← België

Arrest 167192 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 29/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.192 Rolnummer: A. 177451/IX-5444 Zaak: Arrest 167192 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 29/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-05 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 14:37 Fiche Arrest nr 167.192 van 29 januari 2007 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.192 van 29 januari 2007 in de zaak A. 177.451/IX-

  1. In zake : Cindy VAN DEN BROECKE, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Cindy VAN DEN BROECKE op 7 oktober 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer-legging van de beslissing van 19 juli 2006 van de directeur-generaal Personeel van de federale politie waarbij haar de hoedanigheid van aspirant-inspecteur van politie wordt ontnomen met ingang van 1 augustus 2006 en van de beslissing van 21 augustus 2006 van dezelfde directeur-generaal waarbij bepaald wordt dat voormelde beslissing ingaat op 1 september 2006; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 29 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 december 2006; IX-5444-1/18 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur P. VERHEYDEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoekster vat op 1 oktober 2004 de opleiding van aspirant- inspecteur van politie aan bij de Oost-Vlaamse Politieacademie (OPAC). 1.
  5. Op 26 augustus 2005 ondertekent verzoekster voor kennisname en akkoord de door haar klasbegeleider/opleider opgestelde “eindevaluatie professioneel functioneren” met betrekking tot de door haar doorlopen opleiding in OPAC. Zij behaalt een algemeen totaal van 250/400 (63%). Voor het luik “persoonlijkheidskenmerken” behaalt zij een totaalscore van 65/100; voor het persoonlijkheidskenmerk “opvoeding-beleefdheid-handigheid om met mensen om te gaan-tact” behaalt zij een negatieve score, voor het persoonlijkheidskenmerk “meningsvorming en uiting-assertiviteit-karaktervastheid-morele moed” een positieve score, en voor de negen andere persoonlijkheidskenmerken een neutrale score. Onder een luik “bijkomende commentaar” wordt onder meer gesteld wat volgt : “U heeft zich van bij het begin van de opleiding gemanifesteerd als een mondige en vlotte kandidate. U heeft geen schrik om voor uw mening uit te komen. U was in geen geval een achtergrondfiguur en u liet zich gelden. Voor wat betreft ‘opvoeding-beleefdheid-handigheid om met mensen om te gaan-tact’ ziet u een negatieve vermelding. Dit om u attent te maken op het feit dat u wat meer moet leren om te aanvaarden dat er naar u toe opmerkingen worden gemaakt. Niet altijd het laatste woord willen hebben ook. U heeft een sterke persoonlijkheid maar het mag niet leiden tot dominantie.” IX-5444-2/18 1.
  6. Met betrekking tot de opleidingsstage van verzoekster worden volgende beoordelingen opgesteld : 1.3.
  7. In een eerste stagebeoordeling, die betrekking heeft op de observatiestage van 17 februari tot 2 maart 2005 en die opgesteld is door haar mentor (inspecteur PLACKE), behaalt verzoekster een algemeen totaal van 260/400 (65%) en een totaalscore van 65/100 voor het luik “persoonlijkheidskenmerken”; zij behaalt voor elk van de twaalf persoonlijkheidskenmerken een neutrale score; onder een luik “bijkomende commentaar” wordt onder meer gesteld : “Stelt zich zeer sociaal op ten aanzien van de collega’s. Op zich is dit lovenswaardig doch kan een zekere low-profile attitude in het begin geen kwaad. Cindy dient er naar de volgende stage toe op te letten dat assertiviteit geen synoniem wordt voor een ‘grote mond’. Meer observatie is een must.” 1.3.
  8. In een tweede stagebeoordeling (tussentijdse evaluatie), die betrekking heeft op de periode van 13 juli 2005 tot 24 augustus 2005 en die eveneens opgesteld is door inspecteur PLACKE behaalt verzoekster een identiek resultaat; onder het luik “bijkomende commentaar” wordt ditmaal onder meer gesteld : “Cindy heeft sinds haar observatiestage vooruitgang gemaakt. Ze hield rekening met de opmerkingen die haar gemaakt werden. Ik merk dat ze meer observeert en bij de zaak is.” 1.3.
