id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.139 Rolnummer: A. 178839/XII-4937 Zaak: Arrest 167139 - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen - 25/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-30 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-06-29 14:32 Fiche Arrest nr 167.139 van 25 januari 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.139 van 25 januari 2007 in de zaak A. 178.839/XII-
- GEMEENTERAADSVERKIEZING VAN 8 OKTOBER 2006 TE HULDENBERG. In zake : Philippe VERVOORT, wonende te Huldenberg, Neerijsestraat 50 --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift waarmee Philippe Vervoort op 24 november 2006 beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van 16 november 2006 van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen van Vlaams-Brabant waarbij het bezwaar dat hij heeft ingediend tegen de gemeenteraadsverkiezing van 8 oktober 2006 te Huldenberg wordt verworpen, en in welk verzoekschrift meer bepaald wordt gevraagd : “Te bevelen dat zal worden overgegaan tot: - lezing van de gevonden magneetkaart die zich thans bevindt bij het Parket te Leuven; - nazicht van de diskettes van de stemcomputers van stembureau 114 en stembureau 115 - nazicht van de PV’s van stembureau 114 en stembureau 115; - nazicht van de aanstippingslijsten van stembureau 114 en stembureau 115; - nazicht van de volmachtstemmen in de stembureaus 111 t/m
- Dienvolgens te bevelen dat zal worden overgegaan tot de hertelling van de verkiezingsuitslagen van bureaus 114 en 115; Te bevelen de rechtsgeldigheid te controleren van de volmachten aangewend over de gehele Gemeente Huldenberg bij de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2006, Tenslotte te bevelen dat zal worden overgegaan tot hertelling en/of indien nodig herstemming.”; Gelet op het bericht voorgeschreven in artikel 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 1956 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld bij artikel 76bis van de gemeentekieswet; Gezien het administratief dossier; XII-4937-1/10 Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 4 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 januari 2007; Gelet op de kennisgeving aan partijen van de beschikking tot vaststelling en van het auditoraatsverslag; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Vandenbulcke, die verschijnt voor verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De relevante antecedenten van de zaak
- Verzoeker is bij de gemeenteraadsverkiezing van 8 oktober 2006 te Huldenberg kandidaat op de lijst nr. 2 VLD en wordt verkozen. De stemming bij de voormelde gemeenteraadsverkiezing gebeurt op geautomatiseerde wijze. Er nemen aan die verkiezing vier lijsten deel, waarvan de stemcijfers en het aantal behaalde zetels door het gemeentelijk hoofdstembureau op 8 oktober 2006 als volgt worden vastgesteld : XII-4937-2/10 stemcijfers aantal zetels lijst nr. 1 sp.a-spirit 681 2 lijst nr. 2 VLD 1968 7 lijst nr. 5 GROEN! 1009 3 lijst nr. 7 CD&V/N-VA 2187 9 Eén stem meer voor lijst nr. 2 VLD zou die lijst ook één zetel meer in de gemeenteraad opleveren, ten nadele van lijst nr. 7 CD&V/ N-VA. Op 10 oktober 2006 vindt een gemeentearbeider bij het opruimen van stembureau 115 een magneetkaart bovenop één van de stemcomputers.
