id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.193 Rolnummer: A. 144261/IX-3982 Zaak: Arrest 167193 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 29/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-07 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-29 14:37 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 167.193 van 29 januari 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.193 van 29 januari 2007 in de zaak A. 144.261/IX-
(19)jaar geleden – van de toenmalige auditeur-generaal Van Assche betreffende R. Aertgeerts, wat volgens hem geen zorgvuldige, volledige feitengaring uitmaakt met het oog op de vergelijking van titels en verdiensten, zodat het advies en besluit berusten op in feite ondeugdelijke motieven en niet op zorgvuldige wijze zijn totstandgekomen; 2.2.1.2. Overwegende dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat het toevoegen van het profiel bij de oproep de kandidaten in staat moet stellen te oordelen of zij eraan voldoen, maar dat het in het advies en besluit niet moet worden hernomen en dat in het advies aandacht besteed wordt aan de wijze waarop de benoemde kandidaat zijn taak in de afdeling wetgeving, die voor nieuwe uitdagingen stond, had vervuld; 2.2.1.3. Overwegende dat ook de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat precies wel aandacht werd besteed aan de wijze waarop de benoemde kandidaat zijn taak in de afdeling wetgeving, die voor nieuwe uitdagingen stond, had vervuld; 2.2.1.4. Overwegende dat volgens de tussenkomende partij in de vacantverklaring en de oproep wordt gesteld dat de kandidaatstelling met redenen dient omkleed te zijn en dat “tot alle nuttige doeleinden” als bijlage het profiel wordt gevoegd dat bij eerdere vacatures werd meegedeeld; dat daardoor de kandidaten zelf konden oordelen of zij over de nodige kwaliteiten terzake beschikken en dat de IX-3982-14/23 formele en materiële motiveringsplicht niet inhoudt dat het advies en besluit uitdrukkelijk dient te verwijzen naar dit profiel; dat de oproep niet stelde dat de adviserende of benoemende overheid gebonden zou zijn door dit profiel of dat het nog onveranderd wordt gehandhaafd: de woorden “tot alle nuttige doeleinden” bevestigen de relativiteit ervan; de tussenkomende partij stelt ten slotte dat, wat het rendement aangaat, in het advies aandacht is besteed aan de wijze waarop de prestaties van tussenkomende partij in de afdeling wetgeving werden beoordeeld; 2.2.1.5. Overwegende dat verzoeker repliceert dat de door de tweede verwerende partij bestede aandacht aan de prestaties van de tussenkomende partij, voortvloeit uit een verslag van 1988, dat niet wordt geantwoord op zijn argument dat het profiel, de rapporten van wijlen auditeur-generaal Roelandt -waarvan verzoeker nogmaals vraagt ze te doen neerleggen- en de jaarlijkse statistieken niet in het advies werden betrokken; 2.2.2.1. Overwegende dat in zoverre verzoeker de schending van de formele en de materiële motiveringsplicht gerelateerd aan de vergelijking van de titels en verdiensten in het algemeen aanvoert, het volstaat te verwijzen naar de analyse van het eerste middel; dat daarbij de gevolgde werkwijze is geschetst en vastgesteld is dat deze ook is verwoord in het advies van de waarnemend auditeur-generaal, hetwelk als motivering van het bestreden besluit geldt; dat hierna de twee specifieke gegevens die verzoeker in het tweede middel aanvoert zullen worden behandeld: de niet- toetsing van de kandidaten aan het profiel van de eerste auditeur-afdelingshoofd en aan het rendement; 2.2.2.2. Overwegende dat het zogenaamde “profiel van de eerste auditeur- afdelingshoofd”, een algemene, dus niet speciaal voor de betrokken vacature geschreven tekst is uit 1997 waarin de taken van de eerste auditeurs-afdelingshoofden omschreven worden en dat “tot alle nuttige doeleinden” als bijlage bij de oproeping tot de kandidaten was gevoegd; dat niet alle onderdelen van dat profiel hier terzake dienend zijn; dat voor zover het stelt dat