← België

Arrest 167196 - Personeel van de rechterlijke orde - 29/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.196 Rolnummer: A. 150334/IX-4478 Zaak: Arrest 167196 - Personeel van de rechterlijke orde - 29/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-14 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 14:38 Fiche Arrest nr 167.196 van 29 januari 2007 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.196 van 29 januari 2007 in de zaak A. 150.334/IX-

  1. In zake : Bruno CRUYT, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. PEETERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177 bus
  2. tussenkomende partij : Peter CALLIAUW, die woonplaats kiest bij advocaat D. MATTHYS, kantoor houdende te GENT, Sint-Annaplein
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Bruno CRUYT op 2 april 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 28 januari 2004 waarbij Peter CALLIAUW wordt benoemd tot notaris ter standplaats Gent, ter vervanging van Bernard CRUYT, ontslagnemer, en van de daarin besloten weigering om verzoeker in dat ambt te benoemen; Gelet op het arrest nr. 133.219 van 28 juni 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 3 augustus 2004 door verzoeker; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 7 september 2004; IX-4478-1/16 Gelet op de beschikking van 8 oktober 2004 die de tussenkomst van Peter CALLIAUW toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 9 juni 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 december 2006; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State, J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. LINDEMANS, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat P. PEETERS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat D. MATTHYS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de gegevens van de zaak zijn samengevat in het arrest nr. 133.219 van 28 juni 2004, waarbij over de vordering tot schorsing uitspraak is gedaan; IX-4478-2/16 2.
  5. Overwegende dat de verwerende partij en de tussenkomende partij opwerpen dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre gericht tegen de impliciete weigering om verzoeker te benoemen; 2.
  6. Overwegende dat verzoeker zich niet beroept op enige rechtsplicht van de kant van de verwerende partij om hem in het bewuste ambt te benoemen en de Raad van State er ook geen ontwaart; dat de exceptie gegrond is;
  7. Overwegende dat verzoeker als enig middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het beginsel van behoorlijk bestuur, het redelijkheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, van het algemeen rechtsbeginsel volgens welk de overheid op gelijke, serieuze en concrete wijze de vaardigheden, de titels en de bekwaamheden van de kandidaten dient te vergelijken en van het algemeen beginsel volgens welk elke bestuurshandeling in rechte en in feite moet steunen op juiste, pertinente en afdoende motieven, van het adagium “patere legem quam ipse fecisti” en van de kennelijke beoordelingsfout; dat dit middel uit vijf onderdelen bestaat; 3.1.
  8. Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel stelt dat de overweging in het bestreden besluit als zou het zeer gunstig advies van de kamer van notarissen met betrekking tot verzoeker zijn grondslag vinden in de beoordeling van de continuïteit van de dienstverlening, op een verkeerde lezing van dat advies berust; dat volgens verzoeker bij de toetsing van zijn kandidatuur ook rekening moest worden gehouden met zijn intellectuele en professionele vaardigheden en dat het zeer gunstig advies van de kamer van notarissen niet alleen betrekking had op het criterium van de continuïteit van de dienstverlening, maar ook op de beoordeling van de andere twee criteria, namelijk wetenschappelijke vaardigheden en professionele en sociale vaardigheden, en het zeer gunstig advies van de kamer mede daarop is gebaseerd; dat verzoeker daarbij vaststelt dat wat betreft die vaardigheden de bewoordingen van het advies uitgebracht over verzoeker ook gunstiger zijn dan die van het advies uitgebracht over de tussenkomende partij; 3.1.
  9. Overwegende dat de verwerende partij en de tussenkomende partij betogen, onder verwijzing naar de arresten nr. 84.484 van 29 december 1999 en nr. 126.152 van 8 december 2003, dat het zeer gunstig advies van de kamer van notarissen over de kandidatuur van verzoeker het gevolg is van de beoordeling van IX-4478-3/16 het criterium van de continuïteit en dat in het bestreden besluit wordt uiteengezet waarom de beperkte verbondenheid van verzoeker met het te begeven kantoor niet kan opwegen tegen de beroepsgeschiktheid van de benoemde kandidaat, zoals die blijkt uit zijn ervaring van meer dan negen jaar in stedelijke kantoren die eveneens in Gent gelegen zijn; dat volgens hen de stelling dat verzoeker op het vlak van intellectuele en professionele vaardigheden door de kamer van notarissen beter werd beoordeeld dan de benoemde kandidaat daarentegen onjuist is; 3.1.