- Op 20 oktober 2006 dient verzoeker bij de Raad voor Verkiezings- betwistingen van Vlaams-Brabant een bezwaar in tegen de uitslag van de gemeenteraadsverkiezing te Huldenberg. In zijn bezwaarschrift voert hij aan dat, aangezien de VLD één stem meer nodig heeft voor het behalen van een achtste zetel, het raadzaam is dat de gevonden magneetkaart wordt gelezen en dat de stemmen die zijn uitgebracht in de stembureaus 114 en 115, waar de desbetreffende kaart werd gevonden, worden herteld. Voorts laat hij gelden dat “volgens gegevens komende van stemplichtigen met volmacht is gebleken dat, in tegenstelling tot de wettelijke voorzieningen, de volmachtdrager twee kaarten bekwam tegelijkertijd om te gaan stemmen” en dat “sommige Voorzitters de volmachten al dan niet hebben aanvaard of verworpen, zodat hieromtrent onduidelijkheid bestaat en deze dienen nagekeken te worden”. Verzoeker vraagt aan de Raad voor Verkiezingsbetwistingen “te willen beslissen tot het laten lezen van de gevonden stemkaart [...] in aanwezigheid van een afgevaardigde van de VLD Huldenberg”, vervolgens “over te gaan tot de hertelling van de verkiezingsuitslagen van bureaus 114 en 115”, “de rechtsgeldigheid van alle volmachten na te kijken over de gehele gemeente” en “het nodige te doen met betrekking tot de hertelling” (stukken 1 en 2 adm. dossier). Op 16 november 2006 neemt de Raad voor Verkiezings- betwistingen de thans bestreden beslissing om het bezwaar van verzoeker te verwerpen. XII-4937-3/10 De grond van het beroep
- In een eerste middel voert verzoeker met betrekking tot de na de verkiezing teruggevonden magneetkaart in de eerste plaats aan dat de Raad voor Verkiezingsbetwistingen ten onrechte zijn onderzoek heeft beperkt tot het stembureau 115, terwijl geen enkel element van het dossier toelaat uit te maken of de kaart afkomstig is van het stembureau 115, dan wel van het stembureau 114, dat beide stembureaus slechts waren afgescheiden door een gordijn, dat het onderzoek moet worden uitgebreid tot de stemverrichtingen en daarbij horende stukken van het stembureau
- Voorts laat verzoeker gelden dat de Raad voor Verkiezings- betwistingen ten onrechte heeft overwogen dat 100 magneetkaarten uit het stembureau 115 niet werden gebruikt, dat het proces-verbaal van de kiesverrichtingen in het stembureau 115 niet in een vakje voor het aantal ongebruikte magneetkaarten voorziet, dat een onderzoek nodig is om uit te maken of de gevonden magneetkaart een ongebruikte magneetkaart uit de stembureaus 114 of 115 is, dan wel een geannuleerde magneetkaart of een magneetkaart gebruikt voor het uitbrengen van een referentiestem of een gewone stem in deze stembureaus, dat het zeer goed mogelijk is dat de gevonden magneetkaart werd gebruikt voor het uitbrengen van een gewone stem, dat die stem een stem voor de VLD-lijst kan zijn, dat dit slechts kan worden uitgemaakt door een lezing van de desbetreffende kaart en door het nazicht van de diskettes van de stemcomputers, de processen-verbaal en de aanstippingslijsten van de stembureaus 114 en
- Volgens verzoeker kan uit het proces-verbaal van de kiesverrichtingen in het stembureau 115 geen vermoeden van regelmatigheid van de kiesverrichtingen worden afgeleid. Hij stelt dat dit vermoeden wordt ontkracht door het feit dat twee dagen na de verkiezing in het stembureau een magneetkaart werd gevonden. Verzoeker betoogt dat ook het argument van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen dat slechts rekening mag worden gehouden met een stem die werd uitgebracht middels een in de elektronische stembus gedeponeerde magneetkaart, niet kan worden aangenomen, dat er voor geautomatiseerde kiesverrichtingen geen uitdrukkelijke wetsbepaling bestaat die dit voorschrijft, dat de “Instructies voor de voorzitter van