  9. In een derde stagebeoordeling, tevens de eindevaluatie, die betrekking heeft op de ganse opleidingsstage van 13 juli 2005 tot en met 4 oktober 2005 en die op 4 oktober 2005 opgesteld is door mentor inspecteur PLACKE “in samenspraak met de stagecoördinator”, behaalt verzoekster een algemeen totaal van 180/400 (45%) en een totaalscore van 0/100 voor het luik “persoonlijkheidsken- merken”; voor drie van de persoonlijkheidskenmerken behaalt zij een zeer negatieve score (“dubbele min”), voor vier ervan een negatieve score (“min”). In de “bijkomende commentaar” die bij deze beoordeling gevoegd is, blijkt dat verzoekster tijdens haar operationele opleidingsstage op verschillende plaatsen in dienst geweest is. Aldus liep zij van 1 augustus 2005 tot 6 augustus 2005 stage bij de spoorwegpolitie, van 16 augustus 2005 tot 18 augustus 2005 bij sociaal rechercheur BRUYNEEL, van 10 september 2005 tot 18 september 2005 bij de interventiedienst te Gent en van 19 september 2005 tot 24 september 2005 bij de scheepvaartpolitie te Gent. De verslagen over de laatste drie stageperiodes zijn IX-5444-3/18 onverdeeld gunstig voor verzoekster. Van de stage bij de spoorwegpolitie blijkt geen verslag te bestaan. Het evaluatieverslag verwijst ook naar een “administratieve verklaring” die op 21 september 2005 afgelegd is door commissaris VAN DE VEN, postchef bij de spoorwegpolitie (SPC) en waaruit de mentor afleidt “dat er één en ander grondig is fout gelopen”. In die verklaring wordt het volgende gesteld : Op 7 september 2005 deelt een personeelslid aan commissaris VAN DE VEN mee dat verzoekster onophoudelijk berichten stuurt die gaan over een haar recent overkomen verkrachting en de traumatische gevolgen daarvan; op 8 september 2005 deelt het personeelslid hem mee dat hij bestookt wordt met berichten van verzoekster die inhoudelijk wijzen op een nakende wanhoopsdaad; de lokale politiezone wordt over dat feit ingelicht; het personeelslid heeft hem uit vrije wil alle door verzoekster verstuurde SMS-berichten laten lezen. De postchef besluit “...dat de inhoud van die berichten niet echt van een normaal denkend en handelend persoon afkomstig zijn (en dan druk ik mij nog zeer voorzichtig uit”); op 11 september 2005 doet verzoekster bij de spoorwegpolitie aangifte van verkrachting; op 17 en 18 september 2005 werd het personeelslid opnieuw door verzoekster voortdurend bestookt met SMS- berichten. De postchef verklaart nog het volgende : “Ik heb inzage genomen van het proces-verbaal van aangifte en moet vaststellen dat er objectieve elementen aanwezig zijn in het dossier die mij doen besluiten dat er in de verklaring van AINP VAN DEN BROECKE Cindy pertinente leugens en hersenspinsels staan. Ik moet besluiten dat er in onze personeelsgroep een algemeen gevoel van onbehagen is gegroeid, beseffende dat zulk personage op haast kwaadwillige wijze de integriteit van personen kan schaden.” Nog steeds blijkens de bijkomende commentaar bij de evaluatie, is de negatieve beoordeling die verzoekster nu voor het item “persoonlijkheids- kenmerken” krijgt in grote mate gebaseerd op het “verslag” van commissaris VAN DE VEN, dat de evaluator met verzoekster op 30 september 2005 besproken heeft en dat nu door verzoekster wordt afgedaan als één groot misverstand. Bij de eindevaluatie is ook een verklaring gevoegd van verzoekster die volgens de evaluator “duidelijk verwarring zaait tussen wat de aspirant beweert en wat de Commissaris SPC beweert”, en waarin verzoekster verklaart dat zij op 6 september 2005 werd verkracht, dat zij de volgende dag contact opnam met een collega van de spoorwegpolitie die een vriend is van haar, dat deze op 8 september IX-5444-4/18 2005 een berichtje kreeg dat hij verkeerd interpreteerde, en dat zij op 11 september 2005 aangifte van haar verkrachting is gaan doen bij haar vriend. De evaluator besluit dat “zijn objectiviteit naar verzoekster na deze stageperiode in de toekomst niet meer gegarandeerd is” en dat hij haar niet langer als mentor wenst te begeleiden. De stagecoördinator van zijn kant verklaart zeker geen psycholoog te zijn, maar wel “zijn bevindingen te hebben over de rol die de aspirant speelt”. 1.4.
  10. Op 6 januari 2006 dient verzoekster een verweerschrift in tegen de eindevaluatie van haar operationele opleidingsstage. Zij voert onder meer aan dat er in de bijkomende commentaar zaken geschreven zijn die niet relevant en zelfs misplaatst, betreurenswaardig en ondermaats zijn en dat de evaluator en de stagecoördinator zich schuldig maken aan laster, eerroof en lasterlijke aantijgingen, enkel met het doel haar te schaden. Zij vraagt zich ook af welk recht commissaris VAN DE VEN heeft om haar klacht in te kijken en vraagt dat diens verklaring uit het dossier verwijderd wordt. 1.4.
  11. Op 13 januari 2006 beslist de tweede evaluator (de directeur van OPAC) de sub 1.3.
  12. vermelde beoordeling van de eerste evaluator aan te passen. Verzoekster behaalt een totaalscore van 15/100 voor het item “persoonlijkheidskenmerken” en een algemeen totaal van 205/400 (51,25%). In die beslissing stelt de tweede evaluator onder meer : - dat de toon van het verweerschrift dermate kwetsend en intimiderend is ten aanzien van de mentor dat het geen basis kan zijn voor een serene dialoog of objectieve argumentatie tussen de mentor en zijn aspirant zodat verzoekster het op die manier onmogelijk maakt om de procedure, zoals voorzien in artikel 15 van het algemeen procedurereglement, toe te passen; - dat sommige uitlatingen van verweerster over haar mentor getuigen van weinig loyauteit en collegialiteit en dat het deontologisch onverantwoord is van verzoekster om de mentor en de stagecoördinator te beschuldigen van feiten die een misdrijf uitmaken; - dat hij wel het argument bijtreedt dat het niet gepast is om “inzage te nemen in een proces-verbaal van klacht in een zaak waar men niet als onderzoeker bij betrokken is”, en dat het beroepsgeheim verbiedt om gegevens uit een gerechtelijk dossier IX-5444-5/18 bekend te maken, dat hij om die reden de beoordeling die rechtstreeks op de door verzoekster gewraakte passage gesteund blijkt te zijn, aanpast, maar dat voor het overige het verslag van de verantwoordelijke van de spoorwegpolitie in het dossier blijft. Hij verantwoordt vervolgens waarom hij de verschillende scores van verzoekster aanpast. 1.
  13. Na de gebeurtenissen van september 2005 is verzoekster drie maanden werkonbekwaam om medische redenen (psychische belasting). Om die reden laat de directeur van de school haar toe het eindexamen niet in oktober 2005 maar in februari 2006 af te leggen. Bij de hervatting van het werk wordt verzoekster voor de periode die aan het examen voorafgaat, tewerkgesteld in de politiezone Deinze-Zulte, waar zij tot voldoening van de verantwoordelijken presteert. 1.
