verlaten. Dat de bestreden beslissing tevens opmerkt dat door het Commissariaat-generaal sterk getwijfeld wordt aan de afkomst van verzoekster, nu haar geografische kennis van de Kosovaarse regio zou beperkt zijn en zij eerder de politieke situatie in Albanië zou hebben beschreven dan deze van Kosovo. Dat verzoekster tegen de bevestigende beslissing van weigering van verblijf van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een beroep heeft ingediend bij de Raad van State, nu zij zich geenszins akkoord kon verklaren met de inhoud ervan. Dat verzoekster reeds in de lopende procedure voor de Raad van State heeft uiteengezet dat zij zware medische problemen kende met haar rug en zij om die reden onmogelijk naar het eerste interview voor het C.G.V.S., gepland op 24 april 2001, kon begeven, nu zij op 3 mei 2001 diende geopereerd te worden. Dat voorafgaand aan deze operatie evenwel werd vastgesteld dat verzoekster aan Hepatitis B leed, zodat de operatie diende uitgesteld te worden. Dat aan verzoekster in tussentijd dan ook in tussentijd zware medicijnen en pijnstillers werden toegediend om aan de ondraaglijke pijnen in haar rug en de uitstralingspijn het hoofd te bieden. Dat verzoekster zich dan ook in een dergelijke toestand naar het interview op het C.G.V.S. heeft begeven, waar zij zich om 13u30 diende aan te bieden. Dat het voor verzoekster reeds een enorme opgave was zich naar Brussel te begeven, doch zij daarenboven tot 16u in de wachtzaal diende te wachten alvorens zij werd verhoord, nu aan een andere kandidaat politiek vluchteling de voorrang werd gegeven. Dat het maar liefst twee en een half uur moeten wachten op een houten stoel in de wachtzaal van het C.G.V.S. dan ook een immens lijden heeft veroorzaakt voor verzoekster, waarna zij vervolgens nog verhoord werd. Dat verzoekster dan ook allesbehalve helder van geest was wanneer zij na een dergelijke lijdensweg - terwijl zij reeds beneveld was van de vele medicijnen - nog diverse vragen diende te beantwoorden waarvoor toch enige concentratie vereist is. Dat verzoekster bovendien slechts 8 jaar school heeft gelopen en dus slechts tot haar 14e jaar onderwijs heeft genoten, zodat zij niet al te zeer geletterd is en dan ook van bepaalde - soms evident lijkende - zaken en feiten geen kennis heeft. Dat het feit dat verzoekster wel degelijk afkomstig is van Kosovo kan afgeleid worden uit het feit dat zij bij haar aankomst in België het statuut van ontheemde werd toegekend, wat uiteraard reeds een indicatie op zich is van haar nationaliteit; Dat verzoekster bovendien haar schoonbroer en meer bepaald de broer van haar echtgenoot heeft teruggevonden, de Heer XXX, met wie zij thans te Gent een woning deelt. Dat de Heer XXX, die zelf in het bezit is van zijn paspoort (zie kopie van diens paspoort - stuk 6) en waarvan het C.G.V.S. niet in twijfel trekt dat hij inderdaad afkomstig is van Kosovo, formeel kan bevestigen dat verzoekster wel degelijk eveneens van Kosovo afkomstig is, waar zij woonachtig was met zijn broer (stuk 3). Dat er dan ook niet aan getwijfeld kan worden dat verzoekster afkomstig is van Kosovo. XIV-13.826-4/13 Dat de bestreden beslissing tenslotte stelt dat het medisch motief in hoofde van verzoekster niet zou kunnen worden weerhouden, nu haar probleem afdoende zou behandeld geworden zijn en de noodzakelijke medische follow-up aanwezig zou zijn in haar land van herkomst. Dat een dergelijke bewering echter niet gestaafd wordt aan de hand van bepaalde documenten of ook maar enigszins gemotiveerd wordt aan de hand van betrouwbare informatie. Dat een eenvoudige vermelding als ‘bovendien is de noodzakelijke medische follow-up voorhanden in haar land van herkomst’ dan ook geenszins volstaat en een schending inhoudt van de motiveringsregels. Dat gelet op hetgeen voorafgaat, de bestreden beslissing dan ook manifest een schending inhoudt van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en inzonderheid het motiveringsbeginsel.”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: “Verzoekster beroept zich in haar enige middel op een vermeende schending van: de artt. 2 en 3 van de Wet dd. 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, m.n. het motiveringsbe- ginsel, het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Wat betreft de vermeende schending van het ‘grondwettelijk gelijkheidsbeginsel’ merkt de verwerende partij op dat verzoekster nalaat uiteen te zetten waarom zij het gelijkheidsbeginsel nu juist geschonden acht, en zij aldus in gebreke blijft om in haar middel een voldoende duidelijke uiteenzetting van dit eerste onderdeel van hun enige middel te geven. Derhalve kan met betrekking tot de vermeende schending van het ‘grondwettelijk gelijkheidsbeginsel’ bezwaarlijk van een (afdoende) uiteenzetting van het middel gesproken worden, hetgeen de onontvankelijkheid van het beroep betreffende dit onderdeel van het enige middel tot gevolg heeft. Betreffende de vermeende schending van de artt. 2 en 3 van de Wet dd. 