← België

Arrest 167121 - Milieuvergunningen - 25/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.121 Rolnummer: A. 110024/VII-24531 Zaak: Arrest 167121 - Milieuvergunningen - 25/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-06 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 14:25 Fiche Arrest nr 167.121 van 25 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.121 van 25 januari 2007 in de zaak A. 110.024/VII-24.

  1. In zake : de n.v. VAN DEN HOVE, die woonplaats kiest bij advocaat K. HELSEN, kantoor houdende te LEUVEN, Diestsevest 113 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. VAN DEN HOVE op 7 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 28 juni 2001 waarbij het beroep ingesteld tegen de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oosterzele van 29 januari 2001 gedeeltelijk wordt ingewilligd en waarbij de bestendige deputatie enerzijds vergunning verleent voor stallen voor 35 paarden in een paardenfokkerij, gelegen aan de Frankenbos 3 te Oosterzele, en anderzijds de vergunning weigert voor bijkomende stalplaatsen voor 10 paarden tot in totaal 45 paarden; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 16 februari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; VII-24.531-1/11 Gelet op de beschikking van 22 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN WYNSBERGHE die, loco advocaat K. HELSEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van bestuurssecretaris C. WILLE die, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De feiten Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. De verzoekende partij exploiteert een paardenstoeterij aan de Frankenbos 3 te Oosterzele. In de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999 worden in de aangiftes bij de Mestbank volgende cijfers voor bezetting/aantal standplaatsen opgegeven: 5/10, 10/12, 25/35 en 25/
  4. 1.
  5. Op 27 november 2000 dient de verzoekende partij voor voormelde inrichting een milieuvergunningsaanvraag (regularisatie) in voor een paardenhouderij die onder meer betrekking heeft op stallen met "plaats voor het houden van 45 paarden". In de aanvraag wordt uitdrukkelijk beroep gedaan op artikel 36 van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen. Het wordt niet betwist dat op het ogenblik van de aanvraag 45 standplaatsen voor paarden op de inrichting aanwezig waren. 1.
  6. Tijdens het openbaar onderzoek worden geen bezwaren of opmerkingen ingediend. 1.
  7. Op 29 januari 2001 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oosterzele de gevraagde vergunning. VII-24.531-2/11 1.
  8. Op 5 maart 2001 tekent de verzoekende partij administratief beroep aan tegen voormelde beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oosterzele. 1.
  9. Volgende adviezen worden verleend: S op 24 april 2001 adviseert de afdeling Milieuvergunningen gunstig voor een paardenfokkerij met plaatsen voor 35 dieren en ongunstig voor 10 bijkomende plaatsen, aangezien uit het dossier blijkt dat deze uitbreiding gebeurde na 1999 en derhalve buiten de regularistatiemogelijkheid vastgesteld in artikel 36, 6/, van het meststoffendecreet valt; S op 11 april 2001 adviseert de Vlaamse Milieumaatschappij gunstig; S op 19 april 2001 adviseert de AROHM gunstig; S op 3 mei 2001 adviseert de Vlaamse Landmaatschappij ongunstig; S op 8 mei 2001 adviseert de provinciale milieudeskundige gunstig voor een paardenfokkerij met plaatsen voor 35 dieren en ongunstig voor 10 bijkomende plaatsen; S op 29 mei 2001 adviseert de Provinciale Milieuvergunningscommissie, na de aanvrager te hebben gehoord, gunstig voor een paardenfokkerij met plaatsen voor 35 dieren en ongunstig voor 10 bijkomende plaatsen. 1.
