← België

Arrest 167114 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 25/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.114 Rolnummer: A. 72317/XII-2481 Zaak: Arrest 167114 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 25/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-09 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 14:23 Fiche Arrest nr 167.114 van 25 januari 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.114 van 25 januari 2007 in de zaak A. 72.317/XII-

  1. In zake : Patrick DEMAECKER, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus 1 tegen : de GEMEENTE KNOKKE-HEIST, die woonplaats kiest bij advocaat A. Lust, kantoor houdende te Brugge, Burggraaf de Nieulantlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patrick Demaecker op 2 december 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 3 oktober 1996 van het college van burgemeester en schepenen van Knokke-Heist waarbij zijn ongunstige evaluatie wordt gehandhaafd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van der Gucht; Gelet op de beschikking van 28 maart 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2006; XII-2481-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. De Clercq, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De gegevens van de zaak. Overwegende dat verzoeker vast benoemd administratief medewerker is in dienst van de gemeente Knokke-Heist; dat hij op 2 juli 1996, toentertijd werkzaam op de ontvangerij, door twee beoordelaars wordt geëvalueerd; dat uit het evaluatieformulier blijkt dat verzoekers functioneren wordt getoetst aan vier beoordelingscriteria; dat het evaluatieformulier met betrekking tot elk van deze criteria een aantal algemeen beschrijvende, kwalitatieve uitspraken vermeldt; dat de beoordelaars per criterium onderstrepen wat op verzoeker van toepassing is en bovendien voor elk criterium een waardering van A (onvoldoende) tot E (uitstekend) toekennen; dat verzoeker driemaal een B (voldoende) en éénmaal een C (goed) krijgt; dat de eindbeoordeling ongunstig is; dat verzoeker met een schrijven van 11 juli 1996 bij het college van burgemeester en schepenen beroep aantekent tegen voormelde beslissing; dat verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, en zijn hiërarchisch hoogste beoordelaar respectievelijk op 6 september 1996 en 13 september 1996 door het college van burgemeester en schepenen worden gehoord; dat het college van burgemeester en schepenen op 3 oktober 1996 de bestreden beslissing neemt die als volgt wordt gemotiveerd : “Overwegende dat [verzoeker] en zijn raadsman, in uitvoering van artikel 69 van het administratief statuut, op vrijdag 6 september 1996 door het College werden gehoord; Gelet op de uiteenzetting van de beroepsmotieven door Meester Bart Staelens, inzonderheid wat betreft de twijfel over de eindbeoordeling en de strenge beoordeling inzake kwantiteit van het werk, ijver, tempo en inzake zelfstandigheid en initiatief; Gelet op de voorgelegde nota’s, opgesteld door Patrick Demaecker, waaruit zijn zin voor initiatief moet blijken; XII-2481-2/7 Overwegende dat van hun verklaringen op 06.09.96 proces-verbaal werd opgemaakt en de voorgelegde nota’s aan het evaluatiedossier werden toegevoegd; Gelet op het proces-verbaal van de verklaringen van gemeentesecretaris Marc Verhaeghe, die op 13 september 1996 als hiërarchisch hoogste beoordelaar werd gehoord; Overwegende dat de gemeentesecretaris, als hiërarchisch hoogste beoordelaar, na het weerleggen van de hoofdmotieven van het beroep, de ongunstige evaluatie ten aanzien van Patrick Demaecker wenst te handhaven; Overwegende dat de voorgelegde aanvullende nota’s met betrekking tot het initiatief van Patrick Demaecker, slechts gedeeltelijk betrekking hebben op de betrokken evaluatieperiode en onvoldoende de in de motivatie aangehaalde argumenten terzake weerleggen; Overwegende dat het college zich, op basis van de argumenten vervat in het aangetekend beroepsschrift, de verklaringen afgelegd tijdens de hoorzittingen op 6 en 13 september 1996 en het evaluatieformulier, een totaalbeeld over de evaluatie heeft kunnen vormen; Overwegende dat het College, na grondig beraad over de verklaringen en opmerkingen van beide partijen, overtuigd is van de gegrondheid van de ongunstige evaluatie van personeelslid Patrick Demaecker”;
  4. De ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord het belang van verzoeker betwist; Overwegende dat het gebrek aan belang in het auditoraatsverslag kordaat van de hand wordt gewezen als “niet zinnig”; dat de verwerende partij in de laatste memorie wel nog bij elk van de aangevoerde middelen stilstaat -weze het eventueel alleen om te bevestigen dat zij in haar verweer ertegen volhardt en terzake naar de memorie van antwoord verwijst- maar geen woord meer aan de exceptie spendeert; dat dan ook moet worden aangenomen dat verwerende partij op dat stuk niet meer aandringt;