  14. Verzoekster neemt in februari 2006 deel aan de eerste zittijd van het eindexamen. Zij behaalt voor het mondeling examen (portfolio) 100 punten op 400 en verkrijgt een eindcijfer van 405/1000 terwijl het vereiste minimum vast- gesteld is op 60 %. Zij neemt vervolgens deel aan de tweede zittijd van het eindexamen. Zij behaalt nu 208/400 voor het mondeling examen en 55/100 voor het “functioneel parcours” van de praktische proef. Haar puntentotaal voor het eind- examen bedraagt nu 563 op
  15. Mede in acht genomen haar onvoldoende puntentotaal voor “professioneel functioneren” (205 + 250 = 455 op 800 waarmee zij de vereiste 60 % niet haalt) voldoet zij niet aan de in artikel 53 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 vastgestelde voorwaarden om te slagen. De examencommissie verantwoordt de uitslag van verzoekster nu als volgt : “Vaststellingen tweede zittijd. Op het schriftelijke onderdeel (theorie en PV) maakt zij een progressie en haalt een voldoende. Voor het sportief gedeelte : zie verslag commissaris De Mey, sport- coördinator van OPAC, IX-5444-6/18 Voor het onderdeel Portfolio : Zij is naar vorm toe beter voorbereid en de pijnpunten voor wat betreft de opleiding komen nu wel aan bod. De commissie stelt vast dat zij mondig is en ze tracht zelfzeker over te komen. Het beeld dat ze ophangt van zichzelf is echter niet in overeenstemming met het beeld dat zij heeft nagelaten gedurende de volledige opleiding. Zij minimaliseert haar gemaakte fouten of probeert ze goed te praten. Ze verweert zich wel, maar de commissie is niet overtuigd van haar eerlijkheid hierin. Besluit : Gezien haar resultaten zij niet geschikt wordt geacht om te functioneren als inspecteur.” 1.
  16. Op 17 maart 2006 komt de examenjury van OPAC samen om zich te beraden “over de eindresultaten van de basisopleiding.” 1.7.
  17. Met betrekking tot verzoekster wordt in het desbetreffend proces- verbaal gesteld wat volgt : “(...)
  18. Toestand Deze aspirant behoort tot de 88/ promotie AINP OPAC en heeft haar basisopleiding aangevat op 1 oktober
  19. Zij diende normaal gezien het eindexamen af te leggen in oktober
  20. Na haar opleidingsstage in de politiezone Gent was zij 3 maanden werkonbekwaam om medische redenen. Bijgevolg werd haar de gunst toegekend haar examen af te leggen in februari 2006, samen met de aspiranten van de 89e promotie AINP OPAC. Na haar werkhervatting, in afwachting van de examens heeft zij, teneinde een nuttige bezigheid te hebben en zich zo goed mogelijk te kunnen voor-bereiden op deze examens, de overige tijd doorgebracht in de politiezone Deinze-Zulte. Beoordeling van de studieresultaten : Algemeen resultaat na de eerste zittijd : 516,71 op 1.000, niet geslaagd Resultaat van het eindexamen in de eerste zittijd : 405 op 1.000, niet geslaagd Resultaat van het eindexamen na de tweede zittijd : 563 op 1.000, niet geslaagd Beoordeling van het professioneel functioneren : - met betrekking tot de opleiding, beoordeling door de klasbegeleider : 250 op 400 - met betrekking tot de stage, beoordeling door de mentor : 205 op 400 Totaal : 455 op 800, niet geslaagd Opmerking : De mentor kende aan de aspirant een kwotering toe van 180 op
  21. Ingevolge het verweerschrift van de betrokkene en om iedere mogelijke betwisting nadien te voorkomen heb ik beslist de kwotering aan te passen naar omhoog tot 205 op
  22. IX-5444-7/18
  23. Advies van de jury De jury heeft kennis genomen van de bevindingen van de examen-commissie, en van alle elementen van het dossier en is éénparig van oordeel dat deze aspirant niet geschikt bevonden wordt in de zin van artikel 53 van het KB op de basisopleidingen. De jury is unaniem van oordeel dat deze aspirant niet voldoet aan het profiel van de politie-inspecteur en dat het bijgevolg niet wenselijk is deze aspirant het geheel of een gedeelte van de basisopleiding zou herbeginnen, noch in de Oost- Vlaamse Politieacademie, noch in een andere erkende politieschool.
