← België

Arrest 167053 - Dienst Vreemdelingenzaken - 25/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.053 Rolnummer: A. 133280/XIV-13897 Zaak: Arrest 167053 - Dienst Vreemdelingenzaken - 25/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-02 Raadplegingen: 186 - laatst gezien 2026-07-04 01:39 Fiche Arrest nr 167.053 van 25 januari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.053 van 25 januari 2007 in de zaak A. 133.280/XIV-13.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, wonende te tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 10 oktober 1967 en XXX, geboren op 3 april 1973 en beiden van Turkse nationaliteit, op 21 februari 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 januari 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 28 januari 2003; Gelet op de beschikking van 26 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 10 januari 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-13.897-1/14 Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. VAN GASSEN, die loco Advocaten J. BOUVEROUX en L. POELMANS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat A. DE MEU, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  5. De verzoekende partijen komen België binnen op 31 oktober 1999 en verklaren zich vluchteling op 3 november
  6. 1.
  7. Op 1 maart 2000 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 14 juli 2000 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissingen. Tegen betreffende beslissingen werden door de verzoekende partijen een vordering tot schorsing en een annulatieberoep ingesteld bij de Raad van State. Bij arrest nr. 99.313 van 1 oktober 2001 werd dit beroep verworpen door de Raad van State. 1.
  9. Op 5 november 2001 dienen de verzoekende partijen een aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
  10. Op 8 januari 2003 wordt de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf door de minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk verklaard. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motieven luiden als volgt: “(...) onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die bij U werd ingediend door: XXX, + echtgenote + 2 kinderen nationaliteit: Turkije geboren te Birecik op 10/10/1967 ex-kandidaat vluchteling adres: in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mee dat dit verzoek onontvankelijk is. XIV-13.897-2/14 Redenen: De redenen die werden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland, kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden aanvaard worden. Het feit dat de oom van betrokkene in België verblijft en dat betrokkenen kleine kinderen hebben is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag in België wordt ingediend. Betrokkenen wisten dat hun verblijf in België van tijdelijke aard was en enkel werd toegestaan in het kader van hun asielaanvraag. Zij wisten dat zij bij een eventuele negatieve beslissing het land dienden te verlaten. De problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen door het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 1410712000 en kennis gegeven op
  11. Hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. In deze dient te worden opgemerkt dat Mijnheer XXX lange tijd in Duitsland heeft verbleven en 2 maal met behulp van een paspoort en visum terugkeerde naar Turkije zonder problemen te hebben ondervonden. Het medisch motief kan niet weerhouden worden. Uit de voorgelegde medische attesten blijkt immers dat het medisch probleem betrokkenen niet verhindert te reizen. Uit deze attesten en onze informatie blijkt tevens dat de noodzakelijke behandeling in Turkije voor handen is. Daarenboven is de voorgestelde termijn van behandeling voor Mijnheer XXX (6 maanden; medisch attest van 1610312002) reeds verstreken. Betrokkenen dienen contact op te nemen met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en/of de Turkse vertegenwoordiging in België ten einde hun terugkeer mogelijk te maken. Bijgevolg dienen betrokkenen dringend het Belgisch grondgebied te verlaten. (...).”.
  12. Over de gegrondheid van de zaak. 2.