  5. De grond van de zaak. 3.
  6. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van het beginsel dat elke administratieve beslissing op draagkrachtige materiële motieven dient te berusten; dat verzoeker doet gelden dat hij wel degelijk met veel ijver, inzet en zelfstandigheid te werk ging en grote kwantiteiten werk verrichtte, dat hij terzake bewijskrachtige nota’s heeft neergelegd tijdens de hoorzitting, dat de in zijn beroepsschrift onder het eerste middel ontwikkelde redengeving, onderstreept in het pleidooi ter zitting en gestaafd met bijkomende nota’s, terzijde wordt geschoven met de blote vermelding dat de notulerende XII-2481-3/7 gemeentesecretaris de ongunstige evaluatie wenst te handhaven, dat er na zijn mutatie binnen de dienst werd overgegaan tot een herverdeling van de taken, hetgeen aangeeft dat hij een toch wel bijzonder groot takenpakket heeft gehad, dat de bestreden beslissing niet enkel een holle formele motivering bevat, maar tevens uit geen enkel stuk uit het dossier blijkt waarop een dergelijke negatieve en niet gemotiveerde beoordeling berust; 3.
  7. Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord reageert dat de beoordeling van de verschillende evaluatiecriteria berust op de omstandigheden waarbinnen verzoeker tijdens de evaluatieperiode zijn ambt waarnam en met name zijn algemene werklust betreft, zijn ingesteldheid, zijn houding ten opzichte van collega’s en oversten en dergelijke meer, dat niet of nauwelijks schriftelijke stukken worden opgemaakt met betrekking tot de werksfeer en de verhouding tussen werknemers daar de goede werking van een dienst berust op een goede verstandhouding en wederzijds vertrouwen onder de betrokkenen terwijl het opmaken van geschriften de indruk wekt dat men voortdurend wordt gecontroleerd en een sfeer van wantrouwen schept, dat eventuele problemen in beginsel dan ook worden besproken zonder dat hiervan een schriftelijke neerslag wordt gemaakt, zodat in het dossier nauwelijks stukken terug te vinden zijn in verband met de wijze waarop verzoeker zijn ambt waarnam, hetgeen evenwel niet betekent dat de beoordeling willekeurig zou zijn gebeurd, dat immers hoorzittingen worden georganiseerd teneinde het college van burgemeester en schepenen in te lichten omtrent de feiten en omstandigheden die tot de negatieve beoordeling hebben geleid, dat te dezen zowel verzoeker als diens hiërarchisch hoogste beoordelaar werden gehoord en van deze zittingen notulen werden opgesteld, dat het college van burgemeester en schepenen na het verhoor heeft geoordeeld dat verzoekers negatieve evaluatie onvoldoende was weerlegd en het dan ook overtuigd was van de gegrondheid van de beoordeling die voor de verschillende evaluatiecriteria werd gegeven en die noodzakelijkerwijze, krachtens de bepalingen van het statuut, tot een negatieve totaalbeoordeling moest leiden, dat het college van burgemeester en schepenen dienvolgens heeft beslist de evaluatie te handhaven, beslissing die steunt op een deugdelijk onderzoek van de zaak; 3.
  8. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord bijvalt “dat zoals in een arbeidsverhouding veelal het geval is er niet of nauwelijks schriftelijke stukken worden opgemaakt met betrekking tot vaststellingen in verband met de werksfeer, op een dienst, de verhouding tussen de werknemers enz...”; dat hij XII-2481-4/7 voorts onder andere repliceert dat het precies daarom meer dan relevant was dat er op een ernstige manier zou worden geantwoord met betrekking tot de stukken die verzoeker op de hoorzitting heeft neergelegd, dat verwerende partij nagenoeg geen formele motivering geeft en nagenoeg geen bundel neerlegt, zodat bij de toetsing moet worden geconstateerd dat door verwerende partij niet bewezen wordt dat haar beslissing op een materiële grond berust; 3.
