← België

Arrest 167207 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 29/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.207 Rolnummer: A. 68872/IX-826 Zaak: Arrest 167207 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 29/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 14:39 Fiche Arrest nr 167.207 van 29 januari 2007 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.207 van 29 januari 2007 in de zaak A. 68.872/IX-826. In zake : Juliette EVERAERT, wonende te KOBBEGEM, Brusselsesteenweg 392 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Juliette EVERAERT op 10 mei 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 april 1996 van het college van secretarissen-generaal van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap waarbij haar de vermelding “onvoldoende” wordt toegekend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 19 december 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-826-1/13 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VANBINST die, loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Verzoekster is ambtenaar met de graad van medewerker (rang C 1) bij de administratie permanente vorming, afdeling volwassenenonderwijs, van het departement onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.2. Op 23 oktober 1995 wordt van de functie van verzoekster een beschrijving opgesteld. De functiebeschrijving wijst als eerste evaluator hoofdmedewerker Godelieve GYSELINCK en als tweede evaluator adjunct van de directeur Dirk D'HONDT aan. 1.3. Na evaluatiegesprekken op 19 en 24 januari 1996 wordt verzoekster geëvalueerd door hoofdmedewerkers Godelieve GYSELINCK en Jan DAVID. Beiden treden op als eerste evaluator omdat verzoekster in de loop van het evaluatiejaar werkzaam was in verschillende werkstations. 1.4. Aangezien geen consensus wordt bereikt met de tweede evaluator, adjunct van de directeur Dirk D'HONDT, stelt deze op 23 februari 1996 een apart evaluatieverslag op dat besluit met de evaluatie "onvoldoende". In dit verslag wordt aan verzoekster verweten : - dat zij regelmatig op de dienst afwezig is zonder voorafgaande toestemming van haar hiërarchisch meerdere; - dat zij soms schijnbaar dronken op de dienst komt en dan de werkzaamheden van de personeelsleden stoort, dat het hierbij op 31 juli 1995 zelfs tot een vechtpartij met een collega is gekomen, en dat haar gedrag een negatieve weerslag heeft, zoals het coderen op verkeerde schoolnummers, de foutieve input van wedde- gegevens en het foutief behandelen van telefonische inlichtingen; IX-826-2/13 - dat zij zich meermaals één dag per maand ziek heeft gemeld zonder een controle- arts te raadplegen of attesten in te dienen. Het verslag vermeldt ook dat het afwijkend gedrag reeds lang aanwezig is, dat er in het verleden via overleg, opvolging en duidelijke afspraken gepoogd werd een werkbare situatie te creëeren, dat aan het begin van de evaluatieperiode duidelijk afgesproken werd dat de grens van het toelaatbare overschreden was, dat duidelijke sancties voor duidelijke gedragingen werden vastgelegd en dat in tussentijdse gesprekken verzoekster duidelijk gemaakt werd dat de beoordeling “onvoldoende” zich zou opdringen. 1.5. Verzoekster krijgt op 7 maart 1996 kennis van de evaluatieverslagen. Zij laat daarbij opmerken : - dat zij steeds haar hiërarchisch meerdere of, in geval van diens afwezigheid, haar collega's verwittigd heeft wanneer zij één dag afwezig was, behalve op 8 november 1995 toen zij zich in de onmogelijkheid bevond om telefonisch te verwittigen; - dat zij de bewering dat zij soms in schijnbaar dronken toestand op de dienst komt met klem weerlegt; - dat de zogezegde slechte omgang met collega's totaal uit de lucht gegrepen is en zij integendeel een goede verstandhouding heeft met hen; - dat het fout coderen iedere collega wel eens overkomt; - dat zij zich bij de minste twijfel tot haar groepschef of tot andere collega's richt teneinde correcte informatie te kunnen verstrekken en dat zij een zeer goede vertrouwensrelatie heeft met de haar toegewezen scholen en met bezoekers; - dat zij tussen 1 januari 1995 en 31 december 1995 slechts vier maal één dag ziek geweest is en niet meermaals één dag per maand en dat zij altijd haar dienst verwittigd heeft en meermaals een controleonderzoek gekregen heeft. 