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen laat de verwerende partij vooreerst gelden dat bij lezing van verzoeksters inleidend verzoekschrift blijkt dat deze daarin inhoudelijke kritiek levert, het weze vanuit louter feitelijk oogpunt, het weze vanuit het oogpunt van het materieel recht, en daarbij blijk geeft kennis te hebben van de motieven vervat in de bestreden beslissing. De verwerende partij is van oordeel dat o.b.v. deze vaststelling dient te worden besloten dat verzoekster het vereiste belang ontbeert bij de betrokken kritiek (cf. R.v.St. nr. 47.940, 14.6.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). De formele motiveringsplicht vervat in de twee wetsartikelen waarvan verzoekster de schending aanvoert, heeft immers geen ander doel dan het in kennis stellen van de bestuurde van de redenen die ten grondslag liggen aan de te zijnen of te haren opzichte genomen bestuursbeslissing, zodanig dat deze in staat is om te oordelen of het zinvol is om daartegen op te komen met de ter beschikking staande rechtsmiddelen (R.v.St. nr. 60.751, 4.7.1996, TB.P. 1996, 698), terwijl de voormelde vaststelling impliceert dat deze wettelijke doelstelling is bereikt. De naleving van de genoemde plicht houdt daarentegen geen verband met de inhoudelijke juridische of feitelijke correctheid van de tot uitdrukking gebrachte motieven (cf. wat inhoudelijke juridische correctheid betreft, naar analogie, Cass., 10.1.1979, Arr. Cass. 1978-79, 522; alsook wat feitelijke correctheid betreft: R.v.St. nr. 44.948, 18.11.1993, Arr. R.v.St. 1993, z.p.; Antwerpen, 16.6.1998, FJF. 1998, 693). Waar verzoekster klaarblijkelijk het tegenovergestelde aanneemt, is haar toelichting niet afgestemd op de rechtsregels waarvan zij de schending opwerpt, zodat het enige middel, in zoverre het steunt op de vermeende schending van de formele motiveringplicht, in rechte faalt. Voor het geval de Raad van State hier toch anders over zou denken en dus louter subsidiair, merkt de verwerende partij bijkomend nog op dat verzoeksters beschouwingen bovendien niet pertinent zijn. In casu wordt de bestreden beslissing dd. 20.12.2002 afdoende met motieven onderbouwd. Zo wordt o.a. gesteld dat: - de door verzoekster aangehaalde redenen niet kunnen worden beschouwd als uitzonderlijke omstandigheden, - het feit dat zij zich nooit heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten, zij sinds 1999 in België verblijft, zij schoolgaande kinderen heeft en goede pogingen doet om Nederlands te leren op zich niet uitzonderlijk is en niet verantwoord dat de aanvraag in België wordt ingediend, - verzoekster wist dat haar verblijf in België van tijdelijke aard was en enkel werd toegestaan in het kader van het ontheemdenstatuut en haar asielaanvraag, - zij wist dat zij bij een negatieve beslissing het land diende te verlaten, XIV-13.826-5/13 - de voorgehouden problemen in haar land van herkomst reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van haar asielaanvraag, dewelke werd afgewezen door een bevestigende beslissing dd. 26.06.2001 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, - de voormelde problemen bijgevolg niet meer kunnen worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van het art. 9, 3/ lid in België in te dienen, - bovendien dient te worden opgemerkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen sterk twijfelt aan de door verzoekster voorgehouden Kosovaarse afkomst, - het door verzoekster aangehaalde medische motief niet kan worden weerhouden, nu uit het verslag van de controle geneesheer blijkt dit afdoende in België werd behandeld en het haar niet verhindert te reizen, - de noodzakelijke medische follow-up voorhanden is in haat land van herkomst. Voormelde beschouwingen, vervat in de in casu bestreden beslissing, vinden steun in de gegevens van de zaak en verzoeksters kritiek is niet van die aard dat zij enige afbreuk kan doen aan de beoordeling gemaakt door de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken. Dienaangaande merkt de verwerende partij nog het volgende op. Wat betreft verzoeksters kritiek dat ‘in Joegoslavië geen Belgische ambassade of consulaire post geopend is’ en zij derhalve geen aanvraag kan indienen conform art. 9, 2/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, laat de verwerende partij gelden dat de voormelde kritiek feitelijke grondslag mist, nu er zich in Joegoslavië wel degelijk een Belgische