← België

Arrest 167201 - Federale reglementen (fiscaliteit) - 29/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.201 Rolnummer: A. 98825/IX-2689 Zaak: Arrest 167201 - Federale reglementen (fiscaliteit) - 29/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-14 Raadplegingen: 46 - laatst gezien 2026-06-29 06:20 Fiche Arrest nr 167.201 van 29 januari 2007 Fiscaliteit - Federale reglementen (fiscaliteit) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.201 van 29 januari 2007 in de zaak A. 98.825/IX-

  1. In zake : Stefaan ARTOIS, die woonplaats kiest bij advocaat A. CRAEYBECKX, kantoor houdende te ANTWERPEN, Uitbreidingstraat 80 tegen : het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, dat woonplaats kiest bij advocaat M. LEBBE, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Stefaan ARTOIS op 28 december 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing genomen op 26 oktober 2000 door de Commissie van Beroep van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, waarbij het beroep van verzoeker tegen de beslissing van 8 mei 2000 van de raad van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten om hem de hoedanigheid van belastingconsulent te weigeren, ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 7 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-2689-1/12 Gelet op de beschikking van 13 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 december 2006; Gehoord het verslag van de Voorzitter van de Raad van State, J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. CRAEYBECKX, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat W. VANDENBERGHE, die loco advocaat M. LEBBE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. De wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen -hierna: de wet van 22 april 1999 - strekt er luidens de memorie van toelichting toe om, “enerzijds, de uitoefening van het fiscaal beroep te reglementeren, en, anderzijds, de toenadering te bevorderen tussen de verscheidene structuren waarin de economische beroepen georganiseerd zijn”. Artikel 38 van de wet omschrijft de functie van belastingconsulent als volgt : “De functie van belastingconsulent bestaat erin : 1/ advies te verstrekken in alle belastingaangelegenheden; 2/ belastingplichtigen bij te staan bij de nakoming van hun fiscale verplichtingen; 3/ belastingplichtigen te vertegenwoordigen.”. Artikel 2 van de wet van 22 april 1999 richt het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten -hierna het Instituut- op. Dit Instituut, dat in de rechten en verplichtingen van het door de wet van 21 februari 1985 tot hervorming van het bedrijfsrevisoraat opgerichte Instituut der Accountants treedt, heeft als opdracht toe te zien op de opleiding en de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren die bekwaam zijn om de functies van accountant IX-2689-2/12 en belastingconsulent uit te oefenen. Het Instituut verleent aan de natuurlijke persoon die hierom verzoekt de hoedanigheid van accountant en/of belastingconsulent indien hij aan de voorwaarden bepaald in artikel 19 voldoet, waaronder onder meer Belg zijn of zijn woonplaats in België hebben, in het bezit zijn van het vereiste diploma, de stage beëindigd hebben, geslaagd zijn voor het bekwaamheidsexamen en, bij inschrijving op de deellijst van de externe accountants of belastingconsulenten, de eed afgelegd hebben. Artikel 60 van de wet van 22 april 1999 machtigt de Koning om, op grond van criteria die rekening houden met de diploma’s en/of beroepservaring van de kandidaat, toegangsvoorwaarden tot de titel van belastingconsulent te bepalen die afwijken van de wet en om de voorwaarden te bepalen waaronder vennootschappen die de diensten van belastingconsulent vóór 1 januari 1999 leverden gedurende een periode van maximum drie jaar de titel van belastingconsulent mogen dragen. Tijdens deze periode neemt de Raad van het Instituut de individuele beslissingen betreffende het toekennen van de hoedanigheid van belastingconsulent op advies van een commissie die het Instituut opricht en waarvan het de samenstelling en de werking bepaalt en die moet nagaan of de kandidaat de voorwaarden vervult die door de Koning zijn bepaald voor de toegang tot de titel van belastingconsulent. Het koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten regelt in de artikelen 2 tot 5 de toekenning van de hoedanigheid van belastingconsulent aan natuurlijke personen gedurende een overgangsperiode. Aldus stelt artikel 2 in uitvoering van artikel 60 van de wet van 22 april 1999 vrij van de bij artikel 19, 3/, 4/ en 5/, van die wet vastgestelde voorwaarden inzake diploma, stage en bekwaamheidsexamen, elke persoon die binnen 18 maanden na de inwerkingtreding van de wet zijn kandidatuur stelt en die aan de in dat artikel bepaalde voorwaarden van beroepservaring voldoet en ingeschreven is op de lijst van accountants dan wel diegene die aan de in dat artikel bepaalde voorwaarden van diploma en beroepservaring voldoet. 1.
