← België

Arrest 167110 - Varia (onderwijs en cultuur) - 25/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.110 Rolnummer: A. 130922/XII-3732 Zaak: Arrest 167110 - Varia (onderwijs en cultuur) - 25/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-09 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 14:21 Fiche Arrest nr 167.110 van 25 januari 2007 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.110 van 25 januari 2007 in de zaak A. 130.922/XII-

  1. In zake : Jan PEETERS, wonende te Antwerpen, Kleine Goddaard 5 tegen : de HOGESCHOOL ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaat W. Van Caeneghem, kantoor houdende te Antwerpen, Quinten Matsijslei
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan Peeters op 21 december 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 21 oktober 2002 van de raad van bestuur van de Hogeschool Antwerpen waarbij hem geen artistieke faam wordt toegekend; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 15 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-3732-1\6 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat L. Moreau, die loco advocaat W. Van Caeneghem verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
  3. Overwegende dat verzoeker lid is van het onderwijzend personeel van het departement audiovisuele en beeldende kunst van de Hogeschool Antwerpen; Overwegende dat de Raad van State bij arrest nr. 101.205 van 27 november 2001 de beslissing van 9 juni 1997 van de raad van bestuur van de Hogeschool Antwerpen om aan verzoeker geen artistieke faam toe te kennen, vernietigt; Overwegende dat verzoeker op 2 mei 2002 een nieuw dossier indient met het oog op de toekenning van de artistieke faam; Overwegende dat een daartoe aangestelde commissie op 24 juni 2002 adviseert aan twee andere kandidaten wel, en aan verzoeker geen artistieke faam toe te kennen; Overwegende dat de raad van bestuur op 21 oktober 2002 het advies van de commissie bijvalt en verzoeker geen artistieke faam toekent; De gegrondheid van het beroep
  4. Overwegende dat verzoeker als eerste middel, eerste onderdeel, de schending aanvoert van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” en de reglementering met betrekking tot de samenstelling van de commissie artistieke faam zoals die door de raad van bestuur op 26 oktober 1998 is vastgelegd omdat de commissie was samengesteld in strijd met de richtlijnen die door de raad van bestuur XII-3732-2\6 zijn vastgesteld; dat hij toelicht dat volgens die richtlijnen de leden van de commissie uit de artistieke discipline van de aanvrager moeten komen, dat de discipline waarop hij moet worden beoordeeld “tekenen” is aangezien hij de concordantie heeft aangevraagd tot docent tekenen en dat geen van de leden van de commissie uit deze artistieke discipline komt;
  5. Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord op het middelonderdeel antwoordt wat volgt : “Aangezien verzoekende partij ten onrechte verwijst naar de richtlijnen zoals vastgelegd door de Raad van Bestuur op 26 oktober 1998, om te stellen dat deze richtlijnen niet zouden zijn nageleefd. Dat de Voorzitter van de Raad van Bestuur bij beslissing van 19 oktober 2000 het advies, zoals verleend door het Departement audiovisuele en beeldende kunst met betrekking tot de samenstelling van de commissie artistieke faam, integraal heeft bevestigd. Dat zoals ook blijkt uit het verzoekschrift tot nietigverklaring, ingediend door verzoekende partij, deze commissie was samengesteld uit vier vaste effectieve leden, en twee plaatsvervangers. Dat al deze leden tewerkgesteld waren in het kunstonderwijs, minstens bevoegd waren om het werk van verzoekende partij te beoordelen. Dat zowel de heer Johan De Vos als de heer Wilfried Huet tewerkgesteld zijn als directeur in het kunstonderwijs van respectievelijk de academies te Sint Niklaas en Waasmunster. Dat de heer Jan Walgraeve kunstcriticus is, en professor Lut Pil tewerkgesteld is als professor kunstgeschiedenis aan de afdeling hedendaagse kunst van de Katholieke Universiteit te Leuven. Dat verzoeker bezwaarlijk kan stellen dat deze vaste effectieve leden niet bevoegd of bekwaam zouden zijn om zijn werk te beoordelen. Dat uiteindelijk de heer Wilfried Huet werd vervangen door de heer Frans Boenders, voorgesteld als reservelid, dewelke eveneens tewerkgesteld is als kunstcriticus. Dat verwerende partij de bemerkingen van verzoeker dan ook niet begrijpt, minstens het inleidend verzoekschrift ter zake onduidelijk is. Alle wettelijke en reglementaire bepalingen werden immers nageleefd. Dat indien verwerende partij hieruit zou moeten afleiden dat verzoeker voor elke specifieke specialiteit een afzonderlijke commissie wenst samengesteld te zien, in casu enkel met tekenleraars van objectiviteit uiteraard geen sprake meer zou kunnen zijn”; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie over de samenstelling van de commissie nog preciseert : “De heer Wilfried Huet, is naast directeur van de DKO Academie Waasmunster, afgestudeerd aan het NHISK, heeft een kunstgalerij in Waasmunster, en is daarenboven uitgever van een kunsttijdschrift. De heer Jan Walgrave, is naast kunstcriticus, ook ere-conservator. De heer Johan De Vos is directeur van de DKO Academie Sint Niklaas. Professor Dokter Lut Pil, is professor kunstgeschiedenis, afdeling hedendaagse kunst, aan de Katholieke Universiteit Leuven. XII-3732-3\6 De heer Frans Boenders is tot op heden kunstcriticus. De heer Paul Huvenne is directeur van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen. Met betrekking tot de leden aangeduid door de Raad van Bestuur, kan verweerster heden de volgende informatie geven : De heer Michael Scheck, is ere-directeur van het Koninklijk Muziekconservatorium te Antwerpen, en ere-departementshoofd van het Departement Dramatische Kunst, Muziek en Dans, alsmede ere-hoogleraar. De heer Ernest Van Buynder, is ere-hoogleraar aan de Universiteit te Antwerpen”; Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie nog aanbiedt over de verschillende leden bijkomende informatie, die zij wegens de vakantieperiode waarin de laatste memorie moest worden opgesteld van hen nog niet kon verkrijgen, onverwijld aan de Raad te bezorgen zodra zij er over beschikt; dat zij vervolgens opmerkt : “Evenwel kan niet worden betwist dat alleen reeds op basis van de bekende gegevens dient te worden besloten dat al de leden van deze commissie, zonder uitzondering, bevoegd en in staat zijn om de artistieke faam van het werk van verzoekende partij te beoordelen. Het al dan niet bezitten van artistieke faam is het enige door de wet vooropgestelde criterium om tot docent geconcordeerd te worden. Het is duidelijk dat een uitbater van een kunstgalerij die tevens de uitgever is van een kunsttijdschrift als geen ander in staat is om de artistieke faam van het werk van verzoeker te beoordelen. Het zelfde besluit dient te worden getroffen met betrekking tot de kunstcritici, een professor kunstgeschiedenis, afdeling hedendaagse kunst en een directeur van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen”; 4.
