id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.117 Rolnummer: A. 85307/XII-2126 Zaak: Arrest 167117 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 25/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-09 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 14:24 Fiche Arrest nr 167.117 van 25 januari 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.117 van 25 januari 2007 in de zaak A. 85.307/XII-2126. In zake : Francis MOONS, die woonplaats kiest bij advocaat L. Vermeulen, kantoor houdende te Herselt, Limberg 120 tegen : de STAD DIEST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Francis Moons op 8 juli 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van zijn ongunstige beoordeling van 29 maart 1999 alsook van het besluit van 27 april 1999 van het college van burgemeester en schepenen waarbij zijn ongunstige evaluatie wordt bekrachtigd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 10 februari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 23 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Huysmans, die loco advocaat L. Vermeulen verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. Vanstipelen, die loco advocaat K. Timmerman verschijnt voor de verwerende partij; XII-2126-1/11 Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak. Overwegende dat verzoeker hoofd van de personeelsdienst is bij het stadsbestuur van Diest; dat hij op 29 maart 1999 een ongunstige evaluatie krijgt voor de periode van 1 januari1997 tot en met 31 december 1997; dat als commentaar bij 2.1. Algemeen profiel wordt vermeld: “Betreffende zelfstandig : correct en snel uitvoeren van taken : zie taakdoelstellingen (punt 3) Betreffende samenwerking “onvoldoende” : om reden dat er geen verbetering is ondanks de opmerkingen vorige evaluatie”; dat inzake 2.2. Functierelevant profiel het volgende wordt opgemerkt: “Geen verbetering tegenover vorige evaluatie”; dat de opmerkingen bij 3. Taakdoelstellingen luiden: “A)De onvoldoende wordt gemotiveerd door 1.de foutieve voorbereiding van 2 dossiers gemeenteraad januari 1997: -vacantverklaring politie -examenjury POB 2.de onvoldoende voorbereiding gemeenteraad eind april 1997 wat jobstudenten betreft. 3.de foutieve benadering van het personeelskader POB ( zie CV 17/4/97 punt 119) 4.verkeerde nota over de zomerdienst, die toch wat hilariteit heeft verwekt. B.Negatieve beïnvloeding door onvoldoendes supra”; dat de globale beoordeling ongunstig wordt verantwoord door: “
- a)onvoldoendes onder hoofdstuk 2.1, 2.2 en hoofdstuk 3
- b)tuchtstraf uitgesproken 21/10/1997”; dat verzoeker op 9 april 1999 bij het college van burgemeester en schepenen beroep aantekent tegen zijn ongunstige evaluatie; dat zowel verzoeker als diens beoordelaar op 27 april 1999 door het college van burgemeester en schepenen worden gehoord; XII-2126-2/11 dat het college van burgemeester en schepenen op dezelfde datum de bestreden beslissing neemt die als volgt wordt gemotiveerd: “Overwegende dat [...] het college van burgemeester en schepenen in zitting van 27/04/1999 als beroepsorgaan de betrokkene en de eerste beoordelaar [...] heeft gehoord en om uitleg gevraagd; Overwegende dat op basis van de gegevens van het evaluatieverslag over het jaar 1997 er een onvoldoende kennis van de dossiers blijkt; Gelet op de tijdens de evaluatieperiode, zijnde het jaar 1997, op datum van 21/10/1997 uitgesproken tuchtstraf”; 2. De ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende, in zoverre verzoeker de nietigverklaring vordert van zijn ongunstige beoordeling van 29 maart 1999, dat hij tegen deze evaluatie een georganiseerd administratief beroep instelde bij het college van burgemeester en schepenen; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 27 april 1999 over dit beroep uitspraak heeft gedaan; dat laatstgenoemd besluit in de plaats is gekomen van de evaluatie van 29 maart 1999, zodat ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep in zoverre het is gericht tegen de beoordeling van 29 maart 1999 niet ontvankelijk is; 3. De grond van de zaak. 3.1.