  5. Verzoeker vraagt op grond van die overgangsregeling met een op 18 november 1999 verzonden toetredingsaanvraag zijn aansluiting bij het Instituut als belastingconsulent die deze functie uitoefent als zelfstandige (inschrijving op de deellijst van de externen). In deze toetredingsaanvraag en de bijgevoegde stukken vermeldt verzoeker zijn lidmaatschap van het Beroepsinstituut van Boekhouders IX-2689-3/12 -hierna : BIB- en van de beroepsvereniging BAM Mechelen en verklaart hij het beroep van belastingconsulent als zelfstandige uit te oefenen sinds 19 september
  6. Voorts verwijst verzoeker naar zijn diploma gegradueerde in boekhouden behaald aan de Hogere Leergangen voor Techniek, Management en Talen Groep T, Economisch Hoger Onderwijs van het Korte Type voor Sociale Promotie, afdeling Boekhouden (1/9/1993 - 30/06/1996), naar zijn diploma belastingconsulent afgeleverd door het Vormingscentrum C.M.O. Leuven vzw, (1/9/1988 - 31/6/1990) en naar een studie aan de Open Universiteit (administratieve processen 1/9/90 - 22/5/1991). Als bewijs van 5 jaar beroepservaring als belastingconsulent in de loop van de dienststaat van de laatste 10 jaar, verwijst hij in de toetredingsaanvraag naar zijn zelfstandige activiteit als belastingconsulent boekhouder sinds 1 november
  7. Ondanks de vraag in het model toetredingsaanvraag om een kort overzicht te geven van de werkzaamheden verricht als belastingconsulent met vermelding van het jaar waarin deze werkzaamheden werden verricht alsook de aard ervan, welke moeten aantonen dat de beroepservaring volstaat om de werkzaamheden van belastingconsulent te verrichten zoals omschreven in artikel 38 van de wet van 22 april 1999, wordt zulks niet verder toegelicht. Evenmin wordt ingegaan op de vraag welke publicaties inzake fiscaliteit regelmatig worden geraadpleegd. Inzake de gevraagde omstandige omschrijving van de samenstelling en organisatie van het kantoor van verzoeker en zijn werkmethodes is een rudimentair schema met de werking van zijn kantoor bijgevoegd. Bijgevoegd zijn voorts afschriften van zijn diploma’s, een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, het bewijs van de betaling van het dossierrecht, zijn inschrijving in het handelsregister waarin verwezen wordt naar de handelswerkzaamheid van “Studie-, organisatie- en raadgevend bureau inzake financiële, handels-, fiscale of sociale aangelegenheden Boekhoudbureau” en als benaming, eventueel uithangbord “Belastingconsulent-Boekhouder” wordt vermeld, en tenslotte de jaarverslagen permanente vorming 1997 en 1998 afgeleverd aan het B.I.B. 1.
  8. Met een brief van 2 december 1999 vraagt het Instituut aan verzoeker om binnen de maand een aantal ontbrekende stukken mee te delen, met name een opsomming en enkele facturen van de publicaties inzake fiscaliteit die hij raadpleegt en een kopie van de lidkaart, erkenningsdocument of attest van de beroepsvereniging, ten einde het dossier te kunnen voorleggen aan de erkenningscommissie. Met een brief van 12 december 1999 legt verzoeker een attest voor volgens welk hij sinds 1990 aangesloten is bij de Beroepsvereniging Mechelse Accountants, Bedrijfsrevisoren, Boekhouders & Belastingconsulenten en verwijst hij IX-2689-4/12 voor publicaties inzake fiscaliteit naar “Fiscale gids (zie bijlage), fiscoloog, fin. tijd., “momento, enz. Jaarlijks koop ik een aantal boeken over bv. opstalrecht, schenkingen, handgifte enz. Met moeilijke onderwerpen raadpleeg ik internet of raadpleeg de bib. van de Kul. te Leuven. Dan beschik ik nog over documentatie van de verplichte lessen”. 1.
  9. Op 21 februari 2000 beslist de erkenningscommissie dat verzoeker gehoord moet worden om toelichtingen te verschaffen met betrekking tot zijn professionele ervaring inzake fiscale aangelegenheden, de organisatie van het kantoor en de werkmethodes en de beroepsdocumentatie overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 4 mei
  10. 1.