  24. Motivering De studieresultaten en de beoordeling van het professioneel functioneren, zijn op zich reeds duidelijk onvoldoende : de aspirant is niet geslaagd. Bovendien blijkt uit het dossier dat deze aspirant blijk geeft van een complexe en labiele persoonlijkheid die haar ongeschikt maken om als politie- mens te functioneren in het kader van een gemeenschapsgerichte politiecultuur. In de proef ‘Portfolio’ heeft de examencommissie vastgesteld dat de aspirant mondig is, maar dan wel dikwijls op een ongepaste manier, zowel qua taalge- bruik als qua omstandigheden. Reeds in de eerste stagebeoordeling (observatiestage) is hiervan melding gemaakt. Het beeld dat de aspirant van zichzelf naar voor brengt stemt niet overeen met het beeld dat zij heeft nagelaten gedurende het geheel van de opleiding. De examencommissie is niet overtuigd van haar oprechtheid. Zij haalt informatie bij allerlei bronnen buiten de politieschool en gebruikt de elementen daarvan in een andere context en naargelang het haar goed uitkomt. Eigen fouten worden geminimaliseerd, en teruggespiegeld op de anderen of de omgeving. De motivatie van deze aspirant kan in vraag worden gesteld. De sport- coördinator heeft vastgesteld dat hoewel aan de betrokken aspirant de kans werd geboden om bij meerdere gelegenheden te komen trainen en zo haar barslecht resultaat voor het functioneel parcours, sportief gedeelte, in de eerste examen- zittijd op te krikken (0 op 100, de proef werd door de aspirant stopgezet zonder medisch attest), zij de gemaakte afspraken hiervoor niet is nagekomen. Zij heeft zich niet aangeboden op acht van de negen voorziene trainingssessies. Het resultaat in de tweede zittijd was 20 op 100 omdat zij ditmaal - met enige hulp van de sportmonitor - toch het volledige parcours heeft afgelegd, weliswaar buiten de voorziene tijdspanne. Het gaat dus niet om een progressie in de prestatie. De vertegenwoordiger van de Directie van de Rekrutering en de Selectie in de jury bevestigt dat deze aspirant voor de persoonlijkheidsproef een eerste keer is afgewezen en dat er in de resultaten persoonlijkheidskenmerken zijn gemeten die gedurende de opleiding niet in de gunstige zin zijn geëvolueerd of tot uiting zijn gekomen. Vandaar ook de eenparigheid wat dat betreft in de beslissing van de jury. De manier waarop de aspirant haar beoordeling professioneel functioneren heeft aangevochten was inhoudelijk kwetsend en intimiderend ten opzichte van zowel de stagementor als de stagecoördinator. De aspirant toont hierdoor aan dat zij niet doordrongen is van de basisbeginselen van de deontologie eigen aan het politieberoep, zoals respect voor collega’s en de functionele oversten. Een dergelijke ingesteldheid ten aanzien van de collega’s wijst er op dat deze aspirant ook niet in staat zal zijn in moeilijkere omstandigheden op een serene manier met de gewone burger om te gaan. De jury is er zich van bewust dat bovenstaande motivering confronterend kan overkomen, en wil benadrukken dat deze aspirant wellicht beschikt over kwaliteiten die haar tot een gedegen loopbaan kunnen leiden in andere sectoren, evenwel niet bij de politie.” IX-5444-8/18 1.7.
  25. De verwerende partij voegt bij het proces-verbaal van de examenjury twee stukken, met name : - een verslag van 16 maart 2006 van de sportcoördinator OPAC, waarin deze verklaart dat het eindexamen een hindernisparcours is, dat met verzoekster was afgesproken dat zij vanaf januari 2006 in totaal negen keer kon komen trainen op de piste, dat zij uiteindelijk één keer is komen trainen, dat zij bij het examen eerste zittijd heeft opgegeven wegens blessure, dat hij voor haar opgave geen medisch attest heeft ontvangen terwijl verzoekster de volgende dag toch haar examen “geweldbeheersing” heeft afgelegd, dat zij voor de tweede zittijd terug drie maal de kans gekregen heeft om te trainen op het hindernisparcours, dat zij geen enkele keer is komen trainen, en dat zij op het herexamen wel het volledige parcours heeft afgelegd, maar dan wel in een tijd die buiten de norm valt en met hulp; - de voormelde vaststellingen van de examencommissie. 1.
  26. Op 29 maart 2006 dient verzoekster een verweerschrift in tegen het advies van de examenjury. Met een brief van 6 april 2006 geeft de directeur OPAC zijn opmerkingen en commentaren op het verweerschrift van verzoekster. 1.
  27. Op 19 juli 2006 beslist de directeur-generaal Personeel verzoekster de hoedanigheid van aspirant-inspecteur te ontnemen en deze ontneming te doen ingaan op 1 augustus
  28. Die beslissing, die verzoekster aanmerkt als het eerste voorwerp van de onderhavige vordering tot schorsing, luidt als volgt : “
  29. AINP VAN DEN BROECKE Cindy begon op 01-10-2004 aan de 88ste promotie van de opleiding voor aspirant-inspecteur aan het OPAC.
  30. Betrokkene diende normaal gezien het eindexamen af te leggen in oktober
  31. Na haar opleidingsstage in de politiezone GENT was zij 3 maanden werkonbekwaam om medische redenen. Bijgevolg werd haar de gunst toegekend haar examen af te leggen in februari
  32. Na haar werkhervatting, in afwachting van de examens heeft zij, teneinde een nuttige bezigheid te hebben en zich zo goed mogelijk te kunnen voorbereiden op deze examens, de overige tijd doorgebracht in de politiezone DEINZE/ZULTE.
  33. AINP VAN DEN BROECKE haalde in de 1ste zittijd voor het eind- examen slechts 405 op
  34. In de 2de zittijd behaalde betrokkene met 563 op 1000 nog steeds niet het vereiste minimum van 60%. De studie-resultaten en de beoordeling van het professioneel functioneren zijn duidelijk onvoldoende. De examencommissie acht betrokkene niet in staat om in moeilijke situaties op een serene manier om te gaan met gewone burgers. Ze lijkt ook niet doordrongen te zijn van de basisbeginselen van de deontologie eigen aan het politieberoep, IX-5444-9/18 zoals respect voor collega’s en oversten. Bovendien wordt de motivatie van AINP VAN DEN BROECKE in vraag gesteld, aangezien zij gemaakte afspraken niet nakwam en de aangeboden kansen om zich te verbeteren tijdens de opleiding niet gebruikte. Omwille van deze bevindingen adviseerde de examencommissie op 17 maart 2006 dan ook om deze aspirante definitief af te wijzen.