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel van het eerste middel de schending van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoert; dat hij stelt dat hij recht heeft op een beoordeling binnen een redelijke termijn, dat de redelijkheid van de termijn voornamelijk wordt bepaald door de mogelijkheid voor de overheid om over alle feitelijke gegevens en inlichtingen te beschikken die het haar mogelijk moeten maken met kennis van zaken een beslissing te nemen, dat er te dezen geen specifieke omstandigheden voorhanden zijn die de laattijdigheid verantwoorden, dat, nu het laatste van de ingeroepen feiten dateert van april 1997, de negatieve evaluatie pas twee jaar na de feiten plaatsvindt; Overwegende dat verzoeker in een tweede onderdeel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het recht van verdediging en van de artikelen 66, 78 en 79 van het administratief statuut aanvoert; dat hij stelt dat hem in verband met de feiten waarop de evaluatie steunt nooit enige opmerking of nota werd voorgelegd, waardoor hij niet kon reageren zoals voorzien in artikel 78 van het administratief statuut, dat hem ook tijdens het functioneringsgesprek van 29 december 1997, XII-2126-3/11 gesprek dat luidens artikel 66 van voormeld statuut een “essentieel bestanddeel van de evaluatie [vormt]”, geen enkel verwijt werd gemaakt zodat hij in de waan verkeerde dat hij de personeelsdienst op bekwame wijze leidde; Overwegende dat verwerende partij repliceert dat het over alle feitelijke gegevens en inlichtingen kunnen beschikken de nodige voorbereiding en tijd vraagt, dat het administratief statuut niet geschonden kan zijn daar verzoeker van zijn negatieve beoordeling op de hoogte werd gebracht tijdens een evaluatiegesprek op 20 maart 1997, dat zijn onbekwaamheden hem bovendien werden meegedeeld tijdens een functioneringsgesprek en talrijke tussentijdse coördinatievergaderingen, dat hij in het verleden zowel mondeling als schriftelijk herhaaldelijk op de vingers werd getikt, dat verzoeker in een brief van 26 maart 1997 aan de gemeentesecretaris en zelfs eerder, zijn onvolkomenheden toegeeft; Overwegende dat verzoeker dupliceert dat noch de memorie van antwoord noch het administratief dossier het uitblijven van een evaluatiebeslissing gedurende 15 maanden na de evaluatieperiode verantwoordt, dat de informatie- vergadering die volgens verwerende partij “de nodige voorbereiding en tijd” zou hebben gevergd betrekking had op informatie die reeds bekend was sinds april 1997, dat het evaluatieverslag van 20 maart 1997 dat betrekking had op het jaar 1996 gunstig was en dat geen voorstel tot remediëring werd gedaan, dat op zijn repliek van 26 maart 1997, waarin hij het personeelsgebrek aanklaagt, niet werd gereageerd, dat men in de stukken tevergeefs zoekt naar onbekwaamheden waarvoor hij op de vingers zou zijn getikt, dat verwerende partij niet betwist dat hij in de waan werd gelaten dat hij de personeelsdienst op bekwame wijze leidde; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie bijkomend argumenteert dat de op het bestuur rustende verplichting hem binnen een redelijke termijn te beoordelen een algemene en op zichzelf staande verplichting is, dat hij nooit heeft bijgedragen tot enige vertraging en hem ook geen ander verwijt kan worden gemaakt, dat ook het evaluatieverslag inzake de periode 1998-1999 pas op 26 september 2001, zijnde meer dan 20 maanden na het einde van die periode, werd opgesteld en hij op 10 maart 2004 nog geen evaluatieverslag betreffende de periode vanaf 1 januari 2000 heeft ontvangen, dat het niet ontvangen van een aanmaning vanwege verzoeker de ongeoorloofde inertie van verwerende partij niet kan vergoelijken, dat, gezien het doel van de beoordeling en de periodieke opeenvolging ervan, het