id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.107 Rolnummer: A. 93755/XII-2704 Zaak: Arrest 167107 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 25/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-16 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 14:20 Fiche Arrest nr 167.107 van 25 januari 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.107 van 25 januari 2007 in de zaak A. 93.755/XII-
- In zake : Alain LAMBOT, die woonplaats kiest bij advocaat G. Generet, kantoor houdende te 1000 Brussel, Terkamerenlaan 27 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat W. Muls, kantoor houdende te 1000 Brussel, A. Dansaertstraat
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alain Lambot op 18 juli 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 17 mei 2000 waarbij de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport de besluiten vernietigt van de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem, van 16 december 1999, houdende benoeming in vast verband van Isabelle Farcy tot onderwijzeres voor 21 uren per week, van Marie-Catherine Faut tot kleuteronderwijzeres voor 9 uren per week en van hemzelf tot leermeester protestantse godsdienst voor 8 uren per week aan de Franstalige gemeenteschool “Het Hoeveke” vanaf 1 januari 2000; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 21 december 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-2704-1\9 Gelet op de beschikking van 19 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat J.-F. De Bock, die loco advocaat G. Generet verschijnt voor verzoeker, van advocaat K. Lardenoit, die loco advocaat W. Muls verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat B. Staelens, die eveneens verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Bij besluit van 16 december 1999 van de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem wordt Alain Lambot vanaf 1 januari 2000 deeltijds benoemd tot leermeester protestantse godsdienst in vast verband aan de Franstalige gemeenteschool “Het Hoeveke” voor acht uren per week. Bij afzonderlijke besluiten van dezelfde datum worden Marie-Catherine Faut en Isabelle Farcy vanaf 1 januari 2000 deeltijds benoemd tot kleuteronderwijzeres en onderwijzeres in vast verband aan de Franstalige gemeenteschool “Het Hoeveke” voor 9, resp. 21 uren per week. Bij besluit van 11 februari 2000 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant worden de drie voornoemde gemeenteraadsbeslissingen in hun uitvoering geschorst. Op 6 april 2000 neemt de gemeenteraad kennis van het schorsingsbesluit van 11 februari 2000, en beslist hij de drie geschorste gemeenteraadsbeslissingen van 16 december 1999 te handhaven. XII-2704-2\9 Bij ministerieel besluit van 17 mei 2000 worden de besluiten van 16 december 1999 van de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem houdende benoeming in vast verband van Isabelle Farcy, Marie-Catherine Faut en Alain Lambot aan de Franstalige gemeenteschool “Het Hoeveke” vernietigd. Dat besluit, dat het voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep, luidt : “Gelet op de Nieuwe Gemeentewet, inzonderheid op de artikelen 149, 264 en 265; Gelet op het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten, inzonderheid op de artikelen 30 tot en met 33; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 15 oktober 1999 en 14 april 2000; Gelet op de besluiten van 16 december 1999, waarbij de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem Mevrouw Isabelle Farcy vast benoemt als onderwijzeres voor 21 uren/week, Mevrouw Marie-Christine Faut vast benoemt als kleuteronderwijzeres voor 9 uren/week en de heer Alain Lambot vast benoemt als leermeester protestantse godsdienst voor 8 uren/week; Gelet op het besluit van 11 februari 2000, waarbij de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant bovengenoemde raadsbesluiten in hun uitvoering schorst; Gelet op het besluit van 6 april 2000, ingekomen bij het Provinciaal Gouvernement Vlaams-Brabant op 11 april 2000, waarbij de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem de genoemde raadsbesluiten van 16 december 1999 rechtvaardigt; Gelet op de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs (hierna : 'onderwijstaalwet'); Gelet op het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (hierna : 'bestuurstaalwet'); Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding; Overwegende dat uit de artikelen 19 en 31 van bovengenoemd decreet van 27 maart 1991 blijkt dat niemand vast benoemd kan worden in het gesubsidieerd onderwijs, indien hij op het ogenblik van de benoeming niet voldoet aan de bepalingen van de taalwetten terzake; Overwegende dat artikel 1, §1, 1/ van de bestuurstaalwet bepaalt dat deze gecoördineerde wetten toepasselijk zijn op de gecentraliseerde en gedecentraliseerde openbare diensten van de Staat, van de provinciën, en van de gemeenten, voor zover zij inzake taalgebruik niet beheerst worden door een andere wet; Overwegende dat artikel 1, §1, 4/ van de bestuurstaalwet bepaalt dat deze gecoördineerde wetten toepasselijk zijn op de administratieve handelingen van de rechterlijke macht, van dezer medewerkers en van de schooloverheden; Overwegende dat het