← België

Arrest 167062 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 25/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.062 Rolnummer: A. 141508/XIV-16712 Zaak: Arrest 167062 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 25/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-02 Raadplegingen: 46 - laatst gezien 2026-06-29 14:19 Fiche Arrest nr 167.062 van 25 januari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.062 van 25 januari 2007 in de zaak A. 141.508/XIV-16.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. DE SCHRIJVER, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 191 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 5 mei 1970 en van Oezbeekse nationaliteit, op 27 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 augustus 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 12 augustus 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 10 januari 2007 om 10.00 uur; XIV-16.712-1/8 Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. DE SCHRIJVER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 7 december 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
  4. Op 24 april 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 7 augustus 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Oezbeeks staatsburger van Russische origine en bent u gehuwd met XXX (OV 5.047.909). Omwille van uw etnische origine was u verschillende keren betrokken bij vechtpartijen, een laatste keer in de zomer van
  6. In december 1999 werd u op straat tegengehouden door 2 politieagenten. Zij stopten zelf drugs in uw tas en namen u daarna mee naar het politiebureau op beschuldiging van drugsbezit. Daar wilden ze u dwingen een bekentenis te tekenen dat u drugs op zak had. Toen u dit weigerde, werd u bewusteloos geslagen en in een cel gestopt. De volgende ochtend belde de politie uw vrouw met de boodschap dat zij 1000 US $ moest betalen voor het einde van dat jaar om u vrij te krijgen. Daarna werd u vrijgelaten en uw vrouw bracht u naar het ziekenhuis, waar u 10 dagen bleef voor verzorging. Uw vrouw diende een klacht in bij het hoofd van de Directie van Binnenlandse Zaken. Einde oktober 2000 ging u met een cliënt van u naar een huis in aanbouw. Daar aangekomen wilde deze cliënt, Ulukbek, dat u voor hem gratis parket zou leggen. Hij bracht u naar de kelder, waar u een jonge man zag die u vertelde dat hij daar zelf al een maand in erbarmelijke omstandigheden had moeten werken en die u waarschuwde te vluchten. Toen Ulukbek terug in de kelder binnen kwam, sloeg hij die jongen met een metalen staaf, u zelf werd ook bewusteloos geslagen. Nadat u terug bijgekomen was, zag u dat die jongen verdwenen was. U slaagde er wel in zelf te ontsnappen, waarna u een taxi tegenhield om u naar de ROVD van uw wijk te brengen, waar u een klacht indiende tegen Ulukbek. Een twintigtal minuten nadat u die avond was thuisgekomen, kwam de politie daar ook aan en klopte hard op uw deur. Op aanraden van Alexander Smolic, een vriend van u die toen toevallig op bezoek was, vluchtte u via een raam. Ongeveer één uur later had u met Alexander afgesproken bij een garagebox, en Alexander vertelde u toen dat de politie was binnen gekomen, dat ze u beschuldigden van de verkrachting van een meisje en dat ze hem ook één maal hadden geslagen. Eén dag na het bezoek van de XIV-16.712-2/8 politie bij u diende uw vrouw een klacht in tegen deze agenten bij de ROVD. Op de ROVD zeiden ze toen tegen uw vrouw dat ze hoegenaamd geen weet hadden van de klacht die u daar de dag daarvoor had ingediend. U leefde intussen ondergedoken bij verschillende vrienden van u. Uw vrouw werd nog één maal telefonisch bedreigd dat zij en haar hond zouden vermoord worden als u zich niet vrijwillig aanbood bij de politie. Op 1 december 2000 bent u samen met uw vrouw, XXX, en uw zoon XXX gevlucht uit Oezbekistan om op 6 december 2000 aan te komen in België, waar u op 7 december 2000 asiel aanvroeg bij de Belgische overheid. U bent in het bezit van uw geboorteakte, rijbewijs, militair boekje, diploma’s en huwelijksakte. B. Motivering Vooreerst