ambassade bevindt, te weten in Beograd. In zoverre verzoekster bovendien voorhoudt dat het haar niet mogelijk is ‘haar verzoek conform art. 9, 3 Vw in te dienen via de Belgische diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de eventuele plaats van oponthoud in het buitenland, nu zij niet over een niet-precaire verblijfstitel beschikt voor eender welk derde land’ laat de verwerende partij gelden dat: - het door de verzoekende partij in de voormelde kritiek aangehaalde art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 geenszins voorziet in de mogelijkheid om een aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen bij ‘De Belgische diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de eventuele plaats van oponthoud in het buitenland’ - art. 9, 2/ lid van de Vreemdelingenwet wel in deze mogelijkheid voorziet, maar dat dienaangaande geen enkele wettelijke bepaling of ter zake relevante rechtsregel bepaalt dat de vreemdeling in het land van oponthoud op een ‘legale wijze voor een periode van meer dan drie maanden’ dient te verblijven. Het voormelde laat toe te besluiten dat verzoekster niet dienstig kan aanvoeren dat zij zich niet in de mogelijkheid zou bevinden om conform art. 9, 2/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, de desbetreffende aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen via de gewone procedure nu beweerdelijk geen ‘Belgische ambassade of consulaire post geopend is’ in Joegoslavië en ‘zij niet over een niet-precaire verblijfstitel beschikt voor eender welk derde land’.. Betreffende verzoeksters beschouwing dat ‘De bestreden beslissing voorbijgaat aan het feit dat de volledige procedure van verzoekster inmiddels al bijna vier jaar in beslag neemt’ en dat ‘aan verzoekster niet kan verweten worden dat zij zich binnen deze vierjarige periode inmiddels volledig heeft aangepast aan de samenleving’ alsook dat ‘door deze procedure dermate lang te laten aanslepen, de Belgische overheid dan ook mede verantwoordelijk is voor de inmiddels volledige integratie van verzoekster en haar kinderen in België’ laat de verwerende partij het volgende gelden. Vooreerst dient er op te worden gewezen dat, zoals blijkt uit de stukken van het administra- tief dossier en hetgeen hierboven (sub. 1) reeds uitvoerig werd uiteengezet, verzoekster pas op 03.06.1999 het Rijk is binnengekomen en op 04.06.1999 de erkenning van de hoedanigheid van vluchtelinge aanvroeg, terwijl, na onderzoek, reeds op 03.10.2000 door de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken werd beslist verzoeksters asielaanvraag als onontvankelijk te beschouwen en haar het verblijf in het Rijk te weigeren (stukken 35-39 van het administratief dossier). Verzoekster diende aldus geenszins vier jaar te wachten alvorens enige beslissing en duidelijkheid betreffende haar verblijfstoestand te mogen ontvangen. Vervolgens ontving verzoekster, na het door haar tegen de voormelde beslissing ingestelde dringend beroep, reeds op 26.06.2001 een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen waarbij deze, na diepgaand onderzoek, besliste de weigering van verblijf te bevestigen (stukken 44-46 van het administratief dossier). Pas nadien diende verzoekster (een eerste maal) een aanvraag in machtiging tot verblijf in toepassing van art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, aanvraag welke bij beslissing dd. 20.12.2002 werd verworpen. Gelet op het bovenvermelde wordt in de in casu bestreden beslissing dan ook terecht gesteld dat verzoekster wist dat haar verblijf in het Rijk van tijdelijke aard was en zij bij een eventuele negatieve beslissing het land diende te verlaten. Verzoekster kan bijgevolg niet dienstig aanvoeren dat ‘de volledige procedure van verzoekster inmiddels al bijna vierjaar in beslag XIV-13.826-6/13 neemt’, nu dit enkel te wijten is aan verzoekster zelf, die de ter haren beschikking staande procedures kennelijk misbruikt ten einde haar tijdelijk verblijf in het Rijk te verlengen. Bovendien dient er op te worden gewezen dat verzoekster geenszins wordt verweten dat zij ‘zich binnen deze vierjarige periode inmiddels volledig heeft aangepast aan de samenleving’ maar dat in de in casu bestreden beslissing dd. 20.12.2002 van de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken, geheel terecht, wordt gesteld dat de voorgehouden integratie op zich niet uitzonderlijk is en niet verantwoord dat de aanvraag in België wordt ingediend. Dat ‘de Belgische overheid [...] mede verantwoordelijk is voor de inmiddels volledige en haar kinderen in België’ dient naar oordeel van de verwerende partij enkel te worden toegejuicht, en kan geenszins afbreuk doen aan de in casu bestreden beslissing. Wat