een stembureau met elektronische stemming” XII-4937-4/10 integendeel bepalen dat wanneer de kiezer zijn stem heeft uitgebracht, de bijzitter of de getuige de magneetkaart in de elektronische stembus stopt en de identiteitskaart en de afgestempelde oproepingsbrief aan de kiezer teruggeeft, dat hieruit blijkt dat de stem geacht wordt reeds te zijn uitgebracht vooraleer de kaart in de stembus wordt gedeponeerd en dat niet de kiezer zelf, maar de bijzitter of de getuige de kaart in de stembus stopt. Verzoeker vervolgt dat zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat de kiezer zelf zijn magneetkaart in de stembus moet deponeren, voor ogen moet worden gehouden dat dit niet op dezelfde wijze gebeurt als bij een niet-geautomatiseerde stemming, dat enerzijds de kiezer bij het deponeren van zijn magneetkaart in de elektronische stembus moeilijkheden kan ondervinden en dat hij dan de hulp kan inroepen van één van de leden van het stembureau, dat dit een algemeen aanvaarde en gangbare praktijk is, die door geen enkele wettelijke bepaling is verboden, dat anderzijds geen enkele wettelijke bepaling toelaat om de rechtsgeldigheid van een stem te verwerpen wanneer de magneetkaart niet persoonlijk door de kiezer in de elektronische stembus is gedeponeerd, dat evenmin enige wettelijke bepaling toelaat te stellen dat geen rekening kan worden gehouden met een stem uitgebracht op een magneetkaart die uiteindelijk per ongeluk, door omstandigheden onafhankelijk van de wil van de kiezer, niet in de elektronische stembus is terechtgekomen, dat er te dezen geen schending is van het gelijkheidsbeginsel, dat het verschil in behandeling van kiezers die geautomatiseerd stemmen en van kiezers die manueel stemmen wordt verklaard door technische verschillen tussen beide stemprocedures. Ten slotte stelt verzoeker dat de wet slechts in een beperkt aantal gevallen toelaat om een stem als ongeldig te beschouwen, namelijk wanneer de kaart beschadigd of gemarkeerd is, dat volgens de “Instructies voor de voorzitter van een stembureau met elektronische stemming” de kaart dan moet worden geannuleerd en een nieuwe kaart aan de kiezer moet worden overhandigd.
- Het belang van verzoeker bij het middel bestaat erin vastgesteld te zien dat de magneetkaart die twee dagen na de kiesverrichtingen in het stembureau 115 bovenop een stemcomputer werd gevonden, door een gemeenteraadskiezer werd gebruikt om een stem uit te brengen voor lijst nr. 2 VLD of voor één of meerdere kandidaten van die lijst. Alleen een dergelijke stem zou gevolgen kunnen hebben voor de zetelverdeling tussen de partijen. XII-4937-5/10 Opdat een eventuele stem, bij veronderstelling uitgebracht op lijst nr. 2 VLD, gevolgen zou kunnen hebben voor de zetelverdeling tussen de partijen, is echter wel vereist dat het een rechtsgeldig uitgebrachte stem betreft. Dit kan in de onderhavige zaak hoe dan ook niet het geval zijn. Artikel 8 van de wet van 11 april 1994 tot organisatie van de geautomatiseerde stemming bepaalt immers : “Wanneer de kiezer voor alle verkiezingen heeft gestemd, wordt de magneetkaart teruggegeven door de stemmachine. De kiezer heeft dan de mogelijkheid op het scherm van deze machine de stemmen te visualiseren die hij heeft uitgebracht voor elke verkiezing volgens de in artikel 8bis bepaalde procedure. Daarna overhandigt de kiezer de kaart aan de voorzitter van het bureau of aan de door hem aangewezen bijzitter, die nagaat of de kaart enig merkteken, enig opschrift of enige beschadiging vertoont. Als dat niet zo is, verzoekt hij de kiezer de kaart in de elektronische stembus te steken, waar ze bewaard blijft nadat de informatie die ze bevat op de originele geheugendrager is opgeslagen. De registratie dient in een willekeurige volgorde te geschieden. De magneetkaart