← België

Arrest 167193 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 29/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.193 Rolnummer: A. 144261/IX-3982 Zaak: Arrest 167193 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 29/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-07 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-29 14:37 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 167.193 van 29 januari 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.193 van 29 januari 2007 in de zaak A. 144.261/IX-

  1. In zake : Jozef STEVENS, wonende te HEIST-OP-DEN-BERG, Kleine Steenweg 75, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de minister van Binnenlandse Zaken,
  3. de auditeur-generaal van de Raad van State tussenkomende partij : Raf AERTGEERTS wonende te BIERBEEK (KORBEEK-LO), Sterrenlaan
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jozef STEVENS op 21 november 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 8 september 2003 houdende benoeming van Raf AERTGEERTS tot eerste auditeur-afdelingshoofd in de Raad van State alsmede van het advies van 7 juli 2003 aan de minister van Binnenlandse Zaken houdende voordracht van Raf AERTGEERTS voor deze benoeming; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 13 januari 2004; Gelet op de beschikking van 23 januari 2004 die de tussenkomst van Raf AERTGEERTS toelaat; IX-3982-1/23 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. MAREEN; Gelet op de beschikking van 16 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 oktober 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 13 november 2006; Gehoord het verslag van voorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat M. STOMMELS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur D. MAREEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  6. Met een dienstbrief van 19 mei 2003 wordt een oproep tot de kandidaten gedaan voor een vacante betrekking van eerste auditeur-afdelingshoofd in het auditoraat van de Raad van State. Het bericht vermeldt dat de betrekking te begeven is “in een binnen afzienbare tijd op te richten tweede Nederlandstalige IX-3982-2/23 afdeling wetgeving” en dat de kandidaten hun kandidaatstelling met redenen moeten omkleden terwijl “tot alle nuttige doeleinden als bijlage het profiel wordt gevoegd”. 1.
  7. Op 5 juni 2003 dient verzoeker zijn gemotiveerde kandidaatstel- ling, samen met zijn curriculum vitae in. Op 2 juni 2003 dient ook Raf Aertgeerts een gemotiveerde kandidaatstelling in. Er zijn daarnaast nog vijf andere kandidaten. 1.
  8. Op 7 juli 2003 brengt eerste auditeur-afdelingshoofd H. Verhulst, voor de auditeur-generaal bij de Raad van State, advies uit over de ingediende kandidaatstellingen. Hij motiveert dit onder meer als volgt: “Op 19 mei 2003 heb ik alle eerste auditeurs uitgenodigd, zich eventueel kandidaat te stellen voor benoeming tot eerste auditeur-afdelingshoofd. De benoembaarheidsvoorwaarden vervullen, in dalende volgorde van anciënniteit, de heren Emiel Haesbrouck, Raf Aertgeerts, Robert Vander Elstraeten, Paul Depuydt, Jos Stevens, Bruno Seutin, Eric Lancksweerdt en Wilfried Van Vaerenbergh. Met uitzondering van de eerste auditeurs Marc Lefever en Eric Lancksweerdt hebben zij zich allen kandidaat gesteld. De vacante betrekking is bedoeld ter versterking van het aantal leden van het Auditoraat dat met de afdeling wetgeving van de Raad van State samenwerkt. De aanzienlijke wijzigingen die de wet van 2 april 2003 in de inrichting van de afdeling wetgeving heeft aangebracht vereisen dat de te benoemen kandidaat de grote aanpassing van de werkwijze die dit voor het Auditoraat betekent, kan begeleiden en sturen. Dit houdt in, dat niet alleen eerste auditeurs die thans met wetgeving belast zijn, in aanmerking zouden kunnen komen. Wel is enige ervaring met het wetgevingswerk wenselijk. Dit laatste is uiteraard het geval voor de heren Paul Depuydt, Bruno Seutin en Wilfried Van Vaerenbergh, die sedert jaren met wetgeving belast zijn. De heer Bruno Seutin is zelfs reeds gedurende een tiental jaren waarnemend eerste auditeur-afdelingshoofd. Doch ook de heren Emiel Haesbrouck en Raf Aertgeerts hebben een aanzienlijke ervaring met wetgevingswerk. De heer Haesbrouck (...) Aangezien de heer Haesbrouck sedertdien niet meer aan de met wetgevings- zaken belaste afdeling verbonden was, acht ik het riskant, gelet op de problemen in verband met de toepassing van de wet van 2 april 2003 waarvan hierboven sprake, hem voor de thans vacante betrekking te laten benoemen. Voor de heer Aertgeerts, die op een na de grootste anciënniteit heeft, gelden deze bezwaren niet. Naar aanleiding van zijn benoeming tot auditeur in 1988 IX-3982-3/23 schreef de toenmalige auditeur-generaal : ‘Eerste Auditeur en sectieoverste, Mevrouw De Koster-Mannens, onderstreept in haar verslag nopens de activiteit van de heer Aertgeerts, de ernst en toewijding waarmede hij de over twee materies verspreide stof in vaak moeilijke omstandigheden (talrijke volmachtsbe- sluiten inzake onderwijs en dringende adviesaanvragen) heeft behandeld’. Aangezien de andere kandidaten geen duidelijk grotere aanspraken kunnen laten gelden die tegen zijn grotere anciënniteit opwegen, verzoek ik U met toepassing van artikel 71 § 3bis, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de heer R. Aertgeerts aan het Staatshoofd voor benoeming voor te dragen.”; 1.
  9. In een nota aan de minister van 18 augustus 2003 wordt erop gewezen dat wijlen de heer Roelandt vanaf 20 september 2002 zijn functies van auditeur-generaal heeft gedelegeerd aan de heer Ph. Bouvier, adjunct-auditeur- generaal, die op zijn beurt zijn functies heeft gedelegeerd aan de heer H. Verhulst, eerste auditeur-afdelingshoofd, bij brief van 23 september
  10. 1.
  11. Bij koninklijk besluit van 8 september 2003 wordt R. Aertgeerts benoemd tot eerste auditeur-afdelingshoofd. Dat besluit overweegt o.m. : “Overwegende dat naar aanleiding van deze oproep zeven kandidaturen ingediend zijn (…); Overwegende dat de auditeur-generaal in zijn advies van 7 juli 2003 na een grondig onderzoek en een uitvoerige beoordeling van de titels en verdiensten van de kandidaten het advies uitgedrukt heeft volgens hetwelk de heer eerste auditeur Raf Aertgeerts alle intellectuele en menselijke kwaliteiten aantoont om aanspraak te maken op een benoeming in het gesolliciteerde ambt; Overwegende dat de conclusies van dit advies geenszins ontkracht worden door het onderzoek van de kandidatuursakte van de heer Raf Aertgeerts; dat dit advies derhalve gevolgd moet worden;(…)”. Dat is het bestreden besluit. Het wordt bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 23 oktober
  12. 2.1.1.