de eerste auditeur-afdelingshoofd moet toezien op het rendement en op de behandeling van de vorderingen tot schorsing van IX-3982-15/23 de leden van zijn afdeling en op de opleiding van adjunct-auditeurs, zulks in tegenstelling met wat verzoeker beweert, niet noodzakelijk veronderstelt dat de kandidaten eerst op hun eigen rendement en eigen behandeling van die aangelegenhe- den geëvalueerd dienen te worden; dat overigens, zoals de verwerende en tussenk- omende partijen terecht doen gelden, de toezending “tot alle nuttige doeleinden” van het “profiel” veeleer laat uitschijnen dat het om loutere informatie ging ten behoeve van de kandidaten; dat het voormelde advies er dan ook mee kon volstaan vast te stellen dat de oudste in aanmerking komende kandidaat in staat was “de grote aanpassing van de werkwijze die dit (nl. de wet van 2 april 2003) voor het Auditoraat betekent, (
- te)begeleiden en (
- te)sturen”, terwijl het tevens vaststelde dat verzoeker in de afdeling wetgeving gunstig werd beoordeeld en dat de andere kandidaten, dit wil zeggen die met minder anciënniteit, geen kennelijk grotere aanspraken konden laten gelden; 2.2.2.3. Overwegende dat het ook geen zin heeft de neerlegging van de rapporten over het functioneren van de kandidaten en de statistieken over hun bedrijvigheid bij het dossier te voegen; dat er immers geen vergelijking gemaakt diende te worden op het stuk van de productiviteit en dergelijke in het verleden; dat het middel niet gegrond is; 2.3.1.1. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van artikel 71, § 3bis, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, doordat het advies is gegeven door de heer Verhulst, eerste auditeur-afdelingshoofd en niet door de auditeur-generaal zoals vereist door vermelde bepaling, dat op de datum van het uitbrengen van het advies, 7 juli 2003, er wel een adjunct-auditeur- generaal was, behorende tot de Franse taalrol, doch dat het determinerend karakter van het advies inhoudt dat het enkel gegeven kon worden door de auditeur-generaal of adjunct-auditeur-generaal of bij afwezigheid, door de persoon die daartoe op een wettige wijze is aangesteld of gedelegeerd is; dat verzoeker stelt dat, voor zover hem bekend, eerste auditeur-afdelingshoofd Verhulst niet op wettige wijze gemandateerd was, omdat een delegatie van auditeur-generaal Roelandt om hem tijdens zijn afwezigheid te vervangen, niet meer rechtsgeldig was na zijn overlijden; dat het IX-3982-16/23 bestreden koninklijk besluit echter verkeerdelijk driemaal vermeldt dat de “auditeur- generaal” de oproep heeft gedaan en het advies heeft verleend, terwijl de eerste auditeur-afdelingshoofd Verhulst dat niet was op die tijdstippen; 2.3.1.2. Overwegende dat de eerste vertegenwoordiger van verwerende partij antwoordt dat verzoeker geen protest heeft geuit naar aanleiding van de oproep en het niet wettig gemandateerd zijn niet aantoont; dat volgens hem verzoeker trouwens geen belang heeft bij dit middel nu hij de vernietiging nastreeft van een benoeming waarvoor hij zich ook kandidaat had gesteld en nu hij in zijn redenering evenmin benoemd zou kunnen worden en dat het hier niet het gemandateerd zijn betreft, doch het waarnemen van de functie van auditeur-generaal; 2.3.1.3. Overwegende dat de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat hier geen sprake is van delegatie, maar van waarneming; 2.3.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij antwoordt dat verzoeker geen bezwaar heeft geuit met betrekking tot wie de oproep ondertekende; dat zij verwijst naar de nota aan de minister van 18 augustus 2003 waarin erop wordt gewezen dat wijlen auditeur-generaal Roelandt vanaf 20 september 2002 zijn functies van auditeur-generaal heeft gedelegeerd aan adjunct-auditeur-generaal Ph. Bouvier, die met een brief van 23 september 2002 op zijn beurt zijn functies heeft gedelegeerd aan eerste auditeur-afdelingshoofd H. Verhulst; dat zij ook stelt dat er in dezen geen sprake is van een echte delegatie, wel van een