1.6. Op 8 maart 1996 dient verzoekster beroep in bij de raad van beroep. 1.7. Op 1 april 1996 adviseert de raad van beroep eenparig dat de evaluatie “onvoldoende” van verzoekster niet gegrond is. Het advies luidt als volgt : IX-826-3/13 "(...) Het beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm. Verzoeker heeft geen gebruik gemaakt van haar statutair wrakingsrecht. Overwegende dat in casu beide evaluatoren geen consensus hebben bereikt zodat zij elk hun verslag aan de betrokkene hebben bezorgd; dat verzoeker terecht opwerpt dat het evaluatieverslag van de tweede evaluator behept is met een vormgebrek nu dit ten vroegste op 23 februari 1996 haar werd overhandigd waardoor de termijn van vijftien kalenderdagen, voorgeschreven door artikel VIII 28 van het Vlaams personeelsstatuut, werd overschreden; Overwegende dat geen overtuigingsstukken worden voorgelegd m.b.t. de beweerde dronkenschap; dat overigens daarover geen melding wordt gemaakt in de evaluatieverslagen van de eerste evaluatoren; dat bovendien het evaluatieverslag van Jan David nergens spreekt over de voorgehouden vechtpartij met een collega van 31 juli 1995; Overwegende dat met uitzondering van 8 december 1995 er geen ongewettigde afwezigheden op de dienst waren gelet op de medische attesten die aan het controle-organisme werden toegestuurd; Overwegende dat in hoofde van verzoekster geen ernstige fout -zoals fout coderen of lastig vallen van collega's- als bewezen voorkomen; dat integendeel blijkens het evaluatieverslag van 8 februari 1995 van mevrouw Gyselinck zij goed functioneerde en de haar opgelegde taken naar behoren vervult; Overwegende dat het evaluatieverslag van de tweede evaluator zeer algemeen is opgesteld en verschillende resultaatsgebieden en functioneringscriteria niet beschrijft; dat er evenmin uit blijkt dat resultaats- gerichte en ontwikkelingsgerichte afspraken werden gemaakt; Overwegende dat bovendien dient te worden gesteld dat verzoeker volgens het evaluatieverslag van de tweede evaluator gunstig evolueert; (...)". 1.8. Het advies van de raad van beroep wordt met een brief van 10 april 1996 aan verzoekster toegezonden. Op 11 april 1996 wordt het ook door het college van secretarissen-generaal ontvangen. 1.9. Blijkens een door de verwerende partij in het administratief dossier neergelegd uittreksel uit de notulen van de vergadering van 18 april 1996 heeft het college van secretarissen-generaal die dag eenparig beslist “dat het college de einduitspraak ‘onvoldoende’ jegens Juliette EVERAERT definitief uitspreekt”. Deze beslissing werd als zodanig niet aan verzoekster ter kennis gebracht. Zij luidt als volgt : “(...) De voorzitter opent de bespreking en overloopt het voorliggende dossier in al zijn onderdelen. Hij stelt vast dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep in het advies van 01.04.96 adviseert dat de evaluatie ‘onvoldoende’ van Juliette EVERAERT niet gegrond is. Een lid van het college merkt op dat het beroep van Juliette EVERAERT gericht is tegen het evaluatieverslag van de tweede evaluator, vermits de evaluatieverslagen van de twee eerste evaluatoren niet afgesloten werden met de evaluatie ‘onvoldoende’. Een lid stelt vast dat het aanvullende evaluatieverslag van de tweede evaluator een gedrag beschrijft