betreft verzoeksters kritiek aangaande de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten haren opzichte genomen beslissing in het kader van betrokkenes asielaanvraag, merkt de verwerende partij op dat voormelde kritiek niet dienstig kan worden aangewend ter ondersteuning van onderhavig annulatieberoep, strekkende tot nietigverklaring van de beslissing dd. 20.12.2002 van de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken. Voormelde summiere en naakte kritiek is daarenboven niet van die aard dat zij enige afbreuk kan doen aan de voormelde beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, houdende de verwerping van verzoeksters asielrelaas. De gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken stelt in de in casu bestreden beslissing geheel terecht dat de beweerde problemen in verzoeksters land van herkomst reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van betrokkenes asielaanvraag en deze, gelet op bevestigende beslissing dd. 26.06.2001 van de Commissaris-generaal waarbij werd geoordeeld dat geen geloof kan worden gehecht aan verzoeksters relaas, niet meer kunnen worden aanvaard als buitengewone omstandigheden welke een toepassing van het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 kunnen rechtvaardigen. Verzoeksters naakte kritiek, noch het feit dat verzoekster beweerdelijk een annulatieberoep richtte tegen de voormelde beslissing dd. 26.06.2001 van de Commissaris-generaal, kan aan het bovenstaande geen afbreuk doen. Tevens dient te worden opgemerkt dat ook verzoeksters beschouwingen m.b.t. de opmerking van de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken dat het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen sterkt twijfelt aan verzoeksters Kosovaarse afkomst niet van die aard zijn dat zij de eventuele nietigverklaring van de in casu bestreden beslissing kunnen verantwoorden, nu: - verzoekster dan wel poneert dat zij wel degelijk van Kosovaarse afkomst is, maar zij er niet in slaagt haar identiteit en nationaliteit afdoende aan te tonen aan de hand van concrete elementen, - in tegenstelling tot hetgeen verzoekster voorhoudt, de beweerde nationaliteit niet kan worden afgeleid uit het feit dat ‘zij bij haar aankomst in België het statuut van ontheemde werd toegekend’ temeer nu na diepgaand onderzoek blijkt dat ernstig kan worden getwijfeld aan de voorgehouden nationaliteit, - door de Commissaris-generaal werd geoordeeld dat geen geloof kan worden gehecht aan verzoeksters asielrelaas en haar aanvraag bedrieglijk is, gelet op o.a. de vaststelling dat verzoekster algemene kennis omtrent haar beweerde land van herkomst nihil is. De verwerende partij is, gelet op hetgeen hierboven uitvoerig is uiteengezet, de mening toegedaan dat verzoeksters enige middel, in zoverre al ontvankelijk, ongegrond is.”; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord verwijst naar datgene wat werd uiteengezet in haar inleidend verzoekschrift; 2.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de motiveringsplicht, en van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel; 2.
  16. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de XIV-13.826-7/13 beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de aanvraag in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; 2.
  17. Overwegende dat het hoofdmotief van de bestreden beslissing erin bestaat dat de verzoekende partij geen buitengewone omstandigheden heeft ingeroepen die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen; Overwegende dat artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) als volgt luidt: “Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister van Binnenlandse Zaken of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.”; Overwegende dat als algemene regel geldt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; XIV-13.826-8/13 Overwegende dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : 1/ wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buiten- gewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn. Zo dergelijke buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen; 2/ wat de gegrondheid van de aanvraag betreft: of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Desbetreffend beschikt de Minister over een ruime appreciatiebevoegdheid; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond is om de verzoekende partij een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij dient na te gaan of haar aanvraag wel regelmatig werd ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn aanvraag bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waaruit het ingeroepen beletsel precies bestaat; Overwegende dat in casu