hierbovenstaande bevestigd wordt door de arresten nr. 74.028 en 74.029 van 2 juni 1998 van de Raad van State, die uitdrukkelijk bepalen dat onderwijzers in het lager gemeentelijk onderwijs, als gemeenteambtenaren, onderworpen zijn aan de bestuurstaalwet; dat bovengenoemde arresten bepalen dat men tevergeefs zou opwerpen dat doordat XII-2704-3\9 een onderwijzer aan de onderwijstaalwet onderworpen is, hij niet onder de bestuurstaalwet zou vallen; dat immers de onderwijstaalwet enkel het gebruik van de talen in verband met het verstrekken van onderwijs regelt om het zo doelmatig mogelijk te maken, terwijl de bepalingen van de bestuurstaalwet luidens artikel 1, §1, 1/ op de openbare diensten van onder meer de gemeenten toepasselijk zijn voor zover zij inzake taalgebruik niet beheerst worden door een andere wet en artikel 1, §1, 4/ uitdrukkelijk bepaalt dat de wet van toepassing is op de administratieve handelingen van de schooloverheden; Overwegende dat de Raad van State in bovengenoemde arresten bevestigt dat de leerkrachten in een Franstalige gemeentelijke lagere school gemeenteambtenaren zijn die verplicht zijn om voor de eigen inwendige dienst de taal te gebruiken die hun is voorgeschreven door de bestuurstaalwet, in casu het Nederlands; Overwegende dat krachtens artikel 64, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de partijen die onderworpen zijn aan de bestuurstaalwet verplicht zijn om voor hun akten en verklaringen voor de Raad van State de taal te gebruiken die hun is voorgeschreven voor hun eigen inwendige dienst; dat daarom de Raad van State in de arresten nr. 74.028 en 74.029 van 2 juni 1998 oordeelde dat de beroepen niet geldig waren ingesteld; Overwegende dat het tuchtstatuut van het gesubsidieerd onderwijzend personeel in de gemeenten geregeld wordt door het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding; dat artikel 68 §1 van bovengenoemd decreet bepaalt dat de tuchtmacht uitgeoefend wordt door de tot benoemen bevoegde overheid, behoudens de in §2 bepaalde afwijkingen; dat de tot benoemen bevoegde overheid de gemeenteraad is; Overwegende dat artikel 23 van de bestuurstaalwet bepaalt dat iedere plaatselijke dienst die gevestigd is in de gemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem, uitsluitend de Nederlandse taal gebruikt in zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en zijn betrekkingen met de diensten uit het Nederlandse taalgebied en die uit Brussel-Hoofdstad; dat bijgevolg, wanneer in de gemeenteraad van één van deze gemeenten een tuchtprocedure gevoerd wordt tegen een lid van het onderwijzend personeel waarbij het betrokken personeelslid gehoord wordt, het Nederlands de enige taal is die gebruikt mag worden; dat wanneer een onderwijspersoneelslid het Nederlands niet machtig is, hij zelfs niet in staat zou zijn zichzelf te verdedigen voor de gemeenteraad in een tuchtprocedure, noch eventueel om te getuigen voor een collega tegen wie een tuchtzaak zou zijn ingespannen; Overwegende dat volgens het advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht van 22 januari 1976 sommige schooloverheden taalkundig in staat moeten zijn om in het raam van de bestuurstaalwet alle voorbedoelde handelingen van bestuurlijke aard te stellen in de voorgeschreven taal; Overwegende dat artikel 27 van de bestuurstaalwet bepaalt dat in de plaatselijke diensten van de randgemeenten niemand tot een ambt of betrekking kan worden benoemd of bevorderd indien hij de Nederlandse taal niet kent; dat deze kennis bewezen moet worden door middel van het vereiste diploma of studiegetuigschrift waaruit blijkt dat het onderwijs in het Nederlands werd genoten of, bij ontstentenis daarvan, door een examen; Overwegende dat artikel 53 van de bestuurstaalwet bepaalt dat alleen de Vaste Wervingssecretaris bevoegd is om bewijzen inzake taalkennis vereist door de bestuurstaalwet uit te reiken; Overwegende dat de drie bovenvermelde personeelsleden die met de genoemde gemeenteraadsbeslissing van 16 december 1999 deeltijds in vast verband benoemd worden aan de Franstalige gemeenteschool van Wezembeek- Oppem, noch in het bezit zijn van het vereiste diploma waaruit blijkt dat ze het XII-2704-4\9 onderwijs in het Nederlands hebben genoten, noch van een bewijs van de vereiste kennis van het Nederlands afgeleverd door het Vast Wervingssecretariaat; Overwegende dat de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem in het besluit van 6 april 2000, waarmee de besluiten van 16 december 1999 gehandhaafd worden, aanvoert dat de schorsing op een onrechtmatige basis steunt, aangezien de gouverneur zijn bevoegdheden zou overschreden hebben om inzake vaste benoemingen in het onderwijs enige uitspraak te doen; dat deze stelling foutief is; dat benoemingen in het gemeentelijk lager onderwijs onder de bepalingen van titel VII van de Nieuwe Gemeentewet, inzonderheid van de artikelen 264 en 265, vallen, aangezien er geen specifiek toezicht van toepassing is op besluiten van gemeenteraden betreffende benoemingen in het gemeentelijk lager onderwijs; Overwegende dat de besluiten van de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem van 16 december 1999 strijdig zijn met de terzake geldende taalwetten”.