waarneming; 2.3.1.5. Overwegende dat verzoeker repliceert dat H. Verhulst niet wettig gemandateerd noch wettig aangesteld was en dat recent ook was gebleken dat ter vervanging van B. Seutin, de eerste auditeur met de grootste anciënniteit in de afdeling wetgeving, Depuydt uit eigen beweging niet is opgetreden als “waarne- mend” eerste auditeur-afdelingshoofd, doch dat een procedure daartoe werd opgestart met een oproep tot alle eerste auditeurs; dat verzoeker voorts stelt wel het vereiste belang te hebben aangezien hij met het derde middel nastreeft dat met advies IX-3982-17/23 en benoeming gewacht wordt tot de vacature ontstaan door het overlijden van M. Roelandt, opgevuld is en dat het niet hem maar tweede verwerende partij toekomt een wettig mandaat aan te tonen en voor te leggen; 2.3.1.6. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie beklemtoont dat de delegatie van M. Roelandt aan Ph. Bouvier, behorende tot de Franse taalrol, geen Nederlandstalige bevoegdheden kon omvatten, zodat de delegatie van Ph. Bouvier aan H. Verhulst dan evenmin Nederlandstalige bevoegdheden kon omvatten en dat de eerstgenoemde delegatie vervallen was na het overlijden van M. Roelandt; 2.3.2.1. Overwegende, wat het belang bij het middel aangaat, dat ook al zou verzoeker zelf niet onmiddellijk benoemd kunnen worden indien het gegrond verklaard wordt, hij er hoe dan ook belang bij kan hebben dat iemand anders het -verplicht eensluidend- advies over de bestreden benoeming uitbrengt, nu het advies dat daadwerkelijk is uitgebracht voor hem niet gunstig is uitgevallen; 2.3.2.2. Overwegende dat wijlen auditeur-generaal Roelandt vanaf 20 september 2002 al zijn functies van auditeur-generaal, die hij zelf niet meer kon uitoefenen heeft gedelegeerd aan adjunct-auditeur-generaal Ph. Bouvier; dat deze bij brief van 23 september 2002 op zijn beurt zijn functies, in zover deze de aangelegen- heden betrof die verplicht in het Nederlands dienden behandeld te worden, heeft gedelegeerd aan eerste auditeur-afdelingshoofd H. Verhulst; dat verzoeker dan ook ten onrechte stelt dat Ph. Bouvier geen delegatie voor Nederlandstalige werkzaam- heden kon verlenen; dat de stelling als zouden bij het overlijden van auditeur- generaal Roelandt alle delegaties vervallen zijn, onbestaanbaar is met de vereisten van de continuïteit van de openbare dienst, zoals deze bij het vierde middel ter sprake komt; dat het middel niet gegrond is; 2.4.1.1. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van de voorzichtigheidsplicht en het onpartijdigheidsbeginsel, waaraan het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst geen afbreuk kan doen; dat hij IX-3982-18/23 zulks als volgt adstrueert: een advies tot benoeming is niet noodzakelijk voor de goede werking van de dienst van het auditoraat van de afdeling wetgeving; die afdeling beschikt over een eerste auditeur-afdelingshoofd, G. Jacobs, waarvan de coördinatie van de documentatieverwerking hem niet verhindert, in nood, de afdeling wetgeving opnieuw deeltijds te leiden; zij beschikt reeds over een waarnemend eerste auditeur-afdelingshoofd, B. Seutin, over eerste auditeurs die al jaren op die afdeling werkzaam zijn en die desnoods tijdelijk die afdeling kunnen leiden, zodat de benoeming van een tweede eerste auditeur-afdelingshoofd niet dringend noodzakelijk is; verzoeker verwijst naar de regeling bij “lopende zaken” en stelt dat de voorzich- tigheidsplicht is geschonden; de eerste auditeur-afdelingshoofd die de bevoegdheden uitoefent van de auditeur-generaal, kan zich kandidaat stellen voor deze laatste functie of voor die van adjunct-auditeur-generaal; onder meer de kandidaten voor de functie in geschil kunnen dan ook kandideren; op grond van het advies kan de schijn ontstaan dat hij bepaalde kandidaten in een gunstiger positie of anderen in een ongunstiger positie wil plaatsen; ook kan de schijn ontstaan dat hij het anciënniteits- principe als precedent propageert en daardoor zichzelf in een gunstiger positie wil