← België

Arrest 167202 - Varia (justitie) - 29/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.202 Vervangt nummer: ECLI:BE:RSCE:2007:ARR.20070129.21 ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.20070129.21 Rolnummer: A. 166307/IX-5077 Zaak: Arrest 167202 - Varia (justitie) - 29/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-10-15 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-29 06:20 Fiche Arrest nr 167.202 van 29 januari 2007 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.202 van 29 januari 2007 in de zaak A. 166.307/IX-

  1. In zake : Vassilios GEORGIADIS, die woonplaats kiest bij advocaat L. BOUDOLF, kantoor houdende te ADINKERKE-DE PANNE, Duinhoekstraat 37 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat S. VERBOUWE, kantoor houdende te BRUSSEL, Tervurenlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Vassilios GEORGIADIS op 23 september 2005 heeft ingediend om een administratief cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing van de eerste kamer van de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders van 26 juli 2005 waarbij zijn hulpvraag onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking van 10 oktober 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 26 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-5077-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 29 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. GABRIËLS, die loco advocaat L. BOUDOLF verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. PELLEGRINI, die loco advocaat S. VERBOUWE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Op 28 januari 1999 wordt verzoeker door de genaamde S.D. van een trapje geduwd, waardoor hij op de grond valt. Enkele uren later begeeft verzoeker zich naar het Sint-Maartenziekenhuis te Kortrijk omdat hij pijn heeft aan zijn heup. 1.
  5. Bij vonnis van de correctionele rechtbank te Kortrijk van 24 december 2001 wordt S.D. veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van twee maanden met uitstel gedurende drie jaar, en een geldboete van 20.000 Bfr., of een vervangende gevangenisstraf van tien dagen. Op burgerlijk gebied wordt de dader veroordeeld om aan verzoeker een bedrag te betalen van 134.505 Bfr. te verhogen met de vergoedende en de gerechtelijke intresten. Dit bedrag is samengesteld als volgt : IX-5077-2/7 - medische kosten : 22.505 BEF. - esthetische schade : ex aequo et bono : 10.000 BEF. - tijdelijke werkonbekwaamheid : 102.000 BEF. Dit vonnis is in kracht van gewijsde getreden. 1.
  6. Met een schrijven van 30 juni 2004, deelt de advocaat van de dader aan de advocaat van verzoeker mee dat zijn cliënt en diens levensgezellin een verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling hebben neergelegd. Op 28 juli 2004 schrijft de raadsman van de dader dat de totale schuld van zijn cliënt ongeveer 75.000 euro bedraagt. 1.
  7. Het verzoek tot collectieve schuldenregeling ingediend door de dader wordt op 8 september 2004 toelaatbaar verklaard door de beslagrechter te Kortrijk. 1.
  8. Op 7 januari 2005 vraagt verzoeker de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (hierna kortweg “de commissie” genoemd) om de toekenning ten gevolge van de opzettelijke gewelddaad van 28 januari 1999 van een vergoeding van 7.582,22 euro. 1.
  9. Deze aanvraag wordt door de eerste kamer van de commissie behandeld in haar zitting van 14 juni
  10. 1.
  11. Op 26 juli 2005 neemt deze kamer de thans bestreden beslissing, waarbij het verzoek onontvankelijk wordt verklaard. 1.