  35. Bij haar verweerschrift vermeld in Ref 4, geeft betrokkene te kennen niet akkoord te gaan met het voorstel tot ontneming van haar hoedanigheid van AINP omwille van volgende redenen. Het verschuiven van haar examen naar februari 2006 i.p.v. oktober 2005 was volgens haar geen gunst maar gebeurde ingevolge van overmacht. De jury heeft geen rekening gehouden met de periode die zij doorbracht in de politiezone DEINZE/ZULTE. Naar aanleiding van deze stage had ze nochtans een goede evaluatie gekregen met een algemeen totaal van 280 op
  36. AINP VAN DEN BROECKE oordeelt dat haar rechten van verdediging geschonden zijn aangezien ze haar studieresultaten niet kon verdedigen voor de examencommissie. Ze werd pas op de hoogte gebracht van haar resultaten na de samenkomst van de commissie. Naar aanleiding van haar ongunstige evaluatie van haar professioneel functioneren diende AINP VAN DEN BROECKE een verweerschrift in waarna de Directeur OPAC haar score aanpaste. Deze scores waren volgens haar onvoldoende gemotiveerd. AINP VAN DEN BROECKE vindt dat het de jury niet toekomt om te oordelen over haar geschiktheid. Bovendien kan een jury niet zomaar uitspraken doen over haar persoonlijkheid, zonder medische stukken. Tijdens de zitting had de jury kennis genomen van het feit dat zij tijdens haar selectieproeven voor de persoonlijkheidsproef een eerste keer werd afgewezen. Volgens AINP VAN DEN BROECKE mochten deze resultaten niet gebruikt worden aangezien zij slaagde voor het geheel van de selectieproeven. Tijdens het examen portfolio werd zij gedurende één uur, rechtstaand en onafgebroken ondervraagd. Gedurende dit examen werd ze met vernederende vraagstellingen geconfronteerd over een opgelopen trauma. Bovendien heeft men bijna geen vragen gesteld op professioneel gebied. Tijdens de eerste zittijd werden haar inderdaad extra trainingssessies aange- boden, tussen de eerste en de tweede zittijd gebeurde dit echter niet. Deze sessies kunnen volgens haar niet aangewend worden om haar vorderingen op sportief vlak te beoordelen. Bovendien stelt AINP VAN DEN BROECKE haar score in eerste zittijd nl. 0/100 in vraag. Tijdens dat examen verzwikte zij haar linkervoet en bood zich aan op de medische dienst. De dokter was op dat moment echter afwezig waardoor ze pas de dag erna kon onderzocht worden. AINP VAN DEN BROECKE vindt dat jammer dat ze na haar eerste verweer- schrift niet gehoord werd, met verdediger, door de Directeur OPAC. Ze is er dan ook van overtuigd dat ze in OPAC onvoldoende kansen gekregen heeft om te slagen. Tot slot stelt AINP VAN DEN BROECKE zich de vraag waarom haar stage- werkboek en portfolio haar werden ontnomen en op haar vraag niet tot haar beschikking werden gesteld.
  37. Na het lezen van het verweerschrift en bijlagen gaf de Directeur OPAC volgende commentaar. In principe diende het eindexamen afgelegd te worden zodra de betrokkene het werk kon hervatten. Aangezien het hier om een afwezigheid ging wegens psychische belasting, besloot de Directeur OPAC haar de gunst te verlenen dit examen af te leggen in de zittijd van de volgende promotie. AINP VAN DEN BROECKE verwijst naar een bijkomende opleidingsstage in de politiezone DEINZE/ZULTE en haalt aan dat ze daar een gunstige evaluatie IX-5444-10/18 bekwam. Er was hier echter geen sprake van een bijkomende stage, er werden geen stagedoelstellingen bepaald. Naar aanleiding van het uitstellen van haar examen, werd AINP VAN DEN BROECKE verwezen naar de politiezone DEINZE/ZULTE met de bedoeling er een nuttige bezigheid te krijgen. Het zou immers onredelijk geweest zijn om haar verschillende weken studieverlof toe te kennen. De evaluatie die daar werd bekomen, werd opgemaakt door een mentor die niet werd aangewezen door OPAC. Bovendien gebeurde dit tegen de richtlijnen van de Directeur OPAC en haar functionele chef ter plaatse in. AINP VAN DEN BROECKE beklaagt zich erover dat ze geen punten ter kennis kreeg onmiddellijk na het afleggen van de proeven waardoor ze deze scores niet kon verdedigen voor de examencommissie. De quoteringen door de examen- commissie worden pas vastgesteld in een afsluitende beraadsslaging waaraan alle leden van deze commissie deelnemen en waarin de resultaten van alle aspiranten uit dezelfde promotie worden samengebracht. Vermits er nog geen punten vastgesteld waren, konden ze ook niet ter kennis worden gebracht van AINP VAN DEN BROECKE. Bovendien voorziet de reglementering nergens dat een aspirant punten toegekend door de commissie reeds tijdens de examen- verrichtingen zou moeten kennen en kan betwisten. Vervolgens verwijst AINP VAN DEN BROECKE naar haar verweerschrift ingediend naar aanleiding van haar ongunstige evaluatie van haar professioneel functioneren gedurende de stage. Overeenkomstig de reglementaire