← België

Arrest 167106 - O.C.M.W. - 25/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.106 Rolnummer: A. 112256/XII-4718 Zaak: Arrest 167106 - O.C.M.W. - 25/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-09 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 14:20 Fiche Arrest nr 167.106 van 25 januari 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.106 van 25 januari 2007 in de zaak A. 112.256/XII-

  1. In zake : Marie-Claire KEYMOLEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. Guns, kantoor houdende te Affligem, Kasteelstraat 58 tegen :
  2. het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN KOEKELBERG, dat woonplaats kiest bij advocaat J. Bourtembourg, kantoor houdende te 1060 Brussel, Zwitserlandstraat 24
  3. de GEMEENSCHAPPELIJKE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE VAN BRUSSEL-HOOFDSTAD, die woonplaats kiest bij advocaat K. Vaes, kantoor houdende te Vilvoorde, Heldenplein 18 ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marie-Claire Keymolen op 2 november 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) van Koekelberg van 3 mei 2001, waarbij aan haar bij wijze van tuchtstraf het ontslag van ambtswege werd opgelegd en van de “goedkeurende beslissing van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 12 september 2001”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 8 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-4718-1\6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van verzoekster en de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 19 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Guns, die verschijnt voor verzoekster, van advocaat M. Colangelo, die loco advocaat J. Bourtembourg verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat K. Vaes, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
  4. Overwegende dat verzoekster in dienst is van het openbaar centrum voor openbaar welzijn van Koekelberg, als vast benoemd lid van het hulpverplegend personeel; dat zij wordt opgeroepen om door de raad voor maat- schappelijk welzijn te worden gehoord in het kader van een tuchtprocedure; Overwegende dat verzoekster, haar raadsman en getuigen worden gehoord door de raad voor maatschappelijk welzijn op 3 mei 2001; dat de raad tijdens dezelfde zitting besluit om verzoekster met ingang van 4 mei 2001 van ambtswege te ontslaan; dat, na bezwaar van verzoekster, op 12 september 2001 aan haar wordt meegedeeld door het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie dat, wegens het verstrijken van de in artikel 110 van de OCMW-wet bepaalde termijn voor de uitoefening van het administratief goedkeuringstoezicht, het tuchtbesluit geacht moet worden te zijn goedgekeurd; XII-4718-2\6 De ontvankelijkheid van het beroep
  5. Overwegende dat de eerste verwerende partij twee middelen van niet-ontvankelijkheid opwerpt die in het auditoraatsverslag na beredeneerd onderzoek als ongegrond worden verworpen; dat de eerste verwerende partij in de laatste memorie de excepties niet meer ter sprake brengt, zodat zij geacht wordt er afstand van te hebben gedaan; De gegrondheid van het beroep 3.
  6. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur, de rechten van verdediging en de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken (hierna: de bestuurstaalwet), doordat op de tuchtzitting van de raad voor maatschappelijk welzijn geen tolken aanwezig waren en ook geen vertaling beschikbaar was van Nederlandstalige en Franstalige documenten, terwijl nochtans de raad voor maatschappelijk welzijn een tweetalig collectief orgaan is en de verplichting had de verdediging van verzoekster voor al zijn leden begrijpbaar te maken; dat volgens haar de voorzitter de inleiding van de procedure in het Frans heeft gevoerd en dat verscheidene leden van de raad het Nederlands onvoldoende machtig waren om de volledige procedure en haar verdediging te begrijpen; Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat de tuchtprocedure werd gevoerd in de taal van verzoekster, namelijk het Nederlands, dat verzoeksters rechten van verdediging niet zijn geschonden doordat bepaalde verhoren op 3 mei 2001 in het Frans hebben plaatsgehad aangezien de raadsman van verzoekster zelf vragen in het Frans heeft gesteld en dat nergens uit blijkt dat de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn niet voldoende het Nederlands beheersten om ten volle kennis te kunnen nemen van de stukken van het tuchtdossier en van de uiteenzetting van de middelen van verdediging van verzoekster en haar raadsman; Overwegende dat de tweede verwerende partij antwoordt dat de bestuurstaalwet geen uitdrukkelijke eisen stelt in verband met de taalkennis van politieke mandatarissen die in de uitoefening van hun mandaat bestuurshandelingen in de beide landstalen stellen, dat de politieke mandatarissen in Brussel-Hoofdstad in een tweetalig gebied wonen, gekozen zijn door een tweetalig kiezerspubliek en XII-4718-3\6 zetelen in een tweetalig orgaan, dat de bestuurstaalwet ertoe strekt volledige tweetaligheid te creëren in de administratie van Brussel-Hoofdstad, dat het vermoeden dat een mandataris, verkozen in een tweetalig gebied, slechts één van beide landstalen zou beheersen, dan ook in strijd is met de geest van de wet, dat het loutere feit dat tijdens de raadszitting geen tolken en vertalers aanwezig waren dan ook niet kan worden aangegrepen om een miskenning van de rechten van verdediging aan te voeren, dat verzoekster heeft geopteerd voor een Nederlandstalige procedure en haar bij de aanvang van de hoorzitting is medegedeeld dat getuigen zich in het Frans zouden kunnen uitdrukken, indien dit hun moedertaal is, dat verzoekster, noch haar raadsman daarover enige opmerking hebben gemaakt of enig voorbehoud hebben gemaakt over de begrijpbaarheid van de procedure voor de aanwezige personen en dat ook de raadsleden geen opmerkingen hebben gemaakt over het gebruik van de talen tijdens de hoorzitting; 3.