van afwezigheid, schijnbare dronkenschap, lastig vallen van collega’s, agressie en zelfs een vechtpartij op de dienst. Uit dit IX-826-4/13 evaluatieverslag komt Juliette EVERAERT naar voren als een personeelslid met een ongepast sociaal gedrag en een gebrek aan verantwoordelijkheidszin. Bovendien merkt dit lid op dat betrokkene er bij het begin van de evaluatieperiode duidelijk op gewezen werd dat de grens van het toelaatbare overschreden was. Een lid voegt hieraan toe dat het evaluatieverslag van de tweede evaluator tevens vermeldt ‘dat Juliette EVERAERT voldoende intelligent is om in te zien dat er ten gevolge van de eigen gedragingen een sanctionering in de zin van onvoldoende bij de evaluatie op komst was’ en dat dit ‘haar ook in tussentijdse gesprekken werd duidelijk gemaakt’. Dit lid concludeert hieruit dat betrokkene zich sinds langere tijd, ondanks verwittigingen, niet correct gedraagt. Meerdere leden beamen deze zienswijze. Een lid merkt op dat de evaluatieverslagen van beide eerste evaluatoren neutraal zijn en dat zij het wellicht niet aangedurfd hebben om het ongepast gedrag van Juliette EVERAERT te beschrijven in hun evaluatieverslag. het evaluatieverslag opgesteld door Jan David, die een kortere periode met betrokkene werkte, vermeldt wel dat Juliette EVERAERT globaal gezien op een normaal niveau functioneert in normale omstandigheden maar dat hij wijst op ‘abnormale omstandigheden die algemeen gekend zijn en waarin de medewerker (

  1. op)die ogenblikken moeilijker functioneerde’. Een lid merkt op dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep van mening is dat geen ernstige fout als bewezen voorkomt. Een ander lid haalt het standpunt van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep aan ‘dat geen overtuigingsstukken worden voorgelegd m.b.t. de vermeende dronkenschap’. Het lid meent echter dat men niet van de evaluatoren kan verwachten dat zij alle opmerkingen uit het evaluatieverslag staven met bewijzen, en dat het voor een evaluator quasi onmogelijk is om zelf bewijzen aan te voeren voor kennelijke dronkenschap. Meerdere leden stemmen met deze zienswijze in en merken op dat het evaluatieverslag, opgesteld door de tweede evaluator, voldoende concrete elementen aandraagt, die wijzen op zwakke en eerder dysfunctionele prestaties en die als bewezen geacht mogen worden. Een lid van het college stelt vast dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep van oordeel is dat het evaluatieverslag van de tweede evaluator zeer algemeen is opgesteld en verschillende resultaatgebieden en functioneringscriteria niet beschrijft. Dit lid wijst er evenwel op dat het slechts een aanvullend verslag is, dat bovendien zeer concrete gegevens verschaft, zoals de datum en het uur van de vechtpartij, de naam van de ambtenaar die de vechtende partijen fysiek gescheiden heeft, enz. Een lid gaat vervolgens in op de argumentatie van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep ‘dat verzoek(st)er terecht opwerpt dat het evaluatieverslag van de tweede evaluator behept is met een vormgebrek nu dit ten vroegste op 23.02.96 haar werd overhandigd waardoor de termijn van 15 kalenderdagen, voorgeschreven door art. VIII 28 VPS, werd overschreden’. Dit lid stelt vast dat, in geval van niet-consensus tussen de eerste en de tweede evaluator, art. VIII 28 § 1 van het VPS oplegt dat de aparte evaluatieverslagen van de eerste en tweede evaluator terzelfdertijd aan de geëvalueerde bezorgd worden, maar dat het VPS ruimte biedt voor interpretatie dat de gelijktijdige bezorging van deze evaluatieverslagen niet noodzakelijk binnen de 15 dagen na het evaluatiegesprek dient plaats te vinden. Een lid haakt hierop in en stelt vast dat het in elk geval voor een tweede evaluator, die geconfronteerd zou worden met een