de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk werd verklaard, hetgeen betekent dat de buitengewone omstandighe- den die de verzoekende partij heeft ingeroepen om te verantwoorden waarom zij geen aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in haar land van oorsprong heeft ingediend, niet werden aanvaard of bewezen; dat de verwerende partij in de bestreden beslissing hieromtrent volgende motieven opgeeft: - het feit dat betrokkene zich nooit schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, dat zij sinds 1999 in België verblijft, dat zij schoolgaande kinderen heeft, dat zij goede pogingen doet om Nederlands te leren, is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag in België wordt ingediend; - betrokkene wist dat haar verblijf in België van tijdelijke aard was en enkel werd toegestaan in het kader van het ontheemdenstatuut en haar asielaanvraag; ze wist dat zij bij een eventuele negatieve beslissing het land diende te verlaten; - de problemen in haar land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag; deze aanvraag werd afgewezen door de bevestigende beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 26 juni 2001 en kennis gegeven op 28 juni 2001; XIV-13.826-9/13 - hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de wet in België in te dienen; - tevens dient te worden opgemerkt dat het Commissariaat-generaal sterk twijfelt aan haar Kosovaarse afkomst; haar geografische kennis van de regio waarvan zij beweert afkomstig te zijn is beperkt en op vragen over politiek beschrijft ze eerder de politieke situatie in Albanië; - tenslotte kan het medisch motief niet worden weerhouden; uit het verslag van onze controlegeneesheer blijkt immers dat het medisch probleem afdoende in België werd behandeld en dat het haar dus niet langer verhindert te reizen; bovendien is de noodzakelijke medische follow-up voorhanden in haar land van herkomst; - betrokkene dient bijgevolg contact op te nemen met haar nationale vertegenwoordiging in België en/of de Internationale Organisatie voor Migratie ten einde haar terugkeer voor te bereiden; Overwegende dat de verzoekende partij in haar enig middel aanvoert dat ze haar aanvraag onmogelijk via de Belgische diplomatieke of consulaire post in Joegoslavië kan indienen aangezien ze niet in het bezit is van een geldig internationaal paspoort of enig ander identiteitsdocument en dat ze niet anders kon dan haar aanvraag in België in te dienen “aangezien in Joegoslavië geen Belgische ambassade of consulaire post geopend is”; dat de verzoekende partij in essentie kritiek uit ten aanzien van de overweging waarbij de minister van Binnenlandse Zaken stelt dat zij haar aanvraag moet indienen “via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland”; dat deze aangehaalde overweging van de minister van Binnenlandse Zaken louter een weergave uitmaakt van hetgeen uitdrukkelijk is bepaald in artikel 9, tweede lid van de Vreemdelingenwet; dat bijgevolg dient te worden vastgesteld dat in dit onderdeel van het enig middel kritiek wordt geuit op een wetsbepaling; dat de Raad van State zich hier niet over vermag uit te spreken, aangezien hij louter is belast met de wettigheidscontrole van door een administratieve overheid uitgevaardigde eenzijdige administratieve rechtshandelingen, zoals bepaald in artikel 14, § 2 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State; dat in dit verband bovendien wordt verwezen naar de overweging van de bestreden beslissing waar de minister van Binnenlandse Zaken de verzoekende partij verzoekt contact op te nemen met haar nationale vertegenwoordiging in België en/of de Internationale Organisatie voor Migratie ten einde haar terugkeer voor te bereiden; Overwegende dat waar de verzoekende partij aanvoert dat zij “niet kan verweten worden dat zij zich binnen deze vierjarige periode inmiddels volledig heeft aangepast aan de samenleving en haar kinderen hier al jarenlang naar school gaan” en dat “door deze procedure dermate lang te laten aanslepen, de Belgische overheid dan ook mede verantwoordelijk is voor de inmiddels volledige integratie van verzoekster en haar kinderen”, de vaststelling volstaat dat in de bestreden beslissing aan de verzoekende partij niet XIV-13.826-10/13 “verweten” wordt dat zij en haar kinderen volledig zijn geïntegreerd; dat er enkel in de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat dergelijke omstandigheden, bij de beoordeling van een aanvraag om machtiging tot verblijf, niet als uitzonderlijk worden beschouwd in die zin dat ze het indienen van een aanvraag in België zouden verantwoorden; Overwegende dat de verzoekende partij vervolgens kritiek aanvoert ten aanzien van de overweging