id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.118 Rolnummer: A. 177850/VII-36687 Zaak: Arrest 167118 - Milieuvergunningen - 25/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-06 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 14:24 Fiche Arrest nr 167.118 van 25 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Inwilliging tussenkomst bekendmaking Tussenkomst geweigerd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.118 van 25 januari 2007 in de zaak A. 177.850/VII-36.
- In zake :
- Paul DE SMEDT,
- Marie-Josée VONCK, die woonplaats kiezen bij advocaat D. DE MEERLEER, kantoor houdende te AALST, Sylvain Vanderguchtlaan 5 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partijen :
- Jozef PHILIPS,
- Caroline PHILIPS, die woonplaats kiezen bij advocaat K. VAN WYNSBERGE, kantoor houdende te LEUVEN, Diestsevest 113, verzoekende partij in tussenkomst :
- de FEITELIJKE VERENIGING PHILIPS JOZEF EN CAROLINE, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN WYNSBERGE, kantoor houdende te LEUVEN, Diestsevest
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E V O O R Z I T T E R V AN D E VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul DE SMEDT en Marie-Josée VONCK op 20 oktober 2006 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 24 augustus 2006 inzake het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lebbeke van 23 februari 2006 waarmee aan Jozef PHILIPS een milieuvergunning wordt verleend voor de verdere exploitatie van een landbouwbedrijf aan de Kruisstraat 22 in Lebbeke (Denderbelle); VII-36.687-1/9 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST, op grond van artikel 94 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 22 november 2006, houdende bevel tot neerlegging van het verslag en oproeping van de partijen om te verschijnen op 14 december 2006; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. DE MAESENEIR die, loco advocaat D. DE MEERLEER verschijnt voor de verzoekende partijen, van bestuurssecretaris C. WILLE, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. VAN WYNSBERGE, die verschijnt voor de tussenkomende partijen en de verzoekende partij in tussenkomst; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De rechtspleging Overwegende dat met een verzoekschrift van 11 december 2006 Jozef PHILIPS, Caroline PHILIPS en de FEITELIJKE VERENIGING PHILIPS JOZEF EN CAROLINE vragen om in de zaak te mogen tussenkomen; dat eerste twee verzoekers in tussenkomst de exploitant zijn van de in het geding zijnde inrichting, zodat hun tussenkomst kan worden ingewilligd; dat derde verzoekende partij in tussenkomst als feitelijke vereniging geen rechtspersoonlijkheid heeft; dat haar verzoek tot tussenkomst dan ook moet worden afgewezen; dat, waar voorts de tussenkomende partijen worden vermeld, de eerste twee verzoekers in tussenkomst worden bedoeld; VII-36.687-2/9
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : In het najaar van 2005 dient Jozef PHILIPS bij het provinciebestuur een milieuvergunningsaanvraag in voor de verdere exploitatie van een landbouwinrichting aan de Kruisstraat in Lebbeke. Het gaat in hoofdzaak om het houden van 299 runderen, waarvan 129 in stallen in woongebied met landelijk karakter en 170 in agrarisch gebied. Met een brief van 13 oktober 2005 laat het provinciebestuur aan de aanvrager weten dat het om een inrichting klasse 2 gaat, waardoor de aanvraag moet worden ingediend bij het gemeentebestuur. Blijkbaar redeneert het provinciebestuur dat aangezien zowel het houden van 129 runderen in woongebied met landelijke karakter, als het houden van 170 runderen in agrarisch gebied, activiteiten ingedeeld in klasse 2 zijn, de combinatie van beide ook een activiteit klasse 2 is. De aanvrager dient op 8 december 2005 een aanvraag in bij het gemeentebestuur. Zowel de afdeling Milieuvergunningen als de Vlaamse Landmaatschappij laten in hun advies weten dat het om een inrichting klasse 1 gaat, waarvoor niet het college van burgemeester en schepenen bevoegd is, maar wel de bestendige deputatie. Het gemeentebestuur contacteert daarop het provinciebestuur, dat antwoordt met het voorstel de lopende procedure verder te zetten. Op 23 februari 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lebbeke de gevraagde vergunning. Op 15 april 2006 dienen de verzoekende partijen een administratief beroep in. Bij het verlenen van de adviezen laat de afdeling Milieuvergunningen opnieuw weten dat het om een inrichting klasse 1 gaat, waarvoor het college van burgemeester en schepenen niet bevoegd was. Bij het bestreden besluit van 24 augustus 2006 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen grotendeels de gevraagde vergunning, voor ondermeer : "9.4.3.b)1/ / 9.4.3.c)1/ (samen klasse 1) stallen met plaatsen voor 299 runderen (75 runderen VII-36.687-3/9 (129 stuks in woongebied met landelijk karakter en 170 stuks in agrarisch gebied)";
- De ontvankelijkheid van het beroep 3.