wordt geannuleerd: 1/ indien bij het in het eerste lid bedoelde controle een merkteken of opschrift op de kaart werd gemaakt dat de kiezer herkenbaar kan maken; 2/ indien de kiezer door een verkeerde manipulatie of door enige andere onvrijwillige beweging, de hem overhandigde kaart heeft beschadigd; 3/ indien de registratie van de kaart door de elektronische stembus om welke technische reden ook onmogelijk blijkt. In de in het vorige lid bedoeld gevallen wordt de kiezer verzocht opnieuw te stemmen met een andere kaart. Indien de magneetkaart bij een tweede poging opnieuw wordt geannuleerd krachtens het vorige lid, 1/, wordt de stem ongeldig verklaard.” Uit deze wetsbepaling blijkt dat een stemverrichting pas rechtsgeldig is afgerond wanneer de magneetkaart, nadat ze door de voorzitter van het stembureau of door een door deze aangewezen bijzitter op merktekens, opschriften of beschadigingen werd gecontroleerd, door de kiezer in de elektronische stembus is gedeponeerd. Deze stembus registreert vanzelfsprekend slechts de stemmen die werden uitgebracht met een magneetkaart die in de stembus wordt gestopt. Alleen de stemmen die door de elektronische stembussen in de verschillende stembureaus zijn geregistreerd, worden in aanmerking genomen bij de totalisatie van de stemmen door het gemeentelijk hoofdstembureau. XII-4937-6/10 In dit opzicht verschilt een stem uitgebracht in het kader van een geautomatiseerde stemming geenszins van een stem uitgebracht in het kader van een manuele stemming. Ook in dit laatste geval kan de uitgebrachte stem slechts in aanmerking worden genomen bij de telverrichtingen indien de gemeenteraadskiezer zijn stem in de stembus heeft gedeponeerd. Te dezen werd de gevonden magneetkaart klaarblijkelijk niet in de elektronische stembus gedeponeerd, zodat ze hoe dan ook niet rechtsgeldig in aanmerking kan worden genomen voor het bepalen van de verkiezingsuitslag en de daarop gebaseerde zetelverdeling. Verzoeker voert niet aan, en uit de processen-verbaal van de kiesverrichtingen in de stembureaus 114 en 115 blijkt ook niet, dat zich tijdens de kiesverrichtingen op 8 oktober 2006 in deze stembureaus enige moeilijkheid of onregelmatigheid zou hebben voorgedaan waarbij een gemeenteraadskiezer verhinderd zou geweest zijn een magneetkaart in de elektronische stembus te deponeren. De argumentatie van verzoeker dat niet is voorgeschreven dat een magneetkaart door de gemeenteraadskiezer zelf in de elektronische stembus wordt gedeponeerd, gaat niet op. Het eerder aangehaalde artikel 8 van de wet van 11 april 1994 tot organisatie van de geautomatiseerde stemming schrijft zulks wel degelijk voor. De “Instructies voor de voorzitter van een stembureau met elektronische stemming” bevestigen dat voorschrift overigens en het onderdeel van deze instructies waarop verzoeker zich baseert om het tegendeel te beweren betreft niet de gewone stemprocedure, maar heeft betrekking op de procedure voor kiezers met een handicap. Het eerste middel kan niet leiden tot een ongeldigverklaring van de verkiezingsuitslag van de gemeenteraadsverkiezing van 8 oktober 2006 te Huldenberg, noch tot een aanpassing van de zetelverdeling. Het is dan ook zinloos in te gaan op de vraag van verzoeker tot lezing van de gevonden magneetkaart, nazicht van de diskettes van de stemcomputers en de aanstippingslijsten van de stembureaus 114 en
- Zoals gezegd, brengt een nazicht van de processen-verbaal van de stembureaus geen onregelmatigheden aan het licht. Het eerste middel wordt verworpen. XII-4937-7/10