  10. Op 28 juni 2001 wordt het bestreden besluit genomen. In dit besluit wordt onder meer overwogen: "Overwegende dat, wat het aspect mestproductie en toepassing van het Mestdecreet betreft, uit het dossier blijkt dat de exploitant niet beschikt over een vergunning voor het houden van paarden in vergunningsplichtige aantallen (tweedeklasse-inrichting vanaf 20 stalplaatsen), zodat de vergunde mestproduc- tie 0 kg N/jaar en 0 kg P2O5/jaar bedraagt; dat de exploitant met het aange- vraagde dierenaantal een vergunde mestproductie van 1350 kg P2O5/jaar en 2925 kg N/jaar beoogt; dat de vergunningsaanvraag dan ook een stijging in houdt van de vergunde mestproductie, wat strijdig is met artikel 33ter § 1, 1/ c) van het Mestdecreet; Overwegende evenwel dat in toepassing van de in artikel 36, 6/ van het Mestdecreet vastgestelde afwijkingsregeling toch een milieuvergunning kan worden verleend voor paardenstallen behorende bij maneges en paardenfokke- rijen die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren, op voorwaarde dat hiervoor een aanvraag werd ingediend vóór 1 december 2000; dat uit het dossier blijkt dat de voorliggende milieuvergunningsaanvraag op 27 november 2000, dus tijdig, werd ingediend; dat verder uit de aangiftes bij de Mestbank volgende bezetting (standplaatsen) in de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999 blijkt: 5

(10), 10
(12), 25
(35)en 25
(35); dat deze gegevens aantonen dat de paardenfokkerij in de voormelde jaren in exploitatie was; Overwegende dat, rekening houdende met deze gegevens en met het feit dat bij het beroepschrift tevens een aantal stamboekdocumenten en aan- en verkoopfacturen van paarden voor de jaren 1996 en 1997 waren gevoegd, kan VII-24.531-3/11 worden geconcludeerd dat er in 1996 en 1997 wel degelijk exploitatie was van een paardenfokkerij; dat volgens de aangiftes voor 1998 en 1999 er op de inrichting 35 standplaatsen aanwezig waren; dat deze in aanmerking komen voor de in artikel 36, 6/ van het Mestdecreet vastgestelde regularisatiemogelijk- heid; Overwegende dat de uitbreiding met 10 standplaatsen tot in totaal 45 plaatsen gebeurde na 1999 en bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de hiervoor vermelde afwijkingsregeling valt";
  1. De gegrondheid van het beroep 2.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij als enig middel het volgende aanvoert: "Enig middel gebaseerd op de schending van artikel 36,6/ van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het mestdecreet, zoals gewijzigd bij het decreet van 3 maart 2000 tot wijziging van het mestdecreet en op de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meerbepaald de motiveringsver- plichting, Doordat de milieuvergunning slechts werd toegestaan voor 35 plaatsen voor paarden in plaats van de gevraagde 45 plaatsen, op basis van de argumentatie 'dat de uitbreiding met 10 standplaatsen tot in totaal 45 plaatsen gebeurde na 1999 en bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de hiervoor vermelde afwijkingsregeling valt', Terwijl het artikel 36, 6/ van het wijzigingsdecreet bepaalt dat 'milieuvergun- ningen voor paardenstallen horende bij maneges en paardenfokkerijen die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren, kunnen worden verleend in zoverre de milieuvergunning voor 1 december 2000 wordt aangevraagd' en er geen andere wettelijke of reglementaire bepalingen uitvoering hebben gegeven aan deze overgangsmaatregel zodat het de vergunningverlenende overheid niet toekomt een beperkende interpretatie te geven aan deze bepaling door te stellen dat enkel vergunning kan worden verleend voor de plaatsen die er tot 1999 op het bedrijf aanwezig waren. Toelichting Art. 36 van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het mestdecreet zoals dit werd gewijzigd bij art. 19 van het decreet van 3 maart 2000 tot wijziging van het mestdecreet, bevat een overgangsregeling en bepaalt het volgende in punt 6: 6/ milieuvergunningen voor paardenstallen behorende bij maneges en paardenfokkerijen