id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.197 Rolnummer: A. 142878/IX-3962 Zaak: Arrest 167197 - Penitentiair recht - 29/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-14 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 06:20 Fiche Arrest nr 167.197 van 29 januari 2007 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.197 van 29 januari 2007 in de zaak A. 142.878/IX-3962. In zake : Fredien MAES, die woonplaats kiest te SINT-NIKLAAS, Schongaustraat 1, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Fredien MAES op 20 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de op 14 oktober 2003 door de directeur van de strafinrichting te Brugge genomen tuchtbeslissing waarbij hij gedurende een maand op strikt regime wordt geplaatst; Gelet op het arrest nr. 124.657 van 24 oktober 2003 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting; Gelet op de beschikking van 18 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-3962-1/7 Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 16 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat P. LOUAGE, die loco advocaat B. BRONDERS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker wordt bij arrest van 25 november 1998 van het Hof van Beroep te Gent veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van vier jaar wegens namaking, vervalsing van schuldbrieven van de Staatskas, van rentebewijzen die ertoe behoren, en van biljetten aan toonder. Hij ondergaat die straf in het penitentiair complex te Brugge. 1.2. In augustus 2003 wordt aan de directeur van de strafinrichting gemeld dat verzoeker de gedetineerde V. onder druk zette om geld ter beschikking te stellen door dit te storten op een rekening van medegedetineerde K., teneinde dit te beleggen aan een rente van 7 procent. IX-3962-2/7 1.3. Op 26 augustus 2003 beslist de directeur voor deze feiten aan verzoeker een tuchtsanctie van één maand strikt individueel regime op te leggen. 1.4. Op 2 september 2003 dient verzoeker tegen die beslissing bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in. (dossier nr. 141.073/IX-3907) 1.5. In een brief van 4 september 2003 deelt de directeur aan het hoofdbestuur van de Federale Overheidsdienst Justitie mee dat de tuchtsanctie die aan verzoeker werd opgelegd, “vanaf heden wordt ingetrokken.” 1.6. Bij arrest nr. 122.610 van 9 september 2003 wordt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid gericht tegen de beslissing van 26 augustus 2003 verworpen. De Raad van State oordeelt dat de betwiste maatregel “thans aan verzoeker geen nadeel meer toebrengt zodat de schorsing ervan zinloos is geworden.” 1.7. Op 5 oktober 2003 bevestigt de directeur dat de maatregel die op 26 augustus 2003 aan verzoeker werd opgelegd “retroactief is ingetrokken.” 1.8. Op 6 oktober 2003 wordt aan verzoeker ter kennis gebracht dat hij op 9 oktober 2003 in het kader van een tuchtprocedure zal gehoord worden “omtrent (
- de)poging om een medegedetineerde geld af te persen en hem daartoe onder druk gezet te hebben, tevens hem onder druk gezet te hebben om een andere raadsman te kiezen door hem valselijk zaken omtrent zijn raadsman gezegd te hebben.” 1.9. Op 9 oktober 2003 wordt verzoeker door de directeur gehoord. Verzoeker dient een verweerschrift in. 1.10. Op 14 oktober 2003 beslist de directeur dat aan verzoeker de volgende tuchtstraf wordt opgelegd: “(...) Zeggen dat Maes Fredien één maand strikt individueel regime opgelegd krijgt en naar de gesloten sectie zal overgeplaatst worden; Zeggen dat de reeds ondergane tuchtmaatregel in mindering zal gebracht worden, te weten 9 dagen (van 26.08.2003 - 04.09.2003); Zeggen dat dit regime het volgende zal inhouden: - geen polyvalente zaal IX-3962-3/7 - eten op de cel - afzonderlijke wandeling - geen werk - geen film of optreden - geen sport of gemeenschappelijke cursussen”. Dit is de thans bestreden beslissing. 2. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.1.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord, onder de vorm van een exceptie, opwerpt dat het verzoekschrift weliswaar het opschrift “verzoekschrift tot annulatie” draagt, maar in het dispositief van het verzoekschrift gevraagd wordt om de aangevochten tuchtbeslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te schorsen; dat de verwerende partij stelt dat deze vordering moet worden afgewezen, aangezien over de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid reeds uitspraak werd gedaan en er geen andere middelen noch enig ander moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt aangevoerd; 2.1.2. Overwegende dat verzoeker antwoordt dat de onjuiste vermeldingen op de laatste bladzijden van het verzoekschrift het gevolg zijn van een materiële vergissing, die te wijten is aan de bijzonder moeilijke omstandigheden waarin hij het verzoekschrift als gedetineerde moest opstellen, maar