  10. Overwegende dat verzoeker in zijn repliek bevestigt dat hij het zeer gunstig advies van de kamer van notarissen verkreeg op basis van de drie vastgestelde criteria voor de benoeming tot notaris - wetenschappelijke vaardigheden, professionele vaardigheden en continuïteit van de dienstverlening - en niet enkel op basis van het criterium van de continuïteit van de dienstverlening; dat meer bepaald op het criterium van de professionele vaardigheden hij duidelijk beter scoort en het advies van de kamer van notarissen veel minder gunstig en zelfs terughoudend is voor de tussenkomende partij; dat volgens verzoeker de verwerende partij zich desbetreffend niet op de arresten nr. 84.484 en nr. 126.152 kan beroepen, aangezien die arresten geen gezag van gewijsde hebben voor wat betreft de overwegingen waarop de verwerende partij zich beroept; dat hij in zijn laatste memorie nog verwijst naar het auditoraatsverslag over het beroep dat leidde tot het arrest nr.126.152, volgens welk het onderscheid tussen het "zeer gunstig" advies voor verzoeker en het "gunstig" advies voor de tussenkomende partij niet enkel stoelde op de continuïteit van de dienstverlening, maar ook op de wetenschappelijke en professionele vaardigheden, meer in het bijzonder waar wordt opgemerkt “dat de Kamer der Notarissen verzoekers vaardigheden en deze van tussenkomende partij toetst aan het karakter en de kenmerken van het kantoor, wanneer zij in het advies over P. CALLIAUW stelt dat hij vooral in vennootschapsdossiers en verbintenissenrecht werkt, en in het advies over B. CRUYT dat hij zeer geschikt is voor het kantoor dat hoofdzakelijk familiaal cliënteel bezit” en dat door te stellen dat het zeer gunstig advies van de Kamer der Notarissen met betrekking tot verzoeker grondslag vindt in de beoordeling van het criterium "continuïteit", zonder rekening te houden met dit advies in zijn geheel - hierin begrepen, de professionele en wetenschappelijke vaardigheden - en met het heel gematigd advies betreffende de tussenkomende partij, het aangevochten besluit op een feitelijke vergissing berust; 3.1.
  11. Overwegende dat zoals reeds in het arrest dat uitspraak deed over de vordering tot schorsing is vastgesteld, noch ten aanzien van verzoeker noch ten aanzien van de tussenkomende partij de kamer van notarissen op het stuk van de IX-4478-4/16 voormelde vaardigheden erg lovende of opvallend afwijkende bewoordingen blijkt te hebben gehanteerd: verzoeker heeft “de intellectuele vaardigheid om een goed notaris te worden” terwijl de tussenkomende partij “beschikt over al de nodige (intellectuele) vaardigheden”; qua professionele en sociale vaardigheden wordt van verzoeker gezegd dat hij op twee verschillende provinciale doch drukke kantoren volledige voldoening heeft gegeven aan zijn stagemeesters en dat hij zijn menselijke kwaliteiten, van sociale omgang tot leidinggevende maturiteit, via zijn actieve inzet in de jeugdbeweging heeft uitgediept; van de tussenkomende partij wordt vermeld dat zij sinds 1990 werkzaam is in het notariaat, vaktijdschriften leest en deelneemt aan recyclage-activiteiten, dat zij vooral werkt in vennootschapsdossiers en verbintenissenrecht, handelt met een zekere zelfstandigheid en cliënteel ontvangt, dat zij bepaalde hobby’s beoefent, zonder formeel te zijn ingeschakeld in het verenigingsleven; dat louter op professioneel vlak die beoordeling gunstiger klinkt voor de tussenkomende partij terwijl verzoeker dan weer socialer ingesteld lijkt te zijn; dat hetgeen de kamer van notarissen bewogen heeft om verzoekers kandidatuur zeer gunstig te beoordelen en die van de tussenkomende partij alleen maar gunstig, dan ook blijkt te liggen in de onderscheiden beoordelingen die in de rubriek "Continuïteit" gegeven worden, waar het voor de tussenkomende partij luidt: "de kandidaat is niet werkzaam op het kantoor waarvoor hij thans postuleert. In huidig geval kan dit criterium niet gelden" en voor verzoeker: "de kandidaat heeft na het behalen van zijn diploma van licentiaat in het notariaat zijn stage aangevat op het kantoor waarvoor hij thans postuleert en heeft zich aldus reeds op dit kantoor kunnen inwerken. Hij heeft reeds een vertrouwensrelatie kunnen opbouwen met het hoofdzakelijk familiaal cliënteel van het kantoor en het personeel, zodat hij voor het kantoor waarvoor hij postuleert de meest geschikte kandidaat is"; dat voor zover de Kamer daarbij weliswaar ook vaststelde dat het vacante kantoor hoofdzakelijk een familiaal cliënteel bezit terwijl de tussenkomende partij vooral in vennootschapsdossiers en verbintenissen- recht werkt, blijkt dat zij in hoofdzaak heeft vastgesteld dat het criterium van de continuïteit voor de tussenkomende partij niet gold; dat overigens het bestreden besluit de draagwijdte van het advies van de kamer van notarissen over verzoeker op dat stuk op een gemotiveerde wijze heeft gerelativeerd door niet enkel vast te stellen “dat dit zeer gunstig advies van de Kamer der Notarissen van het