  7. Overwegende dat de bestuurstaalwet geen eisen stelt in verband met de talenkennis van politieke mandatarissen die in de uitoefening van hun mandaat bestuurshandelingen in de beide landstalen moeten verrichten, zoals dat het geval is voor de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn van de gemeente Koekelberg; dat de taalwetgeving meer bepaald geen verplichting oplegt aan deze mandatarissen om de twee officiële talen van Brussel-Hoofdstad te kennen; dat de wet ook niet het vermoeden heeft ingesteld dat die raadsleden de twee talen kennen; dat daaruit noodzakelijk volgt dat het bestuur de verplichting heeft enerzijds de in één taal afgelegde verklaringen van een geadministreerde voor een wettelijk tweetalig collectief orgaan door tolken te doen vertalen teneinde die verklaringen voor de leden van de beide taalgroepen begrijpbaar te maken en anderzijds de in één taal gestelde bescheiden die als informatie of als overtuigingsstukken ter beschikking van de leden van dat orgaan worden gesteld in vertaling voorhanden te houden; dat zulks niet minder geldt ingeval een persoon zich voor tuchtfeiten moet verantwoorden voor een wettelijk tweetalig collectief orgaan; dat overigens alle leden van dat wettelijk tweetalig collectief orgaan niet alleen het recht, maar tevens de plicht hebben te begrijpen wat hun wordt medegedeeld door een personeelslid dat voor hen verschijnt, ook al gebruikt die een van de landstalen welke leden van dat tweetalig collectief orgaan niet begrijpen; Overwegende dat het niet ter zake is dat verzoekster, haar raadsman, of de raadsleden geen bezwaar hebben gemaakt tegen de afwezigheid van vertalingen; dat het immers aan het betrokken bestuur toevalt er zorg voor te dragen XII-4718-4\6 dat de tuchtprocedure verloopt met inachtneming van de rechten van verdediging zodat, in een OCMW gelegen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, de vertaling van de stukken en het beroep op een tolk noodzakelijk zijn, ook wanneer de betrokkene er niet om verzoekt; dat, overigens, de naleving van het aldus bekeken fundamentele recht om te begrijpen en begrepen te worden ook een voorwaarde vormt opdat een beslissing van een collectief tweetalig orgaan wettig aan dat orgaan kan worden toegerekend als zijnde genomen met de vereiste kennis van zaken; Overwegende dat uit het proces-verbaal van het verhoor van verzoekster en van de getuigen op 3 mei 2001 door de raad voor maatschappelijk welzijn van Koekelberg niet blijkt dat de Nederlandse verklaringen op de zitting door een vertaler of een tolk werden vertaald in de Franse taal of, omgekeerd, dat de Franse verklaringen werden vertaald in de Nederlandse taal; dat evenmin blijkt uit het door eerste verwerende partij neergelegde tuchtdossier dat de stukken daarvan in vertaalde vorm ter beschikking waren van de raadsleden; 3.
  8. Overwegende voorts dat overeenkomstig artikel 17, § 1, B, 1/, van de bestuurstaalwet, iedere plaatselijke dienst die in Brussel-Hoofdstad gevestigd is, voor zaken die een ambtenaar van de dienst betreffen, gebruik moet maken van de taal van diens toelatingsexamen of, bij ontstentenis van een dergelijk examen, van de taal van de groep waartoe betrokkene behoort op grond van zijn hoofdtaal; dat deze verplichting te dezen betekent dat de raad voor maatschappelijk welzijn ten aanzien van verzoekster het Nederlands dient te gebruiken; dat de Raad van State vaststelt dat in het tuchtdossier van verzoekster in het Frans gestelde stukken zijn opgenomen (onder andere de stukken 1, 20 en 34 van het administratief dossier van eerste verwerende partij) en dat op 3 mei 2001 tijdens de hoorzitting door getuigen verklaringen in de Franse taal werden afgelegd (stuk 51 van hetzelfde administratief dossier), zonder dat in een vertaling ten behoeve van verzoekster werd voorzien; dat zulks niet alleen een schending inhoudt van verzoeksters rechten van verdediging, maar ook van de voormelde wettelijke bepaling, die de openbare orde aanbelangt en waarvan de schending zelfs ambtshalve kan worden aangevoerd, XII-4718-5\6 BESLUIT: Artikel
  9. Vernietigd worden de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Koekelberg van 3 mei 2001, waarbij aan Marie-Claire Keymolen bij wijze van tuchtstraf het ontslag van ambtswege wordt opgelegd en de stilzwijgende goedkeuring van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4718-6\6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.106 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.