die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren, kunnen worden verleend in zoverre de milieuvergunning voor 1 december 2000 wordt aangevraagd'. Het betreft hier met andere woorden een overgangsmaatregel die een afwijking op het algemeen vergunningenbeleid, opgenomen in art. 33ter van het mestdecreet, inhoudt. Dit vergunningenbeleid is - alleszins wat betreft de periode tot 31 december 2004 - zeer strikt opgevat. In principe kunnen er tot 31 december 2004 geen milieuvergunningen meer worden afgeleverd voor nieuwe veeteeltinrichtingen, noch voor veranderingen van bestaande veeteeltinrichtingen die een verhoging van de vergunde mestproductie tot gevolg hebben (behoudens in enkele welomschreven uitzonderingsgevallen). VII-24.531-4/11 Verder wordt dan bepaald in het art. 33ter dat een milieuvergunning nog kan verleend worden voor de verdere exploitatie van een veeteeltinrichting of voor de verandering/herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting zonder verhoging van de vergunde mestproductie in zoverre voldaan is aan de aangifteplicht bij de Mestbank tijdens de drie voorafgaande kalenderjaren en mits een correcte mestafzet gedurende deze periode. Het is derhalve duidelijk dat de overgangsbepaling van art. 36, 6/ van het wijzigingsdecreet een afwijking bevat ten aanzien van het algemene vergunning- enbeleid. De vergunningverlenende overheid kon in casu dus niet zonder meer toepassing maken van art. 33ter, §1, l/ van het mestdecreet omwille van de decretaal voorziene afwijkingsregeling. Ingevolge deze overgangsbepaling kunnen paardenhouderijen immers een milieuvergunning bekomen onder de enkele voorwaarde dat ze in de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren en mits de milieuvergunningsaanvraag tijdig werd ingediend. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook paardenhouderijen die voorheen nooit vergund waren voor deze 'regularisatiemogelijkheid' in aanmerking kwamen vermits de voornoemde bepaling nergens stipuleert dat moet voldaan zijn aan de kwalificatie van '(bestaande) landbouwinrichting' of '(bestaande) veeteeltinrich- ting', noch wordt bepaald dat de mestafzet dient bewezen te zijn, noch wordt vooropgesteld dat de aanvraag geen stijging van de vergunde mestproductie tot gevolg mag hebben. De enige voorwaarde die overeenkomstig art. 36, 6/ van het wijzigingsde- creet dient voldaan te zijn opdat een milieuvergunning zou kunnen afgeleverd worden, betreft met andere woorden het feit dat de paardenstallen, horende bij een manege of een paardenfokkerij, reeds in exploitatie moest zijn tijdens de jaren 1996, 1997, 1998 en
  3. In dit kader dient ook art. 33ter, §4 van het mestdecreet aangehaald te worden. Dit artikel bepaalt immers : 'De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de bepalingen van art. 33ter, §
  4. Tevens kan de Vlaamse Regering voor volgende categorieën van veeteeltinrichtingen, vanwege hun specifieke aard, afwijkingen toestaan op de bepalingen van §1: S veeteeltinrichtingen onlosmakelijk verbonden aan kinderboerderijen; S veeteeltinrichtingen onlosmakelijk verbonden aan onderwijsinstellingen en opvoedingsinstellingen S veeteeltinrichtingen waar uitsluitend paarden en/of pony's gehouden worden. De Vlaamse Regering bepaalt de regels waaraan die inrichtingen moeten voldoen. De Vlaamse Regering bepaalt tevens in welke mate die inrichtingen onderworpen zijn aan de bepalingen van artikel 33bis inzake de nutriëntenhalte en de wijze waarop de nutriëntenhalte moet worden toegekend.' Dit artikel geeft de Vlaamse Regering met andere woorden de mogelijkheid om door middel van een uitvoeringsbesluit verdere voorwaarden te bepalen waaraan paardenhouderijen dienen te voldoen wanneer ze een milieuvergun- ningsaanvraag doen in het kader van art. 36, 6/ van het wijzigingsdecreet. Zulk uitvoeringsbesluit is tot op heden niet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Dit heeft evenwel voor gevolg dat het art. 36, 6/ van het wijzigingsdecreet dient uitgevoerd te worden op de wijze zoals in de bepaling zelf - zij