id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.191 Rolnummer: A. 177061/IX-5435 Zaak: Arrest 167191 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 29/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-01 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 14:36 Fiche Arrest nr 167.191 van 29 januari 2007 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.191 van 29 januari 2007 in de zaak A. 177.061/IX-
- In zake :
- Eric DE KINDER,
- Georges PLANCKE, die woonplaats kiezen bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÊME, kantoor houdende te HEVERLEE, Industrieweg 4, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Eric DE KINDER en Georges PLANCKE op 22 september 2006 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de oproep tot kandidaatstelling voor het mandaat van directeur van de directie van de juridische dienst, de statuten en het contentieux bij de federale politie; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partijen de vernietiging vorderen van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 20 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 december 2006; IX-5435-1/14 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. LUST, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat H.-K. CARÊME die, loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
- Overwegende dat de zaak beoordeeld moet worden met inachtneming van de volgende reglementering : 1.1.
- Beide verzoekers zijn commissaris van politie eerste klasse, bedoeld in : - punt 1.
- van tabel D1 van bijlage 11 RPPol, ingevoegd bij artikel 11, 1/, van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politie- diensten (hierna : de wet van 3 juli 2005); - artikel 135bis van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten (hierna: de wet van 26 april 2002), ingevoegd bij artikel 44 van de wet van 3 juli 2005, luidens hetwelk de in punt 1.
- van tabel D1 van bijlage 11 RPPol bedoelde commissarissen van politie eerste klasse in hiërarchische orde worden gerangschikt tussen de commissarissen van politie en de hoofdcommissarissen van politie. 1.1.
- Luidens artikel XII.VII.27bis RPPol, ingevoegd bij artikel 33 van de wet van 3 juli 2005, kunnen de actuele personeelsleden bedoeld in tabel D1, derde kolom, punt 3.
- van bijlage 11, -onder meer de personeelsleden die, zoals beide verzoekers, vóór de politiehervorming de graad van gerechtelijk afdelings-commissa- ris 1C bij de vroegere gerechtelijke politie hadden- meedingen voor de mandaatbe- trekkingen zoals bedoeld in artikel VII.III.
- RPPol. IX-5435-2/14 1.1.
- Artikel VII.III.
- RPPol bepaalt in zijn eerste lid, 6/, dat het ambt van directeur bij een algemene directie van de federale politie bij mandaat wordt toegewezen. Ook artikel 66 van de wet van 26 april 2002, zoals vervangen bij artikel 33 van de wet van 20 juni 2006 tot wijziging van bepaalde teksten betreffende de geïntegreerde politie (B.S., 26 juli 2006) (hierna : de wet van 20 juni 2006), bepaalt in zijn eerste lid, 6/, dat het ambt van directeur binnen een algemene directie van de federale politie bij mandaat wordt toegewezen. Luidens artikel VII.III.
- RPPol zijn er zes categorieën van mandaten, en behoort het mandaat van directeur van de federale politie tot categorie
- Ook artikel 67 van de wet van 26 april 2002 bepaalt dat er zes categorieën van mandaten zijn, en dat het mandaat van directeur van de federale politie tot categorie 3 behoort. 1.1.
