id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.194 Rolnummer: A. 128280/IX-3536 Zaak: Arrest 167194 - Personeel van de rechterlijke orde - 29/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-15 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 14:38 Fiche Arrest nr 167.194 van 29 januari 2007 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.194 van 29 januari 2007 in de zaak A. 128.280/IX-
- In zake : Marc DREESSEN, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 33 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÊME, kantoor houdende te HEVERLEE-LEUVEN, Ijzerenmolenstraat
- tussenkomende partij : Paul VAN ELST, die woonplaats kiest bij advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te BERINGEN, Scheigoorstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc DREESSEN op 21 oktober 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 waarbij Paul VAN ELST wordt benoemd tot gerechtsdeur- waarder in het gerechtelijk arrondissement Hasselt; Gelet op het arrest nr. 120.796 van 23 juni 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 6 augustus 2003 door Marc DREESSEN; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 18 september 2003; IX-3536-1/15 Gelet op de beschikking van 30 oktober 2003 die de tussenkomst van Paul VAN ELST toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 9 juni 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. VERNAILLEN, die loco advocaten H. SEBREGHTS en I. OPDEBEEK verschijnt voor verzoeker, van advocaat H.-K. CARÊME, die loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat W. MERTENS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de relevante gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Blijkens een bericht in het Belgisch Staatsblad van 16 januari 2001 wordt een betrekking van gerechtsdeurwaarder in het arrondissement Hasselt vacant verklaard. IX-3536-2/15 1.
- Voor die betrekking stellen zich negenendertig personen kandidaat, waaronder verzoeker en de tussenkomende partij. 1.
- De bij artikel 512, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven adviezen van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen en van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt zijn zowel voor verzoeker als voor de tussenkomende partij gunstig. 1.3.
- Het advies van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen is zowel voor verzoeker als voor Paul VAN ELST identiek, namelijk gunstig. Telkens wordt erop gewezen dat zij de voorwaarden vervullen om tot gerechtsdeurwaarder benoemd te worden en dat uit de bij de procureur des Konings ingewonnen inlichtingen blijkt dat zij over de nodige bekwaamheid beschikken. 1.3.
- Het advies van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt is zowel voor verzoeker als voor Paul VAN ELST gunstig. Ten aanzien van verzoeker staat in een op 21 maart 2001 uitgebracht advies te lezen dat de kandidaat met een vaste regelmaat en met gunstig resultaat is opgetreden als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder en dit voornamelijk in het arrondissement Hasselt, dat hij van onbesproken gedrag is en beschikt over een blanco strafregister. Ten aanzien van Paul VAN ELST staat in een op 12 maart 2001 uitgebracht advies te lezen dat hij regelmatig en met gunstig resultaat is opgetreden als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder in het arrondissement Hasselt, dat hij van onbesproken gedrag is en beschikt over een blanco strafregister. 1.
- Het advies van de raad van de arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders van 6 maart 2001 is zowel voor verzoeker als voor Paul VAN ELST uitmuntend. Het luidt als volgt : "Het advies kwam tot stand, rekening houdend met de volgende objectieve criteria en nuanceringen (uitmuntend, zeer gunstig, gunstig en ongunstig) :
- de anciënniteit onder de 39 kandidaten, rekening houdend met de datum waarop werd voldaan aan alle voorwaarden om het ambt van gerechtsdeur- waarder of plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder waar te nemen;
- de betrokkenheid bij een gerechtsdeurwaarderskantoor in het gerechtelijk arrondissement Hasselt; IX-3536-3/15
- het regelmatig vervangen en probleemloos uitoefenen van de functie van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Hasselt". Op de "lijst van anciënniteit rekening houdend met de datum waarop werd voldaan aan alle voorwaarden om benoemd te worden" bekleedt de tussenkomende partij de zesde en verzoeker de vierendertigste plaats. 1.
- Bij koninklijk besluit van 26 juni 2001 wordt verzoeker tot gerechtsdeurwaarder in het arrondissement Hasselt benoemd. 1.6 Op verzoek van Robrecht TIMMERMANS en Paul VAN ELST wordt dat besluit door de Raad van State bij arrest nr. 101.446, van 3 december 2001, nietig verklaard. 1.