van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij deze overweegt dat “het CGVS sterk twijfelt aan haar Kosovaarse afkomst”; dat de verzoekende partij hieromtrent opwerpt dat haar medische toestand tijdens het interview op het Commissariaat- generaal, en haar opleidingsniveau, deze twijfel veroorzaakten en dat ze beroep heeft ingesteld tegen de bevestigende beslissing van weigering van verblijf van de Commissaris- generaal bij de Raad van State; dat in casu dient te worden vastgesteld dat haar asielaanvraag op 26 juni 2001 werd afgesloten met de bevestigende beslissing van weigering van verblijf van de Commissaris-generaal waarbij deze oordeelde dat de asielaanvraag van de verzoekende partij bedrieglijk was; dat het tegen voormelde beslissing door de verzoekende partij ingestelde beroep bij arrest nr. 145.025 van 25 mei 2005 door de Raad van State werd verworpen; dat de verzoekende partij, voor wat betreft de twijfels over haar afkomst, het op generlei wijze aannemelijk maakt dat de minister van Binnenlandse Zaken niet in alle redelijkheid kon verwijzen naar de asielprocedure en bijgevolg evenmin aantoont met een begin van bewijs dat betreffende overweging van de bestreden beslissing kennelijk onredelijk zou zijn; Overwegende dat de verzoekende partij tenslotte nog kritiek aanvoert op de overweging van de minister van Binnenlandse Zaken waar deze stelt dat “het medisch motief (...) niet (kan) weerhouden worden”; dat in de bestreden beslissing met zoveel woorden wordt overwogen dat “Uit het verslag van onze controlegeneesheer (...) immers blijkt dat het medisch probleem afdoende in België werd behandeld en dat het haar dus niet langer verhinderd te reizen. Bovendien is de noodzakelijke medische follow-up voor handen in haar land van herkomst”; dat waar de verzoekende partij aanvoert dat “(...) een dergelijke bewering (...) niet gestaafd wordt aan de hand van bepaalde documenten of ook maar enigszins gemotiveerd wordt aan de hand van betrouwbare informatie”, de vaststelling volstaat dat het oordeel van de minister van Binnenlandse Zaken is gesteund op het verslag van de controlegeneesheer waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen; dat waar de verzoekende partij nog opwerpt dat “een eenvoudige vermelding als ‘bovendien is de noodzakelijke medische follow-up voorhanden in haar land van herkomst’ (...) geenszins volstaat”, dient te worden opgemerkt dat in haar aanvraag om machtiging tot verblijf door de verzoekende partij generlei gegeven wordt aangevoerd dat erop zou wijzen dat een medische follow-up in haar land van herkomst onmogelijk zou zijn, net zomin ze in haar verzoekschrift een begin van bewijs bijbrengt waaruit zou kunnen blijken dat de minister van Binnenlandse Zaken niet in redelijkheid tot betreffende vaststelling is kunnen komen; XIV-13.826-11/13 Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat de artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 de administratieve overheid ertoe verplichten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een ‘afdoende’ wijze; dat het begrip ‘afdoende’ impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing; dat de bestreden beslissing duidelijk de determinerende motieven aangeeft op grond waarvan tot de onontvankelijkheid van de aanvraag wordt besloten; dat immers in de motivering van de bestreden beslissing wordt verwezen naar het feit dat de door de verzoekende partij ingeroepen redenen geen buitengewone omstandigheden zijn; dat uit de voorgaande analyse blijkt dat in de bestreden beslissing rekening werd gehouden met alle door de verzoekende partij in haar aanvraag tot machtiging tot verblijf bijgebrachte gegevens; dat de verzoekende partij niet duidelijk maakt op welk punt deze motivering haar niet in staat stelt te begrijpen op basis van welke juridische en feitelijke gegevens de door haar bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht; Overwegende dat waar door de verzoekende partij in de aanhef van het middel de schending van het gelijkheidsbeginsel wordt aangevoerd, de vaststelling volstaat dat een uiteenzetting ontbreekt van de wijze waarop dit beginsel volgens de verzoekende partij door de bestreden beslissing werd geschonden; dat de verzoekende partij er geenszins in slaagt de schending van de in het middel aangehaalde bepaling of beginsel aannemelijk te maken; dat het enig middel ongegrond is;
  18. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-13.826-12/13 BESLUIT: Artikel
  19. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  20. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . Ch. BAMPS. XIV-13.826-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.052 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.