id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.108 Rolnummer: A. 100537/XII-4780 Zaak: Arrest 167108 - Cultuur en schone kunsten - 25/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-12 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 14:21 Fiche Arrest nr 167.108 van 25 januari 2007 Onderwijs en cultuur - Cultuur en schone kunsten Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.108 van 25 januari 2007 in de zaak A. 100.537/XII-
- In zake : de VLAAMSE VERENIGING VOOR INDUSTRIELE ARCHEOLOGIE-VLAANDEREN-BRUSSEL VZW, die woonplaats kiest bij advocaat Chr. Dejaegher, kantoor houdende te Poperinge, Beluikstraat 1 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat G. Lambert, kantoor houdende te Oostende, Elisabethlaan
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de vzw Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie-Vlaanderen-Brussel op 16 februari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 18 december 2000 van de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Brusselse Aangelegenheden en Ontwikkelings- samenwerking waarbij zij niet erkend wordt als een organisatie voor volkscultuur in de zin van het decreet van 27 oktober 1998 houdende erkenning en subsidiëring van organisaties voor volkscultuur en de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de beschikking van15 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-4780-1\8 Gelet op de beschikking van 17 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. De Backer, die loco advocaat Chr. Dejaegher verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat K. Lardenoit, die loco advocaat G. Lambert verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST: De gegevens van de zaak 1.
- De verzoekende partij werd als vereniging zonder winstoogmerk opgericht in
- Volgens de statuten heeft de vereniging tot doel : “- Het promoveren der industriële archeologie, en van het wetenschappelijk onderzoek in dit verband; - Het zich inzetten voor het behoud van industrieel-archeologische relikten”. In het verzoekschrift wordt uiteengezet dat de vereniging evolueerde van een typische ledenvereniging naar een federatie waarbij plaatselijke en thematische organisaties die zich bezighouden met industriële archeologie zich hebben aangesloten. De statuten van de vereniging werden ingevolge die evolutie aangepast. 1.
- In een brief van 3 december 1997 schrijft het afdelingshoofd van de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aan de verzoekende partij : “Zoals u wellicht weet is het nog steeds de bedoeling van de minister van Cultuur om voor de sector van de volkscultuur een geëigende decretale regeling tot stand te brengen. XII-4780-2\8 Hiertoe werden reeds vele stappen gezet o.m. in overleg met het werkveld. De ontwerptekst die aldus totstandkwam voorziet o.m. de industriële archeologie als een domein van de volkscultuur. Vervolgens opteert het beleid per gedefinieerd domein van de subsidiëring van één enkele organisatie of samenwerkingsverband van organisaties. Aangezien op dit ogenblik ook de Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed op het terrein actief is moeten in het kader van de uitgetekende beleidslijnen gesprekken worden gevoerd tussen beide organisaties, zo zij voor erkenning en subsidiëring in aanmerking willen komen. [...]”. Een gelijkaardige brief wordt gericht aan de vzw Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed. 1.
- Op 6 november 1997 richt de Vlaamse minister van Cultuur een nota aan de afdeling Volksontwikkeling en Openbaar Bibliotheekwerk waarin het volgende wordt gesteld : “[...] Voor het domein van de industriële archeologie voorzie ik een subsidiëring van 500.000 BEF. Wetende dat er minstens twee organisaties in dat domein in Vlaanderen werkzaam zijn en rekening houdende met de vooropgestelde uitgangspunten van de ontwerpregeling voor volkscultuur -met name 1 organisatie of samenwerkingsverband- verzoek ik de administratie de betrokken organisaties samen te brengen met het oog op een optimale besteding van dit budget binnen het voormelde perspectief. [...]”. 1.
- Met een brief van 15 juli 1998 deelt de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken aan de verzoekende partij mee dat beslist werd haar voor het jaar 1998 een toelage voor experimenteel vormingswerk toe te kennen van 250.000 frank. Er wordt ook medegedeeld dat die subsidie tot 500.000 frank opgetrokken zou worden indien de vereniging een samenwerkingsverband aangaat met de Stichting Industrieel Erfgoed, die bedrijvig is op hetzelfde domein. 1.