- Op 16 mei 2002 doet de kabinetschef van de minister van Justitie het volgende voorstel tot benoeming : "PAUL VAN ELST Overwegende dat Van Elst Paul op 4 juli 1987 aan de VUB het diploma behaalde van licentiaat in de rechten en zijn stageboekje werd gehomologeerd in 1992; Overwegende dat de kandidaat van goed gedrag en zeden is en voldoet aan de benoemingsvoorwaarden; Overwegende dat van alle kandidaten Van Elst Paul degene is die als eerste het diploma behaalde van licentiaat in de rechten. Zijn stageboekje werd reeds gevalideerd in 1992 en sedert hetzelfde jaar heeft hij regelmatig ingestaan voor vervangingen; Overwegende dat hij zijn stage heeft volbracht te Genk, woonachtig is te Hasselt en dus zeer goed vertrouwd is met de streek waar hij zijn ambt moet uitoefenen; Overwegende dat hij een uitmuntend advies bekwam van de raad van de arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders te Hasselt om reden van zijn anciënniteit, zijn betrokkenheid bij een gerechtsdeurwaarderskantoor in het gerechtelijk arrondissement Hasselt en zijn regelmatige vervangingen als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder in hetzelfde gerechtelijk arrondissement, die steeds probleemloos zijn verlopen; Overwegende dat het advies van de procureur-generaal en van de procureur des Konings gunstig is;". 1.
- Op 2 augustus 2002 wordt het thans bestreden besluit genomen. Naast de identieke motivering als die vervat in het voorstel tot benoeming, wordt er enkel nog verwezen naar de diverse uitgebrachte adviezen. IX-3536-4/15 1.
- Overwegende dat Paul VAN ELST met een verzoekschrift van 18 september 2003 vraagt om in het geding te mogen tussen-komen; dat geen gegeven zich tegen het inwilligen van dat verzoek verzet; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, van de materiële motiveringsplicht, van het rechtszekerheids-, het vertrouwens, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel en van het verbod van willekeur; Overwegende dat verzoeker dit middel als volgt adstrueert : “Doordat het bestreden benoemingsbesluit uitsluitend genomen werd op basis van het criterium dat de heer Paul VAN ELST als eerste zijn diploma in de rechten behaalde; En doordat de Minister door in het bestreden besluit te overwegen dat de heer Paul VAN ELST van alle kandidaten diegene is die als eerste het diploma behaalde van licentiaat in de rechten en hij blijkbaar uitsluitend op basis van dit motief (impliciet) besloten heeft dat de heer Paul VAN ELST dan ook de meest geschikte kandidaat zou zijn om tot het ambt van Gerechtsdeurwaarder in het arrondissement Hasselt te benoemen (te worden benoemd) daar waar hij nochtans in een eerder stadium van dezelfde benoemingsprocedure de heer Marc DREESSEN als meest geschikte kandidaat had voorgedragen aan de Koning en benoemd had op basis van andere criteria en hij hierdoor aldus zonder enig motief hiervoor aan te reiken het genomen benoemingsbesluit volledig onverwacht en onvoor-spelbaar heeft genomen; Terwijl een benoemingsbesluit uitsluitend kan genomen worden op basis van wettige criteria d.w.z. criteria die voor alle kandidaten gelijk zijn, objectief, determinerend, in verband staan met de te begeven functie en tenslotte duidelijk zijn; En terwijl een benoemingsbeslissing redelijk dient te zijn, wat inhoudt dat elk redelijk denkende overheidspersoon tot diezelfde beslissing zou zijn gekomen en terwijl uit de benoemingsbeslissing dient te blijken dat de benoemende overheid een objectieve afweging van alle titels en verdiensten heeft gemaakt en met gevoel voor zorgvuldigheid, maat, verhouding en evenwicht tot het besluit is gekomen; zodat het bestreden benoemingsbesluit is genomen met schending van de in het middel aangehaalde beginselen en het middel aldus ernstig (gegrond) is”. Overwegende dat verzoeker in de toelichting bij het eerste middel de procedure schetst die resulteerde in het arrest nr. 101.446 van 3 december 2001 van de Raad van State met als voorwerp het annulatieberoep van Robert TIMMERMANS en Paul VAN ELST gericht tegen het benoemingsbesluit van verzoeker van 26 juni 2001, dat ontvankelijk en gegrond werd verklaard; IX-3536-5/15 Overwegende dat verzoeker in dit verband in essentie aanvoert dat de benoemende overheid geen rekening hield met de inhoud van voornoemd arrest en de heer P. VAN ELST benoemde in plaats van verzoeker, op basis van een nieuw motief, met name op basis van het gegeven dat verzoeker van alle kandidaten als eerste over een diploma van licentiaat in de rechten beschikte; dat dit motief volgens verzoeker nooit