- Overwegende dat de tussenkomende partijen in hun verzoekschrift tot tussenkomst opwerpen dat de verzoekende partijen "het vereiste griefhoudend belang" ontberen om reden dat de bestreden milieuvergunningsaanvraag een hernieuwing van de bestaande milieuvergunningen betreft die geen inhoudelijke uitbreidingen met betrekking tot de bestaande vergunde situatie bevat; dat zij stellen dat, integendeel, deze aanvraag voor een aantal inrichtingen, te weten de mest- en mazoutopslag, zelfs in een inkrimping voorziet, dat daarenboven de mestopslag thans in woongebied met landelijk karakter deels wordt verschoven naar de opslag in agrarisch gebied, zodat kan worden aangenomen dat de hinder zal verminderen, dat daarenboven het bestreden besluit strengere milieuvergunningsvoorwaarden oplegt dan de vorige milieuvergunningen; dat zij opmerken dat de enige uitbreiding die in de aanvraag wordt voorzien de groenvoederopslag betreft, dit in agrarisch gebied, en dat de verzoekende partijen niet aannemelijk maken op welke wijze deze bijkomende voederopslag voor hen griefhoudend zou zijn; dat, voorts, zij ook opwerpen dat de verzoekende partijen het vereiste actueel belang bij de vordering tot vernietiging ontberen omdat het in casu gaat om een vroegtijdige hernieuwing van de vroeger bestaande geldende milieuvergunningen zodat, zelfs in geval van vernietiging, zij steeds kunnen terugvallen op de bestaande milieuvergunningen die slechts ten vroegste vervallen in 2011; dat, ten slotte, zij opwerpen dat het annulatieberoep in hoofde van eerste verzoeker onontvankelijk is, dat, immers, uit het verzoekschrift tot vernietiging blijkt dat eerste verzoeker een handelaar is, dat overeenkomstig artikel 11 van de KBO-wet van 16 januari 2003 het gebruik van het ondernemingsnummer verplicht is in de betrekkingen die de ondernemingen hebben met de administratieve en de rechterlijke overheden, dat eerste verzoeker heeft nagelaten zijn ondernemingsnummer in zijn verzoekschrift te vermelden, zodat krachtens artikel 14, lid 3, van evengenoemde wet zijn vordering onontvankelijk is; 3.