  6. Overwegende dat verwerende partij bij haar besluit van 26 oktober 1998, waarbij de procedure voor het onderzoek en het beoordelen van de aanvragen van de personeelsleden tot het verkrijgen van de artistieke faam binnen de hogeschool wordt vastgelegd, bepaalt dat de commissie wordt samengesteld uit “twee permanente leden, aangeduid door de raad van bestuur en uit vier externe niet permanente leden, komende uit de artistiek[e] discipline van de aanvrager, eveneens aangeduid door de raad van bestuur na advies van de betrokken departementen”; 4.
  7. Overwegende dat volgens verwerende partij bezwaarlijk kan worden gesteld dat de leden van de commissie die over verzoekers aanvraag hebben geadviseerd “niet bevoegd of bekwaam zouden zijn om zijn werk te beoordelen” en dat alleen reeds op basis van de bekende gegevens besloten dient te worden dat die leden “zonder uitzondering, bevoegd en in staat zijn om de artistieke faam van het werk van verzoekende partij te beoordelen”; dat verwerende partij daarmee een vraag XII-3732-4\6 beantwoordt die niet is gesteld; dat de Raad van State zich immers niet ervan dient te vergewissen of een kunstcriticus, een houder van een kunstgalerij, een directeur van een academie, een directeur van een museum of een hoogleraar kunstgeschiedenis bekwaam zijn om over artistieke faam te oordelen; dat het antwoord dat moet worden gezocht binnen het raam van het aangevoerde middel is, of verwerende partij haar eigen reglementering heeft nageleefd en, meer bepaald, of zij al dan niet in de commissie vier externe niet permanente leden heeft aangesteld “komende uit de artistieke discipline van de aanvrager”; 4.
  8. Overwegende dat de Raad van State betreffende de kwalificaties van de externe niet permanente leden van de commissie die zich hebben uitgesproken over verzoekers aanvraag slechts rekening kan houden met wat hiervoor is aangehaald uit de memories van verwerende partij; dat verwerende partij heeft nagelaten om te gepasten tijde met méér, concrete en door de Raad te verifiëren stukken het middelonderdeel te weerleggen; dat over de draagwijdte van de grief zoals die in het verzoekschrift is aangevoerd nochtans moeilijk twijfel kon bestaan bij verwerende partij; dat verzoeker de bestreden rechtsregel er in heeft aangeduid en zelfs, voor zoveel als nodig, heeft geciteerd, en hij heeft toegelicht waarom die regel in zijn ogen was geschonden door de wijze waarop de commissie was samengesteld; dat verwerende partij op het aldus aangevoerde middelonderdeel haar verweer moest en kon voeren in de memorie van antwoord; dat aan verwerende partij in die omstandigheden toestaan om gegevens waarover zij toentertijd al kon beschikken, pas in de laatste memorie -of zelfs nog later- in het debat te brengen, er op zou neerkomen een loopje te nemen met de bindende termijnvoorschriften voor het indienen van de procedurestukken en voor een verwerende partij de mogelijkheid zou openen het beredeneerd onderzoek door het bevoegde lid van het auditoraat en de laatste repliek van verzoeker in diens laatste memorie te ontlopen; Overwegende dat loutere vermeldingen als kunstcriticus, directeur DKO academie of KMSKA, professor kunstgeschiedenis of uitgever van een kunsttijdschrift, niet volstaan om uitsluitsel te geven of de betrokkenen beschouwd mogen worden als “komende uit de artistieke discipline van de aanvrager”, waarbij nog terzijde wordt gelaten de vraag of “komende uit” vereist dat het commissielid zelf daadwerkelijk actief moet zijn in die discipline als kunstenaar dan wel of ermee mag worden volstaan dat het commissielid een aantoonbare affiniteit met en daaruit volgende deskundigheid over die discipline heeft; dat het middelonderdeel gegrond is, XII-3732-5\6 BESLUIT: Artikel
  9. Vernietigd wordt de beslissing van 21 oktober 2002 van de raad van bestuur van de Hogeschool Antwerpen waarbij Jan Peeters geen artistieke faam wordt toegekend. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3732-6\6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.110 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.