Gerechtelijk Arrondissement Gent m.b.t. Bruno CRUYT grondslag vindt in de overweging (...) dat hij een vertrouwensrelatie zou hebben opgebouwd met het cliënteel en het personeel zodat hij voor het kantoor waarvoor hij postuleert het meest geschikt zou zijn”, maar ook “dat Bruno CRUYT de drie jaar stage op het ogenblik van de vacature slechts sinds korte tijd beëindigd heeft; dat de kandidaat enkel in het begin van zijn stage, eerst voltijds en nadien deeltijds, in het te begeven kantoor heeft gewerkt; dat de kandidaat sedert IX-4478-5/16 30 mei 1997 niet meer in dit kantoor werkt”; dat het daaruit concludeerde dat de verbondenheid van Bruno CRUYT met het te begeven kantoor beperkt was en dat hij hoofdzakelijk zijn stage heeft doorlopen in provinciale kantoren en niet in de Stad Gent gelegen kantoren; dat het bestreden besluit vooraf ook had vastgesteld dat daarentegen de tussenkomende partij “in verschillende stedelijke kantoren een grote en veelzijdige ervaring als voltijdse medewerker van een notaris heeft opgebouwd”; dat het daardoor aldus ook aanneemt dat de tussenkomende partij duidelijk hoger scoort op het vlak van de professionele vaardigheden, wat het trouwens uitdrukkelijk verwoordt met de overweging “dat, in die omstandigheden, voornoemde overwegingen uit het advies van de Kamer der Notarissen van het Gerechtelijk Arrondissement Gent niet kunnen opwegen tegen de beroepsgeschiktheid van Peter Calliauw, zoals die blijkt uit een ervaring van meer dan negen jaar als voltijdse medewerker van een notaris, de omstandigheid dat die ervaring in stedelijke kantoren is verworven evenals de omstandigheid dat de twee kantoren waar Peter Calliauw sedert 1 juni 1994 heeft gewerkt eveneens te Gent zijn gelegen”; dat het eerste onderdeel van het middel niet gegrond is; 3.2.
  12. Overwegende dat verzoeker in het tweede onderdeel van het middel stelt dat het bestreden besluit, door te onderzoeken of de kandidaten ervaring hebben opgedaan in een kantoor met een gelijkaardig profiel, het criterium van de continuïteit van de dienstverlening verkeerd heeft toegepast; dat hij wat dat betreft betoogt dat bij de beoordeling van dit criterium eerst de band van de kandidaten met het betrokken kantoor moet worden onderzocht en de benoemende overheid pas in tweede instantie, wanneer geen enkele kandidaat een band heeft met het te begeven kantoor, het criterium “continuïteit” ruimer mag interpreteren en nagaan of de kandidaten ervaring hebben opgedaan in een kantoor met een gelijkaardig profiel; dat aangezien verzoeker in het begin van zijn stage eerst voltijds en nadien deeltijds in het kantoor had gewerkt en er dus een band was met het te begeven kantoor, de benoemende overheid niet mocht nagaan of de kandidaten ervaring hadden opgedaan in een kantoor met een gelijkaardig profiel; 3.2.
  13. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat geen wetsbepaling voorschrijft dat eerst onderzocht moet worden of de kandidaat een band heeft met het te begeven kantoor en de benoemende overheid slechts bij gebrek hieraan het begrip continuïteit ruimer mag interpreteren; dat volgens haar de band van verzoeker met het kantoor ook gerelativeerd moet worden, aangezien hij op de betrokken standplaats slechts gedurende korte tijd stage heeft gelopen, namelijk negen maanden, IX-4478-6/16 waarvan zeven maanden deeltijds en dat bovendien de benoemende overheid een ruime definitie van de continuïteit in aanmerking kan nemen bij de beoordeling van de wetenschappelijke en professionele vaardigheden; 3.2.
  14. Overwegende dat volgens de tussenkomende partij de ervaring van een kandidaat in een kantoor met een gelijkaardig profiel bij de beoordeling van de professionele en sociale vaardigheden in aanmerking mag worden genomen en dat die ervaring ook bij de beoordeling van het criterium van de continuïteit van de dienstverlening betrokken kon worden, aangezien de band van verzoeker met het te begeven kantoor beperkt is; 3.2.
  15. Overwegende dat verzoeker repliceert dat met het criterium “continuïteit” in de eerste plaats de band van de kandidaat met het kantoor wordt bedoeld en het begrip “continuïteit van de dienstverlening” slechts ruimer mag geïnterpreteerd worden wanneer wordt vastgesteld dat geen enkele kandidaat een band heeft met het te begeven kantoor; dat te dezen die verbondenheid met het kantoor wat hem betreft bestond, terwijl daarentegen de benoemde kandidaat geen enkele band had met het te begeven kantoor; dat hij besluit dat de ervaring van de kandidaten in een kantoor met een gelijkaardig profiel derhalve niet onderzocht mocht worden; dat verzoeker in zijn laatste memorie preciseert dat het arrest nr. 126.821, VERDONCK, van 5 januari 2004, dat aangehaald wordt in het auditoraatsverslag, andere feitelijke omstandigheden betrof die fundamenteel verschillen van de context van onderhavige zaak: de niet-benoemde kandidaat was geen zoon van de aftredende notaris en er was geen sprake van een familiaal cliënteel; 3.2.