- Artikel VII.III.20, lid 1, RPPol, gewijzigd bij koninklijk besluit van 16 april 2002, dat deel uitmaakt van een onderafdeling 1 “Algemene aanwijzingsvoor- waarden”, bepaalt : “Voor de aanwijzing voor een mandaat komt uitsluitend in aanmerking het personeelslid dat : 1/ met één van de graden bekleed is en, in voorkomend geval, houder is van een brevet of voldoet aan de vereiste inzake leeftijd, die als toekenningsvoorwaar- den voor het vacante mandaat gelden; 2/ geen evaluatie met eindvermelding ‘onvoldoende’ zoals bedoeld in artikel VII.I.10 geniet; 3/ zich bevindt in een administratieve stand waar het zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden; 4/ geen zware tuchtstraf in de zin van artikel 5 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten heeft opgelopen die niet is uitgewist; 5/ de leeftijd van zestig jaar niet heeft bereikt; 6/ ten minste drie jaar houder is van zijn mandaat indien het, met uitzondering van de ambten bedoeld in artikel VII.III.3, eerste lid, 7/ en 9/ reeds een mandaat uitoefent”. Artikel 71, lid 1, van de wet van 26 april 2002, gewijzigd bij de wet van 20 juni 2006 bepaalt : IX-5435-3/14 “Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 66, komt uitsluitend in aanmerking voor de aanwijzing voor een mandaat het personeelslid dat : 1/ met één van de graden bekleed is en, in voorkomend geval, houder is van een brevet of voldoet aan de vereiste inzake leeftijd en anciënniteit, die als toekenningsvoorwaarden voor het vacante mandaat gelden; 2/ geen evaluatie met eindvermelding ‘onvoldoende’ heeft; 3/ zich bevindt in een administratieve stand waar het zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden; 4/ geen zware tuchtstraf heeft opgelopen die nog niet is uitgewist; 5/ de leeftijd van zestig jaar niet heeft bereikt.” 1.1.
- Artikel VII.III.8 RPPol bepaalt : “Voor alle in artikel VII.III.3 bepaalde mandaten worden een functiebe- schrijving en de daaruit voortvloeiende profielvereisten opgesteld. De functiebeschrijving van een bepaald bij mandaat te begeven ambt en de daaruit voortvloeiende profielvereisten kunnen, in voorkomend geval, verschillen naar gelang van de concrete aard en de omvang van het ambt en de concrete plaats waar het ambt wordt uitgeoefend.” Artikel 68 van de wet van 26 april 2002 bepaalt wat volgt : “Voor alle in artikel 66 bepaalde mandaten worden een functiebeschrijving en de daaruit voortvloeiende profielvereisten opgesteld door de door de Koning aangewezen overheid.” 1.1.
- Luidens artikel VII.III.14 RPPol, zoals vervangen bij koninklijk besluit van 16 april 2002, bepaalt de commissaris-generaal de functiebeschrijving en de daaruit voortvloeiende profielvereisten van het in artikel VII.III.3, eerste lid, 6/, bedoelde ambt, op advies van de directeur-generaal die het hiërarchisch gezag uitoefent over de betrokken directie. 1.1.
- Artikel VII.III.30 RPPol, dat deel uitmaakt van een onderaf- deling 2 “Specifieke aanwijzingsvoorwaarden”, bepaalt wat volgt : “Kan, met uitsluiting van de in de artikelen VII.III.21 en VII.III.22 bepaalde mandaten, voor een mandaat van categorie 3 worden aangewezen, het personeelslid dat : 1/ titularis is van de graad van hoofdcommissaris van politie; 2/ beantwoordt aan de profielvereisten van het bij mandaat te begeven ambt; 3/ geschikt is bevonden door de voor de selectie van het bij mandaat te begeven ambt bevoegde selectiecommissie.” 1.
- Overwegende dat de concrete gegevens van de zaak zich aandienen als volgt : IX-5435-4/14 1.2.
- Bij ministerieel besluit nr. 272 van 5 september 2001 wordt hoofdcommissaris-jurist De Mesmaeker met ingang van 1 juli 2001 en bij toepassing van de artikelen VI.II.77 tot en met VI.II.83 RPPol aangesteld in het hoger ambt van directeur van de directie van de juridische dienst, het contentieux en de statuten van de federale politie. 1.2.
- Met een nota van 17 juli 2006 vraagt hoofdcommissaris-jurist De Mesmaeker zijn ambt van directeur van de directie van de juridische dienst, het contentieux en de statuten van de federale politie vacant te verklaren en het aldus in competitie te stellen. 1.2.