  9. Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen het bestreden besluit in “tweede aanleg” nam nadat verzoeker overeenkomstig artikel 68 van het administratief statuut bij dat college beroep had ingesteld tegen de ongunstige evaluatie die hem op 2 juli 1996 door zijn beoordelaars werd toegekend; dat voornoemd besluit ten gevolge van de devolutieve werking van het administratief beroep in de plaats komt van de oorspronkelijke beoordeling van verzoekers functioneren; dat het college van burgemeester en schepenen, na zich “een totaalbeeld over de evaluatie” te hebben gevormd, verklaart overtuigd te zijn van de gegrondheid van verzoekers ongunstige evaluatie; dat zodoende de bestreden beslissing wezenlijk steunt op de motieven van deze ongunstige beoordeling die het college zich eigen heeft gemaakt; Overwegende dat deze motieven, in het beoordelingsverslag van 2 juli 1996, er op neerkomen dat verzoeker onvoldoende positief scoort voor de criteria die ter beoordeling stonden; dat per criterium een aantal algemeen beschrijvende, kwalitatieve uitspraken worden vermeld; dat door per criterium te onderstrepen wat op verzoeker van toepassing is en bovendien voor elk criterium een waardering van A (onvoldoende) tot E (uitstekend) toe te kennen wordt uitgemaakt in welke mate verzoeker aan elk van die uitspraken voldoet; dat het louter invullen van een score beneden C (goed) bij een beschrijvende, kwalitatieve uitspraak op zich evenwel onvoldoende concrete informatie bevat over de wijze waarop verzoeker tijdens de beoordelingsperiode heeft gepresteerd; dat hij uit het invullen van die score wel kan afleiden dat hij voor een bepaald aspect gedurende een welbepaalde periode niet genoeg aan de verwachtingen heeft beantwoord, doch niet welke concrete vaststellingen aan de score ten grondslag liggen; dat een dergelijk beoordelingssysteem als voldoende kan worden beschouwd wanneer verzoeker op een andere wijze kennis heeft of krijgt van de concrete vaststellingen waarop de scores steunen, bijvoorbeeld middels de “kwalitatieve oordeels-beschrijving”, waarvoor op de eerste bladzijde van het evaluatieformulier ruim plaats is voorzien; dat die plaats evenwel blanco is gelaten; dat de concrete aanwijzingen ook niet in de XII-2481-5/7 fase van het administratief beroep zijn gereveleerd, ofschoon verzoeker zowel schriftelijk als mondeling had betwist dat de ongunstige beoordeling op draagkrachtige motieven berustte; dat niet blijkt dat de gemeentesecretaris- beoordelaar tijdens zijn verhoor door het college enige inhoudelijke verduidelijking heeft bijgebracht; dat, dan weer, zijn wens om de ongunstige evaluatie te handhaven, juridisch waardeloos is; dat verwerende partij tevergeefs de ontstentenis van concrete elementen tracht goed te praten door te doen gelden dat het terzake nu eenmaal de praktijk is om niet of nauwelijks schriftelijke stukken op te stellen; dat het excuus des te meer misplaatst is waar verwerende partij er niet te beschroomd voor blijkt om zelf aan verzoeker tegen te werpen, in de bestreden beslissing, dat hij onvoldoende stukken bijbrengt teneinde zijn beweerd gebrek aan initiatief te “weerleggen”; dat zij zo doende de zaken op hun kop zet, vermits het in de eerste plaats aan háár toekomt om het gebrek in concreto te onderbouwen; dat, samenvattend, verzoeker terecht aanvoert dat uit geen enkel stuk van het dossier blijkt waarop de hem toegekende negatieve beoordeling steunt; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  10. Vernietigd wordt het besluit van 3 oktober 1996 van het college van burgemeester en schepenen van Knokke-Heist waarbij de ongunstige evaluatie van Patrick Demaecker wordt gehandhaafd. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verwerende partij. XII-2481-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2481-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.114 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.