als een criterium kon worden aangewend ter benoeming, omdat het houder zijn van een diploma van licentiaat in de rechten een benoemingsvoorwaarde uitmaakt, overeenkomstig artikel 510 van het Gerechtelijk Wetboek; Overwegende dat verzoeker preciseert dat uit de lezing van het bestreden besluit duidelijk blijkt dat het enkel gebaseerd is op het motief dat verzoeker als eerste en enige van de kandidaten een diploma in de rechten heeft behaald en dat voor het overige in het bestreden besluit geen vergelijking wordt doorgevoerd tussen de titels en de verdiensten van de verschillende kandidaten; dat verzoeker vervolgens ingaat op wat hij het verbod noemt om het tijdstip te gebruiken waarop verzoeker zijn diploma heeft behaald, als enig en decisief criterium bij niet gelijkwaardige kandidaten; dat in casu verzoeker en P. VAN ELST niet kwalitatief gelijkwaardig zijn, omdat verzoeker sinds 1994 onafgebroken verbonden is aan een gerechtsdeurwaarderskantoor en aldus een ruime, pertinente ervaring heeft opgedaan; dat P. VAN ELST slechts werkzaam was als freelance vervanger; dat sinds jaren, “de betrokkenheid bij een gerechtsdeurwaarderskantoor”, terecht een zeer belangrijk criterium is bij de benoeming van gerechtsdeurwaarders; dat in casu dit criterium volkomen terzijde wordt geschoven, zonder motivering; dat verzoeker verder betoogt dat hij voornamelijk plaatsvervangingen heeft gedaan in het arrondissement Hasselt, terwijl P. VAN ELST voornamelijk buiten het arrondissement Hasselt actief is geweest; Overwegende dat volgens verzoeker de datum waarop het licentiaatsdiploma werd behaald door P. VAN ELST niet als enig en decisief criterium mag worden gebruikt, wanneer het de uitdrukkelijke wil van de wetgever is dat ook kandidaten zonder diploma in aanmerking komen voor benoeming; dat verzoeker dit afleidt uit de overgangsregeling ingeschreven in artikel 555quater van het Gerechtelijk Wetboek en die bestemd is voor kandidaat-gerechtsdeurwaarders die geen diploma in de rechten hebben behaald, maar wel hun stageboekje binnen de drie maanden na de dag van de inwerkingtreding van de wet van 6 april 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek hebben laten valideren door de procureur des Konings van het arrondissement waar de kamer zitting houdt die het stageboekje heeft IX-3536-6/15 afgegeven; dat laatstgenoemden op dezelfde wijze als de houders van het diploma van licentiaat in de rechten in aanmerking komen voor benoeming; dat de verwijzing in het benoemingsbesluit naar “het als eerste behalen van het diploma van licentiaat in de rechten”, als enig en decisief criterium om de benoeming te verantwoorden dan ook een onwettig en discriminerend motief is; dat de overige overwegingen van het bestreden besluit loutere vaststellingen zijn die geen enkel onderscheidend karakter bezitten naar de andere kandidaten toe; Overwegende dat verzoeker tenslotte stelt dat het bestreden besluit kennelijk onredelijk is door op een onwettig criterium te steunen en door een andere kandidaat te benoemen die duidelijk minder verdiensten kan doen gelden; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in essentie antwoordt : - dat uit het bestreden besluit blijkt dat verzoeker en P. VAN ELST gelijkwaardige verdiensten kunnen doen gelden, - dat zij verschillen op één punt, met name dat enkel P. VAN ELST als eerste een diploma van licentiaat in de rechten behaalde, - dat de overgangsregeling van artikel 555quater van het Gerechtelijk Wetboek niet inhoudt dat “het eerst behalen van een diploma”, niet als een wettig criterium van onderscheid zou gelden; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat het benoemingsbesluit onwettig is wegens het gebruik van het criterium van het diploma van licentiaat in de rechten als selectiecriterium bij benoemingen tot gerechtsdeurwaarder, terwijl de wetgever de licentiaten in de rechten enerzijds, en de kandidaat-gerechtsdeurwaarders zonder het licentiaatsdiploma anderzijds, als gelijkwaardig beschouwt voor een benoeming tot gerechtsdeurwaarder; dat verzoeker verder aanvoert dat het bestreden besluit onwettig is wegens het gebruik van een onwettig criterium van het als eerste behalen van het diploma van licentiaat in de rechten; dat hij voorts betoogt dat uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat er amper een vergelijking werd doorgevoerd tussen de titels en verdiensten van de verschillende kandidaten voor de plaats van deurwaarder te Hasselt; dat het als eerste behalen van het diploma in de rechten klaarblijkelijk het enige motief is, waardoor