- Naar aanleiding van die nota, richt de directeur-generaal Personeel van de federale politie een op 19 juli 2006 gedateerde nota aan de commissaris- generaal, waarin hij vraagt hem die vacantverklaring op te dragen en de bijgaande voorgestelde functiebeschrijving en profielvereisten goed te keuren. 1.2.
- Nog dezelfde dag brengt de commissaris-generaal op die nota de handgeschreven vermelding aan dat hij akkoord gaat, op voorwaarde dat de wet tot wijziging van bepaalde teksten betreffende de geïntegreerde politie van kracht is en dat hetzelfde gebeurt voor de directie mobiliteit en loopbaanbeheer (DPM). Met een nota van 20 juli 2006 deelt de directeur-generaal Personeel aan de commissaris-generaal mee dat de wet tot wijziging van bepaalde teksten betreffende de geïntegreerde politie zal worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 juli 2006, dat de respectieve oproepen na die datum zullen geschieden, en dat voor het ambt van DPM trouwens het desbetreffend profiel voor goedkeuring zal worden voorgelegd. 1.2.
- Met een door de directeur-generaal Personeel ondertekende nota van 27 juli 2006, waarin onder meer verwezen wordt naar de artikelen 65 tot en met 73 van de wet van 26 april 2002 en naar de artikelen VII.III.1 tot en met VII.III.85 RPPol, wordt een oproep tot kandidaatstelling gedaan voor het mandaat van directeur van de directie van de juridische dienst, de statuten en het contentieux (mandaat categorie 3). Deze groep wordt onder het personeel verspreid. Onder de punten 3 (“Algemene functieomschrijving”), 4 (“Profielvereisten”) en 5 (“Algemene voorwaarden”) wordt gesteld : IX-5435-5/14 “
- Algemene functieomschrijving Zie art.149octies, tweede lid, 1/, WGP -art. 11,7/, KB 03-09-2000- artt. 4 en 12 t.e.m. 18 MB 07-09-2001 en omzendbrief GPI
- De directeur in kwestie : - staat in voor een goede voorbereiding en de correcte toepassing van de statuten van de personeelsleden van de geïntegreerde politie; - levert in die context de nodige steun in het raam van de strategische besluitvorming; - organiseert de behartiging van het pré-contentieux en het contentieux voor de administratieve en burgerlijke rechtbanken; - ziet toe op een accurate juridische adviesverstrekking m.b.t. aspecten van operaties van bestuurlijke dan wel gerechtelijke politie; - ziet toe op een adequate toepassing van de rechtsbeschermingsregels ten behoeve van de personeelsleden van de federale politie; - avaleert de Kanselarij-werkzaamheden m.b.t. de wettelijke en reglementaire teksten inzake politiezaken. Daartoe - ontwikkelt hij de nodige synergieën met andere diensten (VCLP, FOD Bin Z, AIG, Lok Pol, ...); - levert hij een permanente en intensieve ondersteuning in het raam van de syndicale onderhandelings- en overlegstructuren; - geeft hij gepast vorm aan de statutaire kennisoverdracht binnen de geïnte- greerde politie; - draagt hij zorg voor een constante actualisering van de juridische kennis van zijn personeelsleden in zeer verscheiden domeinen; - is hijzelf in het bijzonder het statutair overgangsrecht meester; - treedt hij veelvuldig in contact met de andere directies van voornamelijk DGP en DGM; - staat hij in voor het dagelijks beheer van de directie.