  11. Op 11 april 2000 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord door de erkenningscommissie, volgens het zittingsblad “m.b.t. diploma’s en zijn fiskale documentatie, en de fiskaliteit waarmee (?) hij betrokken wordt’, en adviseert de erkenningscommissie negatief omdat zij “na verhoor, en inlichtingen te hebben ingewonnen” meent dat verzoeker niet voldoet aan de door de wet van 22 april 1999 en het koninklijk besluit van 4 mei 1999 bepaalde vereisten inzake vormings- en ervaringsniveau. Verder wordt gesteld “Kandidaat is erkend fiscalist B.I.B.F., doch heeft niet voldoende vorming en beroepservaring”. 1.
  12. Blijkens het voorgelegde uittreksel uit de notulen van 8 mei 2000 bevestigt de raad van het Instituut unaniem het negatief advies van de erkenningscommissie en wijst hij de aanvraag van verzoeker af omdat “de kandidaat levert niet het bewijs gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden te hebben uitgeoefend waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent zoals omschreven in artikel 38 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, uit te oefenen”. 1.
  13. Op 13 juni 2000 stelt verzoeker tegen deze beslissing hoger beroep in bij de Commissie van Beroep. 1.
  14. Op 14 september 2000 verschijnt verzoeker voor de Commissie van Beroep, bijgestaan door zijn raadsman die voor hem pleit en stukken en besluiten neerlegt. Daarin wordt herhaald dat verzoeker sinds september 1988 het beroep uitoefent, dat verbonden is aan de activiteit van studie-, organisatie- en raadgevend bureau inzake financiële, handels-, fiscale en sociale aangelegenheden en boekhouden IX-2689-5/12 en daarin fiscaal advies verleent, belastingplichtigen bijstaat bij het nakomen van hun fiscale verplichtingen en hen in fiscale zaken vertegenwoordigt. Er wordt in verband met de fiscale adviesverlening verder nog gesteld dat deze adviezen omwille van hun vertrouwelijk karakter en het beroepsgeheim niet kunnen worden voorgelegd maar dat wel stukken worden voorgelegd waaruit het bestaan van een fiscale adviespraktijk en bijstand bij fiscale geschillenbeslechting blijkt, al vóór
  15. Verder zou niet omschreven zijn op welke wijze een opsomming van aangekochte publicaties of tijdschriften, waarover verzoeker in eerste aanleg werd ondervraagd, op enigerlei wijze demonstratief zou zijn voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van belastingconsulent, waarna herhaald wordt dat verzoeker, wanneer hij specifieke publicaties wenst in te zien met het oog op het uitbrengen van een fiscaal advies in enigerlei aangelegenheid, deze consulteert in de rechtsbibliotheek van de KU Leuven. Inzake bijstand bij de nakoming van fiscale verplichtingen wordt gewezen op het voorbereiden van aangiften in de personen- en vennootschapsbelasting en inzake BTW, het voorbereiden van regularisatieopgaven, het in orde brengen van fiscale stukken en antwoorden op berichten van wijziging, kennisgevingen van aanslag van ambtswege en het indienen van bezwaarschriften alsook het bijstaan van cliënten bij het behartigen van geschillen waarvoor hij, mits voorafgaande volmacht, besprekingen voert met fiscale ambtenaren. Stukken waaruit deze fiscale bijstand blijkt zouden wegens hun vertrouwelijk karakter niet kunnen worden voorgelegd maar wel een aantal stukken die wijzen op het bestaan van bijstand aan belastingplichtigen sinds meer dan 5 jaar. Inzake vertegenwoordiging wordt verder gesteld dat verzoeker voor elk van zijn cliënten gevolmachtigd is deze te vertegenwoordigen in fiscale zaken en dat hij in die hoedanigheid onderhandelt met de belastingadministratie en namens zijn cliënten met haar besprekingen voert, ten bewijze waarvan een aantal schriftelijke volmachten worden voorgelegd daterend van onder meer 5 jaar vóór zijn aanvraag. Inzake permanente vorming wordt met een aantal attesten verwezen naar de nooit aflatende bijscholing via cursussen, studiedagen, seminaries en vormingsdagen inzake fiscaal recht na zijn studies aan het CMO en Groep T, in het kader waarvan hij ook telkens een groot deel aan documentatie ontving. Tegelijk wordt een dossier neergelegd bestaande uit stukken in verband met verzoekers inschrijving in het handelsregister, in verband met de oprichting van een CV met onbeperkte hoofdelijke aansprakelijkheid en van een professionele vennootschap (statuten), in aanmerking te nemen huur voor bedrijfsdoeleinden, een afspraak voor het opmaken van een waardering van activa,briefwisseling met de fiscus o.m. inzake correctieopgave BTW, vragen om uitstel BTW- of belastingaangifte, aanvang BTW werkzaamheid, aanvraag forfaitaire IX-2689-6/12 BTW regeling en forfaitaire boekhouding, stukken in verband met BTW en andere belastingaangiften en belastinggberekeningen, volmachten voor het handelsregister en inzake belastingen alsook attesten over gevolgde seminaries en bijscholing, met onder meer de verslagen van permanente vorming voor het BIB (1997, 1998 en 1999) en attesten van de beroepsvereniging BAM over de aanwezigheid op hun seminaries in 1994, 1999, 1997, 1998, 1999 en
  16. De raadsman van verzoeker vroeg volgens het zittingsverslag ook dat de Commissie van Beroep desnoods zelf inlichtingen zou inwinnen, bij de belastingadministratie. 1.