  13. Overwegende dat de verzoekende partijen een enig middel aanvoeren, dat als volgt luidt: “enig middel, afgeleid uit de schending van art. 9, 3 van de wet van 15 december 1980 en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van de administratieve akten, doordat de bestreden beslissing onvoldoende en gebrekkig gemotiveerd is, alsmede van de beginselen van behoorlijk bestuur. De bestreden beslissing is vooral gebaseerd op de overweging dat de redenen welke zij hebben aangehaald m.b.t. de problemen in hun land reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. De bestreden beslissing vermeldt : ‘Hogergenoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen.’ Deze argumentatie is op geen enkele wettelijke grondslag gesteund. Het feit dat er beslissingen genomen werden inzake de asielaanvraag op 14.7.2000 en 18.7.2000 stelt de administratie niet vrij van het voeren van een eigen onderzoek naar de ingeroepen redenen. Deze redenen hebben trouwens deels betrekking op feiten die zich na de beslissingen inzake het asiel verder hebben uitgestrekt, meer bepaald het risico op vervolging in hun tand van herkomst. Door uitsluitend te verwijzen naar de beslissing van weigering van verblijf genomen door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen is de bestreden beslissing niet rechtsgeldig gemotiveerd. Ook de opmerking dat mijnheer XXX tweemaal met behulp van een paspoort en visum terugkeerde naar Turkije zonder problemen te hebben ondervonden, kan niet als geldige overweging worden aanvaard, aangezien het vooral de familie van zijn echtgenote is die in haar land van herkomst met vervolging wordt bedreigd, gegeven zijnde dat haar broer reeds werd gedood in de guerrillastrijd en dat haar vader ernstige mishandelingen heeft ondergaan. De terugzending van de heer XXX zonder echtgenote en kinderen zou een onverantwoorde en ongerechtvaardigde schending van het gezinsleven inhouden. XIV-13.897-3/14 Verzoekers zijn bovendien van oordeel dat de bestreden beslissing tekortgeschoten is aan de vereisten gesteld door het redelijkheidsbeginsel (zie o.m. R.v.St., nr. 28894, 24 november 1987 ; R.v.St., nr. 46.329, 1 maart 1994 ; R.v.St., nr. 64.139, 22 januari 1997) en het zorgvuldigheidsbeginsel, belden algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het redelijkheidsbeginsel beperkt discretionaire bevoegdheden enkel doordat het niet duidt dat hetgeen beslist is, in kennelijke wanverhouding staat tot de feiten waarop het besliste. Het redelijkheidsbeginsel staat de rechter niet toe dat oordeel over te doen maar enkel dat oordeel onwettig te bevinden wanneer het alle redelijkheid ingaat, wanneer de door het bestuur geponeerde verhouding tussen beslissing en feiten in werkelijkheid volkomen ontbreekt, en er in werkelijkheid een kennelijke wanverhouding is. (R.v.St., nr. 64.139, 22 januari 1997). Het redelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat de als motieven opgegeven feiten werkelijk bestaan en op zich rechtens relevant zijn, maar er een kennelijke wanverhou- ding bestaat tussen die motieven en de beslissing welke op de grond ervan genomen is (R.v.St., nr. 47.148, 3 mei 1994, Arr. R.v.St., 1994). Er is schending van het redelijkheidsbeginsel wanneer een beslissing genomen wordt op grond van de motieven die weliswaar rechtens relevant aanvaardbaar en feitelijk juist zijn, maar waartegenover hetgeen beslist is in een kennelijke wanverhouding staat (R.v.St., nr. 46.329, 1 maart 1994, T.Gem., 1995, 143 ; Arr. R.v.St, 1994). Het middel is gegrond.”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: “Verzoekers enige middel: ‘schending van art. 9,3/ van de wet van 15.12.1980 en van de wet van 29.07.1991 betreffende de formele motivering van de administratieve akten, doordat de bestreden beslissing onvoldoende en gebrekkig gemotiveerd is, alsmede van de beginselen van behoorlijk bestuur’. Verzoekers eerste onderdeel: schending van art. 9,3/ van de wet van 15.12.
  14. Verzoekers beroepen zich in hun eerste onderdeel van hun enige middel op een ‘schending van art. 9,3/ van de wet van 15.12.1980' . Zij menen deze schending kennelijk te kunnen afleiden uit het feit dat in de bestreden beslissing is geoordeeld dat in hunnen hoofde geen buitengewone omstandigheden kunnen worden aangenomen in de zin van de door hen bedoelde wetsbepaling. Zij voeren aan dat het feit dat er beslissingen genomen werden in de asielaanvragen op 14.07.2000 en 18.07.2000, de administratie niet vrijstelt van het voeren van een eigen onderzoek naar de ingeroepen redenen en dat er geen enkele wettelijke grondslag is om te zeggen dat problemen die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaand onderzoek bij de asielaanvraag niet meer kunnen worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de wet in België in te dienen. De verwerende partij antwoordt hierop dat in de bestreden beslissing terecht is gesteld dat de problemen in verzoekers’ land van herkomst reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van hun afgewezen asielaanvraag en geen buitengewone omstandigheden kunnen uitmaken in de zin van art 9, lid 3 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Uit dit motief vloeit niet voort, zoals verzoekers kennelijk verkeerdelijk aannemen, dat op feiten die zijn vermeld in het kader van een asielaanvraag bij de behandeling van een aanvraag om verblijfsmachtiging geen acht meer kan worden geslagen wegens het enkele feit van de voornoemde vermelding. Het is echter wel zo, en dit wordt in de bestreden