  13. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel, wat in casu betekent dat het advies en de benoeming door de Koning gebaseerd moeten zijn op een vergelijking van de titels en verdiensten van alle kandidaten aan de hand van objectieve en pertinente criteria IX-3982-4/23 en geschraagd door deugdelijke motieven; dat volgens hem het advies en besluit daaraan niet voldoen, omdat in het advies enkel gelezen kan worden dat verzoeker zich kandidaat heeft gesteld, doch nergens over hem nog iets wordt gezegd, laat staan “vergeleken” en dat de laatste zinsnede van het advies “Aangezien de andere kandidaten geen duidelijk grotere aanspraken kunnen laten gelden die tegen zijn grotere anciënniteit opwegen” een passe-partout formulering is welke op alle benoemingen toegepast kan worden; dat verzoeker voorts stelt dat de overweging in het bestreden besluit volgens welke “ de auditeur-generaal in zijn advies van 7 juli 2003 na een grondig onderzoek en een uitvoerige beoordeling van de titels en verdiensten van de kandidaten…”, onbegrijpelijk is nu in het advies enkel een soort beoordeling is gedaan van de titels en verdiensten van twee kandidaten, de heren Haesbrouck en Aertgeerts, en over de titels en verdiensten van de andere kandidaten niets gezegd is, zeker niet over die van verzoeker, hoewel hij nochtans zijn kandidaatstelling omstandig heeft gemotiveerd en in bijlage een overzicht heeft gegeven van zijn curriculum vitae, meer bepaald over zijn vroegere functies, werkzaamheden, publicaties, voordrachten, rendement enz…, waaraan nergens wordt gerefereerd; dat verzoeker voorts argumenteert dat het advies stelt dat de vacante betrekking bedoeld is als versterking van het aantal leden van het auditoraat dat met de afdeling wetgeving van de Raad van State samenwerkt en dat enige ervaring met het wetgevingswerk wenselijk is, dat hij ongeveer anderhalf jaar zijn functies heeft vervuld in de afdeling wetgeving, dat hem later, als lid van de afdeling administratie, nog af en toe gevraagd werd door de Raad van State zelf om op te treden als auditeur in de afdeling wetgeving voor gespecialiseerde onderwerpen, bijvoorbeeld inzake hypothecair krediet, geconsolideerde jaarrekeningen, overheidsopdrachten, erkenning van aannemers en dat sommige van de door verzoeker vermelde publicaties betrekking hebben op, of voortvloeien uit, zijn werkzaamheden in de afdeling wetgeving, zodat het hem dan ook uitermate verwondert te moeten vaststellen dat hij zelfs niet vermeld wordt bij degenen die “ervaring hebben met wetgevingswerk”; dat verzoeker meent dat het advies en het besluit in se niets anders doen dan de anciënniteitsregel toepassen, daar het advies zich beperkt tot een soort vergelijking van de kandidaten Haesbrouck en Aertgeerts, respectievelijk degene met de grootste en degene met de tweede grootste anciënniteit en ze blijkbaar nog IX-3982-5/23 uitgaan van de vroegere situatie in het auditoraat toen anciënniteit nog een criterium was waarmee rekening moest worden gehouden bij bevorderingen tot eerste auditeur, voordat de vlakke loopbaan terzake werd ingevoerd (R.v.St. nr. 31.899, Mannens, 7 februari 1989); dat volgens hem echter aan de anciënniteit geen bijzonder belang kan worden gehecht aangezien, anders dan in de zaak Mannens, voor een benoeming tot eerste auditeur-afdelingshoofd geen specifieke vereisten inzake anciënniteit worden gesteld; dat integendeel zelfs, bij de bespreking van de wet van 4 augustus 1996 in de Senaatscommissie voor Binnenlandse en Administratieve aangelegenheden een amendement ingediend werd ertoe strekkend de eerste auditeurs die als afdelingshoofd waren aangeduid, bij wijze van overgangsmaatregel, tot eerste auditeurs-afdelingshoofd te benoemen, en dat de bevoegde minister zich daartegen gekant heeft “omdat het geen automatische bevordering mag worden”, waaruit dan blijkt dat anciënniteit niet het criterium kan en mag zijn voor de bestreden benoeming; 2.1.1.
  14. Overwegende dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat het advies uitdrukkelijk vermeldt dat de aanzienlijke wetswijzi- gingen “vereisen dat de te benoemen kandidaat de grote aanpassing van de werkwijze die dit voor het auditoraat betekent, kan begeleiden en sturen” en dat, wanneer in een volgende zin een aantal kandidaten vermeld worden die volgens het advies voldoen aan de voorwaarden, het duidelijk is dat verzoeker daar niet aan voldoet: in het door hem neergelegde CV weidt verzoeker uit over zijn wetenschappelijk werk en zijn rendement, wat tot de conclusie leidt dat hij geen titels en verdiensten heeft in het begeleiden en sturen van de aanpassingen aan de werkwijze van het auditoraat; dat, volgens de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij, wanneer het advies dan uitgebreider ingaat op twee andere kandidaten, hieruit blijkt dat er wel degelijk een vergelijking is gemaakt tussen de verschillende kandidaten, weze het dat de eerste vergelijking ertoe leidt dat voor twee overblijvende kandidaten een verdere vergelijking zich opdringt; dat waar verzoeker stelt gedurende ongeveer anderhalf jaar functies te hebben vervuld in de afdeling wetgeving en zich afvraagt of dit niet mag worden beschouwd als hebbende ervaring met wetgevingswerk, het volgens de vertegenwoordiger van de eerste verwerende partij niet noodzakelijk is dat voor alle kandidaten tot in alle kleine details een motivering over hun titels en verdiensten IX-3982-6/23 wordt opgesomd: het advies vermeldt wel dat ervaring in de wetgeving wenselijk is en dat een aantal kandidaten deze ervaring hebben en de anderen geen grotere titels en verdiensten kunnen laten gelden; dat in zoverre verzoeker stelt dat het advies en het koninklijk besluit in se niets anders doen dan de anciënniteitsregel toepassen en dit niet het criterium kan en mag zijn, de eerste vertegenwoordiger van de verweren- de partij antwoordt dat anciënniteit een belangrijk criterium is dat op een zeer objectieve manier wijst op de ervaring van de kandidaat en dat naar aanleiding van deze benoeming geen absoluut blinde toepassing is gemaakt van de anciënniteitsregel, aangezien de kandidaat met de op één na grootste anciënniteit werd voorgesteld; dat volgens hem het amendement, bij de bespreking van de wet van 4 augustus 1996, in de senaatscommissie, waar verzoeker naar verwijst, evenmin aantoont dat anciënniteit geen criterium kan en mag zijn en dat, wanneer het advies vaststelt dat andere kandidaten geen grotere titels en verdiensten hebben, er een objectief criterium is toegepast en het gelijkheidsbeginsel werd geëerbiedigd; dat hij besluit dat de aanspraken van verzoeker op de benoeming in redelijkheid niet als kennelijk groter moeten worden beoordeeld dan die van de benoemde; 2.1.1.