voor- schriften heeft de Directeur OPAC als tweede evaluator de punten aangepast waar hij dit verantwoord achtte. Een omstandig gemotiveerd antwoord werd verstrekt in zijn nota van 13 januari 2006, te vinden in het schooldossier. Wat het professioneel functioneren betreft binnen de politieschool werd de quotering 63 op 100 toegekend. Deze score werd afdoende gemotiveerd in de commentaar van de klasbegeleider. Wat het professioneel functioneren op stage betreft; verwijst de Directeur OPAC naar de zeer omstandige motivering van haar mentor. Alle beslissingen werden wel degelijk gemotiveerd genomen. Artikel 53 van het KB van 20 november 2001 betreffende de basisopleiding van de personeelsleden van het operationeel kader verwoordt duidelijk dat een jury wel degelijk kan oordelen over de geschiktheid van een aspirant. Bovendien doet de jury geen uitspraken over AINP VAN DEN BROECKE haar persoonlijkheid maar over de verenigbaarheid van het gedrag dat zij vertoont met de basiswaarde van de politieorganisatie. De vaststelling van de jury steunt op het schooldossier en alle stukken die daarin opgenomen zijn. Het examen portfolio verliep voor elke aspirant hetzelfde. Van een politiemens kan men toch verwachten dat hij/zij in staat is om één uur recht te staan. Bovendien blijkt dat het ‘ondervragen’ nodig was gelet op de zeer beperkte eigen inbreng van de aspirant. AINP VAN DEN BROECKE beweert dat haar door de OPAC geen mogelijk- heid is geboden om tussen de eerste en de tweede zittijd extra trainingssessies te volgen. De sportcoördinator verklaart dat haar drie kansen werden gegeven om bijkomend te trainen. Ze is geen enkele keer komen opdagen. Wat haar score voor sport in eerste zittijd betreft, halverwege het hindernissen- parcours heeft AINP VAN DEN BROECKE zonder merkbaar ongeval de proef stopgezet wegens pijn in de linkervoet. De sportmonitoren hebben haar verwezen naar de medische dienst met de vraag een medisch attest te bezorgen. Betrokkene heeft echter geen medisch attest ingediend. AINP VAN DEN BROECKE vindt het jammer dat ze na haar eerste verweer- schrift niet gehoord werd, met verdediger, door de Directeur OPAC. In de regelgeving is er geen sprake van een bijkomende mondelinge procedure, al dan niet met syndicale bijstand. Het recht om een verweerschrift in te dienen tegen de beoordeling van de mentor en de stagecoördinator komt afdoende tegemoet aan het algemeen rechtsbeginsel van de hoorplicht. IX-5444-11/18 Tot slot stelt AINP VAN DEN BROECKE zich de vraag waarom haar stagewerkboek en portfolio haar werden ontnomen en op haar vraag niet tot haar beschikking werden gesteld. Op het ogenblik dat aan AINP VAN DEN BROECKE de nota werd betekend met de motivering van de jury en nadat was afgesproken op welke datum haar verweerschrift diende te worden ingediend, wenste ze haar portfolio en stagewerkboek ter beschikking te krijgen. Aangezien de Directeur OPAC twijfelde of dit in deze fase van de procedure wel toegelaten is en zich zorgen maakte over de fysieke integriteit van deze documenten, hield hij zijn antwoord in beraad en vroeg aan AINP VAN DEN BROECKE om de eerstkomende maandag opnieuw contact op te nemen. AINP VAN DEN BROECKE liet niets meer van zich horen. De jury van de Oost-Vlaamse Politieacademie is eenparig en formeel. Aan deze aspirant zijn alle kansen ter beschikking gesteld die mogelijk waren en die verantwoordbaar zijn. Zij is niet geschikt als politie-inspecteur.
  38. Bijgevolg, rekening houdend met het voorstel tot ontslag, het verweer- schrift, het bijkomend advies n.a.v. het verweerschrift en alle gegevens die me ter beschikking werden gesteld beslis ik om AINP VAN DEN BROECKE Cindy de hoedanigheid van AINP te ontnemen op basis van artikel 53 van het KB vermeld in Ref.
  39. Deze ontneming gaat in op 01/08/2006, AINP VAN DEN BROECKE zal drie exemplaren van deze nota dateren en ondertekenen voor “Gezien en ontvangen één exemplaar”. 1.
  40. Op 21 augustus 2006 beslist de directeur-generaal Personeel de datum van de ontneming van verzoekers hoedanigheid van aspirant-inspecteur te wijzigen naar 1 september 2006, aangezien zij nog prestaties bij het CSD Gent geleverd heeft. Die beslissing maakt verzoekster tot het tweede voorwerp van de onderhavige vordering tot schorsing.
  41. Overwegende dat verzoekster geen middelen aanvoert die specifiek gericht zijn tegen het besluit van 21 augustus 2006 waarbij wordt vastgesteld dat de hoedanigheid van aspirant-inspecteur van politie haar slechts wordt ontnomen op 1 september 2006; dat aan die wijzigende beslissing geen afzonderlijk onderzoek gewijd moet worden; dat de desbetreffende vordering de uitkomst volgt van de vordering tegen de beslissing van 19 juli 2006;
  42. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; IX-5444-12/18 4.