beslissing dus terecht vastgesteld, dat motieven van asielrechtelijke aard in het kader van de behandeling van de laatstvermelde aanvraag niet meer aan bod kunnen komen. Voor dit laatste dient immers specifiek de asielprocedure. Uit de inhoud van het verzoekschrift dat verzoekers ter ondersteuning van hun aanvraag tot verblijfsmachtiging hebben ingediend, blijkt niet dat verzoekers m.b.t. de situatie in hun land van herkomst elementen hebben aangebracht die kaderen in een andere dan een asielrechtelijke context. Een schending van de voornoemde wetsbepaling kan dan ook geenszins worden aangenomen. Het eerste middel van verzoekers gaat niet op. Verzoekers tweede onderdeel: schending van de Wet van 29 juli 1991 inzake de uitdrukkelijke motiveringsplicht van bestuurshandelingen. XIV-13.897-4/14 In een tweede onderdeel van hun enige middel beroepen verzoekers zich op een vermeende ‘schending van de Wet van 29 juli 1991 inzake de uitdrukkelijke motiveringsplicht van bestuurshandelingen’. Wat de verwijzing naar de schending van de Wet van 29 juli 1991 inzake de uitdrukkelijke motiveringsplicht van bestuurshandelingen betreft, merkt de verwerende partij op dat er reeds werd geoordeeld dat onontvankelijk is, het onderdeel (en a fortiori het middel) dat met het oog op een vernietiging van een verplicht te motiveren beslissing een motiveringsgebrek aanvoert, maar hiervoor geen wetsbepaling als geschonden aanduidt (cf. naar analogie: Cass. AR C.94.0369.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970509.2, 9.5.1997, Arr. Cass. 1997, 5 3 l). Aan deze laatste vereiste beantwoordt volgens de verwerende partij niet de loutere vermelding van een motiveringsgebrek in termen van een schending van de Wet van 29 juli 1991 inzake de uitdrukkelijke motiveringsplicht van bestuurshandelingen. Een dergelijke algemene verwijzing, zonder dat één of meer bepalingen binnen de bedoelde wet als geschonden worden aangeduid, maakt volgens de verwerende partij niet de voldoende duidelijke en precieze omschrijving van de geschonden geachte rechtsregels) uit die is vereist opdat er sprake zou kunnen zijn van een middel als bedoeld in art. 20, lid 2, 2' van het Koninklijk besluit dd. 09.07.2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (cf. naar analogie de rechtspraak van de Raad van State i.v.m. het begrip ‘middelen’ in de zin van art. 20,lid 1, 2' van het KB van 09.06.2000 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; waaronder bv. R.v.St. nr. 50.142, 9.11.1994, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 48.643, 20.7.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 43.137, 2.6.1993, R.A. CE. 1993, z.p.). De verwerende partij is derhalve van oordeel dat het tweede onderdeel van het enige middel van verzoekers in rechte onvoldoende behoorlijk is onderbouwd om als ontvankelijk te kunnen worden beschouwd. In zoverre de Raad van State het besproken middel toch ontvankelijk zou achten, laat de verwerende partij nog gelden dat de overwegingen die, tezamen met de vermelding van de toegepaste rechtsregels, de motivering van de bestreden beslissing uitmaken, wel degelijk volstaan om de bestreden beslissing ten genoege van recht met motieven te onderbouwen. De overwegingen laten verzoeker immers toe om te achterhalen om welke redenen de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken besliste hun aanvraag af te wijzen en vinden steun in het administratief dossier. De bestreden beslissing is onder andere met volgende redenen omkleed, namelijk dat: de door verzoekers aangehaalde redenen niet als uitzonderlijke omstandigheden kunnen aanvaard worden; het feit dat een oom in België verblijft en verzoekers kinderen hebben geen uitzonderlijke omstandigheden zijn die verantwoorden dat de aanvraag in België wordt ingediend; de problemen in hun land van herkomst reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvragen, die beiden afgewezen werden; het medisch probleem niet kan weerhouden worden, daar het betrokkene niet verhindert te reizen, de noodzakelijke behandeling in Turkije aanwezig is en de voorgestelde behandelingstermijn reeds verstreken is; Verwerende partij is tevens van oordeel dat dit tweede onderdeel van het enige middel van verzoekers niet voldoende duidelijk is omschreven. Verweerder merkt op dat de Raad van State er reeds herhaaldelijk op heeft gewezen dat het wettelijk of reglementair voorschrift luidens hetwelk het beroep bij een administratief rechtscollege gemotiveerd moet zijn, van substantiële aard is (zie o.m. R.v.St., nr. 3199, 4.3.1954, Belgische Staat/Hos ; R.v.St., nr. 8323, 6.1.1961, Belgische Staat/ Javaux H. LENAERTS : Administratieve rechtscolleges, Adm.Lex., nr. 9 1, p. 48 ; Les Novelles Le Conseil d'Etat, nr. 1763, p. 605). De niet-naleving van deze vereiste heeft de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg (R.v.St., nr. 4934, 7.2.56, Kosinsky; R.v.St., nr. 7521, 6.1.1960, Verboomen). De rechter zou zijn bevoegdheid te buiten gaan mocht hij een niet regelmatig aangebracht beroep ten gronde behandelen. De verwerende partij is van oordeel dat verzoekers in gebreke blijven om in hun beroepschrift een voldoende duidelijke uiteenzetting van dit tweede onderdeel van hun enige middel te geven. Betrokkenen beperken er zich immers toe te vermelden dat er volgens hen sprake is van een ‘schending van de wet van 29.07.1991 betreffende de formele motivering van de administratie- ve akten’, zonder dat zij in hun middel verder toelichten op welke wijze zij voornoemde wet door de bestreden beslissing geschonden achten. Derhalve kan met betrekking tot de vermeende schending van voornoemde wet bezwaarlijk van een (afdoende) uiteenzetting van het middel gesproken worden, hetgeen de onontvankelijk- heid van het beroep betreffende dit tweede onderdeel van het enige middel tot gevolg heeft. Uit het voorgaande volgt dat het tweede onderdeel van het enig middel van verzoekers onontvankelijk, zoniet ongegrond is. Verzoekers derde onderdeel: schending van het redelijkheidbeginsel. In een derde en laatste onderdeel van hun enige middel beroepen verzoekers zich op een vermeende ‘schending van het redelijkheidbeginsel’. XIV-13.897-5/14 Verzoekers achten dit beginsel geschonden, omdat naar hun mening er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen hetgeen werd beslist en de feiten waarop deze beslissing werd gesteund. Verzoekers laten echter na te duiden waaruit deze wanverhouding bestaat of blijkt in de ten hunnen opzichte genomen beslissing en op welke wijze de bestreden beslissing concreet het redelijkheidbeginsel schendt. Verzoekers beperken zich in hun derde onderdeel van hun enige middel tot een rechtstheore- tische uiteenzetting betreffende de toepassing van het redelijkheidbeginsel en laten na ook maar enig verband te leggen met hun situatie, laat staan met de bestreden beslissing. De reeds hierboven vermelde kritiek met betrekking tot de opgeworpen schending van de wet van 29.07.1991 kan hier aldus herhaald worden. Met betrekking tot de vermeende schending van het redelijkheidbeginsel kan bezwaarlijk van een (afdoende) uiteenzetting van het middel gesproken worden, hetgeen de onontvankelijk- heid van het beroep betreffende dit derde onderdeel van het enige middel tot gevolg heeft. Bovendien zijn de door verzoekers in hun enige middel aangehaalde gegevens geenszins van aard om te kunnen doen aannemen dat verzoekers de aanvraag om verblijfsmachtiging niet konden indienen vanuit hun land van herkomst, overeenkomstig de normaal geldende procedure. In het licht van een voorgaande vaststellingen is de ter zake genomen onontvankelijkheids beslissing de enige wettelijk correcte beslissing (cf. o.a. R.v.St. nr. 73.000, 6.4.1998, A.P.M, 1998, 79), gegeven waaraan beschouwingen over het redelijkheidsbeginsel niets kunnen afdoen. De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat ook verzoekers’ derde en laatste onderdeel van hun enige middel niet opgaat.”; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord nog het volgende aanvoeren: “II. IN RECHTE Bij huidige memorie van wederantwoord hernemen verzoekende partijen de integrale inhoud van hun inleidend verzoekschrift tot nietigverklaring, doch wensen kort te repliceren op de door verwerende partijen weergegeven argumenten in rechte d.m.v. memorie van wederantwoord. Tevens breiden verzoekers, bij huidige memorie van wederantwoord, hun middelen tot nietigverklaring onder het tweede onderdeel uit : n.a.v. schending van art. 8 E.V.R.M. hetgeen van openbare orde is (zie blz. 7 memorie van wederantwoord). (...) A. Schending van artikel 9, 3/ Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 Bij memorie van antwoord houdt verwerende partij voor dat ‘de motieven van asielrechtelij ke aard in het kader van de behandeling van de laatstgenoemde aanvraag niet meer aan bod kunnen komen’ (blz. 4 memorie van antwoord). Quid ? Verwerende partij verwijst terzake naar de letterlijke inhoud van de eerder tussengekomen beslissing en voegt er louterweg aan toe ‘voor dit laatste dient immers specifiek de asielprocedu- re.’ Men gaat hierbij volkomen voorbij aan de wettelijke bepaling van artikel 9 Vreemdelingen- wet dewelke immers in het derde lid stelt : ‘In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft...’ Het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ betekent niet dat het ‘onmogelijk’ is om in het land van herkomst of oorsprong de aanvraag tot verblijf in te dienen. In de Franse wettekst is er overigens sprake van omstandigheden die ‘exceptionelles’ zijn, wat synoniem is van ‘extroordinaires’ (R.v.St., nr. 60.962, 11.07.1996, T.V.R., 1997~ 385). Bij de beoordeling van de vraag of de ingeroepen omstandigheden ‘buitengewoon’ zijn, dient het evenredigheidsbeginsel te worden toegepast : R.v.St., nr. 58.969, 1.04.1996, T.V.R., 1997, 29 : er dient een belangenafweging te gebeuren tussen enerzijds het doet en de gevolgen van de administratieve voorschriften voorzien in artikel 9, 3 de lid Vw. en, anderzijds, de min of meer gemakkelijke toepasselijkheid ervan en de ongemakken die dit veroorzaakte in een concreet geval. Verwerende partij laat zulks in de bestreden beslissing volkomen na. Daar immers de Vreemdelingenwet zelf niet bepaalt wat onder ‘buitengewone omstandighe- den’ dient te worden verstaan, is het voor het overige een beoordeling van gevat tot geval : het feit dat o. m. problemen worden aangehaald door verzoekers die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een onderzoek in het kader van de asielaanvraag doet hieraan dan ook geenszins enige afbreuk. XIV-13.897-6/14 De vroegere beslissingen dd. 14.07.2000 en 18.07.2000 van de bevoegde asielinstanties ontstaan de Federale Minister van Binnenlandse Zaken immers niet, in het kader van een regularisatie-aanvraag ex art. 9, 3/ Vreemdelingenwet, van het voeren van een grondig (feiten)onderzoek omtrent de door verzoekers aangevoerde redenen. Er bestaat immers geen wettelijke grondslag om te beweren dat ‘de motieven van asielrechtelijke aard in het kader van de behandeling van laatstgenoemde aanvraag niet meer aan bod kunnen komen.’ Voorts betwisten verzoekers de bewering van verwerende partij ten stelligste dat ‘zij m.b.t. de situatie in hun land van herkomst (louter) elementen hebben aangebracht die kaderen in een asielrechtelijke context’. (blz. 5 bovenaan memorie van antwoord). Verzoekers verwijzen terzake andermaal naar hetgeen ut supra onder de feitelijke omstandigheden reeds werd weergegeven, zoals uiteengezet in hun aanvraag tot regularisatie dd. 5.11.2001 (stuk 2), zijnde ondermeer : • XXX en zijn echtgenote leven sedert meerdere jaren in België waar zij hun leven en gezin hebben opgebouwd; • verzoekers hebben zich op perfecte wijze weten te integreren in hun leefomgeving; • de oom van XXX woont in het Antwerpse, met wie zij familiale contacten onderhouden; Verwerende partij gaat hieraan (nogmaals) volkomen voorbij Verzoekers handhaven omtrent dit eerste onderdeel integraal hun eerdere zienswijze, onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad van State. B. Schending, van Wet van 29 juli 1991 én schending van artikel 8 E.V.R.M. In een tweede onderdeel voeren verzoekers inderdaad inbreuken aan op de Wet van 29 juli 1991 houdende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. De verplichtingen voortvloeiende uit de Wet van 29 juli 1991 zijn voorgeschreven in het belang van de bestuurde, waarbinnen de uitdrukkelijke motiveringsplicht een substantieel vormvoorschrift vormt (MAST A. en DUJARDIN J., Overzicht van Belgisch Administratief Recht, Brussel, Kluwer, 1994, nr. 681, p. 701). Zo bepaalt artikel 3 van voornoemde wet : ‘De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overweging en vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn.’ Onder een afdoende motivering dient verstaan te worden dat de ingeroepen redenen pertinent moeten zijn en de beslissing verantwoorden (P. VAN ORSHOVEN, ‘De uitdrukkelij- ke motivering van administratieve rechtshandelingen’, R.W., 1991-92, (488-492), 491). Zulks is in casu hoegenaamd niet het geval. Benevens schending van artikel 62 Vreemdelingenwet kan voor de Raad van State inderdaad nuttig beroep gedaan worden op de uitdrukkelijke motiveringswet dd. 29 juli 1991 (D. VANHEULE, ‘De motiveringsplicht en de vreemdelingenwet’, T.V.R., 1993, 67-71). Immers hoe beter de aanvraag gemotiveerd is, hoe uitgebreider de dienst Vreemdelingenza- ken een gebeurlijke weigering zal dienen te motiveren. Een standaardformulering of een stereotiepe motivering is volstrekt uit den boze : R.v.St., nr. 42.119, 2.03.1994, T.V.R., 1993, 180 ; R.v.St., nr. 46.381, 3.03.1994 (schorsing) en nr. 50.114 van 9.11.1994 (vernietiging), T.V.R., 1995, 79 ; R.v.St., nr. 53.591 Y 7.06.1995, T.V. R., 1995,
  15. Een weigering behoort voorts zowel in te gaan op de omstandigheden die de vreemdeling als buitengewone omstandigheden aanvoert als de redenen die aangevoerd worden voor het bekomen van het recht op verblijf. In de motivering van de bestreden beslissing laat verwerende partij zulks volkomen na. De formele motiveringsplicht vereist voorts dat de dienst Vreemdelingenzaken antwoordt op allé als buitengewone aangevoerde omstandigheden, ongeacht of zij terecht of ten onrechte als zodanig werden bestempeld ; het volstaat immers dat één van de aanvoerde omstandigheden buitengewoon is, opdat de vreemdeling het recht heeft zijn aanvraag in België in te dienen : R.v.St., nr. 81.827, 15.07.