dat omtrent het voorwerp van de vordering geen twijfel noch onduidelijkheid kan bestaan; dat het verzoekschrift immers niet alleen het opschrift “verzoekschrift tot annulatie erga omnes in tuchtzaken” maar ook een duidelijke uiteenzetting van de “middelen ingeroepen tot annulatie” bevat; dat de verwerende partij trouwens van die materiële vergissing geen nadeel ondervonden heeft, aangezien zij in haar memorie van antwoord ten gronde op alle annulatiemiddelen heeft kunnen antwoorden; 2.1.3. Overwegende dat het voorwerp van het beroep in het inleidend verzoekschrift nauwkeurig moet worden omschreven, derwijze dat de verwerende partij er de draagwijdte van kan bepalen, zonder in de plaats van verzoeker het voorwerp van het beroep te moeten omschrijven; dat het verzoekschrift als opschrift draagt “verzoekschrift tot annulatie erga omnes in tuchtzaken (art. 14 gecoörd. Wet Raad van State)”; dat het verzoekschrift samen met het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging aan de verwerende partij werd overgemaakt; dat ondanks de vermelding in het dispositief van het verzoekschrift waarin de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt gevraagd, er derhalve in redelijkheid in hoofde van de verwerende partij geen twijfel kon bestaan dat in het verzoekschrift de IX-3962-4/7 nietigverklaring van de bestreden beslissing gevorderd werd; dat de vermeldingen in het beschikkend gedeelte van het verzoekschrift klaarblijkelijk een loutere materiële vergissing zijn waardoor het verloop van de rechtspleging niet in het gedrang komt; dat de exceptie wordt verworpen; 2.2.1. Overwegende dat de Raad van State ambtshalve het belang dient te onderzoeken, waarvan verzoeker op dit ogenblik nog moet doen blijken, nu vaststaat dat verzoeker de gevangenis verliet op 31 oktober 2004 en de bestreden maatregel dateert van 14 oktober 2003; Overwegende dat het belang waarvan een verzoekende partij moet doen blijken, moet bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en op het tijdstip waarop het arrest wordt uitgesproken; dat dit concreet betekent dat verzoeker moet aantonen dat hij nog een tastbaar en concretiseerbaar voordeel heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker op 31 oktober 2004 zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten, zodat de maatregel die aan verzoeker in de gevangenis werd opgelegd vanzelfsprekend geen uitwerking meer heeft en dit reeds vanaf 14 november 2003, aangezien het strikt regime dat aan verzoeker werd opgelegd dateert van 14 oktober 2003 en eindigde op voornoemde datum; 2.2.2. Overwegende dat het einde van de gevangenisstraf voor verzoeker meebrengt dat hij niet meer kan worden teruggeplaatst in de penitentiaire situatie, die bestond tijdens de effectieve tenuitvoerlegging van de straf; en evenmin in het detentieregime dat het zijne was in de gevangenis; dat de bestreden beslissing een tijdelijke maatregel is die geen invloed meer heeft op de huidige rechtstoestand van verzoeker; dat een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing aan verzoeker geen rechtsherstel verschaft, omdat de tuchtbeslissing onlosmakelijk verbonden is met de uitvoering van de gevangenisstraf en aan verzoeker werd opgelegd voor voornoemde feiten en bijgevolg een “accessorium” uitmaakt waarvan de eventuele gevolgen verdwijnen, wanneer de gevangenisstraf (de hoofdzaak) werd ondergaan; 2.2.3. Overwegende dat het actueel belang van verzoeker zich nog enkel situeert in de morele genoegdoening om de bestreden beslissing bij arrest onwettig te horen verklaren; dat een dergelijk belang een onrechtstreeks belang vormt dat niet volstaat als grondslag voor het actueel belang in het kader van een objectief beroep, IX-3962-5/7 vermits verzoeker, middels de nietigverklaring in wezen enkel beoogt een arrest te bekomen, om eventueel een schadevergoeding te kunnen vorderen van de verwerende partij; dat verzoeker bijgevolg niet langer doet blijken van het rechtens vereiste actueel belang, zodat het annulatieberoep onontvankelijk is; 2.2.4. Overwegende dat gelet op de omstandigheden van de zaak er aanleiding is om de kosten ten laste te leggen van de verwerende partij, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig januari 2000 en zeven, door de IXe kamer, die was samengesteld als volgt : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, door de Eerste Voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de H. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, overleden na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; de HH. L. HELLIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier, De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3962-6/7 IX-3962-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.197 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.124.657 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div