de overheid een onderscheid doorvoert tussen de verschillende kandidaten; dat er voor het overige in het benoemingsbesluit geen enkele vergelijking wordt IX-3536-7/15 doorgevoerd; dat nu vaststaat dat het diplomavereiste een onwettig selectiecriterium is, het criterium van het als eerste behalen van dit diploma eveneens onwettig is; Overwegende dat verzoeker tenslotte betoogt dat het benoemingsbesluit onwettig is wegens ontstentenis van vergelijking van titels en verdiensten van verzoeker en P. VAN ELST; dat de titels en verdiensten van verzoeker bijgevolg in strijd met het gelijkheidsbeginsel niet werden vergeleken, zodat het benoemingsbesluit ook om die reden onwettig is; Overwegende dat verzoeker tenslotte een verband legt met zijn oorspronkelijk benoemingsbesluit dat uitsluitend werd vernietigd wegens gebreken in de formele motivering; 2.1.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in de toelichtende memorie in essentie stelt dat de verwerende partij wel degelijk het als eerste behalen van een diploma van licentiaat in de rechten in aanmerking kon nemen om een gerechtsdeurwaarder te benoemen; dat zij daaraan toevoegt dat het bestreden besluit geen onderscheid creëert tussen licentiaten in de rechten enerzijds en kandidaat- gerechtsdeurwaarders zonder licentiaatdiploma anderzijds en dat verzoeker geen onderscheid maakt tussen de ontvankelijkheidsvoorwaarden om rechtsgeldig een kandidatuur in te dienen voor het ambt van gerechtsdeurwaarder en de beoordeling ten gronde van de titels en de verdiensten; dat de tussenkomende partij vervolgens op basis van het benoemingsbesluit tracht aan te tonen dat de benoemende overheid wel degelijk rekening heeft gehouden met de titels en de verdiensten van de benoemde kandidaat vergeleken met die van de andere kandidaten die eventueel in aanmerking konden komen voor een benoeming; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie samengevat het volgende doet gelden : - de wet van 6 april 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het statuut van gerechtsdeurwaarders strekt ertoe om als overgangsmaatregel diegenen die wel over een licentiaatsdiploma beschikken en diegenen die over een getuigschrift beschikken op voet van gelijkheid te behandelen voor wat betreft het in aanmerking komen voor benoeming tot het ambt van gerechtsdeurwaarder, IX-3536-8/15 - er kan niet aan voorbij gegaan worden dat de benoemende overheid bij het nemen van het thans bestreden besluit (contra legem) alleen de houders van een licentiaatsdiploma als valabele kandidaten heeft weerhouden en hierdoor een decisieve doch onwettige selectie heeft doorgevoerd waardoor een onderscheid wordt gecreëerd tussen de kandidaten met en de kandidaten zonder licentiaatdiploma, zonder dat dit onderscheid steun vindt in de overgangsbepaling van artikel 555quater van het Gerechtelijk Wetboek. Door het bestreden besluit wordt onmiskenbaar een onderscheid gecreëerd tussen categorieën van personen (die volgens de wet nochtans uitdrukkelijk op voet van gelijkheid werden gesteld), zonder dat hiervoor zelfs een redelijke verantwoording voorhanden is, - alle kandidaten dienen met het oog op een eventuele benoeming onderling met elkaar vergeleken te worden op alle vlakken die dienstig kunnen zijn bij het aanstellen van een nieuwe gerechtsdeurwaarder; betreffende het punt of de kandidaat voor een vacante functie al dan niet over een licentiaatsdiploma beschikt, is echter geen vergelijking mogelijk. Door de formulering in de regelgeving worden het licentiaatsdiploma en het getuigschrift per definitie gelijkgeschakeld, - wat de vermeende verschilpunten betreft tussen de kandidatuur van verzoeker en die van P. VAN ELST, die het auditoraat weerhoudt en op basis waarvan P. VAN ELST grotere aanspraken zou kunnen doen gelden, blijkt uit niets dat deze elementen of deze vermeende verschilpunten de effectieve keuze van de benoemende overheid hebben bepaald; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie het volgende stelt : - de houders van het getuigschrift van kandidaat-gerechtsdeurwaarders en van het diploma van licentiaat in de rechten worden op voet van gelijkheid gesteld voor wat de ontvankelijkheid van hun kandidaturen betreft bij het begeven van een ambt van gerechtsdeurwaarder en bijgevolg niet voor wat de vergelijking ten gronde betreft van de titels en de verdiensten, - in de mate dat verzoeker in zijn laatste memorie het bestreden besluit toetst aan de ministeriële omzendbrief nummer 21 van 15 mei 1996, gaat het om een onontvankelijk nieuw middel; 3.