  16. Zo laat verwerende partij in de bestreden beslissing volkomen na om te bestuderen (stuk 2 + 5): • verzoekers hebben zich op perfecte wijze weten te integreren in hun leefomgeving; • XXX en zijn echtgenote leven sedert meerdere jaren in België waar zij hun leven en gezin hebben opgebouwd; Bij verwerping van een aanvraag op grond van artikel 9, derde lid Vw. dient de dienst Vreemdelingenzaken daarentegen rekening te houden met het recht op gezinsleven van de aanvrager, hetgeen in casu flagrant miskend werd : R.v.St., nr. 43.821, 13.07.1993, T.V.R., 1995,
  17. Er is in casu flagrant sprake van een schending van artikel 8 E.V. R.M., van openbare orde, in samenhang met het tweede onderdeel van het door verzoekers aangevoerde middel tot vernietiging. Het fundamentele recht van het gezinsleven, zoals omschreven in het E.V.R.M. (art. 8) is immers van openbare orde, zodat het zelfs voor het eerst in de memorie van wederantwoord door verzoekers kan worden aangevoerd : in dezelfde zin - R.v.St., nr. 43.821, 13.07.1993, T.V.R., 1995,
  18. XIV-13.897-7/14 Verzoekers zijn dan ook terecht van oordeel dat de bestreden administratieve beslissing dient vernietigd te worden, zulks wegens miskenning van artikel 3 van de Wet van 29.07.1991 evenals wegens schending van de bepalingen van artikel 8 houdende bescherming van het recht op gezins- en familieleven. Voorwat dit laatste aspect betreft, vragen verzoekers om hun akte te verlenen van hun uitbreiding van hun middelen tot nietigverklaring van de bestreden beslissing. C. Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur. Als derde onderdeel beroepen verzoekers zich inderdaad op een flagrante miskenning van de beginselen van behoorlijk bestuur door verwerende partij. Verwerende partij meent er hieromtrent, in memorie van antwoord, mee te kunnen volstaan met andermaal louterweg te verwijzen naar eerdere geuite kritiek. Quid ? Een en ander echter volkomen ten onrechte. Verzoekers zijn inderdaad de mening toegedaan dat de bestreden beslissing tekort schiet in de naleving van de vereisten gesteld door het redelijkheidsbeginsel : o.m. in dezelfde zin : R.v.St., nr. 28.894, 24.11.1987 ; R.v.St., nr. 46.329, 1.03.1994 R.v.St., nr. 64.139, 22.01.
  19. Zoals terecht door de Raad van State bij arrest dd. 1.04.1996 (onder nummer 58.969, Y T.V.R., 1997, 29) beslist, dient bij de beoordeling van de vraag of de ingeroepen omstandighe- den ‘buitengewoon’ zijn, het evenredigheidsbeginsel door de dienst Vreemdelingenzaken te worden toegepast : er dient een belangenafweging te gebeuren tussen enerzijds het doet en de gevolgen van de administratieve voorschriften voorzien in artikel 9, 3 de lid Vw. en, anderzijds, de min of meer gemakkelijke toepasselijkheid ervan en de ongemakken die dit veroorzaakte in een concreet gevat. Zoals ut supra reeds weergegeven, wensen verzoekers andermaal de aandacht te vestigen op hun feitelijke toestand, in gevat van (gedwongen) terugkeer naar hun tand van herkomst, Turkije : • verzoeker dreigt verdere arrestatie en opsluitingen in Turkije te moeten ondergaan ; • ook wordt er volkomen voorbij gegaan aan de ernstige (chronische) gezondheidskwaal van verzoeker - zoals blijkt uit het medisch getuigschrift Dr. BOESMANS (stuk 4) ; • er dient tevens rekening gehouden te worden met het gezin van verzoekers : benevens een eerste kind, beviel verzoekster begin 2002 van een tweede kindje ; de perfecte wijze van integratie van het jonge gezin wordt volkomen verstoorden tenietgedaan (stuk 5) ; • Het gezin dreigt terecht te komen in de illegaliteit in België : bij beslissing van het O.C.M.W. te Houthalen-Hetchteren dd. 13.02.2003 werd de hen toekomende materiële steun en huisvesting ontzegd en stopgezet. Hiertegen werd hoger beroep aangetekend door verzoeker bij de Arbeidsrechtbank te Hassett, waar de zaak nog steeds hangende is (onder A. R. nr. 2030508) (stuk 6) Voorts woont de oom van XXX in het Antwerpse, met wie zij familiale contacten onderhoudt. Ook deze contacten dreigen te verdwijnen ; Verwerende partij gaat hieraan in de tegenstrijdige flagrant volkomen voorbij. Er dient te worden vastgesteld dat er geen belangenafweging tussen enerzijds het doet en de gevolgen van de administratieve voorschriften voorzien in artikel 9, 3 de lid Vw. en, anderzijds, de min of meer gemakkelijke toepasselijkheid ervan en de ongemakken die dit veroorzaakte in een concreet gevat, geschiedde. Oók hieromtrent zijn verzoekers dan ook van oordeel dat de bestreden beslissing dient vernietigd te worden wegens miskenning van de beginselen van behoorlijk bestuur, nl. schending van de redelijkheids- en evenredigheidsbeginselen.”; 2.