- In een tweede middel voert verzoeker aan dat de handelwijze waarbij aan een gemeenteraadskiezer die persoonlijk én als volmachthouder van een andere kiezer in eenzelfde kiesbureau dient te stemmen, terzelfder tijd twee magneetkaarten worden overhandigd, geen “algemeen aanvaarde en gangbare praktijk” is, dat integendeel uit de “Instructies voor de voorzitter van een stembureau met elektronische stemming” blijkt dat een dergelijke kiezer tweemaal de stemprocedure dient te volgen, eenmaal in persoonlijke naam en een tweede maal als volmachthouder, dat in een aparte procedure voor kiezers en volmachthouders is voorzien, dat de wettelijk voorgeschreven procedure, behalve in uitdrukkelijk bepaalde uitzonderingen, moet worden gevolgd, dat niet is voorzien in een uitzondering voor het geval de volmachthouder ook persoonlijk in hetzelfde stembureau dient te stemmen. Volgens verzoeker kan niet worden uitgesloten dat de gevonden magneetkaart tijdens de verkiezing werd overhandigd aan een volmachthouder die ook zijn persoonlijke stem diende uit te brengen in het stembureau 114 of 115 en daarna door de betrokkene in het stemhokje werd vergeten. Verzoeker stelt dat het nazicht van de stemmen bij volmacht dan ook van belang is. Ten slotte voert verzoeker aan dat uit de processen-verbaal van de stembureaus 111 tot en met 120 niet blijkt dat in elk stembureau het ontvangen aantal volmachtformulieren overeenstemt met het aantal kiezers dat bij volmacht heeft gestemd, dat vaststaat dat bepaalde voorzitters op onduidelijke gronden een aantal volmachthouders niet tot de stemming hebben toegelaten, dat dan ook een controle van “deze gegevens” moet worden bevolen.
- Verzoeker wijst geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling aan die er aan in de weg zou staan dat aan een volmachthouder die voor een volmachtgever een stem dient uit te brengen in het stembureau waar hij ook zijn persoonlijke stem uitbrengt, onmiddellijk twee magneetkaarten worden overhandigd. Verzoeker legt ook niet uit en het blijkt evenmin hoe uit de “Instructies voor de voorzitter van een stembureau met elektronische stemming” zou kunnen worden afgeleid dat een dergelijke handelwijze niet is toegestaan. Dat in casu een volmachthouder één van de twee hem uitgereikte magneetkaarten in het stemhokje zou vergeten zijn, is niet meer dan een veronderstelling van verzoeker, die op geen enkele wijze wordt gestaafd. Hoe dan XII-4937-8/10 ook kan daaruit geen onregelmatigheid van de kiesverrichtingen worden afgeleid die dient te leiden tot een ongeldigverklaring van de gemeenteraadsverkiezing. Bovendien kan, zoals reeds gezien bij de bespreking van het eerste middel, een magneetkaart die niet in de elektronische stembus is gedeponeerd, geen rechtsgeldig uitgebrachte stem bevatten, zodat een elektronische lezing ervan niet kan leiden tot een aanpassing van de zetelverdeling. Het door verzoeker gevraagde “nazicht van de stemmen bij volmacht” zou dat niet kunnen verhelpen. De argumentatie van verzoeker dat uit de processen-verbaal van de stembureaus niet blijkt dat het aantal ontvangen volmachtformulieren overeenstemt met het aantal kiezers dat bij volmacht heeft gestemd en dat zou vaststaan dat bepaalde voorzitters op onduidelijke gronden een aantal volmachthouders niet tot de stemming hebben toegelaten, is te vaag en algemeen. Ze is door geen enkel concreet gegeven gestaafd. Ze vermag dan ook niet het vermoeden van regelmatigheid van de kiesverrichtingen te ontkrachten dat voortvloeit uit de ontstentenis van opmerkingen en bezwaren daaromtrent in de processen-verbaal van de stembureau. Aan verzoekers vraag om een controle van “deze gegevens” te bevelen, kan geen gevolg worden gegeven. Ook het tweede middel wordt verworpen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Enig Artikel. Het beroep wordt verworpen. XII-4937-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4937-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.139 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div