- Tegen datzelfde ministerieel besluit van 17 mei 2000 heeft ook de gemeente Wezembeek-Oppem een vernietigingsberoep ingesteld. In die zaak, waarin verzoeker als tussenkomende partij is opgetreden, heeft de Raad bij tussenarrest nr. 140.803 van 17 februari 2005 de debatten heropend om aan het Arbitragehof twee prejudiciële vragen voor te leggen, die werden beantwoord bij arrest nr. 65/2006 van 3 mei
- Na ontvangst van het voor haar negatief aanvullend auditoraatsverslag heeft de gemeente Wezembeek-Oppem niet meer de voortzetting van de zaak gevraagd, hetgeen dan ook resulteerde in een arrest, nr. 165.340 van 30 november 2006, waarin de Raad met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 14quater van het algemeen procedurereglement, de afstand vaststelt; De ontvankelijkheid van het beroep
- Overwegende dat verwerende partij terecht opwerpt, en verzoeker geenszins tegenspreekt, dat verzoeker slechts belang heeft bij het bestrijden van het vernietigingsbesluit in de mate dat het op hem betrekking heeft en dat het aldus bepalen en afsplitsen van het voorwerp mogelijk is; De gegrondheid van het beroep
- Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert : “van artikels 3, 6 en 13 tot 16 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs [hierna: onderwijstaalwet], artikels 19 en 31 van het decreet van de Vlaamse Raad van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie XII-2704-5\9 van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, artikels 1, 9 en 27 van het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken [hierna: bestuurstaalwet], overschrijding of misbruik van bevoegdheid [omdat] de bestreden beslissing wordt gemotiveerd door de omstandigheid waarbij verzoeker, l[e]raar in het basisonderwijs te Kraainem, niet geldig benoemd kon worden in een functie van openbare dienst gelegen in het nederlandstalige grondgebied omdat hij geen houder is van een diploma waaruit blijkt dat hij onderwijs heeft genoten in de nederlandse taal en dat hij niet in de mogelijkheid is om zijn kennis van deze taal te bewijzen middels het slagen van een examen; Terwijl dat, enerzijds, de bepalingen van het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken die deze verplichting van kennis opleggen enkel van toepassing zijn op de plaatselijke diensten van gemeenten (waartoe het onderwijzend personeel niet behoort daar zij geen deel uitmaken van de onderwijzende overheden die akten met een administratief karakter neerleggen), en anderzijds, les dispositions van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs, en van het decreet van de Vlaamse Raad van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, geen dergelijke aanwervingsvoorwaarde bevat”;
- Overwegende dat verzoeker betoogt dat hij als onderwijzend personeelslid enkel onderworpen is aan de onderwijs(taal)wetgeving en niet aan de bestuurstaalwetten; dat hij daaruit besluit dat op hem geen regel van toepassing is die hem oplegt de kennis van het Nederlands aan te tonen; dat het middel van verzoeker uitgaat van een verkeerde premisse; dat, zoals de Raad van State reeds heeft uiteengezet in zijn arrest nr. 140.803 van 17 februari 2005 waarvan hij de over- wegingen hier als herhaald beschouwt : - de onderwijstaalwet het gebruik van de talen uitsluitend in verband met het verstrekken van onderricht regelt; - de toepassing van de onderwijstaalwet niet de gelijklopende toepassing van andere taalregelingen uitsluit; - de gemeentelijke basisschool “Het Hoeveke” een openbare dienst van de gemeente Wezembeek-Oppem is als bedoeld in artikel 1, § 1, 1/, van de bestuurstaalwet en verzoeker onmiskenbaar een gemeenteambtenaar is, waarop luidens artikel 143, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet de bepalingen van de nieuwe gemeentewet met betrekking tot het personeel behoudens uitdrukkelijke afwijking toepasselijk zijn; - het stilzwijgen van de onderwijstaalwet niet in die zin kan worden geïnterpreteerd dat daardoor in het Nederlandse taalgebied -een eentalig gebied- een regime wordt ingesteld waardoor de taal van dat gebied in een plaatselijke