- Profielvereisten A Algemene Kennis - Grondige kennis van de wettelijke bepalingen m.b.t. het politiewezen. - Grondige kennis van de organisatie, de structuren en de verschillende bevoegdheden van de twee niveaus van de geïntegreerde politiedienst. - Grondige kennis van de statuten van het politiepersoneel. - Houder zijn van een licentiaatsdiploma in de Rechten. - Zeer goede kennis van het Nederlands en Frans en noties van het Duits hebben. B. Vaardigheden - Bekwaamheid tot onderhandelen en samenwerken. In het raam van het sociaal overleg, de specificiteiten van de twee niveaus van de geïntegreerde politie alsmede van de andere betrokken overlegpartners onderkennen. - De bekwaamheid om, met de ter beschikking gestelde middelen, de bij wet bepaalde en door overheden opgelegde opdrachten uit te voeren. - De bekwaamheid tot plannen van de werkzaamheden van de dienst : prioriteiten kunnen bepalen en aangeven welke acties nodig zijn om de gestelde doelen op korte en lange termijn te realiseren. - Medewerkers kunnen aansturen, ontwikkelen en motiveren zodat ze hun doelstellingen en die van de organisatie op een correcte manier kunnen realiseren, zowel individueel als in teamverband. - Betrokkenheid kunnen creëren en de eigenwaarde van de medewerkers verhogen door taken en verantwoordelijkheden door te geven, rekening houdend met de interesse, ambitie, ontwikkelingsplan en competentie van medewerkers, en de gedelegeerde taken opvolgen. IX-5435-6/14 - Besluitvaardig zijn : zich eenduidig kunnen uitspreken en zelfstandig beslissingen kunnen nemen zonder problemen voor zich uit of in de schoenen van anderen te schuiven. - De bekwaamheid om zich mondeling uit te drukken op een vlotte en gestructureerde manier, alsook over zeer goede redactionele eigenschappen beschikken en hierbij getuigen van analyse- en synthesegeest. - Leidinggevende vaardigheden. - Legistiek onderlegd zijn. - Conceptueel inzicht hebben naast technische vaardigheden. - Pragmatisme met orthodoxie kunnen verzoenen. C. Attitudes - Zich inschrijven in de filosofie van de geïntegreerde werking van de politie- organisatie en permanent aandacht hebben voor de kritieke succesfactoren. - Voortdurend verbeteren van het eigen functioneren en van de werking van de organisatie, door bereid te zijn om te leren en mee te groeien met verande- ringen. - Vanuit een ingesteldheid van pro-actieve dienstverlening, aankomende uitdagingen, probleemstellingen of tendensen detecteren en erop anticiperen. - Permanent streven naar partnerschap en oog hebben voor klantgerichtheid en klantentevredenheid. - Openstaan voor discussies, rekening kunnen houden met kritische, op- bouwende standpunten van anderen en bereid zijn om zijn eigen mening te herzien. - Openstaan voor de problemen van alle interne en externe partners. - Initiatieven durven nemen. D. Persoonlijke eigenschappen - Stressbestendig zijn : bekwaam zijn om onder druk te werken. - Over een grote integriteit beschikken : respect voor anderen, favoritisme noch discriminatie. - Een hoge frustratietolerantie en een hoog incasseringsvermogen hebben. - Discretie en loyauteit hoog in het vaandel dragen. - Een creatieve geest hebben. - Een grote beschikbaarheid aan de dag leggen.
- Algemene voorwaarden De aanwijzing gebeurt uitsluitend op vrijwillige basis. Voor de aanwijzing voor een mandaat komt uitsluitend in aanmerking het personeelslid dat : - deel uitmaakt van het operationeel kader en bekleed is met de graad van hoofdcommissaris van politie of commissaris van politie eerste klasse of houder is van het directiebrevet; - beantwoordt aan de profielvereisten bedoeld in punt 4 supra; - naar aanleiding van de kandidaatstelling geen advies met de eindvermelding onvoldoende heeft verkregen zoals bedoeld in artikel XII.VII.2 RPPol; - zich bevindt in een administratieve stand waar het zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden; - geen niet-uitgewiste zware tuchtstraf heeft opgelopen; - de leeftijd van zestig jaar niet heeft bereikt; - ten minste drie jaar houder is van zijn mandaat indien het, met uitzondering van de ambten van adjunct-directeur-generaal en adjunct-inspecteur generaal, reeds een mandaat uitoefent. Deze voorwaarden moeten vervuld zijn op de ultieme datum van de indiening van de kandidaatstelling.” IX-5435-7/14 1.2.