  17. Op 26 oktober 2000 beslist de Nederlandstalige kamer van de Commissie van Beroep dat het beroep van verzoeker ontvankelijk maar ongegrond is. Dat is de bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de betrokkene aanspraak maakt op de overgangsregeling bedoeld in art. 60, § 1 van de Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen; dat hij niet ingeschreven is op de lijst van de accountants bedoeld in art. 5 van de vermelde Wet; dat hij, met toepassing van art. 2, tweede item van het K.B. van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, het bewijs moet leveren, behalve van het houderschap van een diploma bedoeld in art. 2 K.B. 22 november 1990 - diploma waarover terzake geen betwisting bestaat - van de uitoefening gedurende ten minste vijf jaar van professionele werkzaamheden waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent, zoals omschreven in artikel 38 van de wet, uit te oefenen; Overwegende dat de functie van belastingconsulent er volgens art. 38 van de Wet betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen in bestaat : ‘1/ advies te verstrekken in alle belastingaangelegenheden; 2/ belastingplichtigen bij te staan bij de nakoming van hun fiscale verplichtingen; 3/ belastingplichtigen te vertegenwoordigen’; Overwegende dat in de besproken wet aan het fiscaal beroep een bescherming van de titel wordt toegekend op twee verschillende vormingsniveaus, namelijk dat van belastingconsulent en dat van de erkende boekhouder die tevens een specialisatie in fiscaliteit heeft doorgemaakt; dat volgens de V.Z.W., het Instituut van Belastingconsulenten van België, ‘de eigenheid van het beroep van belastingconsulent ten overstaan van de beroepen van bedrijfsrevisor, accountant of boekhouder’ bestaat in ‘de vertegenwoordiging en de verdediging van de rechten van de belastingplichtige ten overstaan van de fiscale administraties’, rol die ‘in feite analoog (is) aan deze van advocaten’; dat dit Instituut daarbij specificeerde dat een belastingconsulent zijn beroep slechts naar behoren kan uitoefenen indien hij zijn klanten adviseert, rekening houdende met alle aspecten van de hem voorgelegde problemen, dit is : niet enkel de juridische elementen van de fiscale problemen maar ook hun financiële en boekhoudkundige aspecten; Overwegende dat de betrokkene een aantal stukken neerlegt die betrekking hebben op zijn inschrijving in het handelsregister, op statuten van vennootschappen, op adviezen over de in aanmerking te nemen huur voor IX-2689-7/12 bedrijfsdoeleinden of over de waardering van activa, op briefwisseling met de fiscale administratie, op aangiften, op de door hem gevolgde bijscholing als lid van het B.I.B. enz.; dat ook bij een grondige lezing van deze stukken, samen met de documenten die reeds voordien in het dossier berustten, onvoldoende bewezen wordt dat de betrokkene gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden uitoefende, waarin hij een voldoende vorming verwierf om de functie van belastingconsulent, zoals omschreven in art. 38 van de Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, uit te oefenen;”.
  18. Overwegende dat verzoeker zijn beroep bij de Raad van State kwalificeert als “verzoekschrift tot nietigverklaring van een administratieve beslissing in betwiste zaken” en verwijst naar artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dus een administratief cassatieberoep; dat de commissie van beroep van het Instituut, wanneer zij uitspraak doet over een verzoek tot verlening van de hoedanigheid van belastingconsulent, echter niet optreedt als een administratief rechtscollege doch als een administratieve overheid; dat het onderhavige beroep dan ook te beschouwen is als een gewoon annulatieberoep ingesteld op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; 3.1.