  43. Overwegende dat verzoekster in het tweede middel de schending aanvoert van de formele motiveringsverplichting vervat in de wet van 29 juli 1991, van het redelijkheidsbeginsel, van de materiële motiveringsverplichting en van haar rechten van verdediging; dat zij het middel als volgt adstrueert: uit het advies dat de examenjury moet verstrekken over de mogelijkheid van herkansing dan wel de definitieve afwijzing van een leerling moet blijken dat de examenjury deugdelijke redenen heeft om te beslissen dat een definitieve afwijzing noodzakelijk is en er geen mogelijkheid tot herkansing geboden kan worden; de bestreden beslissing verwijst in punt 3 naar een beslissing van de examencommissie, die zij niet kent en die zij in ieder geval, met verwijzing naar verschillende passages uit de verslagen die gedurende haar stages opgesteld zijn, betwist; het advies van de examenjury zelf bevat ook geen afdoende en deugdelijke gegevens om het bestreden besluit te schragen: de verwijzing naar “een complexe en labiele persoonlijkheid, die haar ongeschikt zouden maken om als politiemens te functioneren in het kader van een gemeenschapsgerichte politiecultuur” is niet meer dan “holle frasen zonder concrete inhoud”, waarbij soms beoordelingen worden geformuleerd die zonder meer subjectief zijn -haar gebrek aan oprechtheid- of die irrelevant zijn -het feit dat verzoekster vroeger bij haar toelating tot de opleiding wegens persoonlijkheids- kenmerken eerst geweigerd werd-; de examenjury neemt verzoekster ook kwalijk dat zij zich verweerd heeft tegen haar negatieve beoordeling over haar professioneel functioneren en zij leidt uit het vastgestelde respect voor collega’s en oversten af dat verzoekster niet in staat zal zijn om in moeilijkere omstandigheden sereen met de burgers om te gaan, maar de emotionele reactie die zij tentoongespreid heeft kadert in de “bijzondere traumatische ervaring” die zij meegemaakt heeft; voorts bevat het dossier toch ook een aantal positieve elementen over haar en de examenjury zet niet uiteen waarom de negatieve elementen “het positieve van tafel kan vegen” en aldus reden kunnen zijn om verzoekster definitief af te wijzen; 4.
  44. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen betoogt wat volgt: in het advies van de examenjury wordt uitdrukkelijk uiteengezet dat en waarom verzoekster niet voldoet aan het profiel van de politie- inspecteur en het bijgevolg niet aangewezen is dat zij de basisopleiding zou herbeginnen; dat verzoekster niet in staat is om in moeilijke situaties op een serene manier met burgers om te gaan en dat zij niet doordrongen is van de deontologie zoals respect voor collega’s en oversten, heeft de jury afgeleid uit de inhoudelijk kwetsende en intimiderende wijze waarop verzoekster haar beoordeling van haar professioneel functioneren betwist heeft; de jury heeft de motivatie van verzoekster IX-5444-13/18 in vraag gesteld wegens de vaststelling door de sportcoördinator dat zij gedurende haar opleiding afspraken niet nagekomen is en aangeboden kansen ter verbetering van haar prestaties niet benuttigd heeft; de jury heeft ook vastgesteld dat het beeld dat verzoekster bij de examencommissie opgeroepen heeft niet overeenstemt met het beeld waarvan haar gehele opleiding blijk geeft; al deze elementen vinden steun in het dossier; bovendien heeft de directeur OPAC een uitvoerig antwoord gegeven op de kritiek van verzoekster tegen het advies van de jury en dat advies geëxpliciteerd; dat er positieve gegevens over verzoekster kunnen gezegd worden belet niet dat rekening gehouden moet worden met de aanwezige negatieve elementen; de examenjury heeft haar beslissing bij unanimiteit genomen; 4.
  45. Overwegende dat het bestreden besluit in punt 3 verwijst naar “bevindingen” van de examencommissie met betrekking tot de studieresultaten en het professioneel functioneren van verzoekster; dat evenwel blijkens de artikelen 48 en 49 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 de examencommissie enkel bevoegd is om het resultaat van de leerlingen voor het eindexamen vast te stellen; dat de beoordeling van het professioneel functioneren voorbehouden is aan de in artikel 54 van hetzelfde besluit bedoelde examenjury, die overeenkomstig artikel 53 een advies moet uitbrengen over de geschiktheid van de leerling; dat uit het dossier van de zaak blijkt dat de beoordeling van de geschiktheid van verzoekster ook op die wijze tot stand gekomen is; dat het bestreden besluit ten onrechte de beslissing van de examencommissie met de beslissing van de examenjury door elkaar haalt; Overwegende dat aangenomen kan worden dat de verwarring die het bestreden besluit schept het inzicht dat verzoekster heeft kunnen verwerven in het besluitvormingsproces niet bevorderd heeft, maar dat niet blijkt dat verzoekster daardoor benadeeld is bij het uiteenzetten van haar middelen; dat hierna onderzocht wordt of de verwerende partij op grond van de in punt 3 van het bestreden besluit vermelde overwegingen die allen teruggaan naar het advies van de examenjury, regelmatig tot het besluit is kunnen komen dat verzoekster definitief afgewezen moest worden; IX-5444-14/18 4.3.
  46. Overwegende dat het bestreden besluit verwijst naar de “duidelijk onvoldoende” resultaten -reglementair is 60% vereist- die verzoekster behaalde enerzijds voor de twee zittijden van het eindexamen -een resultaat van 563 punten op 1000, vastgesteld door de examencommissie- en anderzijds voor de beoordeling van haar professioneel functioneren -een resultaat van 455 punten op 800, waarvan 205 op 400 voor het professioneel functioneren tijdens de stage, vastgesteld door de stagementor en verbeterd door de directeur van de school-; dat het bestreden besluit daarnaast ook verwijst naar de vaststelling van de examenjury -gemaakt in haar vergadering van 17 maart 2006- dat verzoekster niet in staat is om in moeilijkere situaties op een serene manier om te gaan met gewone burgers, dat zij niet doordrongen lijkt van de basisbeginselen van de deontologie eigen aan het politieberoep -met name het respect voor collega’s en oversten- en dat vragen rijzen bij haar motivatie, aangezien zij tijdens haar opleiding gemaakte afspraken niet nagekomen is en de aangeboden kansen om zich te verbeteren niet benut heeft; 4.3.