  15. Overwegende dat de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat het feit dat bij de bespreking van de wet van 4 augustus 1996 in de Senaatscommissie een amendement werd ingediend ertoe strekkend de eerste auditeurs die als afdelingshoofd waren aangewezen bij wijze van overgangsmaatregel te benoemen en dat de minister daar bezwaren tegen had “omdat het geen automatische bevordering mag worden”, niet aantoont dat anciënniteit geen criterium “kan en mag zijn”; dat volgens hem de anciënniteit een belangrijk criterium blijft, aangezien zij wijst op ervaring die het meest objectieve criterium is en dat er in het onderhavige geval geen absolute toepassing van is gemaakt, zoals blijkt uit de benoeming van een kandidaat die niet de grootste anciënniteit had; dat de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij ook stelt dat het begrijpelijk is dat bij een groot aantal kandidaten niet tot in het kleinste detail alle titels en verdiensten kunnen worden opgesomd: in het advies wordt wel vermeld dat ervaring in de afdeling wetgeving wenselijk is, dat de kandidaten met de grootste respectievelijk op één na de grootste anciënniteit deze ervaring hebben en de andere geen grotere titels IX-3982-7/23 en verdiensten kunnen laten gelden die tegen hun grotere anciënniteit opwegen; dat dit laatste criterium, juist doordat het, het meest objectieve is, de zuiverste eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel uitmaakt; 2.1.1.4 Overwegende dat de tussenkomende partij betoogt dat het bestreden advies er de aandacht op vestigt dat de vacature bedoeld is ter versterking van het aantal leden van het auditoraat dat met de afdeling wetgeving van de Raad van State samenwerkt en dat de aanzienlijke wetswijzigingen in de inrichting van de afdeling wetgeving vereisen dat de te benoemen kandidaat de grote aanpassing van de werkwijze die dit voor het auditoraat betekent, kan begeleiden en sturen, wat volgens haar inhoudt dat enige ervaring met het wetgevingswerk wenselijk is en dat hierbij aansluitend wordt vastgesteld dat onder de verschillende kandidaten er drie met naam genoemde kandidaten zijn (P. Depuydt, B. Seutin en W. Van Vaerenbergh) die sedert jaren met wetgeving belast zijn, doch dat er nog twee andere kandidaten zijn (E. Haesbrouck en de tussenkomende partij) die een aanzienlijke ervaring hebben met wetgevingswerk; dat bij de verdere vergelijking tussen E. Haesbrouck en de tussenkomende partij dan wordt gewezen op een aantal bezwaren op grond waarvan het riskant wordt geacht om E. Haesbrouck te laten benoemen; dat het advies stelt dat deze bezwaren niet gelden voor de tussenkomende partij die op één na de grootste anciënniteit heeft; dat tot slot wordt vastgesteld dat de andere kandidaten geen duidelijk grotere aanspraken kunnen laten gelden die tegen de grotere anciënniteit van de tussenkomende partij opwegen; Overwegende dat in het advies nergens wordt gesteld dat verzoeker geen titels en verdiensten zou bezitten, dat de kandidaatstelling van verzoeker wel in aanmerking werd genomen doch dat hij volgens het advies geen duidelijk grotere aanspraken kan laten gelden en dat waar verzoeker stelt dat hij ongeveer anderhalf jaar zijn functies vervuld heeft in de afdeling wetgeving, erop gewezen mag worden dat de tussenkomende partij als auditeur een grotere ervaring heeft in de afdeling wetgeving, namelijk van maart 1986 tot het najaar 1988, hetzij meer dan twee jaar en half en zij daarenboven een onmiskenbaar grotere ervaring heeft in de Raad van State (sedert 19 maart 1986), terwijl voor verzoeker de IX-3982-8/23 anciënniteit in de Raad van State slechts een aanvang heeft genomen in september 1988; dat de tussenkomende partij nog stelt dat het advies niet voor alle kandidaten tot in de kleinste details een motivering van de vergelijking van titels en verdiensten dient te bevatten en dat, voor zover verzoeker stelt dat aan de anciënniteit geen bijzonder belang gehecht kan worden, de vergelijking in concreto dient te worden beoordeeld, in relatie tot de vacante betrekking en dat in het advies uitdrukkelijk rekening werd gehouden met het feit dat deze was te begeven ter versterking van het aantal leden van het auditoraat dat met de afdeling wetgeving samenwerkt; dat zij betoogt dat in het advies vooral aandacht werd besteed aan twee beoordelings- criteria, te weten de ervaring met de werkzaamheden van de afdeling wetgeving én de anciënniteit, dat verzoeker en de tussenkomende partij beiden ervaring hebben met betrekking tot de afdeling wetgeving, doch dat de ervaring van tussenkomende partij terzake onmiskenbaar groter is, dat de anciënniteit bij een benoeming naar keuze ook een belangrijk beoordelingsgegeven kan zijn, aangezien zij wijst op beroepservaring en tegelijk het meest objectieve criterium is en dat er geen absolute toepassing is gemaakt van het anciënniteitscriterium, aangezien er één kandidaat blijkt te zijn die meer anciënniteit had dan de tussenkomende partij; dat volgens haar tenslotte de aanspraken van verzoeker op de benoeming in redelijkheid niet als kennelijk groter moeten worden beoordeeld dan die van de benoemde; 2.1.1.
