← België

Arrest 167195 - Varia (justitie) - 29/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.195 Rolnummer: A. 164554/IX-4979 Zaak: Arrest 167195 - Varia (justitie) - 29/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-14 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 14:38 Fiche Arrest nr 167.195 van 29 januari 2007 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.195 van 29 januari 2007 in de zaak A. 164.554/IX-

  1. In zake : Maria VAN DER VEKEN, die woonplaats kiest bij advocaat P. VAN RILLAER, kantoor houdende te BONHEIDEN, Putsesteenweg 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Maria VAN DER VEKEN op 25 juli 2005 heeft ingediend om een administratief cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing van 15 juni 2005 van de eerste kamer van de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders “waarbij (haar) verzoek ontvankelijk werd verklaard, doch de zaak verdaagd werd om (haar) toe te laten haar rechtsbijstandsverzekeraar in tussenkomst aan te spreken.”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 18 september 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-4979-1/7 Gelet op de beschikking van 13 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VAN RILLAER, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat P. LOUAGE, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De relevante feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  4. Op 26 oktober 2002 valt een persoon die onbekend is gebleven, verzoekster aan op de terugweg van het station van Mechelen naar haar woonplaats. De dader loopt weg en steelt de handtas van verzoekster nadat hij haar vastgreep en op de grond gooide. 1.
  5. Verzoekster legt klacht neer tegen onbekenden. 1.
  6. Op 28 februari 2003 seponeert het parket van de procureur des Konings de zaak van verzoekster, omdat de dader onbekend bleef. 1.
  7. Op 31 oktober 2003 dient verzoekster via haar verzekeraar KBC Defendo-rechtsbijstand een aanvraag in bij de commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders (hierna de commissie genoemd). De aanvraag betreft een verzoek tot toekenning van een hoofdhulp van 5.320,90 euro. Verzoekster begroot haar schade als volgt : - morele schade : 178,64 euro; - esthetische schade : 211,84 euro; - tijdelijke invaliditeit : 3.951,87 euro; - blijvende invaliditeit : 911,02 euro; IX-4979-2/7 - medische kosten en ziekenhuiskosten: 41,05 euro; - materiële kosten : 26,48 euro; 1.
  8. Op 10 mei 2004 stelt verzoekster zich via haar advocaat burgerlijke partij bij de onderzoeksrechter te Mechelen. Zij legt aldaar klacht neer tegen onbekenden voor feiten die gekwalificeerd worden als “diefstal gepleegd door middel van geweld of bedreiging”. 1.
  9. Op 19 oktober 2004 wijst de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen een beschikking waardoor de geadieerde onderzoeksrech- ter wordt ontlast van het gerechtelijk vooronderzoek, omdat wordt vastgesteld dat er geen redenen tot vervolging bestaan, vermits de feiten van de tenlastelegging niet aan één of meerdere personen kunnen worden toegeschreven. 1.
  10. Op 17 februari 2005 behandelt de eerste kamer van de commissie de aanvraag van verzoekster. 1.
  11. Op 15 juni 2005 verklaart de commissie de aanvraag van verzoekster ontvankelijk, en verdaagt de zaak, teneinde verzoekster toe te laten haar rechtsbijstandsverzekeraar in tussenkomst aan te spreken. Dit is thans de bestreden beslissing, waarvan de motivering als volgt luidt : “Artikel 3lbis, §1, 5/, van de wet van 1 augustus 1985 huldigt het subsidiari- teitsbeginsel: het bepaalt dat een financiële hulp wordt toegekend ‘indien de schade niet afdoende kan worden hersteld door ... een private verzekering, noch op enige andere manier.’ Vooraleer het slachtoffer zich tot de Commissie kan wenden, dienen alle andere middelen om vergoeding te bekomen uitgeput te worden. Er wordt uitdrukkelijk verwezen naar de rechten die een verzoeker kan laten gelden tegenover een verzekeraar. In de onderhavige zaak beschikt verzoekster over een verzekering rechtsbij- stand bij KBC waarin een waarborg voorzien is in geval van onvermogen van derden. De verzekeringsmaatschappij weigert evenwel tussen te komen zolang de dader niet gekend is. In een schrijven d.d. 1 februari 2005 stelt de verzekeraar namelijk niet tussen te komen omwille van: ‘Defendo vordert schade terug. Aangezien de dader onbekend is, konden wij van geen aansprakelijke de schade terugvorderen’. De Commissie merkt hierbij evenwel op dat de polis duidelijk (en enkel maar) stelt dat de door de verzekeringsnemer geleden lichamelijke schade of zaakschade vergoed wordt wanneer de persoon die burgerrechtelijk aansprake- lijk is voor de geleden schade, insolvabel is. In onderhavig dossier is het duidelijk dat er een aansprakelijke derde is; wat blijkt uit de feiten die verzoekster zijn overkomen d.d. 26 oktober
  12. Het gegeven dat deze dader tot op heden onbekend is en derhalve insolvabel, mag dan ook geen reden zijn om een tussenkomst te weigeren. IX-4979-3/7 Rekening houdend met de door de verzoekster onderschreven verzekerings- overeenkomst en met het subsidiariteitsbeginsel dat vervat ligt in artikel 31, §1, 5/, van de wet, is de Commissie van oordeel dat verzoeker(ster) zijn (haar) rechten moet laten gelden tegenover zijn (haar) verzekeraar en desgevallend een gerechtelijke uitspraak moet uitlokken. De behandeling van deze zaak voor de Commissie dient inmiddels verdaagd te worden.”;
  13. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep. 2.
