← België

Arrest 167205 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 29/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.205 Rolnummer: A. 74773/IX-1779 Zaak: Arrest 167205 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 29/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-15 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-06-29 06:20 Fiche Arrest nr 167.205 van 29 januari 2007 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.205 van 29 januari 2007 in de zaak A. 74.773/IX-

  1. In zake : HAYEN Gilbert, wonende te HERNE, Sint-Niklaasstraat 8 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gilbert HAYEN op 24 juni 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 24 april 1997 van het college van secretarissen-generaal van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, waarbij hem definitief de evaluatie "onvoldoende" wordt toegekend; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 9 juli 1998 door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 18 mei 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-1779-1/7 Gelet op de beschikking van 15 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. VANDEN BON die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Verzoeker is hoofdmedewerker (rang C 2) bij de afdeling Beeldende Kunst en Musea van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Hij bekleedt de functie van rekenplichtige op het Kasteel van Gaasbeek. 1.
  5. Op 5 februari 1997 heeft hij een evaluatiegesprek met de conservator. Het evaluatieverslag besluit met de einduitspraak "onvoldoende". 1.
  6. Op 18 februari 1997 stelt verzoeker tegen deze evaluatie beroep in bij de raad van beroep . 1.
  7. Op 26 maart 1997 adviseert de raad van beroep dat de evaluatie "onvoldoende" niet gegrond is . 1.
  8. Bij besluit van het college van secretarissen-generaal van 24 april 1997 wordt tegen verzoeker de vermelding "onvoldoende" definitief uitgesproken en IX-1779-2/7 deze beslissing wordt bij aangetekende brief van 28 april 1997 aan verzoeker ter kennis gebracht. Dit is de bestreden beslissing;
  9. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
  10. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat verzoeker vanaf 1 november 1997 met pensioen is gesteld en zijn hoedanigheid van ambtenaar heeft verloren en hij dus geen voldoende actueel belang meer heeft bij de annulatie van de bestreden beslissing; 2.
  11. Overwegende dat verzoeker antwoordt dat hij nog steeds een moreel belang heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing, onder meer omwille van de vergelijkbaarheid van de beoordeling "onvoldoende" met een tuchtstraf; dat hij er op wijst dat volgens artikel XII 9 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: het Vlaams personeelsstatuut) de toestemming tot het voeren van de eretitel enkel kan verleend worden aan ambtenaren die geen functioneringsevaluatie "onvoldoende" hebben gekregen en die tenminste 20 jaar werkelijke dienst hebben op het ogenblik van de pensionering; 2.
  12. Overwegende dat krachtens de artikelen XII 8 en 9 van het Vlaams personeelsstatuut de benoemende overheid aan de pensioengerechtigde ambtenaar toestemming kan verlenen om de eretitel van het door hem laatst werkelijk waargenomen ambt te blijven dragen, op voorwaarde dat de ambtenaar geen functioneringsevaluatie "onvoldoende" heeft gekregen en hij tenminste 20 jaar werkelijke dienst heeft op het ogenblik van zijn pensionering; dat uit die bepaling blijkt dat een ambtenaar na zijn oppensioenstelling op zijn minst een moreel belang behoudt om de vernietiging te vorderen van de beslissing waarbij hem de evaluatie "onvoldoende" definitief wordt toegekend; dat de exceptie wordt verworpen;
  13. Over de gegrondheid van het beroep. 3.
  14. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen VIII 9 “en volgende” van het Vlaams personeelsstatuut en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat hij hierbij onder meer stelt dat luidens het IX-1779-3/7 Vlaams personeelsstatuut over elke ambtenaar een jaarlijks individueel evaluatiedos- sier dient aangelegd te worden; dat naast de functiebeschrijving van de ambtenaar het dossier onder meer de beschrijvingen van de verwachtingen ten aanzien van resultaten en functioneren in de evaluatieperiode, definitieve beschrijvende evaluatieverslagen en de persoonlijke nota's dient te bevatten; dat volgens hem op geen enkel ogenblik enige persoonlijke nota werd voorgelegd met ongunstige feiten die als evaluatiegrond voor het evaluatiejaar 1996 konden dienen; dat krachtens artikel VIII 14 van het Vlaams personeelsstatuut een persoonlijke nota met nauwkeurig relaas binnen de maand na het plaatshebben van de ongunstige feiten moet worden opgemaakt; dat door de afwezigheid van persoonlijke nota's bij hem een gerechtigd vermoeden bestond dat er geen ernstige feiten konden ten laste worden gelegd bij het evaluatiegesprek; dat verzoeker zeker niet over de verplichte vijftien kalenderdagen beschikte om zijn eventuele opmerkingen te formuleren; 3.
  15. Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt dat de tekortkomingen van verzoeker hem tijdens meerdere functioneringsgesprekken gesignaleerd werden, alsmede aan de hand van nota's van zijn overste waarin verzoeker op zijn plichten werd gewezen; dat in het evaluatiedossier verklaringen van collega's en documenten worden gevoegd waaruit het onmogelijk gedrag van verzoeker blijkt; 3.
  16. Overwegende dat verzoeker repliceert dat de verwerende partij niet ontkent dat hem geen persoonlijke nota's met feiten werden voorgelegd die als evaluatiegrond voor het evaluatiejaar 1996 konden dienen; dat hij herhaalt dat krachtens artikel VIII 14 van het Vlaams personeelsstatuut een persoonlijke nota met nauwkeurig relaas binnen de maand na het plaatshebben van de ongunstige feiten opgemaakt moet worden en dat er door de afwezigheid van persoonlijke nota's bij hem een gerechtigd vermoeden bestond dat hem geen ernstige feiten konden ten laste gelegd worden bij het evaluatiegesprek; dat hij evenmin kon beschikken over de verplichte vijftien kalenderdagen om zijn eventuele opmerkingen te formuleren; 3.
