id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.071 Rolnummer: A. 140456/XIV-16394 Zaak: Arrest 167071 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 25/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-02 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-06-29 14:19 Fiche Arrest nr 167.071 van 25 januari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.071 van 25 januari 2007 in de zaak A. 140.456/XIV-16.394. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. MATTHIJS, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Vlaamse Kaai 54-57 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 2 juli 1951 en van Armeense nationaliteit, op 14 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 15 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 29 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 17 juli 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 2 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-Afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-16.394-1/8 Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 10 januari 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. VAN SANTVOORT, die loco Advocaat A. MATTHIJS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-Afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 26 oktober 1999 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.2. Op 27 juli 2000 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Op 9 oktober 2000 wordt deze beslissing geannuleerd. 1.3. Op 29 december 2000 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.4. Op 15 juli 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U, geboren in Azerbeidzjan en van Armeense origine verklaarde problemen te hebben gehad omwille van uw origine. Ter staving van uw asielaanvraag haalde u in uw schriftelijke verklaring volgende feiten aan. In november 1988 was uw leven en dat van uw familie in Baku in gevaar, omwille van uw gemengd huwelijk. U bent immers Armeense terwijl uw man Azeri was. De relatie tussen mensen van verschillende origine was slecht. Uw man en tante werden brutaal vermoord. In 1994, u verbleef toen in het pensionaat ‘Louise’ in Armenië, was het leven van u en uw familie opnieuw in gevaar. Jullie werden geslagen en vervolgd door de bevolking en de autoriteiten. Sinds september 1999, toen u in Moskou woonde, was uw familie weerom in gevaar. Jullie werden opnieuw door de autoriteiten geslagen en vervolgd. De enige reden van al deze problemen is uw etnische origine. Op 26 juni 1999 vertrok u met de bus uit Moskou. U reisde van Moskou via Oekraïne, Hongarije, Oostenrijk en Duitsland naar België. Op 26 oktober 1999 XIV-16.394-2/8 vroeg u, samen met uw dochters, XXX (o.v. 4.894.169) en XXX (o.v. 4.894.172) en uw schoonzoon XXX (o.v. 4.894.172), asiel aan bij de Belgische autoriteiten. B. Motivering Uit uw verklaringen blijkt duidelijk dat u uw asielaanvraag volledig baseert op de problemen die uw dochter XXX aanhaalde ter staving van haar asielaanvraag, namelijk etnisch geïnspireer- de problemen in Azerbeidzjan, Armenië en Rusland (schriftelijke verklaring, dd. 01/02/2001). U verklaarde formeel dat u de beslissing in uw dossier verbindt met deze in het dossier van uw dochter XXX (schriftelijke verklaring dd. 02/06/2003). In het kader van de asielaanvraag van uw dochter XXX (o.v. 4.894.172) werd een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen op basis van het bedrieglijke karakter van de aanvraag. Bijgevolg kan er in het kader van uw asielaanvraag evenmin besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De door u aangebrachte documenten ter staving van uw asielaanvraag (paspoort Armeense Socialistische Sovjet Republiek dd. 11/06/1993, paspoort Azerbeidzjaanse Socialistische Sovjet-Republiek dd. 1988, geboorteakte, werkboekje, vluchtelingenkaart Moskou dd. 26/09/1989 van u en van uw dochter XXX, drie medische attesten Moskou, diploma’s middelbaar onderwijs, foto’
- s)zijn niet van die aard dat ze bovenstaande conclusie kunnen wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat als volgt luidt: “Middel 1 : schending van art. 3 van het EVRM Naast de vrees voor vervolging in elk van de drie landen, welke uit het relaas uitdrukkelijk blijkt, houdt een terugkeer op dit moment een reëel en ernstig risico in van de schending van art. 