  16. Overwegende dat verzoeker repliceert, vooreerst, dat in het advies enkel kan worden gelezen dat hij zich kandidaat heeft gesteld en verder over hem niets wordt gezegd, laat staan dat er iets vergeleken zou worden; dat waar de tweede verwerende partij antwoordt dat “het begrijpelijk is dat bij een groot aantal kandidaten niet voor allen tot in het kleinste detail alle titels en verdiensten kunnen worden opgesomd”, hij opmerkt dat er zeven kandidaten waren, wat bezwaarlijk gelijk kan worden gesteld met “een groot aantal” kandidaten, vooral wanneer wordt vastgesteld dat vier van de kandidaatstellingen louter een korte brief zijn met een paar algemeenheden zonder bijlagen; dat hij opmerkt dat hij ervaring heeft in de afdeling wetgeving en hij meer bepaald ook toen hij auditeur in de afdeling administratie was door kamervoorzitters van de afdeling wetgeving meermaals werd gevraagd om op te treden als auditeur-verslaggever in de afdeling wetgeving voor gespecialiseerde IX-3982-9/23 ontwerpen; dat het volgens verzoeker opzienbarend is te lezen dat “het criterium van de anciënniteit, juist doordat dit het meest objectieve is, de zuiverste eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel is”, wat zou betekenen dat titels en verdiensten geen belang meer hebben; dat verzoeker vervolgens betoogt dat de minister het advies niet juist leest: het stelt dat “enige ervaring met het wetgevingswerk wenselijk is” en somt dan de eerste auditeurs Depuydt, Seutin, Van Vaerenbergh, Haesbrouck en Aertgeerts op als degenen die ervaring hebben met wetgevingswerk en niet verzoeker, alhoewel hij dat ook heeft en expliciet vermeld had; dat hij het ook opzienbarend noemt te lezen dat “het wetenschappelijk werk en het rendement van verzoeker als opsteller van verslagen en/of adviezen tot de conclusie leidt dat hij geen titels en verdiensten heeft in het begeleiden en sturen van de aanpassingen aan de werkwijze van het auditoraat”; dat volgens verzoeker, tenslotte, het bestreden besluit en advies niets anders doen dan de anciënniteitsregel toepassen terwijl dit niet hét criterium mag zijn voor de benoeming; dat waar verwerende partijen stellen dat er geen absoluut bindende toepassing is gemaakt van die regel, aangezien de kandidaat met de tweede grootste anciënniteit is benoemd, verzoeker zulks wel wist; 2.1.2.
  17. Overwegende dat artikel 71, § 3bis, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het gold toen het bestreden besluit werd genomen, als volgt luidt: “Onverminderd § 1, vijfde lid, worden de eerste auditeurs-afdelingshoofden, op eensluidend advies van de auditeur-generaal, benoemd door de Koning, na te zijn gekozen uit de eerste auditeurs die hierom verzoeken.” 2.1.2.
  18. Overwegende dat in dezen de Koning zich heeft aangesloten bij het verplicht eensluidend advies van de eerste auditeur-afdelingshoofd die als auditeur- generaal optreedt, wijl het koninklijk besluit ook uitdrukkelijk stelt “dat de conclusies van dat advies geenszins ontkracht worden door het onderzoek van de kandidatuurs- akte van de heer Raf Aertgeerts”; dat diens -verplicht eensluidend- advies van 7 juli 2003 geacht moet worden de formele motivering van de bestreden benoeming weer te geven; IX-3982-10/23 2.1.2.
  19. Overwegende dat de redenering die in dat advies wordt gevolgd in wezen als volgt kan worden samengevat: het begint met een opsomming van de kandidaten volgens anciënniteit, stelt dan vast dat de vacante functie bestemd is om te worden begeven in de sectie wetgeving waaromtrent de nieuwe wet van 2 april 2003 belangrijke wijzigingen heeft aangebracht, zodat gezocht moet worden naar iemand die de daaruit voortvloeiende aanpassing van de werkwijze kan begeleiden en sturen; dat houdt niet in dat alleen auditeurs die thans met wetgevingswerk belast zijn in aanmerking komen, wel dat “enige ervaring” met wetgevingswerk wenselijk is; vervolgens worden degenen opgesomd die ervaring hebben met wetgevingswerk en daarbij wordt vastgesteld dat de eerste auditeurs Depuydt, Seutin en Van Vaerenbergh “sedert jaren” met wetgeving belast zijn en dat twee anderen - te weten die met de grootste anciënniteit- ook een “aanzienlijke” ervaring daarmee hebben; daarbij wordt verzoeker niet vermeld; het is te riskant om de eerste auditeur met de grootste anciënniteit met de leiding van de afdeling wetgeving van het auditoraat te belasten; voor de tussenkomende partij, die de op één na grootste anciënniteit heeft, stellen die problemen zich niet en de andere kandidaten kunnen geen grotere aanspraken laten gelden die tegen haar grotere anciënniteit opwegen; 2.1.2.
  20. Overwegende dat uit wat voorafgaat kan worden afgeleid dat de anciënniteit als eerste onderscheidingscriterium wordt gehanteerd; dat, immers, ware het criterium “ervaring met wetgeving”, zonder meer geweest -hetgeen overigens tegengesproken wordt door wat is gezegd in de vorige paragraaf van het advies- dan zou de keuze gedaan moeten zijn tussen de eerste auditeurs Depuydt, Seutin en Van Vaerenbergh, die een veel langere ervaring hadden met wetgeving, waarbij eerste auditeur Seutin overigens al sedert jaren de sectie wetgeving feitelijk geleid had; dat in de veronderstelling dat de ervaring wetgeving van verzoeker dan onder ogen ware genomen, hij toch niet in aanmerking zou zijn genomen, te meer daar hij zowel in anciënniteit als in ervaring met wetgeving voorafgegaan wordt door eerste auditeur Depuydt; dat vervolgens wordt nagegaan of de kandidaten, volgens hun rangorde, ook geschikt zijn om de aangepaste werkwijze in de sectie wetgeving ingevolge de nieuwe wet te kunnen begeleiden en sturen; dat wat betreft de kandidaat met de meeste anciënniteit, zulks niet het geval zou zijn, voor de volgende, de tussenkomen- IX-3982-11/23 de partij, is dit echter wel het geval; dat daar dan ook met de vergelijking wordt gestopt; dat de betrokken capaciteiten van de volgenden, noch van verzoeker noch van de andere vóór hem gerangschikten, niet worden besproken, behalve dat wordt vastgesteld dat zij geen duidelijk grotere aanspraken kunnen laten gelden om aan de anciënniteit van de tussenkomende partij voorbij te gaan; 2.1.2.