- Blijkens de oproep -punt 9- moeten de kandidaturen ingediend worden uiterlijk op 2 september
- Verzoekers blijken zich geen kandidaat te hebben gesteld. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij opmerkt dat verzoekers zich verzetten tegen de vereiste dat de kandidaten het diploma van licentiaat in de rechten moeten bezitten, maar dat die bepaling opgenomen is in de beslissing van 19 juli 2006 van de commissaris-generaal waarbij de profielvereisten worden vastge- steld, dat verzoekers die beslissing niet bestreden hebben en dat zij bijgevolg niet benadeeld zijn kunnen worden door de oproep tot de kandidaten waarin die bepaling overgenomen is; dat zij ook stelt dat verzoekers zich geen kandidaat hebben gesteld voor het mandaat, zodat zij het vereiste persoonlijk belang missen om de vernietiging te vorderen van de eindbeslissing waarbij de titularis van het vacante mandaat wordt aangewezen en zij bijgevolg ook niet ontvankelijk de schorsing kunnen vorderen van een beslissing die een onderdeel vormt van de complexe rechtshandeling waarbij die aanwijzing gebeurt; 2.2.
- Overwegende dat verzoekers zich verzetten tegen de hen in de oproep tot kandidaatstelling ter kennis gebrachte beslissing dat “uitsluitend” een kandidaat die “houder is van het licentiaatsdiploma in de rechten” aangewezen kan worden voor het mandaat van directeur van de directie van de juridische dienst, de statuten en het contentieux; dat die voorwaarde opgenomen is in de functiebe- schrijving en de profielvereisten die de commissaris-generaal op 19 juli 2006 goedgekeurd heeft, maar dat deze beslissing niet het voorwerp uitgemaakt heeft van een afzonderlijke kennisgeving aan het personeel; dat die kennisgeving slechts gebeurd is met de mededeling van de oproep tot de kandidaten van 27 juli 2006; dat verzoekers in die omstandigheden niet verweten kan worden dat zij hun vordering formeel richten tegen de oproep; dat uit het verzoekschrift duidelijk blijkt dat de schorsing gevorderd wordt van de beslissing van 19 juli 2006 van de commissaris- generaal, in de mate daarbij het bezit van het diploma van licentiaat in de rechten als een profielvereiste en als een uitsluitingsgrond voor de aanwijzing tot directeur naar voren wordt geschoven; 2.2.
- Overwegende dat verzoekers de schorsing vorderen van een beslissing die hen definitief uitsluit van de aanwijzing voor het mandaat en die aldus hun rechtstoestand definitief bepaalt; dat, aangezien de vaststelling van de profielver- IX-5435-8/14 eisten de oproep tot de kandidaten noodzakelijk voorafgaat, de verwerende partij in geval van vernietiging een nieuwe oproep zal moeten lanceren na de profielvereisten in overeenstemming gebracht te hebben met het vernietigingsarrest; dat de omstandigheid dat de verzoekers zich geen kandidaat gesteld hebben hen dan ook het vereiste belang niet ontneemt om de vernietiging en de schorsing te vorderen van de voorbeslissing van 19 juli 2006 om het mandaat voor te behouden voor een titularis van het diploma van licentiaat in de rechten; 2.