  17. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie aanvoert dat het Vlaams personeelsstatuut niet in een verplichting maar enkel in een mogelijkheid voorziet voor het opstellen van persoonlijke nota’s; dat hoewel persoonlijke nota’s die overeenkomstig artikel VIII 14 van het Vlaams personeelssta- tuut worden opgesteld een tegensprekelijk karakter en een bepaalde bewijswaarde zullen hebben, dit niet inhoudt dat feiten en incidenten die aan de betrokkene worden IX-1779-4/7 verweten niet op een andere wijze kunnen worden aangetoond dan door middel van persoonlijke nota’s; dat het ontbreken van persoonlijke nota’s in de zin van artikel VIII 14 van het Vlaams personeelsstatuut bijgevolg geen afbreuk kan doen aan de vaststelling van duidelijk bewezen feiten en dat artikel VIII 14 van het Vlaams personeelsstatuut geenszins kan worden geïnterpreteerd in die zin dat de feiten die de beslissing schragen enkel en alleen met de specifieke nota’s zouden kunnen worden bewezen; 3.
  18. Overwegende dat artikel VIII 11 van het Vlaams personeelsstatuut bepaalt dat over elke ambtenaar een jaarlijks individueel evaluatiedossier wordt aangelegd en dat dit evaluatiedossier onder meer omvat: "3/ de persoonlijke nota's bedoeld in art. VIII 14 en de opmerkingen die de ambtenaar erbij heeft geformuleerd"; 3.
  19. Overwegende dat artikel VIII 14 van het Vlaams personeelsstatuut als volgt luidt : "De persoonlijke nota's bedoeld in artikel VIII 11-3/ handelen over de behaalde resultaten en/of over het functioneren. Zij handelen eventueel over gebeurtenissen of gedragingen buiten de dienst die de ambtsuitoefe- ning kunnen beïnvloeden of in het gedrang brengen. Deze persoonlijke nota's omvatten een nauwkeurig relaas van gunstige of ongunstige feiten die als evaluatiegrond kunnen dienen. Telkens de evaluatoren dat nodig achten of op gemotiveerd verzoek van de belanghebbende ambtenaar, stellen de evaluatoren een persoonlijke nota op over feiten die hoogstens één maand voor de ondertekening van de nota plaatshadden. Een persoonlijke nota wordt eveneens opgemaakt telkens de ambte-naar gedurende een door de evaluatoren voldoende significant geachte periode ter beschikking wordt gesteld van een project. De projectleider is verantwoordelijk voor het opstellen van de persoonlijke nota. Elke persoonlijke nota wordt onmiddellijk aan de belanghebbende ambtenaar voorgelegd. Hij viseert dit document, krijgt er een afschrift van en beschikt over vijftien kalenderdagen om zijn eventuele opmerkingen te formuleren. Indien de ambtenaar opmerkingen formuleert, dan worden deze aan de nota toegevoegd en opgenomen in het evaluatiedossier."; 3.
  20. Overwegende dat in casu de beoordeling "onvoldoende" die aan verzoeker werd toegekend steunt op een ganse reeks aan verzoeker verweten feiten en incidenten, zoals de weigering van verzoeker om een behoorlijk verslag uit te brengen bij de conservator, het verzuim om iedere maand een overzicht van de budgettaire toestand te bezorgen aan de conservator, het achterhouden van briefwisseling, het verzuim om stookolie te bestellen, en het intimideren en bedreigen van collega's; dat de evaluatoren evenwel hebben nagelaten om, zoals voorgeschre- IX-1779-5/7 ven door artikel VIII 14 van het Vlaams personeelsstatuut, tijdens het evaluatiejaar persoonlijke nota's op te stellen waarin, binnen de maand en met de mogelijkheid tot tegenspraak, een nauwkeurig relaas wordt gegeven van de feiten die de vermelding "onvoldoende" verantwoorden; 3.
  21. Overwegende dat de persoonlijke nota's die overeenkomstig artikel VIII 14 worden opgesteld dienen te waarborgen dat de feiten die als grondslag voor de evaluatie in aanmerking komen juist, nauwkeurig en tegensprekelijk worden vastgesteld; dat die persoonlijke nota's, die onder meer moeten handelen over de behaalde resultaten en/of over het functioneren, tot doel hebben de geëvalueerde nog tijdens de evaluatieperiode tijdig in te lichten over zijn persoonlijk functioneren zodat betrokkene in voorkomend geval nog tijdens de evaluatieperiode zijn persoonlijk functioneren kan bijsturen; dat de ontstentenis van dergelijke nota's derhalve van aard is om aan te nemen dat er zich gedurende de evaluatieperiode geen feiten hebben voorgedaan die een ongunstige evaluatie kunnen verantwoorden; dat de conclusie dan ook is dat verzoekers evaluatie niet alleen niet zorgvuldig is geschied doch ook met miskenning van de bepalingen van de artikelen VIII 8, VIII 10 en VIII 14 van het Vlaams personeelsstatuut tot stand is gekomen; dat de aan verzoeker verweten feiten dan ook, bij gebrek aan de nauwkeurige vermelding ervan in een overeenkom- stig artikel VIII 14 opgestelde persoonlijke nota, niet regelmatig in aanmerking konden worden genomen als grondslag voor de aan verzoeker toegekende evaluatie "onvoldoende"; dat het tweede middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  22. Vernietigd wordt het besluit van het college van secretaris- sen-generaal van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 24 april 1997, waarbij tegen verzoeker de vermelding "onvoldoende" definitief uitgesproken wordt. IX-1779-6/7 Artikel
  23. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig januari 2000 en zeven, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1779-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.205 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.