  21. Overwegende dat het advies derhalve de rangorde als eerste criterium heeft gehanteerd, met dien verstande dat de kandidaat bekwaam moest zijn om de leiding van een afdeling te nemen en dat hij een voldoende kennis moest hebben van het werk in de afdeling wetgeving van het auditoraat; dat in die omstandigheden de auteur van het advies gemeend heeft de kwaliteiten van de volgende kandidaten op het stuk van dat laatste niet meer te moeten bespreken; 2.1.2.
  22. Overwegende dat uit de sub 2.1.2.
  23. aangehaalde tekst van artikel 71, § 3bis, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State blijkt dat de anciënniteit van de kandidaten geen onderscheidingscriterium uitmaakt met het oog op de aanstelling tot eerste auditeur-afdelingshoofd, dat zulks, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, ook nooit het geval is geweest onder de gelding van de vroegere wetgeving voor een functie vergelijkbaar met die van eerste auditeur-afdelingshoofd, dat evenwel ook geen andere voorwaarde is gesteld dan deze om de functie van eerste auditeur te bekleden; dat traditioneel aan de anciënniteit echter een groot belang werd gehecht en dat in het verleden in de regel de kandidaten in de volgorde van hun anciënniteit werden benoemd tot het hogere ambt; dat een hogere anciënniteit het vermoeden schept dat de betrokken kandidaat een grotere ervaring heeft opgedaan en het daarvoor het meest objectieve criterium is; dat benoemingen in de volgorde van de anciënniteit tot betrekkingen die, zoals in casu voor een groot deel gelijkwaardig zijn, ook het voordeel bieden dat zij aan de legitieme verwachting- en tegemoet komen en aldus de goede werking van de instelling vrijwaren; dat dan ook geen onregelmatigheid kan worden ontwaard in een werkwijze waarbij, zoals te dezen, de kandidaten in volgorde worden getoetst aan een beperkt aantal vereisten - in dezen het vermogen van de kandidaat om de uit een wetswijziging volgende grote aanpassing van de werkwijze te begeleiden en te sturen, wat een bepaalde ervaring IX-3982-12/23 met het wetgevingswerk impliceert - en dat de vergelijking stopt bij de oudste kandidaat die daaraan voldoet, tenzij iemand anders duidelijk grotere verdiensten heeft of wanneer met betrekking tot de kandidaat met grotere anciënniteit ernstige en vaststaande feiten werden kenbaar gemaakt die ervan doen blijken dat die kandidaat kennelijk en op ernstige wijze is tekortgeschoten in zijn ambtelijke verplichtingen of nog wanneer vaststaat dat hij op persoonlijke en beroepsmatige gronden niet geschikt blijkt te zijn voor de bevordering, ook al worden de in rangorde volgende kandidaatstellingen dan niet meer besproken; 2.1.2.
  24. Overwegende dat verzoeker zich niet beroept op duidelijk grotere verdiensten: zijn ervaring met wetgevingswerk is niet kennelijk groter dan die van de tussenkomende partij en indien dat criterium gold, dan moest zoals overwogen, gekozen worden tussen de eerste auditeurs Seutin, Depuydt en Van Vaerenbergh; dat bovendien publicaties en rendement op zich niet aantonen dat verzoeker meer geschikt is om de leiding van een afdeling van het auditoraat te voeren, laat staan dat hij op dat stuk blijk geeft van kennelijk grotere aanspraken; dat hij niet aanvoert dat de tussenkomende partij op ernstige wijze is tekortgeschoten in haar ambtelijke verplichtingen of dat zij op persoonlijke en beroepsmatige gronden niet geschikt blijkt te zijn voor de bevordering; dat het middel niet gegrond is; 2.2.1.
  25. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de formele en materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbe- ginsel met name doordat, zoals gesteld in het eerste middel, de titels en verdiensten van de kandidaten en zeker die van verzoeker, niet vergeleken zijn en dat in die zin het bestreden advies en besluit niet afdoende gemotiveerd zijn en zij niet voldoen aan de eisen van de materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat verzoeker daaraan toevoegt dat bij de oproep een profiel werd gevoegd met de taken van de eerste auditeurs-afdelingshoofden, doch de kandidaten in het advies of besluit daaraan niet werden getoetst; dat volgens verzoeker het feit dat de eerste auditeur- afdelingshoofd moet toezien op het rendement en op de behandeling van de vorderingen tot schorsing van de leden van zijn afdeling, veronderstelt dat hij eerst op zijn eigen rendement en eigen behandeling van die vorderingen dient geëvalueerd IX-3982-13/23 te worden en dat hetzelfde geldt ten aanzien van de opleiding van adjunct-auditeurs gerelateerd aan de inhoud van de eigen verslagen en betreffende de vertegenwoordi- ging bij de academische, gerechtelijke en bestuurlijke overheden en nopens de “statistieken”, die verzoeker in bijlage bij zijn kandidaatstelling heeft gevoegd; dat verzoeker ook stelt dat nergens in het advies of besluit sprake is van de door wijlen auditeur-generaal Roelandt opgestelde rapporten over de kandidaten terzake de beoordeling van de verslagen; dat verzoeker vraagt dat de neerlegging van die rapporten zou worden bevolen; dat verzoeker ook vaststelt dat in het advies enkel sprake is van een brief van maart 1997 van de auditeur-generaal betreffende E. Haesbrouck en een advies van 1988 – 15

(19)jaar geleden – van de toenmalige auditeur-generaal Van Assche betreffende R. Aertgeerts, wat volgens hem geen zorgvuldige, volledige feitengaring uitmaakt met het oog op de vergelijking van titels en verdiensten, zodat het advies en besluit berusten op in feite ondeugdelijke motieven en niet op zorgvuldige wijze zijn totstandgekomen; 2.2.1.2. Overwegende dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat het toevoegen van het profiel bij de oproep de kandidaten in staat moet stellen te oordelen of zij eraan voldoen, maar dat het in het advies en besluit niet moet worden hernomen en dat in het advies aandacht besteed wordt aan de wijze waarop de benoemde kandidaat zijn taak in de afdeling wetgeving, die voor nieuwe uitdagingen stond, had vervuld; 2.2.1.3. Overwegende dat ook de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat precies wel aandacht werd besteed aan de wijze waarop de benoemde kandidaat zijn taak in de afdeling