  16. Overwegende dat redelijkerwijze met “continuïteit van de dienstverlening” in eerste instantie wordt bedoeld dat de kandidaat met het betrokken kantoor zelf een hechte band heeft, en dit vooral omdat hij als medewerker van de ontslagnemende notaris heeft gefungeerd, terwijl pas in tweede instantie de benoemende overheid vermag het begrip "continuïteit" ruimer te interpreteren en bijvoorbeeld nagaan of de kandidaten ervaring hebben opgedaan in een kantoor met een gelijkaardig profiel; dat de verbondenheid met het te begeven kantoor evenwel reëel en recent moet zijn, dat wil zeggen dat de betrokken kandidaat niet pro forma als stagiair of eerste klerk is ingeschreven maar er gedurende geruime tijd echt heeft gewerkt; dat verzoeker weliswaar de zoon is van de ontslagnemende notaris en op diens kantoor heeft gewerkt, maar slechts gedurende korte tijd en een aantal jaren voordien: voltijds van 1 augustus tot 21 oktober 1996, twee dagen per week van 21 oktober 1996 tot 30 mei 1997, of IX-4478-7/16 samen negen maanden waarvan zeven maanden deeltijds; dat hij zelfs niet de hoedanigheid van eerste klerk blijkt te hebben gehad; dat ook als het criterium “anciënniteit” geen absolute voorrang heeft op de andere, professionele en wetenschappelijke vaardigheden, de verwerende partij aldus geen onredelijke beoordeling heeft gedaan door de voorkeur te geven aan een kandidaat die negen jaar in het notariaat werkzaam was, de meeste tijd daarvan in een notariskantoor van dezelfde stad, eerder dan aan een kandidaat die in het verleden voor slechts korte tijd in het kantoor zelf werkzaam was geweest; dat het tweede onderdeel van het middel niet gegrond is; 3.3.
  17. Overwegende dat verzoeker in het derde onderdeel van het middel stelt dat, zelfs indien het begrip continuïteit ruim geïnterpreteerd moet worden en rekening wordt gehouden met de ervaring van de kandidaten in een kantoor met een gelijkaardig profiel, de benoemende overheid dat criterium niet op gelijke wijze heeft toegepast en derhalve de beslissing niet regelmatig heeft gemotiveerd; dat hij dienaangaande laat gelden: - dat de anciënniteit van de kandidaten in het notarieel werk, alsmede het feit dat zij voltijds of deeltijds gewerkt hebben, niet relevant is bij de beoordeling van de ervaring opgedaan in een kantoor met een gelijkaardig profiel; - dat het feit dat hij zijn stage kort vóór de vacature beëindigd had, terwijl de benoemde kandidaat sinds meer dan negen jaar als voltijds medewerker van een notaris werkzaam is, irrelevant is om de ervaring te beoordelen in een kantoor met een gelijkaardig profiel; - dat het bestreden besluit slechts de stageperiode van verzoeker onderzoekt, terwijl voor de benoemde kandidaat ook rekening wordt gehouden met de periode na de stage; - dat het bestreden besluit vermeldt dat de benoemde kandidaat een “grote en veelzijdige ervaring” heeft opgebouwd, zonder dat die ervaring wordt vergeleken met de ervaring van verzoeker; - dat het bestreden besluit vermeldt dat verzoeker zijn stage hoofdzakelijk doorlopen heeft in kantoren in Leuven en Nevele, zonder rekening te houden met het feit dat hij een deel van zijn stage in Gent in het te begeven kantoor was begonnen; - dat het bestreden besluit vermeldt dat de kantoren in Leuven en Nevele provinciale kantoren zijn en de benoemde kandidaat ervaring heeft opgedaan in stedelijke kantoren, terwijl de kantoren in Leuven en Nevele evengoed stedelijke kantoren zijn; - dat het bestreden besluit geen rekening houdt met de vermelding in het advies van de kamer van notarissen dat de kantoren waar verzoeker gewerkt heeft “drukke kantoren” zijn; IX-4478-8/16 3.3.
  18. Overwegende dat de verwerende partij hierop onder meer antwoordt dat uit de motivering van de bestreden beslissing voldoende redenen blijken voor de vaststelling dat de benoemde kandidaat een “grote en veelzijdige ervaring” heeft opgebouwd; dat zij betwist dat de ervaring van verzoeker slechts voor een deel in aanmerking werd genomen en meer bepaald dat haar niet kan worden verweten dat zij de periode na verzoekers stage niet in aanmerking heeft genomen, aangezien hij na zijn stage slechts een minimale beroepservaring heeft opgedaan; dat de vermelding dat de kantoren in Leuven en Nevele provinciale kantoren zijn, overgenomen is uit het advies van de kamer van notarissen en deze kwalificatie niet als kennelijk onredelijk voorkomt; 3.3.