- Op 1 januari 1999 treedt het decreet van 27 oktober 1998 houdende erkenning en subsidiëring van organisaties voor volkscultuur en de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur (hierna “decreet Volkscultuur”) in werking. Artikel 5, § 2, van het decreet Volkscultuur luidt : “§
- In de domeinen van de familiekunde, de heemkunde, de algemene volkskunde en de industriële archeologie kan slechts één organisatie of samenwerkingsverband van organisaties erkend worden. In het domein van de gethematiseerde volkskunde kan per thema slechts één organisatie of samenwerkingsverband van organisaties erkend worden”. XII-4780-3\8 Artikel 14 van hetzelfde decreet bevat een overgangsbepaling die luidt : “Art. 14 §
- De organisaties die op het ogenblik van de datum van inwerkingtreding van dit decreet een werking ontplooien in het domein van de volkscultuur, en hiervoor door de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken gesubsidieerd worden, zijn verplicht naar de regeling van dit decreet over te stappen en worden automatisch erkend. Het betreft organisaties die een experimentele werkingssubsidie ontvangen of gesubsidieerd worden in het kader van : 1/ het decreet van 19 april 1995 houdende de subsidieregeling voor verenigingen voor volksontwikkelingswerk; 2/ het decreet van 19 april 1995 houdende een subsidieregeling voor diensten voor sociaal-cultureel werk voor volwassenen en houdende een wijziging van het decreet van 2 januari 1976 tot erkenning en subsidiëring van de Nederlandstalige koepelorganisaties voor beleidsvoorbereidend overleg in de sector van het sociaal-cultureel werk voor volwassenen. §
- De regeling van artikel 5, § 2, van dit decreet geldt eveneens voor de toepassing van § 1 van dit artikel”. 1.
- Bij brief van 18 januari 1999 deelt het afdelingshoofd van de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken aan de verzoekende partij mede dat haar op basis van het decreet Volkscultuur voor het werkjaar 1999 een eerste subsidievoorschot van 22,5 % wordt verleend. In de brief wordt gesteld dat de verzoekende partij volgens het decreet een beheersovereenkomst met de overheid moet sluiten en dat daartoe in de loop van de maand februari besprekingen zullen worden gevoerd. 1.
- Met een nota van 26 juli 2000 geeft de Vlaamse minister van Cultuur aan de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken opdracht “de procedure tot erkenning van een organisatie voor Industriële Archeologie (in het kader van het decreet Volksontwikkeling) op te starten. De betrokken organisaties kunnen worden aangeschreven met de vraag een gezamenlijk erkenningsdossier toe te sturen. Indien ze dat niet kunnen realiseren, zal de meest representatieve organisatie worden erkend”. 1.
- Bij brieven van 5 oktober 2000 vraagt het afdelingshoofd van de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken aan de verzoekende partij en de vzw Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed (hierna ook: SIWE) om op basis van artikel 5, § 2, van het decreet Volkscultuur een gezamenlijk erkenningsdossier in te dienen. Er wordt ook medegedeeld dat, indien het onmogelijk zou blijken een gezamenlijk dossier samen te stellen, een apart erkenningsdossier kan XII-4780-4\8 worden voorgelegd, waarbij dan de minister zal beslissen welke organisatie het best het domein “industriële archeologie” vertegenwoordigt en bijgevolg erkend wordt. 1.
- Aangezien de verzoekende partij en de vzw Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed er niet toe komen een samenwerkingsverband te sluiten, dienen beide verenigingen een afzonderlijk erkenningsdossier in. 1.
- Met een nota van 1 december 2000 stelt de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheekwerk aan de minister voor om de vzw Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed te erkennen en dit om de volgende reden : “Uit het dossier zou men kunnen besluiten dat SIWE te klein is maar de verslagen wijzen wel op een voortdurende groei. Uit de verslagen en uit het hele dossier lijkt een heel doordachte en ernstige werking naar voor te komen die heel praktisch gericht is. De activiteiten zoals door het decreet voorgeschreven, zijn evenwichtig verdeeld. VVIA lijkt mij heel erg wetenschappelijk gericht, niet alle activiteiten worden ingevuld. Hun eigenlijke werking moet blijkbaar nog beginnen (in de zin van het decreet). De herstructurering met bijhorende statuten zijn zo ambitieus dat ze twijfels oproepen”. 1.
- Bij ministeriële besluiten van 18 december 2000 wordt beslist de vzw Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed te erkennen en de verzoekende partij niet te erkennen. Bij brief van 21 december 2000 wordt het bestreden ministerieel besluit houdende de niet-erkenning van de verzoekende partij aan die vereniging ter kennis gebracht. De ontvankelijkheid van het beroep
- In de laatste memorie werpt verwerende partij op dat de erkenning van SIWE bij ministerieel besluit van 18 december 2000 “de facto en de iure” betekent dat verzoekster niet meer erkend kan worden. Immers, zo betoogt zij, die erkenning is definitief geworden omdat zij niet is aangevochten door verzoekster en een vernietiging van de wél bestreden weigeringsbeslissing zal daaraan niets wijzigen. Op grond van de regelgeving en in het bijzonder van artikel 5, § 2, van het decreet Volkscultuur kan maar één vereniging worden erkend en de erkenning van vereniging A houdt automatisch in dat vereniging B niet meer kan worden erkend. De gevraagde nietigverklaring van de beslissing tot niet-erkenning van verzoekster kan volgens XII-4780-5\8 verwerende partij dienvolgens niet leiden tot haar erkenning als een organisatie voor volkscultuur en kan haar dus ook geen voordeel verschaffen, zodat verzoekster dan ook geen belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing.