wetgeving, die voor nieuwe uitdagingen stond, had vervuld; 2.2.1.4. Overwegende dat volgens de tussenkomende partij in de vacantverklaring en de oproep wordt gesteld dat de kandidaatstelling met redenen dient omkleed te zijn en dat “tot alle nuttige doeleinden” als bijlage het profiel wordt gevoegd dat bij eerdere vacatures werd meegedeeld; dat daardoor de kandidaten zelf konden oordelen of zij over de nodige kwaliteiten terzake beschikken en dat de IX-3982-14/23 formele en materiële motiveringsplicht niet inhoudt dat het advies en besluit uitdrukkelijk dient te verwijzen naar dit profiel; dat de oproep niet stelde dat de adviserende of benoemende overheid gebonden zou zijn door dit profiel of dat het nog onveranderd wordt gehandhaafd: de woorden “tot alle nuttige doeleinden” bevestigen de relativiteit ervan; de tussenkomende partij stelt ten slotte dat, wat het rendement aangaat, in het advies aandacht is besteed aan de wijze waarop de prestaties van tussenkomende partij in de afdeling wetgeving werden beoordeeld; 2.2.1.5. Overwegende dat verzoeker repliceert dat de door de tweede verwerende partij bestede aandacht aan de prestaties van de tussenkomende partij, voortvloeit uit een verslag van 1988, dat niet wordt geantwoord op zijn argument dat het profiel, de rapporten van wijlen auditeur-generaal Roelandt -waarvan verzoeker nogmaals vraagt ze te doen neerleggen- en de jaarlijkse statistieken niet in het advies werden betrokken; 2.2.2.1. Overwegende dat in zoverre verzoeker de schending van de formele en de materiële motiveringsplicht gerelateerd aan de vergelijking van de titels en verdiensten in het algemeen aanvoert, het volstaat te verwijzen naar de analyse van het eerste middel; dat daarbij de gevolgde werkwijze is geschetst en vastgesteld is dat deze ook is verwoord in het advies van de waarnemend auditeur-generaal, hetwelk als motivering van het bestreden besluit geldt; dat hierna de twee specifieke gegevens die verzoeker in het tweede middel aanvoert zullen worden behandeld: de niet- toetsing van de kandidaten aan het profiel van de eerste auditeur-afdelingshoofd en aan het rendement; 2.2.2.2. Overwegende dat het zogenaamde “profiel van de eerste auditeur- afdelingshoofd”, een algemene, dus niet speciaal voor de betrokken vacature geschreven tekst is uit 1997 waarin de taken van de eerste auditeurs-afdelingshoofden omschreven worden en dat “tot alle nuttige doeleinden” als bijlage bij de oproeping tot de kandidaten was gevoegd; dat niet alle onderdelen van dat profiel hier terzake dienend zijn; dat voor zover het stelt dat de eerste auditeur-afdelingshoofd moet toezien op het rendement en op de behandeling van de vorderingen tot schorsing van IX-3982-15/23 de leden van zijn afdeling en op de opleiding van adjunct-auditeurs, zulks in tegenstelling met wat verzoeker beweert, niet noodzakelijk veronderstelt dat de kandidaten eerst op hun eigen rendement en eigen behandeling van die aangelegenhe- den geëvalueerd dienen te worden; dat overigens, zoals de verwerende en tussenk- omende partijen terecht doen gelden, de toezending “tot alle nuttige doeleinden” van het “profiel” veeleer laat uitschijnen dat het om loutere informatie ging ten behoeve van de kandidaten; dat het voormelde advies er dan ook mee kon volstaan vast te stellen dat de oudste in aanmerking komende kandidaat in staat was “de grote aanpassing van de werkwijze die dit (nl. de wet van 2 april 2003) voor het Auditoraat betekent, (
  1. te)begeleiden en (
  2. te)sturen”, terwijl het tevens vaststelde dat verzoeker in de afdeling wetgeving gunstig werd beoordeeld en dat de andere kandidaten, dit wil zeggen die met minder anciënniteit, geen kennelijk grotere aanspraken konden laten gelden; 2.2.2.3. Overwegende dat het ook geen zin heeft de neerlegging van de rapporten over het functioneren van de kandidaten en de statistieken over hun bedrijvigheid bij het dossier te voegen; dat er immers geen vergelijking gemaakt diende te worden op het stuk van de productiviteit en dergelijke in het verleden; dat het middel niet gegrond is; 2.3.1.1. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van artikel 71, § 3bis, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, doordat het advies is gegeven door de heer Verhulst, eerste auditeur-afdelingshoofd en niet door de auditeur-generaal zoals vereist door vermelde bepaling, dat op de datum van het uitbrengen van het advies, 7 juli 2003, er wel een adjunct-auditeur- generaal was, behorende tot de Franse taalrol, doch dat het determinerend karakter van het advies inhoudt dat het enkel gegeven kon worden door de auditeur-generaal of adjunct-auditeur-generaal of bij afwezigheid, door de persoon die daartoe op een wettige wijze is aangesteld of gedelegeerd is; dat verzoeker stelt dat, voor zover hem bekend, eerste auditeur-afdelingshoofd Verhulst niet op wettige wijze gemandateerd was, omdat een delegatie van auditeur-generaal Roelandt om hem tijdens zijn afwezigheid te vervangen, niet meer rechtsgeldig was na zijn overlijden; dat het IX-3982-16/23 bestreden koninklijk besluit echter verkeerdelijk driemaal vermeldt dat de “auditeur- generaal” de oproep heeft gedaan en het advies heeft verleend, terwijl de eerste auditeur-afdelingshoofd Verhulst dat niet was op die tijdstippen; 2.3.1.2. Overwegende dat de eerste vertegenwoordiger van verwerende partij antwoordt dat verzoeker geen protest heeft geuit naar aanleiding van de oproep en het niet wettig gemandateerd zijn niet aantoont; dat volgens hem verzoeker trouwens geen belang heeft bij dit middel nu hij de vernietiging nastreeft van een benoeming waarvoor hij zich ook kandidaat had gesteld en nu hij in zijn redenering evenmin benoemd zou kunnen worden en dat het hier niet het gemandateerd zijn betreft, doch het waarnemen van de functie van auditeur-generaal; 2.3.1.3. Overwegende dat de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat hier geen sprake is van delegatie, maar van waarneming; 2.3.