- Overwegende dat, binnen de grenzen van het prima facie onderzoek dat hier gevoerd wordt, de vordering ontvankelijk ingediend is;
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
- Overwegende dat de verzoekers in een enig middel de schending aanvoeren van de artikelen 68 en 71 van de wet van 26 april 2002, van artikel 33 van de wet van 3 juli 2005, van artikel 3, eerste lid, 1/, van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten (hierna: de wet van 24 maart 1999) en artikel 2, 11/, van het daarbij aansluitend uitvoeringsbesluit van 8 februari 2001 waarbij de grondregelen in de zin van artikel 3, eerste lid, 1/, van de wet van 24 maart 1999 worden aangewezen, evenals van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel; dat zij in een eerste onderdeel betogen dat de bestreden oproeping in de rubriek “4 - Profielvereis- ten”, punt “A. Algemene kennis” stelt dat de kandidaat een licentiaatsdiploma in de rechten moet bezitten en dat in de rubriek “5 - Algemene voorwaarden” gesteld wordt dat “voor de aanwijzing voor een mandaat uitsluitend in aanmerking komt het personeelslid dat (...) beantwoordt aan de profielvereisten bedoeld in punt 4”, terwijl het RPPol -evenals de wet van 26 april 2002- een onderscheid maakt tussen de “voorwaarden voor de aanwijzing voor een mandaat” (bepalingen opgenomen in Titel III, hoofdstuk II, afdeling 1 RPPol, inzonderheid de artikelen VII.III.20 en VII.III.30) en de “functiebeschrijving en profiel” (bepalingen opgenomen in Titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, RPPol, inzonderheid artikel VII.III.8); dat zij van oordeel zijn dat alle aanwijzingsvoorwaarden opgenomen zijn in de voormelde afdeling 1 van IX-5435-9/14 hoofdstuk II van het RPPol en dat de verwerende partij, door het bezit van een licentiaatsdiploma in de rechten langs het profiel om als een aanwijzingsvoorwaarde naar voren te schuiven, een bepaling aan de wet toegevoegd heeft; dat volgens hen daardoor de wettelijke bepaling dat zij nu ook in aanmerking kunnen komen voor een mandaat -artikel 33 van de wet van 3 juli 2005 biedt hen die mogelijkheid- “een dode mus” wordt, hoewel de wetgever met dat artikel 33 precies wenste tegemoet te komen aan een door het Arbitragehof vastgestelde discriminatie; dat zij daar aan toevoegt dat het bezit van een licentiaatsdiploma door het profiel wel “als een meerwaarde” vermeld zou mogen worden, maar dat het -voor hen- nooit een aanwijzingsvoorwaarde mag zijn; dat zij in een tweede onderdeel van het middel betogen dat de verwerende partij, door bij wege van een profielvereiste het bezit van een licentiaatsdiploma in de rechten als een aanwijzingsvoorwaarde naar voren te schuiven, tekort gekomen is aan de onder-handelingsverplichting die de wet van 24 maart 1999 haar oplegt ten aanzien van de grondregelingen in verband met het administratief statuut, die omvatten: “de regeling inzake de (...) bevordering door overgang naar het hoger niveau en enig ander stelsel van opbouw van de loopbaan, alsook de uitoefening van een hoger ambt, de overgang naar andere al dan niet gespecialiseerde functies”; dat zij in een derde onderdeel van het middel betoogt dat de verwerende partij het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schendt in de mate dat de benoemings- of aanwijzingsvoorwaarden “die op de maat van één kandidaat geschreven zijn, het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schenden”, doordat de bevoordeling van één bepaalde kandidaat opgemaakt kan worden uit de wijzigingen die aan de bestaande reglementering gebracht zijn en uit de spoed waarmee de bestreden oproep gelanceerd is; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen uiteenzet wat volgt : - aangaande het eerste onderdeel van het middel: krachtens de specifieke aan- wijzingsvoorwaarden, vermeld in artikel VII.III.30 RPPol, kan een politieambte- naar voor een mandaat van categorie 3 aangewezen worden wanneer hij “beantwoordt aan de profielvereisten van het bij mandaat te begeven ambt”; de profielvereisten vormen derhalve een “specifieke voorwaarde” om in een mandaat aangesteld te worden; met dergelijke specifieke voorwaarde wordt geen aanwijzingsvoorwaarde toegevoegd aan de wet of aan het RPPol, aangezien artikel VII.III.8 RPPol -bekrachtigd door de wet- aan