  14. Overwegende dat het auditoraatsverslag ambtshalve een exceptie van onontvankelijkheid van het cassatieberoep opwerpt, omdat de bestreden beslissing, een beslissing is alvorens recht te doen, die niet afzonderlijk vatbaar is voor een voorziening in cassatie; 2.
  15. Overwegende evenwel dat de bestreden beslissing een geschilpunt beslecht betreffende de eventuele tussenkomst van de gezinspolis KBC, die een verzekering rechtsbijstand inhoudt, met bijkomende waarborgen, waaronder een extra waarborg bij insolventie van de burgerrechtelijk aansprakelijke; dat de desbetreffende bepaling als volgt luidt: “Wij vergoeden zelf de door u geleden lichamelijke schade of zaakschade indien blijkt dat met deze rechtsbijstandsverzekering geen vergoeding kan bekomen worden omdat de persoon die voor uw schade burgerrechtelijk aansprakelijk is, insolvabel is. Deze vergoeding is verschuldigd in de mate dat geen enkele andere instelling de schade kan ten laste nemen. (...)”; Overwegende dat de bestreden beslissing betreffende voornoemde bepaling het volgende beslist : “Artikel 31bis, § 1, 5/, van de wet van 1 augustus 1985 huldigt het subsidiari- teitsbeginsel: het bepaalt dat een financiële hulp wordt toegekend ‘indien de schade niet afdoende kan worden hersteld door... een private verzekering, noch op enige andere manier’. Vooraleer het slachtoffer zich tot de Commissie kan wenden, dienen alle andere middelen om vergoeding te bekomen uitgeput te worden. Er wordt uitdrukkelijk verwezen naar de rechten die een verzoeker kan laten gelden tegenover een verzekeraar. In de onderhavige zaak beschikt verzoekster over een verzekering rechtsbij- stand bij KBC waarin een waarborg voorzien is in geval van onvermogen van derden. De verzekeringsmaatschappij weigert evenwel tussen te komen zolang de dader niet gekend is. In een schrijven d.d. 1 februari 2005 stelt de verzekeraar namelijk niet tussen te komen omwille van : ‘Defendo vordert schade terug. Aangezien de dader onbekend is, konden wij van geen aansprakelijke de schade terugvorderen’. De Commissie merkt hierbij evenwel op dat de polis duidelijk (en enkel maar) stelt dat de door de verzekeringsnemer geleden lichamelijke schade of zaakschade vergoed(t) wordt wanneer de persoon die burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de geleden schade, insolvabel is. IX-4979-4/7 In onderhavig dossier is het duidelijk dat er een aansprakelijke derde is; wat blijkt uit de feiten die verzoekster zijn overkomen d.d. 26 oktober
  16. Het gegeven dat deze dader tot op heden onbekend is en derhalve insolvabel, mag dan ook geen reden zijn om een tussenkomst te weigeren. Rekening houdend met de door de verzoekster onderschreven verzekerings- overeenkomst en met het subsidiariteitsbeginsel dat vervat ligt in artikel 31, § 1, 5/, van de wet, is de Commissie van oordeel dat verzoek(st)er zijn (haar) rechten moet laten gelden tegenover zijn (haar) verzekeraar en desgevallend een gerechtelijke uitspraak moet uitlokken. De behandeling van deze zaak voor de Commissie dient inmiddels verdaagd te worden.” Overwegende dat uit voormelde beslissing blijkt dat de commissie, al dan niet op goede gronden, de onbekend gebleven dader, wat in casu het geval is, gelijkstelt met de dader die insolvabel is en de beslissing bijgevolg besluit dat: “Het gegeven dat deze dader tot op heden onbekend is en derhalve insolvabel, mag dan ook geen reden zijn om een tussenkomst te weigeren.”; dat zij daaraan toevoegt dat verzoekster eerst haar rechten moet laten gelden tegenover haar verzekeraar “en desgevallend een gerechtelijke uitspraak moet uitlokken”, zodat de behandeling van de zaak door de commissie wordt verdaagd; Overwegende dat ter zitting van 11 december 2006 is gebleken dat verzoekster geen procedure heeft aangespannen tegen