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij antwoordt dat verzoeker geen bezwaar heeft geuit met betrekking tot wie de oproep ondertekende; dat zij verwijst naar de nota aan de minister van 18 augustus 2003 waarin erop wordt gewezen dat wijlen auditeur-generaal Roelandt vanaf 20 september 2002 zijn functies van auditeur-generaal heeft gedelegeerd aan adjunct-auditeur-generaal Ph. Bouvier, die met een brief van 23 september 2002 op zijn beurt zijn functies heeft gedelegeerd aan eerste auditeur-afdelingshoofd H. Verhulst; dat zij ook stelt dat er in dezen geen sprake is van een echte delegatie, wel van een waarneming; 2.3.1.5. Overwegende dat verzoeker repliceert dat H. Verhulst niet wettig gemandateerd noch wettig aangesteld was en dat recent ook was gebleken dat ter vervanging van B. Seutin, de eerste auditeur met de grootste anciënniteit in de afdeling wetgeving, Depuydt uit eigen beweging niet is opgetreden als “waarne- mend” eerste auditeur-afdelingshoofd, doch dat een procedure daartoe werd opgestart met een oproep tot alle eerste auditeurs; dat verzoeker voorts stelt wel het vereiste belang te hebben aangezien hij met het derde middel nastreeft dat met advies IX-3982-17/23 en benoeming gewacht wordt tot de vacature ontstaan door het overlijden van M. Roelandt, opgevuld is en dat het niet hem maar tweede verwerende partij toekomt een wettig mandaat aan te tonen en voor te leggen; 2.3.1.6. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie beklemtoont dat de delegatie van M. Roelandt aan Ph. Bouvier, behorende tot de Franse taalrol, geen Nederlandstalige bevoegdheden kon omvatten, zodat de delegatie van Ph. Bouvier aan H. Verhulst dan evenmin Nederlandstalige bevoegdheden kon omvatten en dat de eerstgenoemde delegatie vervallen was na het overlijden van M. Roelandt; 2.3.2.1. Overwegende, wat het belang bij het middel aangaat, dat ook al zou verzoeker zelf niet onmiddellijk benoemd kunnen worden indien het gegrond verklaard wordt, hij er hoe dan ook belang bij kan hebben dat iemand anders het -verplicht eensluidend- advies over de bestreden benoeming uitbrengt, nu het advies dat daadwerkelijk is uitgebracht voor hem niet gunstig is uitgevallen; 2.3.2.2. Overwegende dat wijlen auditeur-generaal Roelandt vanaf 20 september 2002 al zijn functies van auditeur-generaal, die hij zelf niet meer kon uitoefenen heeft gedelegeerd aan adjunct-auditeur-generaal Ph. Bouvier; dat deze bij brief van 23 september 2002 op zijn beurt zijn functies, in zover deze de aangelegen- heden betrof die verplicht in het Nederlands dienden behandeld te worden, heeft gedelegeerd aan eerste auditeur-afdelingshoofd H. Verhulst; dat verzoeker dan ook ten onrechte stelt dat Ph. Bouvier geen delegatie voor Nederlandstalige werkzaam- heden kon verlenen; dat de stelling als zouden bij het overlijden van auditeur- generaal Roelandt alle delegaties vervallen zijn, onbestaanbaar is met de vereisten van de continuïteit van de openbare dienst, zoals deze bij het vierde middel ter sprake komt; dat het middel niet gegrond is; 2.4.1.1. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van de voorzichtigheidsplicht en het onpartijdigheidsbeginsel, waaraan het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst geen afbreuk kan doen; dat hij IX-3982-18/23 zulks als volgt adstrueert: een advies tot benoeming is niet noodzakelijk voor de goede werking van de dienst van het auditoraat van de afdeling wetgeving; die afdeling beschikt over een eerste auditeur-afdelingshoofd, G. Jacobs, waarvan de coördinatie van de documentatieverwerking hem niet verhindert, in nood, de afdeling wetgeving opnieuw deeltijds te leiden; zij beschikt reeds over een waarnemend eerste auditeur-afdelingshoofd, B. Seutin, over eerste auditeurs die al jaren op die afdeling werkzaam zijn en die desnoods tijdelijk die afdeling kunnen leiden, zodat de benoeming van een tweede eerste auditeur-afdelingshoofd niet dringend noodzakelijk is; verzoeker verwijst naar de regeling bij “lopende zaken” en stelt dat de voorzich- tigheidsplicht is geschonden; de eerste auditeur-afdelingshoofd die de bevoegdheden uitoefent van de auditeur-generaal, kan zich kandidaat stellen voor deze laatste functie of voor die van adjunct-auditeur-generaal; onder meer de kandidaten voor de functie in geschil kunnen dan ook kandideren; op grond van het advies kan de schijn ontstaan dat hij bepaalde kandidaten in een gunstiger positie of anderen in een ongunstiger positie wil plaatsen; ook kan de schijn ontstaan dat hij het anciënniteits- principe als precedent propageert en daardoor zichzelf in een gunstiger positie wil plaatsen of eventueel een andere beweegreden propageert; verzoeker benadrukt het woord “schijn” doch de minste schijn moet hier vermeden worden, alzo moet worden gewacht tot de benoeming van een auditeur-generaal of adjunct-auditeur-generaal; 2.4.1.2. Overwegende dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat op grond van het continuïteitsbeginsel de openbare dienst voortdurend, aanhoudend, regelmatig of zonder onderbreking moet worden verstrekt en dat, in tegenstelling tot wat verzoeker stelt, de in het vooruitzicht gestelde oprichting van een tweede afdeling wetgeving het juist noodzakelijk maakt dat zo snel mogelijk een eerste auditeur-afdelingshoofd wordt benoemd, ook al beschikt de afdeling wetgeving over een aantal bekwame auditeurs; dat de theorie van de lopende zaken volgens hem berust op de noodzaak voor de democratie dat een regering het vertrouwen van de volksvertegenwoordiging heeft, terwijl de continuïteit eist dat het functioneren van het auditoraat niet in het gedrang komt; dat waar verzoeker naar de schijn van partijdigheid verwijst, hij opnieuw vertrekt van IX-3982-19/23 het verkeerde uitgangspunt dat het de kandidaat met de grootste anciënniteit is die is benoemd; 2.4.1.3. Overwegende dat de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij evenzeer antwoordt dat de theorie in verband met “lopende zaken” berust op de noodzaak voor de democratie, dat de regering het vertrouwen van de volksvertegenwoordiging heeft, terwijl in onderhavig geval de continuïteit eist dat het reeds langdurig vacant zijn van de functie van auditeur-generaal er niet mag toe leiden dat het functioneren van het auditoraat in het gedrang komt; dat hem geen regel bekend is die bevorderingen binnen het auditoraat in de weg zou staan; 2.4.