overschrijden van de termijnen wel degelijk onredelijke proporties aannam, XII-2126-4/11 dat immers het functioneringsgesprek, dat de optimale uitoefening van de functie beoogt door het begeleiden van de medewerker, een essentieel bestanddeel is van de evaluatie zodat een evaluatie 15 maanden na de evaluatieperiode geen zin meer heeft zodat de redelijke termijn verstreken was, dat het feit dat de secretaris meer dan 200 beoordelingsverslagen moet opstellen irrelevant is, dat tegenpartij zich maar zodanig moet organiseren dat een beoordeling binnen een redelijke termijn mogelijk is; 3.1.2. Overwegende, aangaande het eerste onderdeel van het middel, dat verzoeker voor de periode van 1 januari 1997 tot 31 december 1997 pas -in eerste instantie- geëvalueerd is geworden op 30 maart 1999; dat dit rijkelijk laat is; dat verwerende partij de laattijdigheid van de evaluatie in de memorie van antwoord tracht te verantwoorden door de noodzaak “om over alle feitelijke gegevens en inlichtingen te beschikken om met kennis van zaken tot een beslissing te komen”; dat dit geen steek houdt; dat niet blijkt welke feitelijke gegevens en inlichtingen betreffende 1997, niet effectief beschikbaar waren dadelijk na het verstrijken van dat jaar, maar pas na meerdere maanden vergaard konden worden; dat niettemin, hoe afkeurenswaardig de vertraging in de beoordeling ook is, de redelijke termijn niet voor geschonden wordt gehouden; dat in principe, getuige artikelen 73 en 81 van het administratief statuut, de evaluatie slechts om de twee jaar gebeurt en de evaluatieperiode van 1 januari tot 31 december van het daaropvolgende jaar loopt; dat het aldus op zich niet abnormaal is dat een beoordeling (mee) betrekking heeft op feiten van vijftien, twintig of zelfs nog meer maanden voordien; dat overigens niet concreet wordt aangetoond dat, en op welke wijze, het tijdsverloop verzoeker heeft benadeeld; dat het onderdeel ongegrond is; Overwegende, aangaande het tweede onderdeel van het middel, dat artikel 78 van het administratief statuut voorschrijft dat het evaluatiedossier onder meer de persoonlijke nota’s betreffende het personeelslid en de opmerkingen van het personeelslid terzake bevat; dat niet wordt betwist dat dergelijke nota’s te dezen niet voorhanden zijn; dat daaruit niet ipso facto volgt dat verzoeker gerechtigd was te denken dat hem geen enkel verwijt wordt gemaakt; dat ook de afwezigheid van opmerkingen tijdens het functioneringsgesprek van 29 december 1997 niet verantwoordt dat verzoeker mocht menen “dat hij de personeelsdienst op een bekwame manier leidde”, noch beslissend uitwijst dat hij in 1997 geen tekortkomingen beging; dat per slot van rekening een functioneringsgesprek essentieel toekomstgericht is en verzoeker zelf beklemtoont dat de tekortkomingen die hem verweten worden, zich hoofdzakelijk in het begin van het jaar voordeden en XII-2126-5/11 dat er nadien geen klachten meer waren; dat de vraag of verwerende partij, spijts de afwezigheid van de persoonlijke nota’s en opmerkingen tijdens het functioneringsgesprek, terecht tot een ongunstige beoordeling is gekomen, buiten het kader van het besproken onderdeel valt en in het derde middel aan bod komt; dat het besproken middelonderdeel ongegrond is; 3.2.1. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel betoogt dat het onpartijdigheidsbeginsel en het recht van verdediging werden geschonden doordat de gemeentesecretaris tijdens de zitting van 27 april 1999 van het college van burgemeester en schepenen de beraadslaging en de stemming over verzoekers beroep bijwoonde, terwijl niet kan worden nagegaan in welke mate de gemeentesecretaris aan de beraadslaging heeft deelgenomen en de stemming heeft kunnen beïnvloeden; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord argumenteert dat verwerende partij ten onrechte geen onderscheid maakt tussen de hoorzitting en de beraadslaging; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie stelt dat hij inderdaad geen bezwaar heeft gemaakt tegen het deelnemen aan de hoorzitting door de secretaris, doch dat laatstgenoemde ook deelnam aan de beraadslaging en aldus de uitslag ervan kon beïnvloeden; 3.2.2. Overwegende dat verzoeker zich in het middel ertegen verzet dat de gemeentesecretaris aanwezig was bij de beraadslaging en de stemming door het schepencollege over het beroep tegen de door hemzelf uitgebrachte beoordeling; dat dit verzet hierdoor is ingegeven dat de aanwezigheid de mogelijkheid insluit om de uitslag van de stemming te beïnvloeden en dat verzoeker in voorkomend geval dan niet de gelegenheid heeft gekregen om zich tegen die beïnvloeding te verweren; Overwegende dat het middel in zijn algemene, principiële afwijzing van de aanwezigheid van de secretaris, afstuit op artikel 108 van de nieuwe gemeentewet; dat het artikel voorschrijft dat de secretaris de vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen bijwoont en dat hij de notulen ervan opstelt; dat het bijgevolg ten onrechte is dat verzoeker zonder meer doet gelden “dat er geen enkel beletsel was voor de gemeentesecretaris om de zitting van het college van burgemeester en schepenen [...] te verlaten tijdens de beraadslaging over het beroep”; XII-2126-6/11 dat de aanwezigheid van de gemeentesecretaris bij het nemen van het besluit over verzoekers beroep niet per definitie verdacht is; Overwegende, voor het overige, dat verzoeker geen bijzondere elementen bijbrengt die uitwijzen dat de aanwezigheid van de gemeentesecretaris tenminste in de concrete omstandigheden van de zaak als speciaal problematisch te aanzien is en die, met andere woorden, kunnen verklaren waarom althans in casu mag of moet worden betwijfeld dat de gemeentesecretaris niet binnen zijn wettelijke opdracht is gebleven en niet, zoals verwerende partij doet gelden, louter is opgetreden als secretaris, “uiteraard” zonder stemrecht; Overwegende dat het middel ongegrond is; 3.3.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel van het derde middel aanvoert dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden doordat de score “onvoldoende” werd toegekend voor het onderdeel samenwerking, score die als volgt werd gemotiveerd: “om reden dat er geen verbetering is ondanks de opmerkingen vorige evaluatie”, terwijl tijdens het laatste functioneringsgesprek geen enkele opmerking werd gemaakt omtrent de samenwerking, dat de score evenmin wordt verantwoord door te verwijzen naar concrete klachten of gebeurtenissen, dat de motivering bijgevolg niet afdoende is en in strijd met de teneur en de inhoud van het functioneringsgesprek; dat verzoeker daarnaast in een tweede onderdeel aanvoert dat hem onterecht wordt verweten dat hij het dossier van de vacante betrekking bij de politie, voor de gemeenteraadszitting van januari, “foutief” had voorbereid; dat hij in een derde onderdeel stelt dat hem onterecht wordt verweten dat hij de gemeenteraadszitting van april 1999 onvoldoende zou hebben voorbereid “wat jobstudenten betreft”; dat hij in een vierde onderdeel inroept dat hem onterecht een “foutieve benadering van het personeelskader POB” wordt verweten; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog betoogt dat aangezien het verslag van het functioneringsgesprek van 29 december 1997 geen enkele opmerking maakte over samenwerking, moet worden vastgesteld dat die samenwerking geen enkel probleem opleverde en dat de brief van 26 maart 1997 een reactie was op de vorige evaluatie; XII-2126-7/11 3.3.2. Overwegende dat het college de initiële ongunstige evaluatie van verzoeker bekrachtigt met een verwijzing, in de eerste plaats, naar de gegevens van die oorspronkelijke evaluatie waaruit een onvoldoende kennis van de dossiers wordt afgeleid en, in de tweede plaats, naar een tuchtstraf van 21 oktober 1997; dat zodoende de motieven van de collegebeslissing in essentie erop