  20. Overwegende dat de verzoekende partijen in een enig middel de schending aanvoeren van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (Vreemdelingenwet), van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de beginselen van behoorlijk bestuur; 2.
  21. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissing kennen, zodat het doel van XIV-13.897-8/14 de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partijen bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de aanvraag in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; 2.
  22. Overwegende dat het hoofdmotief van de bestreden beslissing erin bestaat dat de verzoekende partijen geen buitengewone omstandigheden hebben ingeroepen die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen; Overwegende dat artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) als volgt luidt: “Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister van Binnenlandse Zaken of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.”; Overwegende dat als algemene regel geldt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; Overwegende dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te XIV-13.897-9/14 bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : 1/ wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buiten- gewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn. Zo dergelijke buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen; 2/ wat de gegrondheid van de aanvraag betreft: of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Desbetreffend beschikt de Minister over een ruime appreciatiebevoegdheid; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond is om de verzoekende partij een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij dient na te gaan of haar aanvraag wel regelmatig werd ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn aanvraag bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waaruit het ingeroepen beletsel precies bestaat; Overwegende dat in casu de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard, hetgeen betekent dat de buitengewone omstandigheden die de verzoekende partijen hebben ingeroepen om te verantwoorden waarom zij geen aanvraag om machtiging tot verblijf in hun land van oorsprong hebben ingediend, niet werden aanvaard of bewezen; dat de verwerende partij in de bestreden beslissing hieromtrent volgende motieven opgeeft: - het feit dat de oom van betrokkene in België verblijft en dat betrokkenen kleine kinderen hebben is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag in België wordt ingediend; - betrokkenen wisten dat hun verblijf in België van tijdelijke aard was en enkel werd toegestaan in het kader van hun asielaanvraag; ze wisten dat zij bij een eventuele negatieve beslissing het land dienden te verlaten; - de problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag; deze aanvraag werd afgewezen door de bevestigende beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 14 juli 2000 en ter kennis gebracht op 18 juli 2000; - hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de wet in België in te dienen; - in deze dient te worden opgemerkt dat Mijnheer XXX lange tijd in Duitsland heeft verbleven en tweemaal met behulp van een paspoort en visum terugkeerde naar Turkije zonder problemen te hebben ondervonden; XIV-13.897-10/14 - het medisch motief kan niet worden weerhouden; uit de voorgelegde medische attesten blijkt immers dat het medisch probleem betrokkenen niet verhindert te reizen; uit deze attesten en onze informatie blijkt tevens dat de noodzakelijke behandeling in Turkije voorhanden is; daarenboven is de voorgestelde termijn van behandeling voor Mijnheer XXX (6 maanden: medisch attest van 16/03/2002) reeds verstreken; - betrokkenen dienen contact op te nemen met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en/of de Turkse vertegenwoordiging in België ten einde hun terugkeer mogelijk te maken; Overwegende dat de verzoekende partijen in het eerste onderdeel van hun enig middel de schending opwerpen van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat ze in casu in essentie aanvoeren dat “het feit dat er beslissingen genomen werden inzake de asielaanvraag (...) de administratie niet (vrijstelt) van het voeren van een eigen onderzoek naar de ingeroepen redenen”; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken in de bestreden beslissing heeft overwogen dat “De problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen door de bevestigende beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 14 juli 2000 en kennis gegeven op 18 juli