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij antwoordt dat de wet van 2 april 2003 fundamentele wijzigingen bevat, onder meer met betrekking tot de tussenkomst van het auditoraat in de werking van de afdeling wetgeving en dat de twee nieuwe door deze wet in het leven geroepen betrekkingen precies hun oorsprong vinden in de hervorming, zodat de benoeming geen uitstel kon dulden; dat de omstandigheid dat G. Jacobs vroeger de afdeling wetgeving van het auditoraat heeft geleid, niet noodzakelijk tot gevolg heeft dat hij onmiddellijk opnieuw deeltijds deze afdeling zou kunnen leiden, terwijl ook de waarneming van B. Seutin en de aanwezige eerste auditeurs, niet belet dat de benoeming als dringend noodzakelijk kon worden aangemerkt en de beoordeling van de noodzaak daartoe niet verzoeker doch de overheid toekomt, terwijl te dezen niet blijkt dat dit oordeel kennelijk onredelijk zou zijn, temeer daar er twaalf Nederlandstalige auditeurs in de afdeling wetgeving zijn; dat volgens de tussenkomende partij ook de continuïteit vereist dat het langdurig ontbreken van een auditeur-generaal niet tot gevolg mag hebben dat de goede werking van het auditoraat in het gedrang komt; dat wat de schijn van partijdigheid aangaat, de tussenkomende partij stelt dat verzoeker geen enkel gegeven aanbrengt dat de gegrondheid van zijn uitgangspunt zou kunnen ondersteunen; 2.4.1.5. Overwegende dat verzoeker repliceert dat in dit middel geen schending van een rechtsregel wordt aangevoerd maar van twee rechtsbeginselen; IX-3982-20/23 dat hij betoogt dat G. Jacobs perfect tijdelijk de afdeling zou kunnen leiden daar hij, naast zijn andere functie, sinds jaren belast is met het contentieux van de apotheekvestigingen in de afdeling administratie en alsdan daarvan ontlast zou kunnen worden en dat P. Depuydt en W. Van Vaerenbergh de hervormingen van de werkwijze van het auditoraat hebben meegemaakt, zodat zij die afdeling perfect tijdelijk zouden kunnen leiden; dat verzoeker het bewijs van de schending van het onpartijdigheidsbeginsel geleverd acht doordat de waarnemend adjunct-auditeur- generaal in zijn memorie heeft gesteld: “het criterium van de anciënniteit is, juist doordat het het meest objectieve is, de zuiverste eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel”; dat volgens verzoeker de aangevoerde beginselen niet enkel gelden bij “lopende zaken” maar door de rechtspraak van de Raad van State ook worden toegepast op andere terreinen, bijvoorbeeld benoemingen in extremis door lokale besturen in een periode vóór de verkiezingen; 2.4.1.6. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog preciseert dat de schending van de voorzichtigheidsplicht en het onpartijdigheidsbeginsel beoordeeld dient te worden aan de kant van degene die het advies heeft gegeven en niet ten aanzien van de beslissing om een oproep te doen en een advies te verlenen en dat de schijn van partijdigheid voortvloeit uit het feit dat dit advies enkel gebaseerd is op de anciënniteit; 2.4.2.1. Overwegende dat zoals in het eerste middel is uitgemaakt, de anciënniteit wel als een geldig criterium kon worden gehanteerd; dat overigens dat criterium, dat een duidelijk zichtbaar louter objectief gegeven uitmaakt, het minst tot partijdigheid aanleiding kan geven; dat waar verzoekers kritiek dan betrekking heeft op de al dan niet bestaande noodzakelijkheid om een eerste auditeur-afdelingshoofd te benoemen in plaats van in die functie tijdelijk iemand aan te stellen, verzoeker zich begeeft op het vlak van de opportuniteit en zijn eigen beoordeling in de plaats stelt van die van de bevoegde benoemende overheden; dat hierbij in aanmerking moet worden genomen dat de wet voorziet in een kader, bevattende een bepaald aantal eerste auditeurs-afdelingshoofden; dat in beginsel die betrekkingen moeten worden begeven; dat de benoeming geschiedt door de Koning en de auditeur-generaal of IX-3982-21/23 degene die in zijn plaats optreedt enkel een advies verleent, ook al moet dat advies dan wel eensluidend zijn; dat in die omstandigheden geen onwettigheid noch onredelijkheid kan worden onderkend door zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van de wet van 2 april 2003 de procedure voor de benoeming van een bijkomende eerste auditeur-afdelingshoofd in te zetten; dat niet wordt ingezien waarom iemand die zelf reeds de functie van eerste auditeur-afdelingshoofd bekleedt minder onpartijdig zou zijn dan de auditeur-generaal zelf; dat verzoekers argumentatie als zou die eerste auditeur-afdelingshoofd door het criterium van de anciënniteit toe te passen zichzelf een precedent hebben willen verschaffen om op grond van dat zelfde criterium tot auditeur-generaal te worden benoemd, geen hout snijdt, aangezien, vooreerst, dat criterium als een geldig criterium kan worden onderkend en, vervolgens, op grond van artikel 71, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, het de Koning is die de auditeur-generaal en de adjunct-auditeur-generaal benoemt en Hij derhalve over een discretionaire eigen bevoegdheid beschikt om deze benoemingen te doen, met in achtname van de door hem dienstig bevonden criteria; dat bezwaarlijk aan te nemen is dat de Koning zich daarbij in dergelijke mate zou laten beïnvloeden door de beweegredenen van een advies met het oog op de benoeming tot één van de vele betrekkingen van eerste auditeur-afdelingshoofd; 2.4.2.2. Overwegende dat, voor zover verzoeker het waarborgen van het democratisch gehalte van overheidsbeslissingen aanvoert, minstens de finaliteit van de theorie van de lopende zaken, in deze niet terzake is; dat verzoeker ook geen precieze feiten of concrete aanwijzingen van partijdigheid aanhaalt; dat het middel niet gegrond is, IX-3982-22/23 BE S L U I T : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig januari 2000 en zeven, door de IXe kamer, die was samengesteld als volgt : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, door de Eerste Voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de H. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, overleden na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3982-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.193 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.