het dan op summiere wijze - is omschreven. Paardenstallen horende bij een manege of een paardenfokkerij en die in exploitatie waren in 1996, 1997, 1998 en 1999 kunnen bijgevolg vergund worden in zoverre de vergunning voor 1 december 2000 wordt aangevraagd. VII-24.531-5/11 Andere voorwaarden dan een exploitatie gedurende de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999 zijn niet opgenomen en kunnen dan ook niet door de milieuver- gunningverlenende overheid worden toegevoegd! In het geval van verzoeker is dit evenwel gebeurd. Verzoeker dient op 27 november 2000 een milieuvergunningsaanvraag in voor het houden van 45 paarden dus alleszins tijdig. In eerste instantie wordt de vergunning door het College van Burgemeester en Schepenen van Oosterzele volledig geweigerd op basis van het ongunstige advies van de Mestbank waarbij wordt gesteld dat niet aangetoond is dat er sedert het jaar 1996 een onafgebroken exploitatie zou zijn. Er wordt bijgevolg geoordeeld dat niet voldaan is aan de voorwaarden van art. 36, 6/ van het wijzigingsdecreet. Verzoeker motiveert vervolgens in zijn beroepsschrift voor de Bestendige Deputatie dat het dossier voldoende elementen bevat die bewijzen dat de paardenfokkerij wel degelijk werd geëxploiteerd sinds het jaar 1996 en er dus voldaan wordt aan alle voorwaarden van de afwijkingsregeling. De Bestendige Deputatie volgt verzoeker hierin: '(...)dat uit het dossier blijkt dat de voorliggende milieuvergunningsaanvraag op 27 november 2000, dus tijdig, werd ingediend; dat verder uit de aangiftes bij de Mestbank volgende bezetting (standplaatsen in de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999 blijkt: 5
(10), 10
(12), 25
(35)en 25
(35). Dat deze gegevens aantonen dat de paardenfokkerij in de voormelde jaren in exploitatie was. Overwegende dat, rekening houdende met deze gegevens en met het feit dat bij het beroepsschrift tevens een aantal stamboekdocumenten en aan- en verkoopfacturen van paarden voor de jaren 1996 en 1997 waren gevoegd, kan worden geconcludeerd dat er in 1996 en 1997 wel degelijk exploitatie was van een paardenfokkerij (...)' Er bestaat m.a.w. geen enkele betwisting meer over het feit dat verzoeker voldoet aan de voorwaarde dat de paardenfokkerij in exploitatie was tijdens de jaren 1996, 1997, 1998 en
  1. De Bestendige Deputatie vervolgt haar argumentatie dan evenwel op een zeer eigenaardige wijze, m.n.'(...) dat volgens de aangiftes voor 1998 en 1999 er op de inrichting 35 standplaatsen aanwezig waren; dat deze in aanmerking komen voor de in art. 36, 6/ van het mestdecreet vastgestelde regularisatiemogelijkheid. Overwegende dat de uitbreiding met 10 standplaatsen tot in totaal 45 plaatsen gebeurde na 1999 en bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de hiervoor vermelde afwijkingsregeling valt'. De interpretatie die de Deputatie in casu maakt wat betreft het aantal te vergunnen plaatsen, vindt evenwel geen enkele grond in art. 36, 6/ van het wijzigingsdecreet. Dit artikel bevat geen enkele aanduiding van het feit dat er slechts een vergunning kan verleend worden ten belope van de in de mestbank- aangiftes van 1998 en 1999 opgegeven standplaatsen. De Deputatie heeft hier bijgevolg een beperkende interpretatie toegepast die geen enkele grond vindt in de toepasselijke decreetbepaling. Zelfs wanneer er teruggegrepen wordt naar het ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van artikel 33ter van het mestdecreet en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlarem - dat evenwel nog niet is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en dus nog geen toepassing kan vinden - en meerbepaald het art. 6, vindt de zienswijze van de Deputatie hierin evenmin een grondslag. Het betreffende art. 6 vermeldt immers 'In uitvoering van het artikel 33ter, §4 van het decreet en in afwijking van de artikelen 2 en 3 van dit besluit kan voor veeteeltinrichtingen waar uitsluitend pony's en paarden gehouden worden nog een milieuvergunning afgeleverd worden voor de subrubriek 9.4.3 (paardachti- gen in het bijzonder) van de indelingslijst indien aan elk van de volgende voorwaarden voldaan is: VII-24.531-6/11 1/ er is voldaan aan de overgangsbepalingen van artikel 36, 6/ van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 en tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985; 2/ het maximaal aantal te vergunnen plaatsen voor paarden bedraagt maximaal het aantal standplaatsen dat op de inrichting aanwezig was op 30 maart
