id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.134 Rolnummer: A. 103108/VII-23386 Zaak: Arrest 167134 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 25/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-06 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 14:30 Fiche Arrest nr 167.134 van 25 januari 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.134 van 25 januari 2007 in de zaak A. 103.108/VII-23.
- In zake : de Landsbond van de Neutrale Ziekenfondsen, gevestigd te BRUSSEL, Charleroisesteenweg 145 tegen : het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV). --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Met een verzoekschrift van 8 april 2001 vordert de Landsbond van de Neutrale Ziekenfondsen de vernietiging van de beslissing van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV van 26 januari 2001 waarbij werd vastgesteld dat de inlichtingen die de verzoekende partij bij brief van 23 januari 2001 aan het RIZIV had verstrekt met betrekking tot het ontslag dat de verzoekende partij aan haar geneesheer-Directeur, Dr. Ermin DAMMEKENS, had gegeven, het Comité niet toelaten om de erkenning van adviserend geneesheer, aan Dr. Ermin DAMME- KENS toegekend op 30 januari 1998, in te trekken. De memories van antwoord en van wederantwoord werden regelmatig gewisseld. Het verslag werd opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE. Bij beschikking van 20 januari 2006 werd de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast. Het verslag werd aan de partijen ter kennis gebracht en de laatste memories werden regelmatig gewisseld. Bij beschikking van 13 december 2006 werd de terechtzitting bepaald op 11 januari 2007; VII-23.386-1/5 Op de openbare terechtzitting van voormelde datum werd verslag uitgebracht door staatsraad E. BREWAEYS. Op diezelfde zitting zijn verschenen : - advocaat Th. EYSKENS die, loco advocaat G. DEVILLE verschijnt voor de verzoekende partij, - attaché F. NASSEN, die verschijnt voor de verwerende partij. Auditeur G. DE BLEECKERE verleende een eensluidend advies. Titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 werd in acht genomen.
- De feiten Het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle van de verwerende partij heeft op 30 januari 1998 Dr. E. DAMMEKENS erkend als adviserend geneesheer (geneesheer-directeur) in de schoot van de verzoekende partij. Op 4 januari 2001 meldt deze laatste aan de verwerende partij dat voornoemde geneesheer sinds 1 januari 2001 geen deel meer uitmaakt van haar instelling. De verwerende partij verzoekt daarop om nadere uitleg omtrent de omstandigheden van het ontslag, om een beslissing te kunnen nemen over de intrekking van de erkenning vereist door het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli
- De verzoekende partij laat dan weten dat zij meent dat de wettelijk vereiste ontslagbescherming te dezen niet geldt, omdat het wettelijk statuut van adviserend geneesheer niet op Dr. E. DAMMEKENS van toepassing was. Na beraad zendt de verwerende partij op 7 februari 2001 een brief aan de verzoekende partij waarin wordt meegedeeld dat het Comité heeft vastgesteld dat de gegeven inlichtingen niet toelaten om de erkenning in te trekken. Tussen Dr. E. DAMMEKENS en de verzoekende partij wordt een arbeidsrechtelijke procedure gevoerd. Het arbeidshof te Brussel oordeelt in zijn arrest VII-23.386-2/5 van 22 juni 2004 dat de wettelijke ontslagbeperking niet van toepassing is. Dit arrest wordt vernietigd door het Hof van Cassatie bij arrest van 24 oktober
- De ontvankelijkheid 2.
- In zijn verslag komt de auditeur ambtshalve tot de bevinding dat het beroep tot nietigverklaring onontvankelijk is bij gebreke aan rechtstreeks belang. Noch in het verzoekschrift, noch in de memorie van wederantwoord licht de verzoekende partij haar belang toe. In haar laatste memorie zet zij uiteen dat zij er een moreel belang bij heeft niet te worden aanzien als een "verzekeringsinstelling die het statuut van adviserend geneesheer met de voeten heeft getreden", wat "haar integriteit en haar morele autoriteit binnen de (...) comités van verwerende partij hypothekeert" en dat zij er belang bij heeft de beslissing aan te vechten om alzo een vordering tot schadevergoeding vanwege Dr. E. DAMMEKENS af te weren. 2.
- Het staat vast dat de verzoekende partij Dr. E. DAMMEKENS heeft ontslagen zonder de wettelijk vereiste voorafgaandelijke intrekking van de erkenning te vragen. Zij is immers van oordeel dat het statuut van adviserend geneesheer op de betrokkene niet van toepassing is. Hoewel die intrekking niet door de verzoekende partij werd gevraagd, heeft de verwerende partij toch geoordeeld dat de inlichtingen, die haar terzake door de verzoekende partij werden verstrekt, ontoereikend zijn om de erkenning in te trekken. Het is niet duidelijk welk voordeel de verzoekende partij uit de nagestreefde vernietiging van deze beslissing kan halen. De bestreden beslissing kan immers het initiatief dat de verwerende partij heeft genomen om Dr. E. DAMMEKENS te ontslaan, zonder de (volgens haar niet vereiste) intrekking van de erkenning te vragen, niet beïnvloeden. De rechter, die uitspraak moet doen over de eis tot schadevergoeding die Dr. E. DAMMEKENS heeft ingediend, zal moeten oordelen of de verzoekende partij al dan niet terecht geoordeeld heeft dat het statuut van adviserend geneesheer te dezen al dan niet van toepassing is. Het arbeidshof te Brussel en het Hof van Cassatie hebben dit ten andere reeds onderzocht, en de zaak werd, na het arrest van het Hof van Cassatie van 24 oktober 2005, verwezen naar het arbeidshof te Antwerpen. De verzoekende partij wil klaarblijkelijk van de Raad van State een arrest bekomen dat, in haar voordeel, stelt dat de ontslagbeperking te dezen niet van toepassing is, om haar voor de arbeidsrechter ingenomen stelling kracht bij te zetten. VII-23.386-3/5 Het belang dat de verzoekende partij beweert te hebben, omdat zij met het tussen te komen arrest een vordering tot schadevergoeding, ingesteld door Dr. E. DAMMEKENS, zal kunnen afweren is een onrechtstreeks belang. Het bestaat er immers in de bestreden weigeringsbeslissing bij arrest onwettig te horen verklaren, om vervolgens, op grond van deze met gezag van gewijsde beklede uitspraak, een gerechtelijke procedure richting te geven. Dit is geen belang dat verbonden is aan de nietigverklaring en dus aan het doen verdwijnen van de bestreden akte uit de rechtsorde, maar een belang dat er uitsluitend in bestaat één of meer middelen gegrond te horen verklaren. Dit onrechtstreeks belang volstaat niet om een ontvankelijk beroep tot nietigverklaring in te stellen. Los van de vraag of het beweerd moreel belang dat de verzoekende partij eveneens beweert te hebben niet als hypothetisch moet worden beschouwd, kan worden vastgesteld dat te dezen zelfs het arbeidshof en het Hof van Cassatie verschillende interpretaties geven aan de voorliggende problematiek en kan niet op ernstige wijze worden voorgehouden dat de verzoekende partij ten gevolge van de bestreden beslissing kan worden beschouwd als een instelling die de wet met de voeten treedt en dat zij om die reden haar moreel gezag zou verliezen. Het beroep is niet ontvankelijk, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-23.386-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.386-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.134 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div