  19. Overwegende dat de tussenkomende partij argumenteert: - dat de benoemende overheid niet alleen de duur van de ervaring van de kandidaten in aanmerking heeft genomen, maar ook de aard en verscheidenheid ervan; - dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de ervaring van verzoeker slechts als deeltijds in aanmerking werd genomen; - dat de bewering van verzoeker dat enkel met zijn stage rekening werd gehouden feitelijke grondslag mist, maar dat de benoemende overheid wel heeft vastgesteld dat hij zijn stage op het ogenblik van de vacature slechts sinds kort beëindigd had; - dat het bestreden besluit duidelijk de redenen aangeeft waarom de benoemde kandidaat een “grote en veelzijdige ervaring” heeft; - dat het onjuist is dat de benoemende overheid geen rekening zou hebben gehouden met het feit dat verzoeker zijn stage op het te begeven kantoor in Gent begonnen was; - dat de kwalificatie “provinciale kantoren” voor de kantoren in Leuven en Nevele waar verzoeker gewerkt heeft, teruggaat op het advies van de kamer van notarissen en die kwalificatie niet kennelijk onredelijk is; - dat niet moest geantwoord worden op de vermelding in het advies van de kamer van notarissen dat verzoeker in “drukke kantoren” gewerkt heeft; 3.3.
  20. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord benadrukt dat hij niet alleen het gebruik van de “anciënniteit” bij de beoordeling van de ervaring betwist, maar ook de andere gegevens waarop de verwerende partij zich beroept om de voorkeur te geven aan de tussenkomende partij wat de ervaring in een kantoor met een gelijkaardig profiel betreft; dat verzoeker in de eerste plaats stelt dat de anciënniteit van de kandidaat in het notarieel werk niet gelijk te stellen is met de geschiktheid van de kandidaat om de continuïteit van de dienstverlening te verzekeren; dat een tweede kritiek het feit betreft dat het voltijds of deeltijds karakter van de in IX-4478-9/16 aanmerking genomen ervaring geen relevant criterium is om de ervaring in een kantoor met een gelijkaardig profiel te beoordelen; dat een derde kritiek gaat over het feit dat de ligging van het kantoor en zijn al dan niet stedelijk of provinciaal karakter op zich niet bepalend zijn voor de continuïteit van de dienstverlening, doch er rekening dient te worden gehouden met het type cliënteel en dossiers en met het aantal verleden akten om het profiel van het kantoor te bepalen; dat voorts, volgens verzoeker, de gegevens om de ervaring van een kandidaat in een kantoor met een gelijkaardig profiel te beoordelen, niet op gelijke wijze op de kandidaten werden toegepast, aangezien enkel de stageperiode van verzoeker werd onderzocht, er geen rekening werd gehouden met het feit dat verzoeker eveneens in Gent gewerkt heeft, en de kantoren te Leuven en te Nevele eveneens stedelijke kantoren zijn en bovendien de aangevochten beslissing niet de redenen aangeeft waarom de vaststelling in het advies van de kamer van notarissen dat de kantoren te Leuven en Nevele drukke kantoren zijn, terzijde wordt geschoven; dat verzoeker vervolgens betwist dat, volgens de aangevochten beslissing, de tussenkomende partij een “grote en veelzijdige ervaring” heeft opgebouwd, zonder de redenen te vermelden die aan die vaststelling ten grondslag liggen en zonder dit aspect van de ervaring met die van verzoeker te vergelijken; dat verzoeker ten slotte opmerkt dat de overweging in het arrest nr. 133.219 van 28 juni 2004, volgens welk “de overige argumenten die verzoeker in het derde onderdeel van het middel aanvoert geen betrekking hebben op de toetsing van het criterium ‘continuïteit van de dienstverlening’, maar veeleer op de beoordeling van de professionele bekwaamheid van de kandidaten” precies aantoont dat de verwerende partij, onder het mom van de professionele bekwaamheid, heeft gepoogd na te gaan of de kandidaten ervaring hadden opgedaan in een kantoor met een gelijkaardig profiel; dat verzoeker in zijn laatste memorie nog aanvoert dat het auditoraatsverslag niet antwoordt op de kritiek dat het gebruik van het subcriterium van het "al dan niet stedelijk of provinciaal karakter" van het kantoor op zich niet bepalend is voor de continuïteit van de dienstverlening: er dient inderdaad rekening te worden gehouden met het type cliënteel en dossiers, alsmede met het aantal verleden akten om het profiel van het kantoor te kunnen bepalen; dat hij, wat betreft de toepassing van de gegevens die de verwerende partij in aanmerking neemt ter beoordeling van de ervaring in een kantoor met een gelijkaardig profiel, opmerkt dat deze niet op gelijke wijze op de kandidaten werden toegepast, waarbij hij ook verwijst naar het arrest nr 133.219 van 28 juni 2004, volgens welk "de overige argumenten die verzoeker in het derde onderdeel van het middel aanvoert geen betrekking hebben op de toetsing van het criterium 'continuïteit van de dienstverlening', maar veeleer op de beoordeling van de professionele bekwaamheid van de kandidaten (...)"; dat volgens hem echter, in tegenstelling tot wat gezegd wordt in het IX-4478-10/16 auditoraatsverslag, die vaststelling precies aantoont dat de verwerende partij, onder het mom van de "professionele bekwaamheid", gepoogd heeft na te gaan of de kandidaten ervaring hadden opgedaan in een kantoor met een gelijkaardig profiel, hetgeen ook bewijst dat de benoemende overheid niet naar redelijkheid kon oordelen dat verzoekers professionele verbondenheid met het kantoor te beperkt was om te kunnen opwegen tegen de langere beroepservaring van de tussenkomende partij in “stedelijke kantoren te Gent”, daar professionele vaardigheden en continuïteit, zelfs onder de vorm van een ervaring in een kantoor met een gelijkaardig profiel, twee onderscheiden criteria zijn; dat verzoeker ook de stelling betwist van het auditoraatsverslag als zou de familiale band van verzoeker met het te begeven kantoor van geen of weinig belang zijn om te oordelen over de verbondenheid met datzelfde kantoor; daar zulks in strijd is met de bestaansreden van het criterium "continuïteit van de dienstverlening", gewild door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat teneinde in een overgangsperiode te voorzien ten voordele van de familiale kantoren vóór de inwerkingtreding van het nieuwe benoemingssysteem inzake notarissen; 3.3.