haar verzekeraar, zodat er sedert de bestreden beslissing geen nieuw element is tussengekomen; Overwegende dat de bestreden beslissing die oordeelt dat een onbekend gebleven dader wordt gelijkgeschakeld met een dader die insolvabel is, een juridische interpretatie inhoudt en derhalve een rechtspunt beslecht betreffende een clausule van de verzekeringspolis die verzoekster onderschreef; dat een dergelijke interpretatie bekleed is met het gezag van gewijsde, omdat het gaat om een geschilpunt waarover de commissie haar rechtsmacht heeft uitgeput, wat inhoudt, dat zij op deze gelijkschakeling van een onbekend gebleven dader met een insolvabele dader in een later stadium van de procedure niet meer kan terugkomen; dat zij daarin zo ver gaat dat zij oordeelt dat : “het gegeven dat deze dader tot op heden onbekend is en derhalve insolvabel, dan ook geen reden mag zijn om een tussenkomst te weigeren”; dat het tweede zinsdeel van deze overweging eveneens bekleed is met een weliswaar beperkt gezag van gewijsde, omdat de bestreden beslissing aldus uitspraak doet over de draagwijdte van een contractuele clausule van een verzekeringspolis, waar de verzekeraar als contractpartij in de rechtsverhouding met verzoekster, niet wordt bij betrokken en desbetreffend geen verweer kan voeren; IX-4979-5/7 Overwegende dat verzoekster in dit verband in haar laatste memorie het volgende aanvoert : “(...) Verzoekster ging ervan uit dat het subsidiariteitsbeginsel gehuldigd in artikel 31bis, § 1, 5/, van de wet van 1 augustus 1985 niet van toepassing is. De Commissie heeft in de bestreden beslissing echter geoordeeld dat het subsidiariteitsbeginsel wel van toepassing was omdat verzoekster beschikt over een verzekering rechtsbijstand bij KBC

(1)ook al weigert die verzekeringsmaat- schappij tussenkomst te verlenen omdat zij krachtens de polis enkel dient tussen te komen wanneer de dader insolvabel is, niet wanneer hij onbekend is
(2). Daarmee heeft de Commissie zijn (haar) rechtsmacht uitgeput over een geschilpunt, nl. de kwestie of verzoekster al dan niet verplicht is vooraf haar rechten te laten gelden tegen de verzekeraar ook al heeft die verzekeraar bij brief van 1 februari 2005 laten weten geen dekking te verlenen. De Commissie kan op dit geschilpunt niet meer terugkomen. Verzoekster wordt inderdaad verplicht een gerechtelijke uitspraak uit te lokken tegenover haar verzekeraar. De Commissie onthoudt zich aldus van haar bevoegdheid om uitspraak te doen over de toekenning van de gevraagde hulp. (...).”; Overwegende dat het gepast voorkomt om dit standpunt van verzoekster te onderzoeken en om na te gaan of het subsidiariteitsbeginsel zo ver gaat dat verzoekster kan worden verplicht om een rechtsgeding aan te spannen tegen een derde, waarvan de afloop hoogst onzeker is; 2.
  1. Overwegende dat gelet op wat voorafgaat, er aanleiding is om een onderzoeksmaatregel te bevelen, zoals hierna bepaald, BESLUIT: Artikel
  2. De debatten worden heropend. Artikel
  3. Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt ermede belast het onderzoek van de zaak voort te zetten. IX-4979-6/7 Artikel
  4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig januari 2000 en zeven, door de IXe kamer, die was samengesteld als volgt : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, door de Eerste Voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de H. J. DE BRABAN- DERE, voorzitter van de Raad van State, overleden na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; de HH. L. HELLIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier, De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-4979-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.195 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.397 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.