neerkomen, met de woorden van de burgemeester tijdens het verhoor, “dat men niet een uiterste betrouwbaarheid aanvoelt naar de dossiers die van de personeelsdienst komen” en dat verzoeker in bepaalde periodes niet op zijn dienst is; dat het eerste wordt gestaafd door vijf concrete en precieze voorvallen en het tweede door een tuchtstraf voor ongewettigde afwezigheid; dat in dit licht het eerste onderdeel van het middel, gericht tegen de score voor samenwerking die verzoeker in zijn initiële beoordeling werd toebedeeld, niet terzake doet; dat de eventuele onwettigheid van de score niet tot de gevraagde nietigverklaring kan leiden; Overwegende, wat het gebrek aan kennis en betrouwbaarheid inzake de dossiers betreft, dat moet worden vastgesteld dat verzoeker geen betwisting voert met betrekking tot de foutieve voorbereiding, voor de gemeenteraad van januari 1997, van het dossier examenjury POB, noch met betrekking tot de “verkeerde nota over de zomerdienst, die toch wat hilariteit heeft verwekt”; dat hij terzake tijdens de hoorzitting toegeeft, wat de examenjury van de POB aangaat, “dat er geen rekening werd gehouden dat er vrouwelijke juryleden moesten zijn” en, wat de nota over de zomerdienst aangaat, “dat die eerste nota niet volledig was en dat er geen rekening gehouden was met een beslissing het vorig jaar getroffen”; dat in verband met twee andere voorbeelden, waaromtrent in het besproken middel wel een betwisting wordt aangevoerd, verzoeker tijdens zijn verhoor dan toch zelf gewaagt van “misverstanden” op zijn dienst; dat hij, aldus aangaande de zogenaamde foutieve benadering van het personeelskader POB, stelt: “De foutieve benadering van het personeelkader POB berustte op dat ogenblik op een misverstand” en “het misverstand bestond daarin, in het geval POB, dat we gewacht hadden met het opsturen van het nieuw personeelskader”; dat verzoeker ook aangaande de foutieve voorbereiding van het dossier vacantverklaring politie, voor de gemeenteraad van januari 1997, van een misverstand, onder meer in zijn dienst, spreekt: “ik denk dat het op een deel misverstanden berustte, zowel van personeelsdienst als van het college”; dat, het voorgaande bij mekaar genomen, de Raad van State niet bijvalt dat het college ten onrechte heeft geoordeeld “dat op basis van de gegevens van het evaluatieverslag over het jaar 1997 er een onvoldoende kennis van de dossiers blijkt”; dat het tweede, derde en vierde onderdeel, die zulks betwisten, verworpen worden; XII-2126-8/11 Overwegende dat het middel in zijn geheel wordt afgewezen; 3.4.1. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel aanvoert dat het redelijkheidsbeginsel werd geschonden doordat de beweerde tekortkomingen alle betrekking hebben op het eerste trimester van 1997 en doordat het te dezen hoogstens kan gaan om zeldzame vergissingen van geringe omvang die zonder nadelige gevolgen werden rechtgezet; dat hij voorts benadrukt dat tijdens het functioneringsgesprek van 29 december 1997 geen melding werd gemaakt van tekortkomingen of problemen, met uitzondering van een probleem van organisatorische aard, dat er vanaf april 1997 blijkbaar geen klachten meer waren; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord aanvullend betoogt dat verwerende partij zeldzame vergissingen buitenmatig opblaast, dat uit het dossier niet blijkt dat andere personen moesten worden ingeschakeld “om [...] te redden wat er te redden viel”; 3.4.2. Overwegende dat verzoekers tekortkomingen inzake de kennis van de dossiers, zich in de eerste vier maanden van 1997 voordeden; dat de ongewettigde afwezigheid, waarvoor hij op 21 oktober 1997 een berisping opliep, op 11 en 12 augustus 1997 plaatshad; dat het antwoord op de vraag of op grond van een en ander terecht een ongunstige beoordeling voor het gehele jaar kan worden uitgebracht, de uitoefening behelst van een discretionaire bevoegdheid; dat, om het door het college gegeven antwoord op die vraag in strijd met het in het middel aangevoerde beginsel te doen bevinden, verzoeker aannemelijk moet maken dat het de redelijkheidsperken te buiten gaat; dat hij dat niet doet; dat de enkele omstandigheid dat eventueel ook een ander antwoord in redelijkheid denkbaar zou zijn geweest, niet volstaat om aan te tonen dat het college, door te oordelen zoals het gedaan heeft, onwettig heeft gehandeld; dat het middel ongegrond is; 3.5.1. Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel, eerste onderdeel, aanvoert dat de ongunstige evaluatie een verkapte tuchtmaatregel is doordat zowel de beoordeling als de beslissing van het college van burgemeester en schepenen zijn ingegeven door en verwijzen naar de op 21 oktober 1997 uitgesproken tuchtstraf, dat het sectoraal akkoord inzake de periode 1997-1998 onder meer vermeldt dat een evaluatiesysteem geen sanctiemiddel is, doch een motiverend instrument en dat schuldig gedrag tot het domein van het tuchtrecht behoort, en dat de evaluatie van XII-2126-9/11 haar doel is afgewend; dat verzoeker in een tweede onderdeel uiteenzet dat het beginsel non bis in idem geschonden is omdat de feiten waarnaar in de beoordeling en in de bestreden beslissing wordt verwezen reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een afzonderlijke tuchtprocedure, dat immers een negatieve beoordeling vergelijkbaar is met een tuchtstraf daar zij hem rechtstreeks nadeel toebrengt; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie daar aan toevoegt dat hij een tweede maal wordt gesanctioneerd doordat expliciet rekening wordt gehouden met een uitgesproken tuchtstraf, dat een negatieve evaluatie niet als een eenvoudige ordemaatregel kan worden beschouwd daar zij voor hem onmiddellijk materiële en financiële gevolgen heeft, dat uit het functioneringsgesprek van 29 december 1997 moet worden afgeleid dat de orde was hersteld, dat de ongunstige beoordeling wel degelijk een verkapte tuchtmaatregel vormde aangezien hij voor de evaluatieperiode van 1 januari 1998 tot 31 december 1999 gunstig wordt beoordeeld en in het evaluatieverslag wordt gesteld dat de ongunstige evaluatie van de vorige periode mee werd beïnvloed door de uitgesproken tuchtstraf, dat bijgevolg de betrokken evaluatie niet ongunstig zou zijn geweest indien hem geen tuchtstraf zou zijn opgelegd; 3.5.2. Overwegende dat overeenkomstig het toepasselijk administratief statuut de evaluatie afweegt in welke mate de vooropgestelde doelstellingen zijn bereikt en het personeelslid beantwoordt aan zijn functiebeschrijving; dat de omstandigheid dat een tekortkoming aan de vooropgestelde doelstellingen en de functiebeschrijving dermate ernstig is dat er een tuchtstraf voor wordt opgelegd, niet tot gevolg heeft dat met die tuchtstraf de tekortkoming verontschuldigd is of uitgewist, zodanig dat er geen rekening meer mee mag worden gehouden bij de evaluatie van de betreffende periode; dat, integendeel, artikel 78 van het administratief statuut, zelfs uitdrukkelijk bepaalt dat het evaluatiedossier onder meer de nog niet doorgehaalde tuchtstraffen omvat; dat bijgevolg het eerste onderdeel van het middel ongegrond is; XII-2126-10/11 Overwegende dat terécht verzoeker, in het eerste onderdeel, doet gelden dat de evaluatie geen sanctiemiddel is, maar alleen een motiverend instrument ter begeleiding van de personeelsleden in hun functioneren binnen het bestuur; dat, vandaar, de ongunstige evaluatie door het college, die overigens ook nog op geheel andere feiten is gesteund dan de afwezigheid waarvoor verzoeker een tuchtrechtelijke berisping kreeg opgelegd, niet als een tweede tuchtstraf te beschouwen is voor zijn ongewettigde afwezigheid op 11 en 12 augustus 1997; dat ook het tweede onderdeel van het middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2126-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.117 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div