de commissaris-generaal de bevoegdheid gegeven heeft om de profielvereisten vast te stellen en daarbij rekening te houden met de “bijzondere aard van de functie”; het stellen van de IX-5435-10/14 vereiste dat de directeur van de juridische dienst over een diploma in de rechten moet beschikken is niet kennelijk onredelijk, aangezien de dienst waar het mandaat begeven moet worden thans 34 ambtenaren telt waaronder 23 juristen; - aangaande het tweede onderdeel van het middel: het onderdeel van het middel is niet ontvankelijk omdat de vordering niet gericht is tegen de beslissing van de commissaris-generaal waarbij de profielvereisten worden vastgesteld; in ieder geval heeft de bestreden beslissing betrekking op een oproep tot de kandidaten, bevat zij geen grondregels in verband met het administratief statuut, maar vormt zij enkel een onderdeel van een complexe rechtshandeling waarbij een directeur wordt aangesteld; dergelijke beslissing is niet aan het syndicaal overleg onderwor- pen, evenmin als een beslissing tot vaststelling van het profiel aan dergelijk overleg onderworpen is; de grondregeling van het administratief statuut is vervat in het RPPol, die bepalingen zijn aan het syndicaal overleg onderworpen en hier hebben we te maken met een individuele beslissing die steunt op grondregels waarover overlegd is; - aangaande het derde onderdeel van het middel: er wordt betwist dat de profielvereisten op maat van één kandidaat geschreven zouden zijn; verzoekers erkennen overigens dat “nog andere kandidaten” in aanmerking komen; 4.3.
- Overwegende dat de commissaris-generaal met de bestreden bepaling in de profielvereisten, de aanstelling in het mandaat van directeur van de juridische dienst voorbehouden heeft aan een kandidaat die houder is van het diploma van licentiaat in de rechten; dat artikel VII.III.8 RPPol de commissaris-generaal toelaat om, bij de vaststelling van de profielvereisten waaraan de kandidaten voor een bepaald ambt getoetst zullen worden, concrete en op de specifieke aard van het te begeven ambt afgestemde voorwaarden op te nemen; dat die bepaling de commissaris-generaal evenwel niet toelaat benoemingsvoorwaarden -bij de aanduiding voor een mandaat aanwijzingsvoorwaarden genoemd- vast te stellen; dat immers overeenkomstig artikel 121 van de wet van 7 december 1998, het administra- tief statuut van het politiepersoneel door de Koning wordt vastgesteld en dat noch de wet, noch het RPPol, de commissaris-generaal de bevoegdheid verlenen om, ook niet voor bepaalde specifieke betrekkingen, bijkomende benoemingsvoorwaarden vast te stellen; dat voorts overeenkomstig artikel 3 van de wet van 24 maart 1999 en artikel 2, 11/, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001, de regeling inzake de bevordering en inzake elk stelsel van opbouw van de loopbaan als een grondregel in verband met het administratief statuut, onderworpen is aan het overleg met de vakbonden van het personeel; dat aannemen dat de commissaris-generaal middels de IX-5435-11/14 vaststelling van profielvereisten bij het begeven van individuele betrekkingen, benoemingsvoorwaarden kan vaststellen, het systeem van het syndicaal overleg ondermijnt; 4.3.
- Overwegende dat met de verwerende partij geredelijk aangenomen kan worden dat een directeur van de juridische dienst juridisch geschoold moet zijn en dat zij de kandidaturen mede in functie van die voorwaarde mag beoordelen, maar dat zulks niet betekent dat de commissaris-generaal bij de vaststelling van de profielvereisten -waaraan alle kandidaturen die aan de benoemingsvoorwaarden voldoen getoetst zullen worden- zelf criteria mag vaststellen die een aantal kandidaten zonder meer van die toetsing uitsluit; dat dergelijke criteria neerkomen op het invoeren van een bijkomende benoemingsvoorwaarde; dat de exclusieve voorwaarde van het bezit van het diploma van licentiaat in de rechten dergelijke bijkomende aanwijzingsvoorwaarde vormt; dat de bestreden bepaling dan ook niet kadert in de bevoegdheden die artikel VII.III.8 RPPol aan de commissaris-generaal toegekend heeft en dat er een bijkomende aanwijzingsvoorwaarde mee wordt ingevoerd die, als een grondregeling in verband met het administratief statuut, aan de syndicale onderhandeling onderworpen had moeten worden; 4.3.