evaluatieverslag, opgesteld door de eerste evaluator, waarmee hij niet akkoord kan gaan, soms onmogelijk is om nog binnen de genoemde termijn van 15 dagen een aanvullend verslag te schrijven. Meerdere leden sluiten zich hierbij aan. Een lid merkt op dat uit het evaluatieverslag van de tweede evaluator blijkt dat Juliette EVERAERT gunstig evolueert : IX-826-5/13 ‘Er is enige vermindering van problemen waar te nemen naarmate de evaluatieperiode vordert’. Dit lid is evenwel van oordeel dat deze vaststelling weliswaar positief is en meegenomen naar de toekomst toe, maar dat zij geen afbreuk doet aan het feit dat Juliette EVERAERT tijdens de evaluatieperiode een dysfunctioneel gedrag tentoon heeft gespreid waardoor de belangen van de organisatie geschaad werden. Meerdere leden sluiten zich bij deze analyse aan. Na verdere bespreking en beraadslaging en na afweging van de functiebeschrijving, de evaluatieverslagen en het advies van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep, legt de voorzitter volgend voorstel aan de leden van het college voor : (...) Stelt de voorzitter voor dat het college de einduitspraak ‘onvoldoende’ jegens Juliette EVERAERT definitief uitspreekt (...) Het voorstel van de voorzitter is derhalve met eenparigheid aanvaard. De voorzitter wordt belast met de betekening van deze beslissing aan de betrokkene.” 1.10. Bij brief van 30 april 1996, ondertekend door de voorzitter van het college van secretarissen-generaal, wordt verzoekster medegedeeld dat het college “in zijn zitting van 18 april 1996 heeft besloten om (...) de vermelding ‘onvoldoende’ definitief uit te spreken”. In bijlage voegt hij een formeel besluit van het college, waaronder de datum “29 april 1996” vermeld is en dat ondertekend is “namens het college van secretarissen-generaal” door zijn voorzitter. Dit besluit luidt als volgt : “(...) Gelet op het advies van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep van 1 april 1996; Overwegende dat het aanvullende evaluatieverslag van de tweede evaluator een gedrag beschrijft van afwezigheid, van schijnbare dronkenschap, lastig vallen van collega's, agressie en zelfs een vechtpartij op de dienst; dat mevrouw Juliette EVERAERT naar voren komt als een personeelslid met een ongepast sociaal gedrag en een gebrek aan verantwoordelijkheidszin; Overwegende dat mevrouw Juliette EVERAERT er bij het begin van de evaluatieperiode duidelijk op gewezen werd dat de grens van het toelaatbare overschreden was; dat het evaluatieverslag vermeldt dat betrokkene ‘voldoende intelligent is om in te zien dat er tengevolge van de eigen gedragingen een sanctionering in de zin van onvoldoende bij de evaluatie op komst was’ en dat dit ‘haar in tussentijdse gesprekken werd duidelijk gemaakt’; dat het College van secretarissen-generaal van oordeel is dat betrokkene zich sinds langere tijd, ondanks verwittigingen, niet correct gedraagt; Overwegende dat het evaluatieverslag opgesteld door de heer Jan David vermeldt dat mevrouw Juliette EVERAERT globaal gezien op een normaal niveau functioneert in normale omstandigheden maar dat hij wijst op ‘abnormale omstandigheden die algemeen gekend zijn en waarin de medewerker (
  2. op)die ogenblikken moeilijker functioneerde’; Overwegende dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep van mening is dat geen ernstige fout als bewezen voorkomt; Overwegende dat het College van secretarissen-generaal van oordeel is dat van de evaluatoren niet kan verwacht (worden) dat zij alle opmerkingen uit het evaluatieverslag staven met bewijzen; dat het evaluatieverslag, opgesteld door de tweede evaluator, voldoende concrete elementen aandraagt, die wijzen op zwakke en eerder dysfunctionele prestaties en die als bewezen geacht mogen worden; IX-826-6/13 Overwegende dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep stelt dat het evaluatieverslag van de tweede evaluator zeer algemeen is opgesteld en verschillende resultaatgebieden en functioneringscriteria niet beschrijft; dat het College van secretarissen-generaal evenwel van oordeel is dat het slechts een aanvullend verslag is, dat bovendien zeer concrete gegevens verschaft; Overwegende dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep argumenteert dat mevrouw Juliette EVERAERT ‘terecht opwerpt dat het evaluatieverslag van de tweede evaluator behept is met een vormgebrek nu dit ten vroegste op 23 februari 1996 haar werd overhandigd waardoor de termijn van 15 kalenderdagen, voorgeschreven door artikel VIII 28 VPS, werd overschreden; Overwegende dat, in geval van niet-consensus tussen de eerste en tweede evaluator, artikel VIII 28 § 1 van het VPS oplegt dat de aparte evaluatieverslagen van de eerste en tweede evaluator terzelfdertijd aan de geëvalueerde bezorgd worden, maar dat het VPS ruimte biedt voor interpretatie dat de gelijktijdige bezorging van deze evaluatieverslagen niet noodzakelijk binnen de 15 dagen na het evaluatiegesprek dient plaats te vinden; Overwegende dat het voor een tweede evaluator, die geconfronteerd zou worden met een evaluatieverslag, opgesteld door de eerste evaluator, waarmee hij niet akkoord kan gaan, soms onmogelijk is om nog binnen de genoemde termijn van 15 dagen een aanvullend verslag te schrijven; Overwegende dat uit het evaluatieverslag van de tweede evaluator blijkt dat mevrouw Juliette EVERAERT gunstig evolueert; dat het College van secretarissen-generaal van oordeel is dat deze vaststelling weliswaar positief is en meegenomen naar de toekomst toe, maar dat zij geen afbreuk doet aan het feit dat betrokkene tijdens de evaluatieperiode een dysfunctioneel gedrag tentoon heeft gespreid, waardoor de belangen van de organisatie geschaad werden; Overwegende dat het College van secretarissen-generaal bestaande uit (...) op 18 april 1996 heeft beraadslaagd; Overwegende dat het College van secretarissen-generaal, op voorstel van de voorzitter, bij geheime stemming met eenparigheid de vermelding ‘onvoldoende’ jegens mevrouw Juliette EVERAERT bevestigt (...) Besluit : Artikel 1. Tegen mevrouw Juliette EVERAERT (...) wordt de vermelding ‘onvoldoende’ definitief uitgesproken. (...) Brussel, 29 april 1996”. 2. Overwegende dat het beroep het “besluit van 29 april 1996 van het College van Secretarissen-generaal” tot voorwerp heeft; dat verzoekster inderdaad met de brief van 30 april 1996 een beslissing van die dag toegezonden gekregen heeft; dat evenwel uit de stukken van het dossier blijkt dat het college van secretarissen-generaal reeds op 18 april 1996 besloten heeft haar de vermelding “onvoldoende” definitief toe te kennen, terwijl er geen reden is om aan te nemen dat het college van secretarissen-generaal op 29 april 1996 een nieuwe beslissing over de zaak genomen heeft en dat bijgevolg met het aan verzoekster medegedeelde besluit de voorzitter van het college van secretarissen-generaal niets anders heeft gedaan dan de beslissing van 18 april 1996 formaliseren; dat, in dat kader, de aan verzoekster medegedeelde beslissing van 29 april 1996 verschijnt als de loutere IX-826-7/13 formalisering van de beslissing van 18 april 1996, die dan ook als het werkelijk voorwerp van het beroep onderzocht moet worden; 3.1. Overwegende dat verzoekster in een derde middel de schending aanvoert van artikel VIII 9 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: het Vlaams personeelsstatuut), doordat de functioneringsevaluatie onzorgvuldig gebeurd is; dat zij betoogt dat het ongunstige verslag van de tweede evaluator, waaruit volgens het college van secretarissen-generaal haar zwakke en eerder disfunctionele prestaties zouden blijken, in strijd