  21. Overwegende dat het bestreden besluit vaststelt dat verzoeker “enkel in het begin van zijn stage, eerst voltijds en nadien deeltijds, in het te begeven kantoor heeft gewerkt; dat de kandidaat sedert 30 mei 1997 niet meer in dit kantoor werkt; dat, zoals de Raad van State in zijn hierboven vermeld arrest aangeeft, de verbondenheid van Bruno Cruyt met het te begeven kantoor dus beperkt is; dat de kandidaat hoofdzakelijk zijn stage heeft doorlopen in kantoren te Leuven en te Nevele; dat de Kamer der Notarissen van het Gerechtelijk Arrondissement Gent die kantoren als provinciale kantoren omschrijft; dat die kantoren niet in de Stad Gent zijn gelegen”; dat wat de benoemde kandidaat betreft het bestreden besluit vaststelt dat hij meer dan negen jaar ervaring heeft in stedelijke kantoren en dat de twee kantoren waar hij sedert 1 juni 1994 heeft gewerkt eveneens in Gent zijn gelegen; Overwegende dat niet valt in te zien waarom, zoals verzoeker betoogt, de benoemende overheid geen rekening mocht houden met “de anciënniteit” en met het feit dat hij voltijds of deeltijds gewerkt heeft; dat, zoals vermeld, verzoekers verbondenheid met het te begeven kantoor “beperkt” was, aangezien hij er enkel bij het begin van zijn stage een aantal maanden, meestal deeltijds, gewerkt heeft en daarna niet meer, terwijl Peter CALLIAUW sedert 1 juni 1994 gewerkt heeft in kantoren die in Gent gelegen zijn -niet alleen in Zwijnaarde dat deel uitmaakt van de stad Gent, maar vooral ook in een kantoor in de stad zelf- en verzoeker, buiten een beperkt deel van zijn stage, uitsluitend werkzaam was in kantoren buiten Gent; dat Peter CALLIAUW IX-4478-11/16 bovendien ook nog vier jaar -van 1990 tot 1994- buiten Gent heeft gewerkt; dat de beoordeling van de kandidaten die het bestreden besluit maakt op basis van het criterium “continuïteit van de dienstverlening” dan ook niet kennelijk onredelijk is en zij op afdoende wijze het zeer gunstig advies dat de kamer van notarissen op basis van dat criterium over verzoeker heeft uitgebracht, vermag te weerleggen; dat de overige argumenten die verzoeker in het derde onderdeel van het middel aanvoert geen betrekking hebben op de toetsing van het criterium “continuïteit van de dienstverlening”, maar veeleer op de beoordeling van de professionele bekwaamheid van de kandidaten, welke hierna bij de bespreking van het vierde onderdeel van het middel aan bod komt; Overwegende dat het hier volstaat op te merken dat bij de beoordeling van het criterium “continuïteit van de dienstverlening” de verwerende partij, na te hebben vastgesteld dat de verbondenheid van verzoeker met het vacante kantoor en zijn vermogen om die continuïteit te verzekeren, beperkt was, mocht nagaan of een andere kandidaat die continuïteit niet even goed of beter kon verzekeren en zulks aan de hand van bijkomende gegevens, zoals de aard van de kantoren waar hij gewerkt had, zijn ervaring als medewerker van een notaris, of zelfs te oordelen dat het criterium van de continuïteit diende te wijken voor dat van de professionele ervaring; dat de bestaansreden van het criterium "continuïteit van de dienstverlening", tijdens de overgangsperiode vóór de inwerkingtreding van het nieuwe benoemingssysteem inzake notarissen, trouwens niet louter bedoeld was om nog gedurende enige tijd de opvolging door een zoon of dochter te verzekeren, wel -en bovendien gecombineerd met de twee andere criteria- zoals de naam het zegt ervoor te zorgen dat de dienst verder zou verzekerd worden ten behoeve van het cliënteel, waarbij het feit dat de opvolger een familielid is van de vorige notaris slechts een rol kon spelen in zoverre die opvolger inderdaad bij de werking van het kantoor was betrokken; dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; 3.4.