- Overwegende dat het bestreden benoemingsbesluit steunt op de volgende motieven die veruitwendigd worden in het bestreden besluit : IX-3536-9/15 1/ van alle kandidaten (voor het te begeven deurwaardersambt) is de heer Paul VAN ELST degene die als eerste en enige het diploma behaalde van licentiaat in de rechten, 2/ het stageboekje van P. VAN ELST werd reeds gevalideerd in 1992, 3/ sedert 1992 stond P. VAN ELST regelmatig in voor vervangingen, 4/ P. VAN ELST heeft zijn stage volbracht in Genk, woont in Hasselt en is dus zeer goed vertrouwd met de streek waar hij zijn ambt moet uitoefenen, 5/ P. VAN ELST bekwam een uitmuntend advies van de raad van de arrondisse- mentskamer van gerechtsdeurwaarders te Hasselt, om reden van zijn anciënniteit, zijn betrokkenheid bij een gerechtsdeurwaarderskantoor in het gerechtelijk arrondissement Hasselt en omwille van zijn regelmatige vervangingen als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder in hetzelfde gerechtelijk arrondissement die steeds probleemloos zijn verlopen, 6/ P. VAN ELST bekwam een gunstig advies van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen en van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt; Overwegende dat de veruitwendigde motieven van de bestreden beslissing steun vinden in de stukken van het administratief dossier, die door partijen gekend zijn, waarvan zij tijdig kennis konden nemen en waarmee de Raad van State bijgevolg rekening mag houden bij de beoordeling van de middelen van verzoeker; 3.1.1/. Overwegende dat dit motief aldus moet worden begrepen dat de overige achtendertig kandidaten voor het te begeven ambt, beschikken over het getuigschrift van kandidaat-gerechtsdeurwaarder, zodat P. VAN ELST zich onder meer onderscheidt van alle andere kandidaten door het behalen van het diploma van licentiaat in de rechten; dat in tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, met het behalen van een dergelijk diploma wel degelijk rekening mag worden gehouden bij de globale afweging van de titels en de verdiensten van de verschillende kandidaten, die gelijkwaardige verdiensten bezitten, ook al worden de houders van het getuigschrift van kandidaat-gerechtsdeurwaarder door de wet voor wat de toelating tot het ambt betreft, gelijkgesteld met de houders van het diploma van licentiaat in de rechten; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker op 23 januari 1999 het getuigschrift van kandidaat-gerechtsdeurwaarder bekwam, nadat hij met voldoening was geslaagd voor het schriftelijk en mondeling gedeelte IX-3536-10/15 van het examen, voorgeschreven bij het koninklijk besluit van 13 januari 1964 betreffende de stage en het examen van kandidaat-gerechtsdeurwaarder; Overwegende dat P. VAN ELST reeds op 4 juli 1987 het diploma van licentiaat in de rechten bekwam; dat aldus feitelijk vaststaat dat P. VAN ELST dit diploma verwierf twaalf jaar en practisch zes maanden vóór verzoeker voornoemd getuigschrift bekwam; Overwegende dat het behaalde licentiaatsdiploma in casu bovendien een anciënniteitsargument uitmaakt, gelet op de datum waarop verzoeker dit diploma bekwam, wat blijkt uit het administratief dossier; Overwegende dat dit onderdeel van de motivering van het bestreden besluit bijgevolg pertinent is, samengelezen met de overige motieven en bijgevolg de beginselen opgenomen in het eerste middel niet schendt; 3.1.2/. Overwegende dat het stageboekje van P. VAN ELST reeds werd gevalideerd in 1992 en dat hij sedert hetzelfde jaar regelmatig instond voor vervangingen; dat dit tweede motief niet doorslaggevend is, aangezien het stageboekje van verzoeker werd gevalideerd op 6 augustus 1992, zodat verzoeker en P. VAN ELST wat dit criterium betreft op gelijke voet staan; 3.1.3/. Overwegende dat sedert 1992 P. VAN ELST regelmatig instond voor vervangingen; dat verzoeker pas vanaf 1999 plaatsvervangingen deed; dat bijgevolg dit onderdeel van de motivering relevant en deugdelijk is; 3.1.4/. Overwegende dat de omstandigheid dat P. VAN ELST zijn stage volbracht te Genk, in Hasselt woont, zeer goed vertrouwd is met de streek waar hij zijn ambt moet uitoefenen in dezelfde mate geldt voor verzoeker, zodat dit onderdeel van de motivering niet decisief is; 