is met het gunstig verslag van de eerste evaluator, haar rechtstreekse overste, dat het verwijst naar een aantal niet-bewezen feiten, dat het zeer algemeen is opgesteld, dat het verschillende resultaatsgebieden en functioneringscriteria niet beschrijft en dat er evenmin resultaats- en ontwikkelingsgerichte afspraken in opgenomen zijn; dat zij van oordeel is dat de raad van beroep, overeenkomstig het verslag van eerste evaluator Godelieve GYSELINCK, terecht geoordeeld heeft dat zij goed functioneert en dat geen ernstige fouten bewezen zijn; dat zij voorts betoogt dat, waar de bestreden beslissing stelt dat van de evaluatoren niet verwacht kan worden dat zij alle opmerkingen uit het evaluatieverslag staven met bewijzen, het Vlaams personeelsstatuut voorziet in het toevoegen aan het evaluatiedossier van persoonlijke nota’s, die betrekking hebben op het functioneren en op gebeurtenissen of gedragingen die de ambtsuitoefening kunnen beïnvloeden, die een nauwkeurig relaas geven van de feiten waarop de evaluatie steunt en die de betrokkene in staat stellen haar opmerkingen erbij te formuleren, welke dan overeenkomstig artikel VIII 14 van het Vlaams personeelsstatuut ook opgenomen worden in het dossier; dat zij er op wijst dat geen enkel feit dat de tweede evaluator vermeldt, met zo een nota bewezen wordt en dat ook de eerste evaluator er niet over spreekt, dat zij in haar bezwaarschrift die feiten ook betwist heeft zodat het college van secretarissen-generaal ze niet zomaar voor bewezen kon houden; dat zij van oordeel is dat een ongunstige evaluatie, gesteund op feiten die niet blijken uit tegensprekelijk vastgestelde documenten, zoals onder meer de persoonlijke nota’s, een gevaar voor subjectieve beoordeling en zelfs willekeur inhoudt; dat zij daar nog aan toevoegt dat de tweede evaluator feiten aanhaalt die dateren van voor de evaluatieperiode, meer bepaald afwezigheden die resulteerden in de opschorting van de variabele werktijdregeling, wat in strijd is met artikel VIII 15 van het Vlaams personeelsstatuut dat bepaalt dat het evaluatiejaar van 1 januari tot 31 december loopt; IX-826-8/13 3.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat uit de loutere omstandigheid dat er geen consensus is tussen de eerste en de tweede evaluator, niet afgeleid kan worden dat de evaluatie onzorgvuldig gebeurd is; dat zij betoogt dat de concrete feiten met name het regelmatig afwezig zijn zonder voorafgaande toestemming, het soms in dronken toestand aanwezig zijn op de dienst, die betrekking hebben op afwezigheden in het verleden waarbij de feiten gesanctioneerd werden met het opschorten van de variabele werktijden en de vechtpartij op 31 juli 1995 met een collega, direct aansluiten bij het verslag van eerste evaluator Godelieve GYSELINCK dat stelt dat verzoekster persoonlijke problemen mee naar het werk nam, dat ze eind oktober geregeld in een toestand verkeerde waarbij ze zich niet kon concentreren op het werk en dat ze op 8 oktober 1995 een halve dag afwezig was zonder te verwittigen, en dat zij ook aansluiten bij het verslag van eerste evaluator Jan DAVID dat stelt dat er soms algemeen bekende abnormale gedragsomstandigheden waren waarin zij moeilijker functioneerde; dat de verwerende partij voorts betoogt dat het Vlaams personeelsstatuut geenszins aan de evaluator de verplichting oplegt om de verschillende resultaatgebieden en functioneringscriteria te bespreken, maar dat het volgens haar wel van belang is dat verzoeksters algemeen gedragspatroon tijdens het grootste deel van de evaluatieperiode een negatieve invloed heeft gehad op haar functioneren, wat gebleken is uit het coderen van verkeerde schoolnummers, de foutieve input van wedde-gegevens en het foutief behandelen van telefonische inlichtingen, terwijl ook de tweede evaluator