dient te worden vastgesteld dat uw verklaringen niet in overeenstemming zijn met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie wordt gevoegd bij het administratief dossier. U baseert uw asielaanvraag op de problemen die u als etnische Rus in Oezbekistan kende en u beweert dat alle etnische Russen die u kende ernstige problemen kenden in Oezbekistan zowel met de overheid als met de Oezbeekse burgers en dat het vaak voorkwam dat etnische Russen omwille van hun Russische origine het slachtoffer waren van fysiek geweld wederom zowel vanwege de overheid, de politie als de Oezbeekse burgers (zie verhoorverslag CGVS, p. 4). Uit de informatie waarover het Commissari- aat-generaal beschikt, blijkt evenwel dat er hoegenaamd geen sprake is van discriminatie en/of vervolging op basis van het toebehoren tot één of andere nationaliteit, en dat er geen noemenswaardige problemen zijn omwille van etnische redenen. De in de informatie geraadpleegde bronnen bevestigen ook allemaal dat er hoegenaamd geen sprake is van fysiek geweld jegens de etnische Russen, noch vanwege de Oezbeekse burgers noch vanwege de overheid. De geloofwaardigheid van uw verklaringen wordt verder nog ondermijnd door een ernstige tegenstrijdigheid tussen uw opeenvolgende verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal. Zo beweert u op het Commissariaat-generaal dat u in december 1999 onterecht werd gearresteerd, gedurende één nacht werd opgesloten en zelfs geslagen werd door de politie, zodat u 10 dagen in het ziekenhuis diende te verblijven (zie verhoorverslag CGVS, p. 4), terwijl u van dit ganse incidenten met geen enkel woord rept op de Dienst Vreemdelingenzaken. Meer nog, op uw interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken ontkent u uitdrukkelijk ooit te zijn opgesloten (zie verhoorverslag DVZ, pt. 44) en stelt u enkel te zijn geslagen door onbekenden (zie verhoorverslag DVZ, pt. 45). Gelet op bovenstaande vaststellingen kan geen geloof meer worden gehecht aan uw verklaringen en kan niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Volledigheidshalve dient nog te worden opgemerkt dat ook in hoofde van uw vrouw, XXX, een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen. De door u neergelegde documenten zijn niet van die aard dat zij afbreuk kunnen doen aan deze vaststellingen. Uw geboorteakte, rijbewijs, militair boekje, diploma’s en huwelijksakte bevatten louter persoonsgegevens en hebben geen verband met de concrete problemen die u aanhaalt. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “ENIG MIDDEL: Schending van artikel 52, 62, 63/2 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelij- ke motivering van bestuurshandelingen XIV-16.712-3/8 Bij toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet kan de minister of diens gemachtigde beslissen dat de vreemdeling (...) niet toegelaten wordt tot verblijf in het Rijk omdat de asielaanvraag: - bedrieglijk is (motieven die vreemd zijn aan het asiel) - kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. De Commissaris-Generaal besliste onterecht dat de door verzoeker ingeroepen problemen niet gegrond zijn omdat er geen ethnische repressie zou zijn in Oezbeikstan. De vluchtmotieven van verzoeker zijn wel degelijk reëel. Hij werd willekeurig gearresteerd en opgesloten door de politie. De rechten van de aangehouden inverdenkinggestelde werden niet gerespecteerd overeenkomstig artikel 5 EVRM. De klacht die zijn vrouw ging neerleggen tegen de politie bij het ministerie van Binneland se Zaken werd naar de prullenmand verwezen.”; 2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 52, 62 en 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelij- ke motivering van de bestuurshandelingen; 2.
  9. Overwegende dat, wat de formele motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft de betrokkenen een zodanig inzicht in de motieven van de beslissingen te verschaffen, dat zij in staat zijn te weten of het zin heeft zich tegen die beslissingen te verweren met de middelen die het recht hen verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; 2.