plaatsen of eventueel een andere beweegreden propageert; verzoeker benadrukt het woord “schijn” doch de minste schijn moet hier vermeden worden, alzo moet worden gewacht tot de benoeming van een auditeur-generaal of adjunct-auditeur-generaal; 2.4.1.2. Overwegende dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat op grond van het continuïteitsbeginsel de openbare dienst voortdurend, aanhoudend, regelmatig of zonder onderbreking moet worden verstrekt en dat, in tegenstelling tot wat verzoeker stelt, de in het vooruitzicht gestelde oprichting van een tweede afdeling wetgeving het juist noodzakelijk maakt dat zo snel mogelijk een eerste auditeur-afdelingshoofd wordt benoemd, ook al beschikt de afdeling wetgeving over een aantal bekwame auditeurs; dat de theorie van de lopende zaken volgens hem berust op de noodzaak voor de democratie dat een regering het vertrouwen van de volksvertegenwoordiging heeft, terwijl de continuïteit eist dat het functioneren van het auditoraat niet in het gedrang komt; dat waar verzoeker naar de schijn van partijdigheid verwijst, hij opnieuw vertrekt van IX-3982-19/23 het verkeerde uitgangspunt dat het de kandidaat met de grootste anciënniteit is die is benoemd; 2.4.1.3. Overwegende dat de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij evenzeer antwoordt dat de theorie in verband met “lopende zaken” berust op de noodzaak voor de democratie, dat de regering het vertrouwen van de volksvertegenwoordiging heeft, terwijl in onderhavig geval de continuïteit eist dat het reeds langdurig vacant zijn van de functie van auditeur-generaal er niet mag toe leiden dat het functioneren van het auditoraat in het gedrang komt; dat hem geen regel bekend is die bevorderingen binnen het auditoraat in de weg zou staan; 2.4.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij antwoordt dat de wet van 2 april 2003 fundamentele wijzigingen bevat, onder meer met betrekking tot de tussenkomst van het auditoraat in de werking van de afdeling wetgeving en dat de twee nieuwe door deze wet in het leven geroepen betrekkingen precies hun oorsprong vinden in de hervorming, zodat de benoeming geen uitstel kon dulden; dat de omstandigheid dat G. Jacobs vroeger de afdeling wetgeving van het auditoraat heeft geleid, niet noodzakelijk tot gevolg heeft dat hij onmiddellijk opnieuw deeltijds deze afdeling zou kunnen leiden, terwijl ook de waarneming van B. Seutin en de aanwezige eerste auditeurs, niet belet dat de benoeming als dringend noodzakelijk kon worden aangemerkt en de beoordeling van de noodzaak daartoe niet verzoeker doch de overheid toekomt, terwijl te dezen niet blijkt dat dit oordeel kennelijk onredelijk zou zijn, temeer daar er twaalf Nederlandstalige auditeurs in de afdeling wetgeving zijn; dat volgens de tussenkomende partij ook de continuïteit vereist dat het langdurig ontbreken van een auditeur-generaal niet tot gevolg mag hebben dat de goede werking van het auditoraat in het gedrang komt; dat wat de schijn van partijdigheid aangaat, de tussenkomende partij stelt dat verzoeker geen enkel gegeven aanbrengt dat de gegrondheid van zijn uitgangspunt zou kunnen ondersteunen; 2.4.1.5. Overwegende dat verzoeker repliceert dat in dit middel geen schending van een rechtsregel wordt aangevoerd maar van twee rechtsbeginselen; IX-3982-20/23 dat hij betoogt dat G. Jacobs perfect tijdelijk de afdeling zou kunnen leiden daar hij, naast zijn andere functie, sinds jaren belast is met het contentieux van de apotheekvestigingen in de afdeling administratie en alsdan daarvan ontlast zou kunnen worden en dat P. Depuydt en W. Van Vaerenbergh de hervormingen van de werkwijze van het auditoraat hebben meegemaakt, zodat zij die afdeling perfect tijdelijk zouden kunnen leiden; dat verzoeker het bewijs van de schending van het onpartijdigheidsbeginsel geleverd acht doordat de waarnemend adjunct-auditeur- generaal in zijn memorie heeft gesteld: “het criterium van de anciënniteit is, juist doordat het het meest objectieve is, de zuiverste eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel”; dat volgens verzoeker de aangevoerde beginselen niet enkel gelden bij “lopende zaken” maar door de rechtspraak van de Raad van State ook worden toegepast op andere terreinen, bijvoorbeeld benoemingen in extremis door lokale besturen in een periode vóór de verkiezingen; 2.4.1.6. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog preciseert dat de schending van de voorzichtigheidsplicht en het onpartijdigheidsbeginsel beoordeeld dient te worden aan de kant van degene die het advies heeft gegeven en niet ten aanzien van de beslissing om een oproep te doen en een advies te verlenen en dat de schijn van partijdigheid voortvloeit uit het feit dat dit advies enkel gebaseerd is op de anciënniteit; 2.4.2.1. Overwegende dat zoals in het eerste middel is uitgemaakt, de anciënniteit wel als een geldig criterium kon worden gehanteerd; dat overigens dat criterium, dat een duidelijk zichtbaar louter objectief gegeven uitmaakt, het minst tot partijdigheid aanleiding kan geven; dat waar verzoekers kritiek dan betrekking heeft op de al dan niet bestaande noodzakelijkheid om een eerste auditeur-afdelingshoofd te benoemen in plaats van in die functie tijdelijk iemand aan te stellen, verzoeker zich begeeft op het vlak van de opportuniteit en zijn eigen beoordeling in de plaats stelt van die van de bevoegde benoemende overheden; dat hierbij in aanmerking moet worden genomen dat de wet voorziet in een kader, bevattende een bepaald aantal eerste auditeurs-afdelingshoofden; dat in beginsel die betrekkingen moeten worden begeven; dat de benoeming geschiedt door de Koning en de auditeur-generaal of IX-3982-21/23 degene die in zijn plaats optreedt enkel een advies verleent, ook al moet dat advies dan wel eensluidend zijn; dat in die omstandigheden geen onwettigheid noch onredelijkheid kan worden onderkend door zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van de wet van 2 april 2003 de procedure voor de benoeming van een bijkomende eerste auditeur-afdelingshoofd in te zetten; dat niet wordt ingezien waarom iemand die zelf reeds de functie van eerste auditeur-afdelingshoofd bekleedt minder onpartijdig zou zijn dan de auditeur-generaal zelf; dat verzoekers argumentatie als zou die eerste auditeur-afdelingshoofd door het criterium van de anciënniteit toe te passen zichzelf een precedent hebben willen verschaffen om op grond van dat zelfde criterium tot auditeur-generaal te worden benoemd, geen hout snijdt, aangezien, vooreerst, dat criterium als een geldig criterium kan worden onderkend en, vervolgens, op grond van artikel 71, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, het de Koning is die de auditeur-generaal en de adjunct-auditeur-generaal benoemt en Hij derhalve over een discretionaire eigen bevoegdheid beschikt om deze benoemingen te doen, met in achtname van de door hem dienstig bevonden criteria; dat bezwaarlijk aan te nemen is dat de Koning zich daarbij in dergelijke mate zou laten beïnvloeden door de beweegredenen van een advies met het oog op de benoeming tot één van de vele betrekkingen van eerste auditeur-afdelingshoofd; 2.4.2.2. Overwegende dat, voor zover verzoeker het waarborgen van het democratisch gehalte van overheidsbeslissingen aanvoert, minstens de finaliteit van de theorie van de lopende zaken, in deze niet terzake is; dat verzoeker ook geen precieze feiten of concrete aanwijzingen van partijdigheid aanhaalt; dat het middel niet gegrond is, IX-3982-22/23 BE S L U I T : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig januari 2000 en zeven, door de IXe kamer, die was samengesteld als volgt : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, door de Eerste Voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de H. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, overleden na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3982-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.193 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div