  2. De milieuvergunning kan bovendien slechts afgeleverd worden indien de Vlaamse Landmaatschappij een gunstig advies gegeven heeft'. De visie van de Bestendige Deputatie dat de uitbreiding met 10 standplaatsen tot in totaal 45 plaatsen gebeurde na 1999 en bijgevolg buiten het toepassingsge- bied van de hiervoor vermelde afwijkingsregeling valt, vindt zelfs geen grondslag in het ontwerpbesluit en het is om die reden voor verzoeker totaal onduidelijk waarop de door de Deputatie gehanteerde toepassing is gebaseerd. In het aanvraagdossier voegde verzoeker voldoende plannen bij waaruit bleek dat er 45 standplaatsen voor paarden op het bedrijf voorzien waren. Hierover lijkt overigens ook geen discussie te bestaan, aangezien er zelfs in de (weige- rings)beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van 29 januari 2001 vermeldt wordt 'Plaatsbezoek dd. 5/01/2001 wijst uit dat er voldoende standplaatsen aanwezig zijn om de gevraagde 45 paarden te huisvesten'. Door de gevraagde vergunning voor 45 paarden te beperken tot een milieuvergunning voor het houden van 35 paarden op grond van de in de mestbankaangiftes opgegeven standplaatsen, heeft de Deputatie onterecht een beperkende en manifest foutieve toepassing gemaakt van het art. 36, 6/ van het wijzigingsdecreet en heeft ze zich daarenboven schuldig gemaakt aan een schending van de motiveringsverplichting door op volstrekt onduidelijke wijze deze beperking tot 35 plaatsen te motiveren aangezien de wettelijke grondslag voor deze beperking ontbreekt"; 2.
  3. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: "Verzoekster geeft in haar verzoekschrift zelf aan dat artikel 36, 6/ van het Mestdecreet een regularisatiemogelijkheid behelst. In onderhavig geval werd aan de houders van paardenstallen behorende bij maneges en paardenfokkerijen tijdelijk de kans geboden om onder zeer strikte voorwaarden een milieuvergun- ning te verkrijgen in afwijking van het strenge vergunningenbeleid dat artikel 33ter van het Mestdecreet vaststelt. Overeenkomstig genoemde bepaling moet de betrokken inrichting in exploitatie zijn geweest in 1996, 1997, 1998 en
  4. Deze jaren gelden als referentiejaren voor de vaststelling van de vergunningstoestand waarvan de regularisatie wordt beoogd. Indien de decreetgever ook het jaar 2000 zou hebben beoogd, zoals verzoekster aanvoert, zou dit jaartal eveneens in artikel 36, 6/ opgenomen zijn geweest. Uit het dossier dat aan verweerster ter beslissing werd voorgelegd bleek dat de betrokken inrichting in de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999 volgende bezetting resp. standplaatsen had: 5 en 10, 10 en 12, 25 en 35 en 25 en
  5. Verzoekster betwist die gegevens niet. Bijgevolg bedroeg het maximumaantal standplaatsen gedurende de referentieperiode 35 eenheden, nl. in 1998 en
  6. De uitbreiding tot 45 stalplaatsen gebeurde na het jaar 1999, dus buiten de hiervoor vermelde referentieperiode. Verzoekster betwist ook dit gegeven niet. Verweerster heeft dan ook terecht de vergunning verleend voor slechts 35 stalplaatsen en geweigerd voor de 10 stalplaatsen die er na 1999 zijn bijgekomen"; VII-24.531-7/11 2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog het volgende aanvoert: "Verzoekende partij acht het verweer van tegenpartij om volgende redenen niet afdoende. Op het ogenblik van de besluitvorming door de Bestendige Deputatie over het beroep dat door verzoeker was ingesteld tegen de weigering van vergunning door het Schepencollege, bestond de enige ter zake van toepassing zijnde wetsbepaling uit art. 36, 6/ van het mestdecreet. Daarin wordt