  19. Overwegende dat verzoeker onder meer in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 5, § 5 en artikel 6 - lees 7 -, § 5, van de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulent, “doordat deze bepalingen voorschrijven dat de Commissie van Beroep haar uitspraak met redenen moet omkleden en derhalve moet antwoorden op de door de appellant voorgestelde besluiten; terwijl verzoeker in de door hem neergelegde besluiten voor de Commissie van beroep bij het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten de uitoefening van zijn activiteiten zoals omschreven in artikel 38 van de Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen gedurende vijf jaar in de in dit artikel voorgeschreven geledingen uiteenzette; terwijl de Commissie van Beroep daarop geen acht heeft geslaan (geslagen); dat verzoeker deze besluiten toevoegt aan dit verzoekschrift”; 3.1.
  20. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt, vooreerst, dat artikel 7, § 5, van de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten -hierna : de wet van 22 april 1999(tucht)-, dat waarschijnlijk is bedoeld door het middel, handelt over de motiveringsplicht van de Commissie van Beroep wanneer deze oordeelt in tuchtzaken, terwijl de motiveringsplicht voor de Commissie van Beroep in het kader van een beroep tegen IX-2689-8/12 een beslissing van de raad van het Instituut waarbij een aanvraag tot het verkrijgen van de titel van accountant of belastingconsulent wordt geweigerd, is opgenomen in artikel 51 van het koninklijk besluit van 2 maart 1989; dat volgens haar echter de grief hoe dan ook ongegrond is nu uit artikel 3 van het koninklijk besluit van 4 mei 1999 blijkt dat het bewijs van de vereiste 5 jaar professionele werkzaamheden waarin de betrokkene een voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent uit te oefenen geleverd moet worden aan de hand van een dossier, dus stukken, en dat de Commissie, na gesteld te hebben waaruit de eigenheid van het beroep van belastingconsulent bestaat, alle overgelegde stukken onderzocht heeft en concludeerde dat onvoldoende bewezen is dat verzoeker gedurende minstens 5 jaar professionele werkzaamheden uitoefende waarin hij voldoende vorming verwierf om de functie van belastingconsulent zoals omschreven in artikel 38 van de wet van 22 april 1999 uit te oefenen; dat aldus de Commissie, zij tegelijk geantwoord heeft op de conclusie van verzoeker waarin hij aan de hand van stukken poogt aan te tonen dat hij gedurende vijf jaar de functie van belastingconsulent uitoefende en daarbij voldoende vorming verwierf; dat de verwerende partij ten slotte benadrukt dat de motiveringsplicht niet inhoudt dat de rechter de motieven van zijn motieven moet geven; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog laat gelden dat het auditoraatsverslag buiten de grenzen van het middel gaat door te stellen dat de motivering van de bestreden beslissing niet afdoende was in concreto, ofschoon verzoeker haar enkel kritiseerde voor zover zij geen acht sloeg op zijn conclusie waarin hij uiteenzette dat hij voldoende vorming had genoten en dat de commissie van beroep ermee kon volstaan de door verzoeker neergelegde stukken te onderzoeken om daaruit te concluderen dat deze niet aantoonden dat hij gedurende tenminste vijf jaar professionele werkzaamheden had uitgeoefend, waarmee zij tevens geantwoord heeft op verzoekers conclusie waarin deze het tegendeel beweerde; 3.2.
  21. Overwegende dat zoals hiervoor is vastgesteld de commissie van beroep van het Instituut, wanneer zij uitspraak doet over een verzoek tot verlening van de hoedanigheid van belastingconsulent, optreedt als een administratieve overheid en niet als een administratief rechtscollege; dat artikel 149 van de Grondwet, volgens welk elk vonnis met redenen omkleed is, op haar dan ook niet van toepassing is; dat de verwerende partij ook terecht stelt dat artikel 7, § 5-niet 6, § 5- van de wet van 22 april 1999 (tucht) niet van toepassing is aangezien geen uitspraak werd gedaan over een beroep tegen een tuchtbeslissing; dat dan ook moet worden IX-2689-9/12 aangenomen dat in dezen de motiveringsplicht voortvloeit, zo niet uit artikel 51 van het koninklijk besluit van 2 maart 1989 tot vaststelling van het huishoudelijk reglement van het Instituut der Accountants zoals de verwerende partij stelt, dan toch uit de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, waarnaar niet wordt verwezen maar die geldt voor alle administratieve overheden, tenzij er dienaangaande een meer specifieke regeling bestaat; dat aan verzoeker niet verweten kan worden dat hij zijn middel steunt op een miskenning van de motiveringsplicht van artikel 149 van de Grondwet, aangezien de brief waarmee de bestreden beslissing hem werd betekend hem mededeelde dat hij ertegen een cassatieberoep kon instellen bij de Raad van State; 3.2.