- Krachtens artikel 5, § 2, van het decreet Volkscultuur kan inderdaad slechts één organisatie of samenwerkingsverband van organisaties in het domein van de industriële archeologie erkend worden. Ook wordt niet betwist dat verzoekster de beslissing tot erkenning van de vzw Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed niet tot het voorwerp rekent van haar annulatieberoep, zij vecht alleen haar eigen niet-erkenning aan.
- Verzoekster doet evenwel beroep op de overgangsregeling die is opgenomen in het decreet Volkscultuur. Luidens de overgangsbepaling van artikel 14 worden de organisaties die, zoals verzoekster, een reeds voorheen gesubsidieerde werking ontplooien in het domein van de volkscultuur “automatisch erkend”. Weliswaar is die erkenning niet zo “automatisch”. De bedoelde organisaties worden immers “verplicht naar de regeling van dit decreet over te stappen”, opdat zij automatisch erkend kunnen worden. Luidens artikel 14, § 2, van het decreet geldt daarenboven de regeling van artikel 5, § 2, van het decreet eveneens voor de toepassing van paragraaf 1 van dit artikel
- Het een met het ander betekent, in de woorden van de initiatiefnemers van het decreet, dat de bedoelde organisaties “automatisch [worden] erkend, rekening houdend met het feit dat per domein of thema (voor de gethematiseerde volkskunde) slechts één organisatie of samenwerkingsverband kan worden erkend” (Parl. St. Vl. Parl. 1997-1998, nr. 1071/1, 5). Indien bijgevolg twee of meer organisaties voor toepassing van de “automatische” erkenning in aanmerking komen, is de overheid verplicht om artikel 5, § 2, van het decreet Volkscultuur toe te passen ingevolge het bepaalde in artikel 14, § 2, van het decreet. Dit betekent dat de overheid in dat geval tussen de organisaties er één moet kiezen die voor de erkenning in aanmerking komt. De erkenning van die ene organisatie sluit, nog steeds in dat geval, ook de erkenning uit van de overige organisaties die aanspraak maken op de over- gangsregeling, zodat deze enkel kunnen worden geacht voordeel te halen uit een XII-4780-6\8 gebeurlijke nietigverklaring van hun niet-erkenning indien zij door de nietigverklaring van het erkenningsbesluit een nieuwe kans verwerven om zelf voor de erkenning in aanmerking te komen.
- Anders is echter de situatie wanneer slechts één organisatie onder de overgangsregeling valt. Zelfs indien andere organisaties een erkenning aanvragen, staat artikel 14 van het decreet er aan in de weg dat zij met die andere aanvragers in concurrentie moet komen. Mogelijk heeft het bestuur ook een andere organisatie erkend, is die erkenning misschien zelfs onregelmatig gelet op artikel 5, § 2, van het decreet Volkscultuur, en kan dat erkenningsbesluit thans zelfs niet meer worden ingetrokken omdat het rechten verleent. Dit alles neemt niet weg dat zulk erkenningsbesluit níet het besluit is waarbij de overheid een keuze maakt die ze moet maken op grond van artikel 14, tussen twee of meer aanvragers die onder de overgangsregeling vallen, maar een besluit dat dan volkomen vreemd is aan de toepassing van de overgangsregeling. Het eventuele bestaan van een dergelijk erkenningsbesluit kan in die omstandigheden niet aan verzoekster, van wie niet wordt betwist dat zij onder de toepassing valt van artikel 14, worden tegengeworpen. Welnu, verzoekster argumenteert in het inleidend verzoekschrift en de latere memories wel degelijk dat het bestuur niet aantoont dat SIWE aanspraak kan maken op automatische erkenning ex artikel 14, § 1, van het decreet Volks- cultuur. Het erkenningsbesluit van 18 december 2000, dat door verwerende partij overigens pas bij de laatste memorie aan het administratief dossier werd toegevoegd, refereert alvast niet aan dit artikel 14, en motiveert de erkenning van SIWE enkel “op het feit dat de organisatie aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, dat zij vóór de invoegetreding van het decreet reeds haar bereidheid om in het decreet te stappen, bevestigde”. Ook het administratief dossier laat niet toe met zekerheid uit te maken of SIWE voorheen een experimentele werkingssubsidie heeft ontvangen of gesubsidieerd werd in het kader van een van de in artikel 14 genoemde decreten van 19 april
- Eerder het tegendeel lijkt het geval te zijn, aangezien SIWE zelf in haar op 18 oktober 2000 ingediend erkenningsdossier schrijft dat een “structurele financiering [...] tot op heden niet voorhanden [is]” en dat de werkingsmiddelen hoofdzakelijk afkomstig zijn van lidgelden en sponsoring. XII-4780-7\8
- Tenzij alsnog zou blijken dat ook SIWE de overgangsregeling kan genieten, kan aan verzoekster vooralsnog geen belang bij het aanvechten van het weigeringsbesluit worden ontzegd en rijst de vraag of haar erkenning terecht op andere gronden is geweigerd. Een en ander vereist echter een aanvullend onderzoek van de zaak. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4780-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.108 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.946 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.