  47. Overwegende dat de examenjury tot het besluit gekomen is dat verzoekster geen blijk gegeven heeft van de basisbeginselen van de deontologie inzake het respect voor collega’s en oversten en dat zij daarmee aantoont dat zij niet in staat zal zijn in moeilijkere omstandigheden op een serene manier met de gewone burger om te gaan; dat zij dit besluit afleidt uit de wijze waarop verzoekster zich -met haar verweerschrift van 6 januari 2006- verzet heeft tegen de eindevaluatie van haar stagementor met betrekking tot haar professioneel functioneren tijdens de stages; Overwegende dat het verweerschrift van verzoekster van 6 januari 2006 onmiskenbaar uitlatingen bevat die kwetsend en intimiderend zijn voor de stagementor en de stagecoördinator; dat, ook al kan verzoekster het recht niet ontzegd worden om zich te verdedigen op de wijze die zij goedvindt, die uitlatingen toch volstrekt nodeloos zijn en getuigen van een misplaatste arrogantie tegenover de personen die haar gedurende de stage begeleidden en haar moeten beoordelen; dat de examenjury zulks als een beoordelingselement bij haar quotering van het professioneel functioneren van verzoekster kon betrekken, met name ten aanzien van de wijze waarop zij kritiek ten aanzien van haar persoon kan verwerken; dat de examencommissie haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid niet kennelijk te buiten gegaan is door in de nodeloos arrogante wijze van verweer het bewijs te vinden dat verzoekster tekortschiet op het vlak van het vereiste respect voor collega’s en functionele meerderen en dat er problemen te verwachten zijn wanneer zij in haar gewoon politiewerk voor delicate situaties geplaatst wordt; IX-5444-15/18 4.3.
  48. Overwegende dat de examenjury bij de totstandkoming van haar advies -en de directeur-generaal in het bestreden besluit-, naast het ongepast verweer van verzoekster ook rekening gehouden heeft met de onvoldoende punten die verzoekster behaalde voor haar professioneel functioneren; Overwegende dat, wat het professioneel functioneren van verzoekster tijdens de stage betreft, vastgesteld wordt dat verzoekster in de loop van haar opleiding redelijk gunstige beoordelingen voor dat professioneel functioneren behaald heeft en dat zij de aanvankelijk gemaakte opmerking dat zij er moest over waken dat haar assertiviteit niet mocht ontaarden in “een grote mond” heeft weten te keren, maar dat zij dan plots geconfronteerd is met een eindevaluatie van nul punten op 100; dat die plotse ommezwaai in de beoordeling terug te voeren is tot bepaalde gebeurtenissen van september 2005 waarbij verzoekster zich, naar aanleiding van de aangifte van een verkrachting waarvan zij het slachtoffer zou geweest zijn, op volstrekt ongepaste wijze zou opgedrongen hebben aan een eenheid van de spoorwegpolitie -waarbij zij voordien stage had gelopen-; dat die gebeurtenissen in het hier besproken dossier ter sprake gebracht zijn door de “administratieve verklaring” van 21 september 2005 van postchef-SPC VAN DE VEN; dat die eenzijdige verklaring melding maakt van “pertinente leugens en hersenspinsels” van verzoekster, van SMS-berichten die “niet echt van een normaal denkend en handelend persoon afkomstig zijn” en voorts verzoekster ook nog kwalificeert als een “personage dat op haast kwaadwillige wijze de integriteit van personen kan schaden”, maar dat deze subjectieve conclusies door geen enkel concreet feitenrelaas onderbouwd worden; Overwegende, gewis, dat aangenomen kan worden dat bepaalde gebeurtenissen die zich tijdens de opleiding voordoen tot een plotse ommezwaai in de beoordeling van het professioneel functioneren kunnen leiden; dat zulks evenwel slechts regelmatig kan gebeuren op grond van een aangepaste rechtvaardiging die de wijziging kan verklaren; dat in dit geval, bij gebrek aan concrete gegevens, de hoger vermelde eenzijdige verklaring de Raad van State niet toelaat uit te maken of commissaris VAN DE VEN terecht de voormelde conclusies geformuleerd heeft; dat de stage-evaluatoren van verzoekster in hun verslagen evenmin concreet hebben aangegeven waarom de houding waarvan verzoekster in de maand september 2005 blijk gegeven heeft het bewijs levert dat zij professioneel ongeschikt is om als politieambtenaar te fungeren; dat aldus vastgesteld wordt dat de score van 205 op 400 die verzoekster behaalde voor haar professioneel functioneren tijdens de stage IX-5444-16/18 niet op deugdelijke gronden berust; dat de examenjury dan ook niet regelmatig heeft kunnen besluiten dat verzoekster een onvoldoende behaalde voor professioneel functioneren; dat het bestreden besluit te dien aanzien geen deugdelijke grondslag heeft; dat daarmee een essentieel onderdeel van de beoordeling van verzoekster gebrekkig onderbouwd is; dat het middel ernstig is; 5.
  49. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoekster terecht verwijst naar de rechtspraak van de Raad van State in een aantal gelijkaardige zaken; dat de Raad ook voor het onderhavig geval van oordeel is dat de definitieve afwijzing van een kandidaat-politieambtenaar, die tot gevolg heeft dat de betrokkene niet meer tot de selectieproeven toegelaten kan worden om langs die weg de opleiding te kunnen herbeginnen, een nadeel vormt dat voldoende ernstig is om hem er niet toe te verplichten te wachten op een uitspraak volgens de gewone rechtspleging, BESLUIT: Artikel
  50. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 19 juli 2006 van de directeur-generaal Personeel van de federale politie waarbij Cindy VAN DEN BROECKE de hoedanigheid van aspirant-inspecteur van politie wordt ontnomen met ingang van 1 augustus 2006 en van de beslissing van 21 augustus 2006 van dezelfde directeur-generaal waarbij bepaald wordt dat voormelde beslissing ingaat op 1 september
  51. Artikel
  52. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5444-17/18 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig januari 2000 en zeven, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5444-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.192 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.164 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.