  12. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “De Commissie dient te onderzoeken of aan de ontvankelijkheidsvoor- waarden is voldaan; één van deze voorwaarden betreft de termijn waarbinnen het verzoekschrift dient te worden ingediend. Deze termijn wordt bepaald in artikel 31bis, §1, lid 4 van de wet van 1 augustus 1985 dat luidt : ‘Het verzoek is binnen drie jaar ingediend. De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de eerste beslissing tot seponering, de beslissing van het onder- zoeksgerecht, de dag waarop definitief uitspraak is gedaan over de straf- vordering of de dag, indien deze van latere datum is, waarop uitspraak is gedaan over de burgerlijke belangen.’ Artikel 48 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek zijn in deze van toepassing; met betrekking tot de vervaltermijnen bepaalt artikel 50 alinea 1 ‘De termijnen, op straffe van verval gesteld, mogen niet worden verkort of verlengd, IX-5077-3/7 zelfs met instemming van partijen, tenzij dat verval gedekt is onder de omstandigheden bij de wet bepaald’. Verder bepaalt artikel 52 de wijze van berekening van de termijn en bepaalt artikel 53 dat de vervaldag in de termijn is inbegrepen, maar voorziet uitdrukkelijk in een verplaatsing op de eerstvolgende werkdag indien de vervaldag een zaterdag, een zondag of een feestdag is. In onderhavige zaak is de eindbeslissing op strafgebied een vonnis van de Correctionele rechtbank te Kortrijk d.d. 24 december 2001; de ‘dies a quo’ is bijgevolg 25 december 2001 en de dies ‘ad quem’ is 25 december 2004 om middernacht terwijl luidens de inkomstempel het verzoekschrift werd ontvangen op het secretariaat van de commissie op 7 januari
  13. In zijn reactie, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 23 maart 2005, stelt de raadsman van verzoeker dat het vonnis van de Correctionele rechtbank, in casu op tegenspraak gewezen op 24 december 2001, slechts in kracht van gewijsde is gegaan op 9 januari 2002, dit is na afloop van de termijn van 15 dagen voor hoger beroep, en dat derhalve het verzoekschrift wel degelijk tijdig werd ingediend. Deze stelling wordt duidelijk weerlegd door de tekst van de wet zelf; het hoger geciteerde artikel 31bis §1, lid 4 van de wet van 1 augustus 1985 stelt duidelijk de dag, waarop de op straffe van verval gestelde termijn begint te lopen, vast als ‘..de dag waarop definitief uitspraak is gedaan over de straf- vordering’. De wetgever zelf heeft dus ondubbelzinnig de dag van de uitspraak als vertrekdatum voor de berekening van de termijn vastgelegd. De commissie kan dan ook niets anders dan te besluiten dat het verzoek- schrift onontvankelijk is. (...).”
  14. De gegrondheid van het beroep. 2.1.
  15. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, zoals gewijzigd, doordat de commissie heeft geoordeeld dat : “de dag waarop definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering”, valt op 24 december 2001, zodat volgens de bestreden beslissing de driejarige vervaltermijn, om een verzoekschrift bij de commissie in te dienen, aanvangt op 25 december 2001 en eindigt op 25 december 2004; terwijl volgens verzoeker de driejarige termijn aanvangt de dag waarop de uitspraak van de strafrechter in kracht van gewijsde is getreden; dat dit de betekenis is van de zin “de dag waarop definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering, opgenomen in artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985; dat volgens verzoeker het vonnis van de correctionele rechtbank te Kortrijk van 24 december 2001 definitief werd, na het verstrijken van de beroepstermijn van vijftien dagen, met name op 9 januari 2002 om 00u00, zodat de driejarige termijn om een verzoekschrift bij de commissie in te dienen aanving op 9 januari 2002 en eindigde op 9 januari 2005; dat gelet op het feit dat verzoeker op 7 januari 2005 zijn verzoekschrift heeft ingediend bij de commissie, hij dat tijdig heeft IX-5077-4/7 gedaan en de bestreden beslissing voornoemd artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 schendt, door zijn verzoekschrift onontvankelijk te verklaren; Overwegende dat verzoeker het eerste middel als volgt toelicht : - de interpretatie van de commissie betreffende het tijdstip waarop de driejarige termijn aanvangt is niet correct, dit blijkt uit de parlementaire werkzaamheden van de wet van 26 maart 2003 tot wijziging van de wet van 1 augustus 1985; - vóór de wetswijziging van 26 maart 2003 was er geen discussie over de aanvangsdatum van de driejarige vervaltermijn : dit was de dag waarop de strafrechtelijke beslissing kracht van gewijsde verkreeg; - het was niet de bedoeling van de wetgever om door de wetswijziging van 26 maart 2003 voornoemde aanvangsdatum te wijzigen, zodat volgens verzoeker nog steeds geldt dat de aanvangsdatum van de driejarige vervaltermijn wordt berekend vanaf het tijdstip waarop de strafrechtelijke uitspraak in kracht van gewijsde is getreden; 2.1.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in essentie antwoordt dat de wetswijziging van 26 maart 2003, wat artikel 31bis, §1, 4/, betreft enkel tot doel heeft duidelijkheid te scheppen in verband met de aanvangsdatum van de driejarige vervaltermijn en dat de interpretatie van verzoeker betreffende de aanvangsdatum en de einddatum van de vervaltermijn niet strookt met de tekst van voornoemde wettelijke bepaling; 2.1.