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Alleszins is er geen enkel element aanwezig dat erop duidt dat een eventuele terugkeer van verzoekende partij in menswaardige omstandigheden kan gebeuren met uiteraard het gegeven dat verzoekende partij verder een normaal levensverloop kan verwachten. Het is geheel onduidelijk en het is opvallend dat het Commissariaat-Generaal daarin geen standpunt inneemt naar welk land verzoekende partij dient terug te keren. Daar het Commissariaat-Generaal hier minstens in een oplossing had dienen te voorzien nu zij de situatie van verzoekende partij wel degelijk onderzocht heeft. Door louter te stellen dat de asielaanvraag ongegrond is, schendt zij art. 3 van het EVRM. Alleszins ontegensprekelijk is het feit dat verzoekende partij apatride is en op geen enkele manier een terugkeer naar welk land dan ook mogelijk is. Het is immers zo dat in wezen verzoekende partij niet bestaat omdat zij reeds gedurende 1989 als vluchtelinge beschouwd wordt en zij zich dus op geen enkele manier kan beroepen op een nationaliteit of staatsburgerschap van enig land. Dit middel is ernstig en gegrond.”; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Eerste middel: schending van de artikel 3 E.V.R.M. Verzoekster beweert dat de Commissaris-generaal het kwestieuze artikel zou schenden door geen standpunt in te nemen omtrent het land waarnaar verzoekster partij moet terugkeren. Verweerder antwoordt vooreerst dat bovenstaande opmerking geen uitstaans heeft met artikel 3 E.V.R.M. zodat hieruit geen schending van dit artikel kan worden afgeleid. XIV-16.394-3/8 Ten tweede dient de Commissaris-generaal zich slechts uit te spreken over de ontvankelijk- heid van de asielaanvraag. Het komt de Commissaris-generaal niet toe dwingende instructies te geven over het land waar verzoekster naar toe zou gaan nadat haar het verblijf in België is geweigerd. Het eerste middel is niet gegrond.”; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 3 van Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); 2.1.4. Overwegende dat artikel 3 van het E.V.R.M. vereist dat de verzoekende partij doet blijken dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat ze in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, een ernstig en reëel risico loopt om te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat de bescherming verleend via artikel 3 van het E.V.R.M. immers slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing vindt; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt, zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat inzonderheid een loutere bewering of eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op voornoemd artikel; dat de verzoekende partij zich beperkt tot de bewering dat er “alleszins (...) geen enkel element aanwezig (
- is)dat erop duidt dat een eventuele terugkeer van verzoekende partij in menswaardige omstandigheden kan gebeuren met uiteraard het gegeven dat verzoekende partij verder een normaal levensverloop kan verwachten.”; dat de verzoekende partij als dusdanig niet aantoont dat ze een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; Overwegende dat de Commissaris-generaal niet bevoegd is om bindende instructies te geven over het land naar waar een afgewezen asielzoeker dient terug te keren; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat als volgt luidt: “Middel 2 : schending van art. 52 van de Vreemdelingenwet XXX merkt op dat het Commissariaat-Generaal geen enkel standpunt inneemt m.b.t. het feit dat zij reeds sinds 1989 op de vlucht is wegens allerlei duidelijk aantoonbare omstandigheden. Het Commissariaat-Generaal verschuilt zich achter het feit dat er een tegenstrijdigheid is m.b.t. de data van het huwelijk en geboorte inzake de asielaanvraag van XXX. Nochtans doet dit geheel niet terzake nu uitdrukkelijk de geboorteakte en huwelijksakte voorgebracht werd. De tegenstrijdigheid is als volgt te verklaren: XXX heeft verklaard voor de voltrekking van het huwelijk twee keer naar het bureau van de Zags te zijn geweest om het huwelijk in orde te brengen. Eenmaal is verzoekende partij alleen geweest, zonder haar echtgenoot. De tweede keer werden uiteindelijk de documenten in orde gebracht en werd het huwelijk voltrokken. De tweede keer voor verzoekende partij was aldus de eerste keer voor haar echtgenoot. In die zin is er geen enkele tegenstrijdigheid op te merken. XIV-16.394-4/8 Belangrijk is dat verzoekende partij vanaf haar verhoor op de vreemdelingendienst een precies, gedetailleerd en omstandig verhaal heeft gedaan aangaande alle gebeurtenissen die haar ertoe gebracht hebben de onderscheiden landen te ontvluchten. Zulks verhaal werd geheel herhaald in het dringend beroep en naar aanleiding van het verhoor op het Commissariaat-Generaal. Ontegensprekelijk staat vast dat het verhaal samenhangend is en dat de verklaringen standvastig zijn gebleven, niet aangaande alleen de hoofdzaak van het door haar verhaalde gebeurtenissen, doch ook aangaande talrijke details en de juiste omstandigheden die betrekking hebben op die gebeurtenissen. XXX merkt op dat niettegenstaande dat zij tal van details heeft verteld, er geen enkele tegenstrijdigheid wordt opgeworpen door het Commissariaat-Generaal, noch in strijd met de verklaring van haar zus, noch in strijd met de verklaring van haar echtgenoot, noch in strijd met de verklaring van de moeder. Het mag dan ook geen twijfel leiden dat de tegenstrijdigheden