3.1.5/. Overwegende dat P. VAN ELST een uitmuntend advies bekwam, zoals verzoeker; dat dit uitmuntend advies, steun vindt in het criterium van de anciënniteit; dat uit de lijst van de anciënniteit blijkt dat P. VAN ELST op de zesde plaats van deze lijst voorkomt, en verzoeker op de vierendertigste plaats; dat uit deze lijst tevens blijkt dat P. VAN ELST op 31 december 1988 aan alle voorwaarden voldeed om te worden benoemd en verzoeker pas op 20 maart 1999; dat het IX-3536-11/15 criterium van de anciënniteit bijgevolg duidelijk de benoemde kandidaat onderscheidt van verzoeker; dat dit criterium relevant is, omdat P. VAN ELST bijna elf jaar meer anciënniteit kan doen gelden dan verzoeker; dat de anciënniteit betrekking heeft op de beroepservaring en op de geschiktheid om te worden benoemd; dat het criterium anciënniteit tevens nauw verbonden is met de plaatsvervangingen bij diverse gerechtsdeurwaarders; dat verzoeker vanaf 1999 voor diverse gerechtsdeurwaarders is opgetreden als plaatsvervanger en P. VAN ELST vanaf 1989 (in het bestreden besluit wordt 1992 vermeld); dat P. VAN ELST op 3 februari 1989 de eed als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder heeft afgelegd en verzoeker in de loop van 1999; dat deze gegevens blijken uit de respectievelijke administratieve dossiers en de anciënniteit en beroepservaring van P. VAN ELST bevestigen; dat dit onderdeel van de motivering bijgevolg relevant en deugdelijk is; 3.1.6/. Overwegende dat zowel verzoeker als P. VAN ELST een gunstig advies bekwamen van de procureur-generaal van het hof van beroep te Antwerpen en van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt; dat dit bijgevolg geen decisief element uitmaakt; 3.
- Overwegende dat gelet op wat voorafgaat, de beginselen die verzoeker in het eerste middel aanvoert niet werden geschonden en evenmin de materiële motiveringsplicht; dat het eerste middel ongegrond is en er bijgevolg geen aanleiding is om aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen; 4.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 4.1.
- Overwegende dat verzoeker in de toelichting bij dit middel terecht stelt dat dit middel “voor een groot deel aansluit bij de toelichting bij het eerste middel”; dat uit de lezing van het middel en van de memories blijkt dat verzoeker de schending aanvoert van de formele motiveringsplicht; Overwegende dat de formele motiveringsplicht inhoudt dat verzoeker in de beslissing die hem aanbelangt de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, zodat blijkt, of minstens kan worden nagegaan waarop de bestreden beslissing steunt, en kan worden bepaald of de benoemende overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn en of de overheid IX-3536-12/15 die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden; dat dit inhoudt dat de motivering draagkrachtig moet zijn, dit betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de bestreden beslissing te schragen; 4.1.
- Overwegende dat de bestreden beslissing ondermeer berust op het niet betwiste feit dat van alle kandidaten P. VAN ELST de enige is die het diploma van licentiaat in de rechten behaalde; dat hij dit diploma op 4 juli 1987 behaalde en dat verzoeker pas op 23 januari 1999 het getuigschrift van kandidaat- gerechtsdeurwaarder bekwam, zodat P. VAN ELST vóór verzoeker aan alle benoemingsvoorwaarden voldeed voor het ambt van gerechtsdeurwaarder; dat dit blijkt uit het administratief dossier, met name uit de lijst van anciënniteit van de verschillende kandidaten, waarbij rekening werd gehouden met de datum waarop werd voldaan aan alle voorwaarden om te worden benoemd tot gerechtsdeurwaarder; dat zoals reeds werd overwogen P. VAN ELST op deze lijst de zesde plaats inneemt en verzoeker de vierendertigste plaats; dat dit motief in de bestreden beslissing als volgt wordt geformuleerd : “Overwegende dat hij (P. VAN ELST) een uitmuntend advies bekwam van de raad van de arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders te Hasselt om reden van zijn anciënniteit, (...)”; Overwegende dat de bestreden beslissing duidelijk de motieven vermeldt, waarop zij is gesteund en dat deze motieven pertinent, draagkrachtig en deugdelijk zijn; 4.1.3.