bepaald 'Bij wijze van overgangsregeling gelden de volgende afwijkende regels: 6/ milieuvergunningen voor paardenstallen behorende bij manèges en paardenfokkerijen die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren, kunnen worden verleend in zoverre de milieuvergunning voor 1 december 2000 wordt aangevraagd'. Deze bepaling vormt een duidelijke afwijking t.a.v. het algemeen vergunning- enbeleid dat is opgenomen in art. 33ter van het mestdecreet en dat er grosso modo op neer komt dat er geen uitbreidingen van vergunde mestproductie kunnen worden toegestaan. Op het ogenblik dat de Bestendige Deputatie een beslissing diende te vellen, was aan genoemde bepaling nog geen uitvoering gegeven d.m.v. een besluit van de Vlaamse regering. Loutere toepassing van de bepaling van art. 36, 6/ van het mestdecreet diende er toe te leiden dat een milieuvergunning kon worden verleend voor een paardenstal die behoort bij een manege of een paardenfokkerij die gedurende de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie was (en waarmee tevens een ononderbroken exploitatie werd bedoeld) en wanneer de vergunningsaanvraag werd ingediend voor 1 december
  8. Wat betreft het voldaan zijn aan de voorwaarden die in deze bepaling zijn opgenomen bestaat er geen enkele discussie. Er bestaat evenwel betwisting over de bepaling van het aantal dierplaatsen waarvoor vergunning kan worden toegekend. Hierover spreekt het kwestieuze wetsartikel zich inderdaad niet expliciet uit. Het standpunt van de verwerende partij ter zake is dat de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999 gelden als referentiejaren voor de vaststelling van de vergunnings- toestand waarvan de regularisatie wordt beoogd. Verzoekende partij is van mening dat de genoemde 4 jaren niet als daadwer- kelijke 'referentiejaren' zijn bedoeld om de vergunbare toestand vast te stellen, doch louter de voorwaarde bevatten dat de inrichting in deze periode onafgebro- ken in uitbating moet zijn geweest. Het aantal vergunbare standplaatsen dient dan te worden vastgesteld op basis van de op het bedrijf aanwezige plaatsen op het ogenblik van de vergunningsaan- vraag. Deze visie van verzoekende partij wordt trouwens bevestigd door het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2001 tot uitvoering van artikel 33ter van het mestdecreet en tot wijziging van het Besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (B.S. 9.01.2002) waarbij art. 6 de uitvoering van het art. 33ter, §4 van het mestdecreet bevat en in punt 2 wordt gesteld: 'het aantal te vergunnen plaatsen voor paarden en pony's bedraagt maximaal het aantal standplaatsen dat op de inrichting aanwezig was op 30 maart 2000'. Niettegenstaande het feit dit uitvoeringsbesluit in casu geen toepassing kan vinden vermits het slechts in werking is getreden op datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad, kan daaruit evenwel de visie van de wetgever over de te VII-24.531-8/11 vergunnen plaatsen zeer duidelijk worden afgeleid. De in het jaar 2000 op het bedrijf aanwezige plaatsen kunnen worden vergund. De bepaling van art. 36, 6/ van het mestdecreet bevat geen enkele aanduiding of aanwijzing van het feit dat slechts de in 1999 op het bedrijf aanwezige plaatsen voor vergunning in aanmerking zouden komen. Het feit dat deze bepaling een regularisatiemogelijkheid bevat in afwijking van het strenge vergunningenbeleid zoals vervat in art. 33ter van het mestdecreet, doet niets af aan deze vaststelling. De opmerking van de verwerende partij dat het jaartal 2000 niet voorkomt in de opsomming van art. 36, 6/ komt op zich ook vrij logisch voor: de opsomming van de jaartallen 1996 tot en met 1999 betreft de voorwaarde van exploitatie in deze jaren. Aangezien de vergunningsaanvraag dient te gebeuren voor 1 december 2000 is het vanzelfsprekend dat in het jaar 2000 de inrichting wel degelijk wordt uitgebaat, zoniet zou er ook geen aanvraag gebeuren!"; 2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in de laatste memorie geen bijkomende argumenten ontwikkelt; 2.