dienst niet langer de status van officiële taal zou hebben; dat integendeel de zogenaamde “faciliteiten” die de taalwetgevingen invoeren, en die zich voordoen als uitzonderingen op de XII-2704-6\9 algemene regel dat het Nederlands de officiële taal is en bijgevolg onderwijstaal en bestuurstaal, restrictief moeten worden geïnterpreteerd; Overwegende, ten overvloede, dat het Arbitragehof ondertussen, bij het reeds vermeld arrest nr. 65/2006 eveneens heeft overwogen dat de toekenning van die faciliteiten in de randgemeenten “niet ertoe [kan] leiden dat afbreuk wordt gedaan aan de vereisten betreffende het gebruik van de taal van het taalgebied en aan de vereiste taalkennis binnen de diensten van die gemeenten in het algemeen, en ten aanzien van het onderwijzend personeel van de Franstalige gemeentelijke basisscholen op hun grondgebied in het bijzonder” en dat “[v]an de leden van het onderwijzend personeel van Franstalige gemeentelijke basisscholen in gemeenten die in het Nederlandse taalgebied zijn gelegen, zoals de randgemeenten, mag worden aangenomen dat zij het Nederlands gebruiken ‘in [hun] betrekkingen met de diensten waaronder [zij] ressorteren en [hun] betrekkingen met de diensten uit het Nederlandse taalgebied en die uit Brussel-Hoofdstad’. Het is evenmin onevenredig hun een taalkennis op te leggen die hen in staat moet stellen aan hun verplichtingen inzake het taalgebruik te voldoen”; Overwegende, kortom, dat artikel 1, § 1, 1/, van de bestuurs- taalwet, opdat geen afbreuk zou worden gedaan aan het principieel eentalig karakter van het Nederlandse taalgebied en aan de grondwettelijke voorrang die het Nederlands blijkens artikel 4 van de Grondwet in dat taalgebied geniet, in die zin moet worden uitgelegd dat : - de gemeentelijke onderwijsinrichtingen van een randgemeente inzake het gebruik van de talen in verband met het verstrekken van onderwijs onderworpen zijn aan de onderwijstaalwet, hetgeen impliceert dat het personeel van een dergelijke onderwijsinrichting waarvan de onderwijstaal het Frans is, slechts kan worden aangeworven indien het het bewijs heeft geleverd van een grondige of, voor leraars in andere levende talen, voldoende kennis van die onderwijstaal (artikel 13 van de onderwijstaalwet); - diezelfde gemeentelijke onderwijsinrichtingen van een randgemeente, voor zover zij inzake het gebruik van de talen niet beheerst worden door de onderwijstaalwet, zoals voor de te gebruiken taal in de binnendiensten, in de betrekkingen met de diensten waaronder zij ressorteren en in de betrekkingen met andere diensten of met particulieren in het algemeen, beheerst worden door de bestuurstaalwet, hetgeen impliceert dat een gemeentelijke schoolinrichting van een randgemeente, ook al verstrekt zij onderwijs in het Frans, voor de binnendienst uitsluitend de Nederlandse XII-2704-7\9 taal gebruikt (artikel 23 van de bestuurstaalwet) en, a fortiori, dat in een dergelijke onderwijsinrichting niemand tot een ambt of betrekking kan worden benoemd of bevorderd indien hij de Nederlandse taal niet kent (artikel 27, eerste lid, van de bestuurstaalwet);
- Overwegende dat tussen partijen niet wordt betwist dat verzoeker niet beschikt hetzij over een diploma of getuigschrift waaruit zou blijken dat hij zijn onderwijs in het Nederlands heeft genoten of waaruit anderszins de kennis van deze taal blijkt, hetzij over enig ander getuigschrift of bewijs van enige kennis van het Nederlands door een examen; dat, zoals de Raad reeds besloot in meervermeld arrest nr. 140.803, het bestreden ministerieel besluit dan ook terecht met toepassing van artikel 27 van de bestuurstaalwet overweegt “dat de besluiten van de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem van 16 december 1999 strijdig zijn met de terzake geldende taalwetten”; dat de Raad die conclusie ook voor deze zaak handhaaft; dat het middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-2704-8\9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2704-9\9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.107 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div