  23. Hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de wet in België in te dienen”; dat uit voormelde overwegingen genoegzaam blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken zich bij de beoordeling van de door de verzoekende partij ingeroepen redenen heeft aangesloten bij de bevindingen van de Commissaris-generaal; dat gelet op de vaststelling door de Commissaris-generaal van het bedrieglijk karakter van de asielaanvraag van de tweede verzoekende partij, komt voormelde overweging in de bestreden beslissing niet als onredelijk voor; dat wat de asielaanvraag van de eerste verzoekende partij betreft, de Commissaris-generaal tot de kennelijke ongegrondheid ervan heeft besloten omdat door betreffende verzoekende partij geen gegevens werden aangebracht dat er, wat haar betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie en omdat ze drie maanden in een derde land verbleef; dat de minister van Binnenlandse Zaken zich, in tegenstelling tot het beweerde van de verzoekende partijen, met betrekking tot de eerste verzoekende partij, niet uitsluitend beperkte tot een verwijzing naar haar afgewezen asielaanvraag; dat uit de bewoordingen van de bestreden beslissing blijkt dat daaraan werd toegevoegd dat “ (...) Mijnheer XXX lange tijd in Duitsland heeft verbleven en tweemaal met behulp van een paspoort en visum terugkeerde naar Turkije zonder problemen te hebben ondervonden”; dat waar de verzoekende partijen vervolgens aanvoeren dat het verblijf in Duitsland en het tweemaal terugkeren naar Turkije van XXX XIV-13.897-11/14 “niet als rechtsgeldige overweging kan worden aanvaard, aangezien het vooral de familie van zijn echtgenote is die in haar land van herkomst met vervolging wordt bedreigd, gegeven zijnde dat haar broer reeds werd gedood in de guerrillastrijd en dat haar vader ernstige mishandelingen heeft ondergaan”, betreffend betoog geen afbreuk doet aan de door de bestreden beslissing vastgestelde feitelijkheden; dat gelet op het geheel van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven de verzoekende partijen evenmin aannemelijk maken dat de minister van Binnenlandse Zaken, voor wat de eerste verzoekende partij betreft, niet in alle redelijkheid kon besluiten dat de aangevoerde elementen betreffende een onmogelijke terugkeer naar het land van herkomst niet konden aanvaard worden als buitengewone omstandigheden; Overwegende dat de verzoekende partijen in het tweede onderdeel van hun enig middel de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen aanvoeren; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat de artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 de administratieve overheid ertoe verplichten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een “afdoende” wijze; dat het begrip “afdoende” impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing; dat de bestreden beslissing duidelijk de determinerende motieven aangeeft op grond waarvan tot de onontvankelijkheid van de aanvraag wordt besloten; dat immers in de motivering van de bestreden beslissing wordt verwezen naar het feit dat de door de verzoekende partijen ingeroepen redenen geen buitengewone omstandigheden zijn; dat uit de voorgaande analyse blijkt dat in de bestreden beslissing rekening werd gehouden met alle door de verzoekende partijen in hun aanvraag tot machtiging tot verblijf bijgebrachte gegevens; dat de verzoekende partijen niet duidelijk maken op welk punt deze motivering hen niet in staat stelt te begrijpen op basis van welke juridische en feitelijke gegevens de door hen bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht; Overwegende dat voor zover de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord dit onderdeel van het middel verder uitwerken en in casu de schending aanvoeren van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en XIV-13.897-12/14 goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), moet worden opgemerkt dat de argumenten die de verzoekende partijen aanhalen betrekking hebben op elementen die hen reeds bekend waren bij het indienen van het verzoekschrift en dat zij evenmin de openbare orde raken; dat de verzoekende partijen de argumentatie zoals uiteengezet in hun memorie van wederantwoord derhalve reeds konden uiteenzetten in hun inleidend verzoekschrift; dat de door hen aangevoerde schending geen middel van openbare orde betreft noch een middel dat niet in het inleidende verzoekschrift kon worden aangevoerd; dat het derhalve een nieuw middel betreft dat niet op een ontvankelijke wijze voor het eerst in de memorie van wederantwoord kan worden aangevoerd; Overwegende dat waar door de verzoekende partijen in het derde onderdeel van het enig middel de schending van het redelijkheidsbeginsel wordt aangevoerd, omdat er een kennelijke wanverhouding zou bestaan tussen hetgeen werd beslist en de feiten waarop de bestreden beslissing werd gesteund, de vaststelling volstaat dat ze zich in casu beperken tot een rechtstheoretisch relaas betreffende de toepassing van betreffend beginsel, doch dat een uiteenzetting ontbreekt van de wijze waarop dit beginsel volgens hen door de bestreden beslissing werd geschonden; dat de verzoekende partijen er geenszins in slagen de schending van de in het middel aangehaalde bepalingen of beginsel aannemelijk te maken; dat het enig middel ongegrond is;
  24. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-13.897-13/14 BESLUIT: Artikel
  25. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  26. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . Ch. BAMPS. XIV-13.897-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.053 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970509.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.