  22. Overwegende dat uit wat voorafgaat voortvloeit dat de bestreden beslissing niet, zoals wel het geval is voor jurisdictionele uitspraken, alle opgeworpen middelen diende te behandelen en uit haar redengeving niet moet blijken dat de diverse argumenten van partijen zijn beantwoord; dat voor een administratieve beslissing het volgens de bewoordingen van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991daarentegen volstaat dat de motivering draagkrachtig is, wat echter ook betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen zonder dat alle door de rechtzoekende aangehaalde feitelijke en juridische argumenten worden beantwoord, met dien verstande echter dat zij de bestuurde redelijkerwijze in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen, dermate dat hij kan oordelen of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem heeft verschaft; 3.2.
  23. Overwegende dat in dezen de Commissie van Beroep oordeelde dat de neergelegde stukken onvoldoende bewijzen dat verzoeker gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden heeft uitgeoefend zoals bedoeld in artikel 38 van de wet van 22 april 1999, waarbij de commissie van beroep de nadruk legt op het adviseren van de belastingplichtige, rekening houdende met alle aspecten van de voorgelegde problemen, wat volgens haar het bijzondere kenmerk is van het niveau belastingconsulent vergeleken met dat van boekhouder-fiscalist; dat zij vaststelt dat de neergelegde stukken betrekking hebben op verzoekers inschrijving in het handelsregister, op statuten van vennootschappen, op adviezen over de in aanmerking te nemen huur voor bedrijfsdoeleinden of over de waardering van activa, op briefwisseling met de fiscale administratie, op aangiften, op de door hem gevolgde bijscholing als lid van het BIB, enz.; IX-2689-10/12 3.2.
  24. Overwegende dat verzoeker uit die motivering enkel kon afleiden dat, volgens de Commissie, een aantal van de voorgelegde stukken, die nochtans een aantal gegevens bevatten welke wijzen op het geven van fiscaal advies, fiscale bijstand en fiscale vertegenwoordiging, geen of geen voldoende bewijs leverden van professionele werkzaamheden als belastingconsulent zoals zij dat opvat, of wellicht dat er niet of niet voldoende vorming uit bleek of dat het te weinig ging om de drie functies van belastingconsulent of om activiteiten in alle fiscale aangelegenheden en voor alle soorten belastingplichtigen; dat de commissie van beroep, evenmin als de erkenningscommissie om bijkomende bewijzen gevraagd heeft; dat ook niet wordt ingegaan op de argumentatie inzake deze stukken of op de uiteenzetting inzake vorming in de conclusie; dat de motivering van de bestreden beslissing, die enkel concreet toegespitst is op de zaak in de mate dat de categorieën van ingediende stukken worden opgesomd, niet afdoende is zoals vereist door de wet van 29 juli 1991, ook als dat laatste geen oordeel inhoudt over haar wettigheid of redelijkheid; dat zij verzoeker niet in staat stelt zich te verweren tegen het specifieke en concrete motief waarop de beslissing steunt, de concrete redenen waarom hij wordt geacht op basis van de neergelegde stukken en ondanks zijn conclusie ter zake de vereiste ervaring of vorming onvoldoende bewezen te hebben en zij de Raad van State evenmin in staat stelt na te gaan of die motivering in feite en in rechte aanvaardbaar is en niet kennelijk onredelijk; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  25. Vernietigd wordt de beslissing genomen op 26 oktober 2000 door de Commissie van Beroep van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, waarbij het beroep van Stefaan ARTOIS tegen de beslissing van 8 mei 2000 van de raad van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten waarbij hem de hoedanigheid van belastingconsulent wordt geweigerd, ongegrond wordt verklaard. IX-2689-11/12 Artikel
  26. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig januari 2000 en zeven, door de IXe kamer, die was samengesteld als volgt : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, door de Eerste Voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de H. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, overleden na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; de HH. L. HELLIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier, De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2689-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.201 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.