  22. Overwegende dat verzoeker in een vierde onderdeel stelt dat de anciënniteit van de kandidaten in het notarieel werk, alsmede het feit dat zij voltijds of deeltijds gewerkt hebben, niet relevant is om hun professionele vaardigheden te beoordelen, dat bovendien de ligging van het kantoor en zijn al dan niet stedelijk of provinciaal karakter op zich niet bepalend is, aangezien rekening moet worden gehouden met het type cliënteel en dossiers, alsmede met het aantal verleden akten om de ervaring van de kandidaten te kunnen beoordelen; dat volgens verzoeker het bestreden besluit er zich toe beperkt te stellen dat de benoemde kandidaat een grote en veelzijdige ervaring heeft opgebouwd, zonder de redenen te vermelden die aan die beoordeling ten grondslag IX-4478-12/16 liggen, en geen rekening houdt met het feit dat verzoeker in een kantoor in de stad Gent gewerkt heeft en dit kantoor, zoals de kantoren in Nevele en Leuven, stedelijke kantoren zijn, terwijl het kantoor in Gent-Zwijnaarde, waar de benoemde kandidaat sinds 1994 werkt, buiten de stad Gent gelegen is; dat de aangevochten beslissing ook geen rekening houdt met het feit dat de kantoren waar verzoeker werkzaam was door de kamer van notarissen als “drukke kantoren” gekenmerkt worden; dat zij zich beperkt tot algemeenheden die de professionele geschiktheid van de benoemde kandidaat niet concreet aantonen en niet aangeeft waarom wordt afgeweken van het advies van de kamer van notarissen dat de professionele vaardigheden van verzoeker gunstiger beoordeeld heeft; 3.4.
  23. Overwegende dat de verwerende en de tussenkomende partij in hoofdzaak verwijzen naar hun antwoord op het derde onderdeel; 3.4.
  24. Overwegende dat verzoeker in zijn repliek bevestigt dat een langere ervaring of anciënniteit geen relevant criterium is om de professionele ervaring te beoordelen, dat ook het voltijds of deeltijds karakter van de betrekking niet van aard is om de ervaring te bepalen, evenmin als de ligging van het kantoor en zijn al dan niet stedelijk of provinciaal karakter en dat de invloed van die elementen op de professionele ervaring van de tussenkomende partij trouwens niet wordt gepreciseerd; dat verzoeker stelt dat, zoals in het derde onderdeel van het middel wordt uiteengezet, de beroepsgeschiktheid van de kandidaten niet op gelijke wijze werd beoordeeld: er wordt gesteld dat de benoemde kandidaat een “grote en veelzijdige ervaring” heeft opgebouwd, zonder die ervaring met die van verzoeker te vergelijken en de redenen te vermelden die aan die beslissing ten grondslag liggen; dat verzoeker in zijn laatste memorie nog doet gelden dat het "zeer gunstig" advies dat de kamer van notarissen aan de tussenkomende partij gaf voor de opvolging van notaris BUTIN te Zwijnaarde buiten beschouwing gelaten moet worden, omdat het inderdaad werd verleend in het kader van de benoeming voor een ander kantoor dan het litigieus kantoor en daarenboven 12 kandidaten op 26 de boordeling "zeer gunstig" gekregen hebben voor het kantoor BUTIN, terwijl 1 kandidaat - met name, verzoeker- die beoordeling heeft gekregen voor het kantoor CRUYT; 3.4.