  10. Overwegende dat de in artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat de artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 XIV-16.712-4/8 de overheid ertoe verplichten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een “afdoende” wijze; dat het begrip “afdoende” impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing; dat de bestreden beslissing duidelijk het determinerend motief aangeeft op grond waarvan de beslissing is genomen; dat de verzoekende partij niet duidelijk maakt op welk punt deze motivering haar niet in staat stelt te begrijpen op welke juridische en feitelijke gegevens de door haar bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat de minister op grond van artikel 52, §2, 2/ van de Vreemdelingenwet kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk is binnengekomen zonder te voldoen aan de in artikel 2 van voormelde wet gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt om als dusdanig erkend te worden, niet zal worden toegestaan in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven wanneer de vreemdeling zich bevindt in één van de gevallen bedoeld in artikel 52, §1, 2/ tot 5/ en 7/ van voormelde wet; dat de Commissaris-generaal, die een dringend beroep tegen een dergelijke beslissing behandelt, moet nagaan of voormelde bepaling op correcte wijze is toegepast; dat artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal de mogelijkheid biedt hetzij de (weigerings)beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen, hetzij de asielaanvraag ontvankelijk te verklaren; dat, hoewel de Vreemdelingenwet geen uitdrukkelijke wetsartikelen bevat die bepalen welke criteria de Commissaris-generaal hierbij dient te hanteren, hij zijn beslissing neemt in het kader van een dringend beroep dat gericht is tegen de weigeringsbeslissing van de minister van Binnenland- se Zaken; dat bijgevolg de Commissaris-generaal dezelfde criteria hanteert en dezelfde bevoegdheid bezit bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag als de minister van Binnenlandse Zaken; dat deze criteria worden omschreven in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat hij immers oordeelt in beroep en door de devolutieve werking van het beroep kennis neemt van het geheel van de zaak, zoals de asielinstantie in eerste aanleg; dat uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat zij vooreerst een gedetailleerde uiteenzetting van de feiten bevat; dat de Commissaris-generaal de verklaringen van de verzoekende partij zorgvuldig heeft onderzocht en getoetst aan de wettelijke criteria; dat de Commissaris-generaal in casu op grond van de hem toegekende bevoegdheid in de ontvankelijkheidsfase heeft besloten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van de verzoekende partij; XIV-16.712-5/8 Overwegende dat de verzoekende partij geen enkel concreet element aanbrengt ter staving van haar argumenten; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van de verzoekende partij heeft beoordeeld met inachtneming van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris- generaal in casu de bestreden beslissing heeft genomen omdat enerzijds de door de verzoekende partij aangehaalde verklaringen niet in overeenstemming zijn met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en anderzijds omdat de geloofwaardigheid van haar verklaringen wordt ondermijnd door een ernstige tegenstrijdigheid tussen haar opeenvolgende verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat- generaal; dat, waar de verzoekende partij de overwegingen van de bestreden beslissing tracht te weerleggen, ze een verklaring post factum geeft, maar niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; dat de overwegingen waarop de bestreden beslissing steunt, worden bevestigd door de stukken van het administratief dossier, meer bepaald door het verslag van de verklaringen die de verzoekende partij heeft afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal; dat ze het verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken heeft ondertekend, en aldus te kennen heeft gegeven dat dit overeenstemt met die inlichtingen die zij heeft verstrekt, en dat deze inlichtingen oprecht zijn; dat de verzoekende partij geen opmerkingen heeft gemaakt over het verhoor bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de verzoekende partij zich in casu beperkt tot algemeen- heden en beweringen, doch nalaat deze te staven met een begin van bewijs; dat het de bedoeling van de verzoekende partij lijkt te zijn aan de hand van haar betoog de Raad van State haar asielrelaas te laten heronderzoeken; dat het evenwel niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van dit dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen; dat de Commissaris-generaal een eindbeslissing heeft genomen over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling; dat hij in casu alle pertinente gegevens is nagegaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat hij in voorliggend geval aan de hand van deze vaststellingen ten slotte heeft besloten tot de onontvankelijkheid van de asielaanvraag van de verzoekende partij; dat uit de motieven, die steun vinden in het administratief dossier, blijkt dat de Commissaris- generaal de asielaanvraag van de verzoekende partij op een individuele wijze heeft beoordeeld, en zijn beslissing heeft genomen met inachtneming van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de verzoekende partij er niet in slaagt het tegendeel te bewijzen; dat de bestreden beslissing moet worden gelezen als een geheel en niet als van elkaar losstaande zinnen; dat de Commissaris-generaal met andere woorden op grond van het geheel van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven heeft besloten tot de bedrieglijkheid van haar asielaanvraag; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens XIV-16.712-6/8 is met de gevolgtrekkingen van de Commissaris-generaal evenwel niet volstaat om de motieven te weerleggen; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de Commissaris-generaal derhalve niet in redelijkheid tot de bestreden beslissing kon komen; dat het enig middel ongegrond is;
  11. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  12. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-16.712-7/8 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-16.712-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.062 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.