die het Commissariaat- Generaal ontwaarden, onvoldoende zijn om het bedrieglijk en kennelijk ongegrond karakter van de asielaanvraag vast te stellen (zie o.m. R.v.St. nr. 69217 dd. 28.10.1997, Rev.Dr.E. 1997, 551 en D.V. 1998, 36). Het mag dan ook geen twijfel leiden dat de ontwaarde tegenstrijdigheden vanuit het Commissariaat-Generaal volledig weerlegd worden aan de hand van de stukken welke in het bezit waren van verzoekende partij en haar echtgenoot en welke duidelijk overhandigd werden aan het Commissariaat-Generaal en waaromtrent het Commissariaat-Generaal met geen woord rept. Het is dan ook frappant voor verzoekende partij te dienen vast te stellen dat het Commissari- aat zich hier enkel op baseert, zonder ook maar enig standpunt in te nemen m.b.t. de grond van deze aangelegenheid.”; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Tweede middel: schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet. In dit middel betwist verzoekster de vastgestelde tegenstrijdigheden. Verzoekster beweert dat de tegenstrijdigheden omtrent de data van de geboorte van haar dochters (XXX) kind en haar (dochters) huwelijk niet terzake doen. Verweerder stelt vast dat hiermee de tegenstrijdige verklaringen niet worden weerlegd. De bestreden beslissing in hoofde van verzoeksters dochter motiveert ook duidelijk wat de relevantie van deze ongerijmdheden zijn. Met name het feit dat zowel het huwelijk als de geboorte kaderen in de pogingen het verblijf te regulariseren en dat dit ook aan de basis van de problemen zou liggen. Het tweede middel is niet gegrond.”; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat als volgt luidt: “Middel 3 : schending van de rechten van verdediging Verzoekende partij heeft op het Commissariaat-Generaal van de Vluchtelingen verwezen naar het precies, gedetailleerd en omstandig verhaal gedaan betreffende de gebeurtenissen die haar ertoe hebben gebracht haar land te ontvluchten, en zoals uiteengezet door haar dochter XXX Het argument dat het paspoort van verzoekende partij op verbrand is getuigt volgens het Commissariaat-Generaal van de moedwillige intentie om de Belgische asielinstanties te misleiden. In zoverre het Commissariaat-Generaal zulks voorhoudt, dient zij hiervan het bewijs te leveren. Verzoekende partij verwijst naar de rechtspraak van de Raad van State nr. 75.484 dd. 29 juli 1998, Tijdschrift Vreemdelingenrecht 1998, 172 : ‘Het bevoegde rechtscollege had verzoeker in de gelegenheid moeten stellen zijn verweermiddel i.v.m. de op hem rustende verdenking te doen gelden en hij had desnoods de debatten moeten heropenen.’ Minstens had het Commissariaat-Generaal van de Vluchtelingen en Staatslozen aldus de noodzakelijke inlichtingen dienen in te winnen betreffende het feit dat het paspoort verbrand is. Het Commissariaat-Generaal van de Vluchtelingen en Staatslozen erkent aldus de bewijskracht dat van dit document uitgaat. Louter informatief en geheel zonder informering vermeldt het Commissariaat-Generaal dat de vluchtelingenkaart van verzoekende partij en haar moeder dd. 26 september 1989 geheel zonder relevantie is. XIV-16.394-5/8 Bovendien houdt een tegensprekelijk debat in dat de partijen in de mogelijkheid worden gesteld om hun standpunt over alle elementen van het geding mede te delen. Het leidt geen twijfel dat verzoekende partij geen enkel standpunt naar voor heeft kunnen brengen m.b.t. de verbranding van de documenten, een element waarop het Commissariaat- Generaal zich blijkbaar baseert om te durven stellen dat verzoekende partij moedwillig de intentie heeft om de Belgische asielinstanties te misleiden. Het is verzoekende partij onduidelijk waarop het Commissariaat-Generaal zich baseert nu zij aan de hand van voldoende documenten haar geschiedenis, vluchtwegen stoffeert en gedaan heeft. De rechten van verdediging worden slechts gewaarborgd indien de partijen op de zitting van de rechter alle uitleg kunnen verstrekken die zij nodig achten. Dit geldt zeker wanneer de rechtspleging mondeling geschiedt. Indien het Commissariaat-Generaal de mening toegedaan was dat het verbrande paspoort een essentieel element vormt op basis waarvan asielaanvraag kan geweigerd worden, had zij minstens verzoekende partij dienen toe te laten hieromtrent standpunt te nemen.”; 2.2.4. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Derde middel: schending van de rechten van verdediging. Verzoekster beweert dat de Commissaris-generaal moet moedwilligheid bewijzen met betrekking tot de opmerking in verband met de verdachte verbrandingen van bepaalde passages van het paspoort. Verweerder antwoordt dat geen enkele rechtsregel daartoe verplicht. De Commissaris- generaal heeft een redelijke opmerking gemaakt in verband met vaststelling die hij deed. Deze opmerking moet worden beschouwd als een overweging die samen moet worden beschouwd met de andere onderdelen van de motivering. Deze opmerking is niet onredelijk is slechts een onderdeel van de tegemoetkoming aan de motiveringsplicht van de beslissing. Het is geenszins een beschuldiging die buiten de asielaanvraag kan worden beschouwd en dus door de Commissaris-generaal zou moeten worden bewezen. Verweerder bevestigt trouwens samen met de Commissaris-generaal dat het paspoort inderdaad soms heel kunstmatige schade vertoont door verbranding op plaatsen waar belangrijke informatie staat. Verzoekster meent ook dat de Commissaris-generaal ten onrechte aan de vluchtelingenkaart van verzoekster zou voorbij gegaan zijn. Verweerder antwoordt dat uit de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat de Commissaris- generaal deze kaart in overweging heeft genomen en objectief heeft vastgesteld dat deze enkele aantoont dat verzoekster 14 jaar geleden ten tijde van de oorlog tussen Armenië en Azerbeidzjan naar Rusland vluchtte maar als dusdanig geen betrekking heeft op de feiten waarop verzoekster haar asielaanvraag meende te kunnen baseren. Het derde middel is ongegrond.”; 2.2.5. Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel aanvoert, dat als volgt luidt: “Middel 4: gebrekkige motivering door de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-Generaal van de Vluchtelingen en Staatslozen De uitspraak van het Commissariaat-Generaal is niet naar behoren gemotiveerd. Het onderzoek is immers onvoldoende gebleken en er wordt niet geantwoord op de tijdens de beroepsprocedure ontwikkelde argumenten en stavingstukken. Het Commissariaat-Generaal heeft zich beperkt tot een aantal kleine tegenstrijdigheden, zonder werkelijk op de grond van de zaak in te gaan. Dit blijkt des te meer aangezien het Commissariaat-Generaal geen enkel standpunt heeft ingenomen m.b.t. het staatsloze burgerschap van verzoekende partij, noch heeft het Commissariaat-Generaal durven stellen naar welk land verzoekende partij dient terug te keren, aangezien hier uiteraard geen enkele oplossing mogelijk is. Het is dan ook duidelijk dat het Commissariaat-Generaal van de vluchtelingen en Staatslozen zich er al te gemakkelijk van heeft afgemaakt geen oordeel te vellen over de grond van de zaak, noch hieromtrent een uitdrukkelijke motivering te geven. De motivering is dan ook gebrekkig nu noch uit het administratief dossier, noch uit de beslissing kan afgeleid worden op welke informatiebron het Commissariaat-Generaal zich heeft gesteund om geen standpunt in te nemen over de gehele, precieze en gedetailleerde uiteenzetting van verzoekende partij. Alle middelen zijn gegrond.”; XIV-16.394-6/8 2.2.6. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Vierde middel: schending van de motiveringsplicht. Ook dit middel leidt verzoekster af uit de bewering dat de Commissaris-generaal geen standpunt zou hebben ingenomen betreffende het land waarnaar verzoekster terug zou moeten keren. Verweerder verwijst naar zijn antwoord op het eerste middel. Het vierde middel is niet gegrond.”; 2.2.7. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede, derde en vierde middel de schending aanvoert van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (Vreemdelingenwet), van “de rechten van verdediging”, evenals een “gebrekkige motivering door de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-Generaal van de Vluchtelingen en de Staatlozen”; Overwegende dat verzoekende partij in voormelde middelen in wezen stelt dat de beslissing die de Commissaris-generaal ten haren opzichte heeft genomen, onwettig is, vermits zij steunt op de onwettige beslissing die de Commissaris-generaal heeft genomen met betrekking tot haar dochter, XXX; dat de verzoekende partij haar asielrelaas volledig baseert op de motieven van haar dochter; dat de Commissaris-generaal ten aanzien van de dochter van de verzoekende partij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf heeft genomen, op basis van het bedrieglijke karakter van haar asielaanvraag; dat, bij arrest nr.167.070 van 25 januari 2007 van de Raad van State, de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring tegen deze bevestiging beslissing van weigering van verblijf werden verworpen; dat de Raad in dit arrest in wezen heeft vastgesteld dat de Commissaris-generaal op goede gronden kon besluiten tot de bedrieglijkheid, en derhalve tot de onontvankelijkheid, van de asielaanvraag van de dochter van de verzoekende partij; dat de Commissaris-generaal bijgevolg ook ten aanzien van de verzoekende partij op goede gronden een bevestigende beslissing van weigering van verblijf kon nemen; dat het gaat om een “volgbeslissing”, die wettig is; dat het tweede, derde en vierde middel ongegrond zijn; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-16.394-7/8 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . Ch. BAMPS. XIV-16.394-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.071 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div