- Overwegende dat een milieuvergunning steeds geldt voor een bepaalde termijn; dat door een hernieuwing van een vergunning -al dan niet voortijdig- een vergunning wordt verleend voor een nieuwe termijn; dat in casu de lopende vergunning gold tot 2011, terwijl de in het geding zijnde vergunning geldt tot 2026; dat deze verlenging griefhoudend is, ook al verandert er niets wezenlijks aan de inrichting; dat het gegeven dat bij een annulatie de exploitant zou kunnen VII-36.687-4/9 terugvallen op de nog tot 2011 lopende vergunning, aan de verzoekende partijen niet het actueel belang bij de vernietiging van de vergunning ontneemt voor zover deze zou gelden van 2011 tot 2026; dat, ten slotte, het ingediende annulatieberoep volkomen vreemd is aan de handelsactiviteiten van eerste verzoeker; dat de excepties niet kunnen worden aangenomen;
- De gegrondheid van het beroep 4.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel aanvoeren wat volgt : "MACHTSOVERSCHRIJDING : GEBREKKIGE MOTIVERING - Schending art. 17 Milieuvergunningsdecreet - Schending art. 50.3/ Vlarem I - Schending art. 2 en 3 van de Wet van 29 juni 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen"; dat zij onder meer doen gelden : "Het advies van Aminal-AMV dd. 8 juni 2006 is ongunstig. Het advies stelt duidelijk dat het bedrijf als een klasse I-inrichting moet beschouwd worden. Derhalve kan de Bestendige Deputatie zich in graad van beroep niet uitspreken over de grond van de zaak doch dient zij de totale procedure onontvankelijk te verklaren en de heer Philips Jozef diende verzocht een nieuwe aanvraag in te dienen bij de Bestendige Deputatie, dit in eerste aanleg. Toch stelt de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Oost-Vlaanderen dat de vergunning kan worden verleend en dat de proceduregang geen belang heeft. Op geen enkele wijze geeft de Bestendige Deputatie aan hoe zij de proceduregang voor een klasse II-inrichting toch aanvaardt daar waar de procedure voor een klasse I-inrichting had dienen gevolgd te worden. De bestreden beslissing faalt aldus flagrant in haar motiveringsverplichting"; 4.
- Overwegende dat de tussenkomende partijen in essentie stellen dat de verwerende partij in haar schrijven van 13 oktober 2005 heeft meegedeeld dat de inrichtingen voor het houden van runderen in agrarisch gebied
(170)en in woongebied met landelijk karakter
(129)apart moeten worden beoordeeld en dat dit de motivering van het bestreden besluit uitmaakt waarom de verwerende partij wel degelijk bevoegd is om de aanvraag te behandelen; dat zij ook verwijst naar het standpunt van de voorzitter van de Provinciale Milieuvergunningscommissie dat er op neerkomt dat de aanvraag oorspronkelijk bij het provinciebestuur werd ingediend, maar naar de gemeenteraad werd doorgestuurd daar deze van oordeel was dat het om een klasse 2-inrichting ging, dat het milieu niet gebaat is bij het heropstarten van de procedure en derden op geen enkele wijze door de genomen beslissing zijn geschaad; dat, ten slotte, de tussenkomende partijen er bij blijven dat de inrichtingen terecht als VII-36.687-5/9 afzonderlijke inrichtingen klasse 2 in aanmerking werden genomen, daar de ene inrichting is gelegen in agrarisch gebied op kadastraal perceel nr. 325 g en de andere inrichting in woongebied met landelijk karakter, aan de overzijde van de Kruisstraat en op andere kadastrale percelen; 4.3. Overwegende dat in het bestreden besluit wordt overwogen "dat m.b.t. de procedurale aspecten het volgende kan worden gesteld" : "De huidige aanvraag betreft het verder exploiteren van een landbouwbedrijf houdende 299 runderen, zijnde : - 129 stuks in woongebied met landelijk karakter (rubriek 9.4.3.
- b)1/) - 170 stuks in agrarisch gebied (rubriek 9.4.3.