  17. Overwegende dat artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, ingevoegd door de wet van 26 maart 2003 en gewijzigd door de wet van 27 december 2004, bepaalt : “§
  18. De financiële hulp als bedoeld in artikel 31, 1/ tot 4/, wordt toegekend onder de volgende voorwaarden : (...) 4/ Het verzoek is binnen de drie jaar ingediend. De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de eerste beslissing tot seponering, de beslissing van het onderzoeksgerecht, de dag waarop definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering of de dag, indien deze van latere datum is, waarop uitspraak is gedaan over de burgerlijke belangen. (...)”; Overwegende dat de driejarige vervaltermijn loopt vanaf de dag waarop definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering en over de burgerlijke belangen door de bevoegde strafrechter; dat deze wetsbepaling duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar is; dat bijgevolg in voorliggend geval de driejarige termijn IX-5077-5/7 aanvangt de dag waarop de strafrechter zowel op strafrechtelijk als op burgerrechtelijk gebied uitspraak deed; dat in casu de correctionele rechtbank te Kortrijk op 24 december 2001 een eindvonnis op tegenspraak heeft gewezen op strafrechtelijk en op burgerlijk gebied lastens S.D., die werd veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van twee maanden, waarvan de tenuitvoerlegging werd uitgesteld voor de duur van drie jaar, en tot een geldboete van honderd frank, te verhogen met “1990 deciemen”, hetzij twintigduizend frank of een vervangende gevangenisstraf van tien dagen, voor het toebrengen aan verzoeker te Kortrijk op 28 januari 1999 van opzettelijke verwondingen of slagen met de omstandigheid dat de slagen of verwondingen voor het slachtoffer een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hadden; dat op 24 december 2001 de strafrechter zijn rechtsmacht heeft uitgeput en dat er op die datum niets meer te beslechten viel, noch op strafrechtelijk gebied en evenmin op burgerlijk gebied, vermits op dezelfde datum over de burgerlijke belangen werd beslist; Overwegende dat voornoemd vonnis een eindbeslissing uitmaakt op strafrechtelijk en burgerrechtelijk gebied dat bekleed is met het gezag van gewijsde; Overwegende dat de driejarige vervaltermijn bijgevolg ingaat op 25 december 2001, zoals de bestreden beslissing terecht overweegt en eindigt op maandag 27 december 2004 om 00u00, omdat 25 december 2004 een wettelijke feestdag is en 26 december een zondag, overeenkomstig artikel 53 van het Gerechtelijk Wetboek; dat het verzoekschrift werd ingediend door verzoeker op het secretariaat van de commissie op 7 januari 2005, wat laattijdig is vermits de laatste nuttige dag viel op 27 december 2004; dat het eerste middel bijgevolg ongegrond is; 2.
  19. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel; Overwegende dat, daargelaten de vraag of het zorgvuldigheids- beginsel een ontvankelijk cassatiemiddel uitmaakt, vermits het gaat om een beginsel van behoorlijk bestuur, het tweede middel wordt verworpen, gelet op de verwerping van het eerste middel, IX-5077-6/7 BESLUIT: Artikel
  20. Het cassatieberoep wordt verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig januari 2000 en zeven, door de IXe kamer, die was samengesteld als volgt : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, door de Eerste Voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de H. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, overleden na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier, De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5077-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.202 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.