  25. Overwegende dat, zoals bij de bespreking van het eerste onderdeel van het middel is gebleken, vooreerst niets erop wijst dat de kamer van notarissen de professionele bekwaamheid van verzoeker gunstiger zou hebben beoordeeld dan die van de tussenkomende partij en dat de beoordeling van het criterium “continuïteit” IX-4478-13/16 voor de kamer van notarissen blijkbaar de determinerende reden was om over verzoeker een “zeer gunstig” en over de tussenkomende partij een “gunstig” advies uit te brengen; dat het bestreden besluit overweegt dat de redenen welke ten grondslag lagen aan het zeer gunstig advies dat de kamer van notarissen over verzoeker uitbracht “niet kunnen opwegen tegen de beroepsgeschiktheid van Peter Calliauw, zoals die blijkt uit een ervaring van meer dan negen jaar als voltijdse medewerker van een notaris, de omstandigheid dat die ervaring in stedelijke kantoren is verworven evenals de omstandigheid dat de twee kantoren waar Peter Calliauw sedert 1 juni 1994 heeft gewerkt eveneens te Gent zijn gelegen”; Overwegende dat, ook al moet de anciënniteit van de kandidaten op zichzelf niet als doorslaggevend worden beschouwd, de benoemende overheid niettemin in redelijkheid kon oordelen dat, daar waar verzoeker zijn drie jaar stage bij het ontstaan van de vacature slechts onlangs beëindigd had, de tussenkomende partij vanwege haar aanzienlijk langere beroepservaring grotere aanspraken op de benoeming kon doen gelden; dat, anders dan verzoeker stelt, de benoemende overheid bij die beoordeling geen rekening heeft gehouden met het feit dat de kandidaten voltijds dan wel deeltijds gewerkt hebben, welk deeltijds karakter van verzoekers activiteit maar ter sprake komt bij de beoordeling van diens verbondenheid met het te begeven kantoor, samen met de vaststelling dat verzoeker bij het openvallen van de vacature daar eigenlijk niet werkte; dat de verwerende partij bij de beoordeling van de professionele vaardigheden van de tussenkomende partij wel rekening ermee vermocht te houden dat hij negen jaar voltijds had gewerkt en men haar ook niet kan verwijten er de aandacht op te hebben gevestigd dat de benoemde kandidaat sinds 1 juni 1994 werkt in kantoren in Gent, voor de langste periode in Gent-stad, terwijl verzoeker hoofdzakelijk werkzaam was in kantoren in Leuven en Nevele, hetgeen -daargelaten de vraag of die kantoren in navolging van het advies van de kamer van notarissen “provinciale kantoren” genoemd kunnen worden- erop wijst dat zijn professionele verbondenheid met de omgeving waar hij het geambieerde notarisambt zou uitoefenen, in vergelijking met die van de benoemde kandidaat beperkt is; dat de omstandigheid dat die kantoren “drukke kantoren” zijn aan die vaststelling geen afbreuk doet; dat het bestreden besluit nergens verwijst naar het feit dat de tussenkomende partij een “zeer gunstig” advies heeft gekregen; dat het vierde onderdeel van het middel niet gegrond is; 3.5.
  26. Overwegende dat verzoeker in het vijfde onderdeel van het middel uit de vier vorige onderdelen afleidt dat de motieven van het bestreden besluit als enig doel hebben de tussenkomende partij te benoemen, en dat derhalve een “vooroordeel IX-4478-14/16 en willekeur” en geen objectieve, onpartijdige en gemotiveerde analyse en vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten aan de bestreden beslissing ten grondslag ligt; 3.5.
  27. Overwegende dat de verwerende partij verwijst naar haar antwoord op de vorige onderdelen; dat zij meent dat zij, door te oordelen dat de benoemde kandidaat een grotere beroepsgeschiktheid bezit, terwijl de verbondenheid van verzoeker met het te begeven ambt beperkt is, zij geen kennelijk onredelijke of kennelijk onjuiste beslissing genomen heeft; 3.5.
  28. Overwegende dat de argumentatie van de tussenkomende partij aansluit bij die van de verwerende partij; dat volgens haar bovendien het onderdeel niet ontvankelijk is, aangezien in het middel geen schending van het verbod van machtsafwending wordt ingeroepen; 3.5.
  29. Overwegende dat verzoeker repliceert dat het verbod van machtsafwending deel uitmaakt van het verbod van machtsoverschrijding en van het beginsel van behoorlijk bestuur waarop het middel is gesteund; dat hij in zijn laatste memorie nog verklaart dat het vijfde onderdeel bewijst en bevestigt dat de aangevochten handeling in haar geheel opgebouwd is op grond van uiteenlopende en geselecteerde gegevens, met de bedoeling om de benoemde kandidaat te bevoordelen zonder enige geldige en aanvaardbare reden en zonder rekening te houden met de zeer gunstige elementen in het voordeel van verzoeker en in het bijzonder het "zeer gunstig" advies van de Kamer van Notarissen te Gent, wat nog wordt bevestigd doordat de tweede benoeming op hetzelfde dossier steunt als de eerste vernietigde benoeming en dat dit dossier fundamentele vergissingen bevat, zoals erkend door de verwerende partij; 3.5.
  30. Overwegende dat het vijfde onderdeel van het middel geen nieuwe argumenten bevat; dat de argumenten uiteengezet in de andere onderdelen, zoals gezien, niet overtuigen; dat ook het samenlezen ervan niet op onwettigheid of onredelijkheid wijst; dat geen onregelmatigheid kan worden ontwaard in het feit dat de verwerende partij, wier eerste benoemingsbesluit vernietigd werd wegens een ontoereikende motivering, haar besluit herneemt met ditmaal wel een afdoende motivering; dat ook het vijfde onderdeel van het middel niet gegrond is, IX-4478-15/16 BESLUIT: Artikel
  31. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  32. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig januari 2000 en zeven, door de IXe kamer, die was samengesteld als volgt : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, door de Eerste Voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de H. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, overleden na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; de HH. L. HELLIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier, De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-4478-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.196 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.219 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.