- c)l/). Op 25 januari 2006 werd door de AMINAL - Afdeling Milieuvergunningen het volgende standpunt ingenomen : 'Hinderlijke inrichtingen worden volgens het Vlarem ingedeeld in drie klassen, naargelang van de graad waarin zij geacht worden belastend te zijn voor de mens en het leefmilieu. Zo worden de potentieel minst hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de derde klasse, de middelmatig hinderlijke inrichtingen in de tweede klasse en de meest hinderlijke inrichtingen in de eerste klasse. De graad van de hinderlijkheid van een bedrijf moet echter steeds worden beoordeeld op het geheel van het bedrijf. De in de indelingslijst genoemde drempelwaarden hebben meestal betrekking op de productiecapaciteit, het geïnstalleerd vermogen en voor wat de veehouderijen betreft, het aantal standplaatsen voor de dieren in de stallen. Voor sommige hinderlijke inrichtingen (o.a. de veehouderijen, de opslag van dierlijke mest en de opslag van groenvoeders) werd bovendien een verdere onderverdeling gemaakt in de rubrieken naar gelang de ligging volgens het gewestplan. Hierbij is, voor de vergunningsplicht, de ondergrens van het aantal dieren verschillend afhankelijk van de hindergevoeligheid van de verschillende gebieden volgens de indeling op het gewestplan. Daar tegenover staat dat de ondergrens voor de indeling in de eerste klasse voor de verschillende gebieden volgens het gewestplan wel overal dezelfde is. Om de theorie duidelijker voor te stellen nemen we een fictief voorbeeld van een landbouwbedrijf met twee stallen van elk 19.999 slachtkippen. Indien het bedrijf volledig gelegen is in het agrarisch gebied moet het ingedeeld worden in de rubriek 9.3.1.c)2/ en behoort het tot de 1ste klasse. Indien het bedrijf zou gelegen zijn deels in een woongebied en deels in het agrarisch gebied, en waarbij elke stal in een verschillend gebied zou staan, zou men bij een zeer letterlijke toepassing eventueel kunnen stellen dat het bedrijf ingedeeld is in de rubrieken 9.3.1.a)1/ en 9.3.1.c)1/ en dus tot de 2de klasse zou behoren. Dit zou betekenen dat hetzelfde bedrijf als minder hinderlijk zou worden beschouwd indien het deels gelegen is in een woongebied dan wanneer het volledig in het agrarisch gebied zou liggen. Deze zienswijze kan geenszins de bedoeling van de decreetgever zijn en is duidelijk in tegenspraak met het principe dat de klasse indeling afhankelijk is van de hinderlijkheid (hoe hinderlijker hoe hoger de klasse) en van de globale beoordeling van de hinderlijkheid van een bedrijf. In de verklarende tekst onder de titel van Bijlage 1 van Titel I van het Vlarem wordt in het algemeen het volgende bepaald : VII-36.687-6/9 'Wanneer een exploitant in dezelfde inrichting of op dezelfde plaats verscheidene activiteiten van dezelfde rubriek verricht, worden de capaciteiten van de activiteiten bij elkaar opgeteld'. De rubrieken 9.3 - 9.7 en 28.2 dienen toegepast te worden zoals de andere Vlaremrubrieken waar men ook hoeveelheden samentelt. Stallen of mestopslagplaatsen binnen een bepaald gebied worden ook niet elk afzonderlijk bekeken. Het geheel van de op de inrichting aanwezige dierplaatsen voor een bepaalde diersoort of van de mestopslag moet dus als uitgangspunt worden genomen. Als de inrichting wat die dieren of mestopslag betreft (geheel of gedeeltelijk) gelegen is in een gebied dat een hogere bescherming vraagt, dan moet getoetst worden aan de daarvoor toepasselijke indelingscriteria'. Zowel de Vlaamse Landmaatschappij als het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie - Afdeling Milieuvergunningen dienst Oost-Vlaanderen zijn van oordeel dat het bedrijf als een eerste klasse inrichting dient beschouwd te worden. Derhalve diende de aanvraag in eerste aanleg door de Bestendige Deputatie afgehandeld te worden. Het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie - Afdeling Milieuvergunningen dienst Oost-Vlaanderen stelt dan ook voor om het beroepen besluit van het College van Burgemeester en Schepenen op te