- Overwegende dat verzoeker doet gelden dat de benoemende overheid er bij het nemen van de bestreden beslissing eraan is voorbijgegaan dat de beslissing waarbij verzoeker aan de Koning ter benoeming werd voorgedragen in een eerder stadium van de benoemingsprocedure nog steeds overeind is gebleven; dat, aldus verzoeker, het benoemingsbesluit van 26 juni 2001 weliswaar uit het rechtsverkeer is genomen, doch de voordracht van verzoeker in het benoemingsbesluit blijft behouden, mede waarop het benoemingsbesluit werd gestoeld; dat deze voordracht niet werd ingetrokken, zodat op het ogenblik dat de minister zijn benoemingsbesluit nam op 2 augustus 2002, hij diende rekening te houden met twee voordrachten aan de Koning ter benoeming, namelijk één voor de heer DREESSEN en één voor de heer VAN ELST; dat hiervan niets is terug te IX-3536-13/15 vinden in de bestreden beslissing; dat de benoemende overheid had moeten motiveren waarom met de voordracht van verzoeker geen rekening werd gehouden, minstens waarom zij van oordeel was dat een nieuwe voordracht diende te worden gedaan; dat, doordat de benoemende overheid hier met geen woord over rept in de bestreden beslissing, noch in de nieuwe voordracht waarnaar de bestreden beslissing verwijst, de in het middel ingeroepen bepalingen werden geschonden; 4.1.3.
- Overwegende dat op basis van het arrest nr. 101.446 van 3 december 2001 van de Raad van State de benoeming van verzoeker tot gerechtsdeurwaarder werd vernietigd en bijgevolg ook de voordracht aan de Koning die aan de benoeming voorafgaat; dat het tweede middel ongegrond is; 4.2.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van artikel 512, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, doordat het bestreden besluit genomen werd op basis van een voordracht tot benoeming van de heer Paul VAN ELST van 16 mei 2002 beslist door en ondertekend door de kabinetschef van de minister van Justitie, terwijl artikel 512, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de voordracht ter benoeming van een kandidaat-gerechtsdeurwaarder aan de Koning dient te geschieden door de minister van Justitie zelf, nadat hij de definitieve adviezen en het dossier heeft ontvangen, zodat de benoeming van P. VAN ELST manifest onwettig is en het bestreden besluit dienvolgens door te stoelen op deze manifest onwettige voordracht door dezelfde onwettigheid wordt gevitieerd en de in het middel aangehaalde wetsbepaling werd geschonden; 4.2.
- Overwegende dat het voorstel tot benoeming uitgaande van de kabinetschef van de minister van Justitie een intern administratief document is dat heeft gediend om het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 te redigeren; dat enkel dit koninklijk besluit ter beoordeling van het annulatieberoep voorligt, vermits het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 houdende de benoeming van P. VAN ELST tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Hasselt werd genomen “op de voordracht van onze Minister van Justitie”; dat bijgevolg artikel 512, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek werd nageleefd dat als volgt luidt : “Nadat de Minister van Justitie de definitieve adviezen en het dossier heeft ontvangen, draagt hij een kandidaat ter benoeming voor aan de Koning.”; dat bijgevolg het derde middel ongegrond is; IX-3536-14/15 4.
- Overwegende dat in de mate verzoeker, in zijn laatste memorie het bestreden besluit toetst aan de ministeriële omzendbrief nummer 21 van 15 mei 1996, het gaat om een nieuw middel, dat niet van openbare orde is, en dat niet voor de eerste maal mag worden aangevoerd in een memorie, zodat het onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig januari 2000 en zeven, door de IXe kamer, die was samengesteld als volgt : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, door de Eerste Voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de H. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, overleden na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3536-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.194 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.120.796 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.