  10. Overwegende dat artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (meststoffendecreet), ingevoegd door een decreet van 11 mei 1999, als volgt luidt: "§
  11. Met betrekking tot de exploitatie van veeteeltinrichtingen gelden de volgende regels: (...) tot en met 31 december 2004; (...) c) kan met betrekking tot de diersoorten, bedoeld in artikel 5, geen milieuvergunning als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning worden verleend voor nieuwe veeteeltinrichtingen, noch voor veranderingen van bestaande veeteeltinrichtingen die een verhoging van de vergunde mestproductie te berekenen volgens artikel 33bis, §2 van de bestaande veeteeltinrichting tot gevolg hebben, behoudens wanneer het gaat om een herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting voortvloeiende uit ruilverka- velingen, landinrichting, natuurinrichting en/of onteigeningen om openbaar nut en de nieuwe of bijkomende mestproductie niet hoger is dan deze van de definitief stopgezette bestaande veeteeltinrichting"; Overwegende dat uit de parlementaire voorbereiding dienaangaan- de blijkt dat deze bepaling ertoe strekt een algemene vergunningsstop voor veeteeltinrichtingen in te stellen, afgezien van de hernieuwing en de verplaatsing van lopende vergunningen; Overwegende dat artikel 36 van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het decreet VII-24.531-9/11 van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, zoals vervangen door het decreet van 3 maart 2000, als volgt luidt: "Art.
  12. Bij wijze van overgangsregeling gelden de volgende afwijkende regels: (...) 6/ milieuvergunningen voor paardenstallen behorende bij maneges en paardenfokkerijen die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren, kunnen worden verleend in zoverre de milieuvergunning voor 1 december 2000 wordt aangevraagd"; Overwegende dat dit artikel 36, zoals de decretale bepaling zelf aangeeft, een afwijkende regel is; dat de regels waarvan wordt afgeweken onder meer deze inzake de mogelijkheden tot het verlenen van de vergunning zoals vastgelegd in het geciteerde artikel 33ter van het meststoffendecreet zijn; dat de voorwaarden tot de in artikel 36 bedoelde afwijking erin bestaan dat het moet gaan om milieuvergun- ningen voor paardenstallen behorende bij maneges en paardenfokkerijen, die in 1996, 1997, 1998, en 1999 in exploitatie waren, en dat de aanvraag voor de milieuvergun- ning is ingediend vóór 1 december 2000; Overwegende dat in het bestreden besluit de uitbreiding met 10 standplaatsen tot in totaal 45 plaatsen wordt geweigerd omdat deze "gebeurde na 1999 en bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de (...) afwijkingsregeling valt"; dat volgens de verwerende partij regularisatie decretaal enkel mogelijk zou zijn voor de in de mestbankaangifte van 1999 opgegeven standplaatsen, en niet voor in 2000 gerealiseerde standplaatsen; dat de verwerende partij daarmee een beperking invoegt die niet voortvloeit uit de regelgeving, en inzonderheid niet uit voornoemd artikel 36; dat het weigeringsmotief waarop het bestreden besluit steunt bijgevolg ondeugdelijk is; dat het enig middel gegrond is, VII-24.531-10/11 BESLUIT: Artikel
  13. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 28 juni 2001 waarbij het beroep ingesteld tegen de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oosterzele van 29 januari 2001 gedeeltelijk wordt ingewilligd en waarbij de bestendige deputatie enerzijds vergunning verleent voor stallen voor 35 paarden in een paardenfokkerij, gelegen aan de Frankenbos 3 te Oosterzele, en anderzijds de vergunning weigert voor bijkomende stalplaatsen voor 10 paarden tot in totaal 45 paarden. Artikel
  14. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samen- gesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-24.531-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.121 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.