heffen. Er dient evenwel te worden opgemerkt dat het aanvraagdossier aanvankelijk werd ingediend bij de Bestendige Deputatie. Op 13 oktober 2005 werd de exploitant via een schrijven ter kennis gesteld dat het een 2de klasse inrichting betreft en dat de aanvraag moet ingediend worden hij het College van Burgemeester en Schepenen. Het dossier werd vervolgens op 8 december 2005 ingediend hij het College van Burgemeester en Schepenen. De Vlaamse Landmaatschappij stelt in haar advies van 25 januari 2006 dat de verkeerde procedure wordt gevolgd daar het een klasse 1 -inrichting betreft. Op 25 januari 2006 wordt bovengenoemd standpunt van de AMINAL, Afdeling Milieuvergunningen meegedeeld aan het College van Burgemeester en Schepenen van Lebbeke. Het College van Burgemeester en Schepenen informeert bij de provincie. Omdat het dossier werd ingediend vóórdat een éénduidig standpunt werd ingenomen door het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie - Afdeling Milieuvergunningen dienst Oost-Vlaanderen, stelde de provincie voor om het dossier alsnog te laten behandelen door het College. Op 23 februari 2006 wordt de vergunning verleend door het College van Burgemeester en Schepenen voor een termijn tot en met 23 februari 2026"; dat daaruit blijkt dat de verwerende partij van oordeel is dat de inrichting is ingedeeld in klasse 1; dat dit ook evident is aangezien zowel in woongebied met landelijk karakter als in agrarisch gebied het houden van meer dan 200 runderen ingedeeld is in klasse 1 (rubrieken 9.4.3.
- b)2/ en 9.4.3.
- c)2/); dat de tussenkomende partijen er ten onrechte van uitgaan dat het twee verschillende inrichtingen betreft; dat, vooreerst, er slechts één vergunningsaanvraag voor beide rubrieken werd ingediend, die uitdrukkelijk klasse 1 vermeldt en dat met het bestreden besluit één vergunning voor een inrichting van klasse 1 werd verleend; dat het gegeven dat de ene rubriek zijn uitvoering vindt in agrarisch gebied en de andere rubriek in woongebied met landelijk karakter op verschillende kadastrale percelen daaraan geen afbreuk doet; dat wordt vastgesteld dat het bestreden besluit niet de minste motivering bevat waarom de VII-36.687-7/9 verwerende partij meende bevoegd te zijn om in graad van beroep een milieuvergunning klasse 1 te verlenen; dat de redenen -en daargelaten de vraag of deze redenen wel rechtsgeldig zijn- die de tussenkomende partijen aanbrengen niet als motivering in het bestreden besluit terug te vinden zijn; dat enkel als louter gegeven ("gelet op") de inhoud van een aantal "vaststellingen" van de Provinciale Milieuvergunningscommissie met in begrip van het standpunt van de voorzitter wordt weergegeven; dat de tussenkomende partijen ook niet kunnen worden gevolgd in hun betoog dat derden op geen enkele wijze door de genomen beslissing zijn geschaad; dat, immers, er niet zomaar kan worden van uitgegaan dat in graad van beroep de bevoegde minister dezelfde beslissing zou hebben genomen; dat het middel in de besproken mate kennelijk gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van Jozef PHILIPS en Caroline PHILIPS wordt ingewilligd. Artikel 2. Het verzoek tot tussenkomst van de FEITELIJKE VERENIGING PHILIPS JOZEF EN CAROLINE wordt niet ingewilligd. Artikel 3. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 24 augustus 2006 inzake het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lebbeke van 23 februari 2006 waarmee aan Jozef PHILIPS een milieuvergunning wordt verleend voor de verdere exploitatie van een landbouwbedrijf aan de Kruisstraat 22 in Lebbeke (Denderbelle). Artikel 4. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 5. VII-36.687-8/9 De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 375 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen en de verzoekende partij in tussenkomst, elk voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-36.687-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.118 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div