- Overwegende dat de Raad van State voorts ook vaststelt dat de verplichting om profielvereisten op te stellen kadert in de objectivering van benoemingsprocedures; dat immers deze profielvereisten de kandidaten, die voldoen aan de benoemingsvoorwaarden, een inzicht verlenen in de criteria die het bestuur zal hanteren bij de beoordeling van de kandidaturen en dat zij voor het bestuur zelf een leidraad vormen bij het vergelijken van de kandidaten die de benoemingsvoor- waarden vervullen; dat het bestuur de verplichting om profielvereisten op te stellen niet kan aangrijpen als een tweede kans om, weze het voor een specifieke betrekking, nieuwe benoemingsvoorwaarden vast te stellen; dat de bestreden diplomavoorwaarde geen plaats heeft binnen de profielvereisten; 4.3.
- Overwegende dat de commissaris-generaal voor het uitvaardigen van de bestreden bepaling geen rechtsgrond kon vinden in artikel VII.III.8 en VII.III.14 van het RPPol; dat de bestreden diplomavereiste, doordat zij de kandidaten die er niet aan voldoen absoluut uitsluit van de aanwijzing, een benoemingsvoorwaarde betreft die slechts kan ingevoerd worden met een algemene regeling, die getroffen wordt overeenkomstig artikel 127 van de wet van 7 december 1998 en die het voorwerp uitgemaakt heeft van syndicale onderhandelingen; dat het IX-5435-12/14 eerste en het tweede onderdeel van het middel ernstig is; dat aldus de eerste grondvoorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging te bevelen, vervuld is; 5.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekers betogen dat zij een onherstelbaar nadeel lijden indien de schorsing van de bestreden beslissing niet spoedig wordt bevolen; dat de verzoekers erop wijzen dat zij geboren zijn in juli 1947, respectievelijk in januari 1948, dat artikel 71 van de wet van 26 april 2002 de leeftijdsgrens voor de aanwijzing voor een mandaat bepaalt op zestig jaar en dat zij nu voor de allerlaatste kans staan om nog voor een mandaat aangewezen te kunnen worden; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij erop wijst dat het nadeel dat verzoekers aanvoeren volgt uit de beslissing van de commissaris-generaal om de profielvereisten vast te stellen, welke beslissing zij evenwel niet bestreden hebben; dat zij ook stelt dat het verlies van een kans op benoeming in de regel geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt, dat in ieder geval verzoekers zich geen kandidaat gesteld hebben en dat zij daarmee zichzelf het recht ontzegd hebben om bezwaar in te dienen tegen de beslissing van de selectiecommissie waarbij hun kandidatuur zou verworpen worden, zodat zij zelf verantwoordelijk zijn voor het nadeel dat zij aanvoeren; 5.
- Overwegende dat het ernstig bevonden middel leidt tot de schorsing van de beslissing van de commissaris-generaal waarbij het bezit van het diploma van licentiaat in de rechten als een profielvereiste wordt ingevoerd; dat de schorsing van die bepaling tot gevolg heeft dat verzoekers, niet meer a priori van de aanwijzing voor het mandaat uitgesloten worden; dat, gelet op hun leeftijd en op de ontstentenis van enige tegenindicatie vanwege de verwerende partij, geredelijk aangenomen kan worden dat verzoekers voor hun laatste kans staan om nog in een mandaat aangesteld te kunnen worden; dat zij in die zin blijk geven van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, IX-5435-13/14 BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de oproep tot kandidaatstelling voor het mandaat van directeur van de directie van de juridische dienst, de statuten en het contentieux bij de federale politie. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig januari 2000 en zeven, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5435-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.191 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.404 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.