verzoekster voldoende intelligent acht om haar werk, mits in nuchtere toestand, naar behoren uit te voeren en haar bijgevolg in staat acht om zelf de ongunstige evaluatie in de nieuwe evaluatieperiode te ontkrachten; dat de verwerende partij voorts betoogt dat de ontstentenis van persoonlijke nota’s in het persoonlijk dossier geen afbreuk doet aan de algemene evaluatie, aangezien de betrokkene “de waarborg van de tegensprekelijkheid” heeft; dat zij, wat het argument van de feiten voorafgaand aan de evaluatieperiode betreft, aanvoert dat de tweede evaluator enkel stelt dat de afwezigheden en de schijnbare dronkenschap reeds lang aanwezig zijn, “ook voor de start van de evaluatieperiode”, wat louter declaratief is en geen verband houdt met de evaluatie zelf, die wel degelijk de juiste periode betreft; dat zij besluit dat het verslag van de tweede evaluator op afdoende wijze onderbouwd, nauwkeurig en accuraat is om de bestreden beslissing een deugdelijke grondslag te geven; 2.3. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat de zorgvuldigheidsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur de juistheid en de IX-826-9/13 volledigheid van de feiten waarop een besluit steunt betreft en niet, zoals in de visie van verzoekster en de raad van beroep, het bewijs van die feiten; dat zij herhaalt dat het Vlaams personeelsstatuut nergens voorschrijft dat het bestaan van persoonlijke nota’s vereist is om tot de evaluatie “onvoldoende” te besluiten en dat andere bestuurlijke nota’s of geschriften kunnen bestaan ter ondersteuning van de feiten; dat zij benadrukt dat er geen tegenspraak bestaat tussen de verslagen van de eerste en de tweede evaluator aangezien de eerste impliciet en de tweede expliciet naar dezelfde feiten verwijzen, meer bepaald afwezigheden zonder toestemming, onwettige afwezigheden en schijnbare dronkenschap; dat zij voorts betoogt dat verzoekster haar gedragspatroon uit het verleden, toen onwettige afwezigheden van één dag stelselmatig werden omgezet in verlofdagen, in de loop van 1995 gewoon heeft voortgezet, zowel tijdens als vóór de hier te beschouwen evaluatieperiode en dat om die reden documenten terzake als rechtmatige stavingsstukken kunnen worden beschouwd; dat zij er ook nog op wijst dat verzoeksters stelling dat zij altijd de beoordeling “zeer goed” zou hebben gekregen onjuist is, aangezien ook haar beoordelingsstaat voor de periode augustus 1992 - oktober 1993 “onvoldoende” vermeldt, dat uit de correspondentie van 19 maart 1996 en 26 maart 1996 tussen de afdelingshoofden van de afdeling Personeel-Logistiek-Boekhouding en de afdeling Volwassenenonderwijs blijkt dat verzoekster op 1 en 8 december 1995 onwettig afwezig was en ziektecontrole geweigerd heeft en dat verzoekster zelf toegegeven heeft dat ze bij haar afwezigheid op 8 november 1995 niet tijdig verwittigd heeft; dat de verwerende partij van oordeel is dat om de vermelde redenen al de stukken die zij bijkomend overlegt, rechtmatige stavingsstukken zijn; dat zij daar nog aan toevoegt dat, naar aanleiding van het incident op 31 juli 1995, de betrokken coördinator een ontwerp van tuchtvoorstel heeft opgesteld, waaraan weliswaar door de directeur- generaal van de bevoegde administratie geen gevolg gegeven werd, maar dat wel kan dienen ter ondersteuning van de feiten; 2.4.1. Overwegende dat een zorgvuldige besluitvorming impliceert dat de feiten waarop een beslissing steunt, terdege bewezen zijn; 2.4.2.1. Overwegende dat het college van secretarissen-generaal voor de toekenning van de vermelding “onvoldoende” aan verzoekster, het verslag van de tweede evaluator als basis genomen heeft; dat het daarin een relaas heeft gevonden over “een gedrag van afwezigheid, schijnbare dronkenschap, lastigvallen van collega’s, agressie en zelfs een vechtpartij”; dat het die beschrijving resumeert als “ongepast sociaal gedrag en een gebrek aan verantwoordelijkheidszin”; IX-826-10/13 2.4.2.2. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat het college van secretarissen-generaal, door zijn besluit te steunen op de beschrijvende evaluatie van de tweede evaluator, voorbijgaat aan het gunstig verslag van de eerste evaluator; dat evenwel artikel VIII 28, § 1, van het Vlaams personeelsstatuut uitdrukkelijk bepaalt dat, wanneer de evaluatoren geen consensus bereiken, zij aparte verslagen opstellen; dat derhalve in de omstandigheid dat de tweede evaluator melding maakt van feiten die niet formeel in het verslag van de eerste evaluator Godelieve GYSELINCK vermeld zijn, het bewijs niet gevonden wordt dat de evaluatie niet zorgvuldig gebeurde; 2.4.2.3. Overwegende dat de raad van beroep in zijn advies van 1 april 1996 met betrekking tot het bewijs van de aan verzoekster verweten tekortkomingen vastgesteld heeft “dat geen overtuigingsstukken worden voorgelegd m.b.t. de beweerde dronkenschap”, terwijl de eerste evaluatoren daar ook geen melding van gemaakt hebben, evenmin als zij de vechtpartij van 31 juli 1995 vermeldden; dat het advies er ook op wijst dat “met uitzondering van 8 december 1995 er geen ongewettigde afwezigheden op de dienst waren gelet op de medische attesten die aan het controleorganisme werden toegestuurd” en dat “in hoofde van verzoekster geen ernstige fout, zoals fout coderen of lastigvallen van collega’s, als bewezen voorkomen”; dat het college van secretarissen-generaal op die bemerkingen geantwoord heeft dat men “van de evaluatoren niet kan verwachten dat zij alle opmerkingen uit het evaluatieverslag staven met bewijzen”; dat het daarmee evenwel geen deugdelijk antwoord gegeven heeft op de kritiek opgenomen in het advies van de raad van beroep, aangezien daarin was gesteld -en de gegevens van het administratief dossier spreken dat niet tegen- dat met uitzondering van de afwezigheid van 8 december 1995, geen van de in aanmerking genomen tekortkomingen bewezen was; dat het college van secretarissen-generaal daarbij ook over het hoofd gezien heeft dat de artikelen VIII 11, 3/ en VIII 14 van het Vlaams personeelsstatuut -op grond waarvan in het evaluatiesdossier persoonlijke nota’s worden opgenomen die het relaas bevatten van gunstige of ongunstige feiten die als evaluatiegrond kunnen dienen, die worden opgesteld binnen de maand na de feiten en waarbij de betrokkene zijn opmerkingen bij het evaluatiedossier kan laten voegen- eigenlijk de weg uittekenen waarlangs een evaluatiebeslissing tot stand dient te komen; dat het evaluatiedossier van verzoekster geen persoonlijke nota’s bevat; 2.4.2.4. Overwegende dat, nu de ongunstige beoordeling van verzoekster steunt op bepaalde feiten die volgens het bestuur een negatieve invloed hebben gehad IX-826-11/13 op haar presteren, van een zorgvuldig handelend bestuur verwacht wordt dat het daarover een persoonlijke nota bij het evaluatiedossier van verzoekster gevoegd zou hebben; dat, zelfs indien met de verwerende partij aangenomen kan worden dat niet alle opmerkingen die een evaluator in zijn beschrijvende evaluatie formuleert, door een persoonlijke nota gestaafd moeten worden maar dat het bewijs ervan ook op een andere manier geleverd kan worden, te dezen toch vastgesteld wordt dat er met betrekking tot geen enkel feit een persoonlijke nota opgesteld werd, terwijl de tekortkomingen toch betrekking hadden op punctuele feiten en de tweede evaluator bij zijn beschrijvende evaluatie ook geen precieze bewijselementen aangereikt heeft; dat het college van secretarissen-generaal dan ook, op grond van de beschrijvende evaluatie van de tweede evaluator, niet wettig heeft kunnen besluiten dat de feiten die aan de beoordeling “onvoldoende” ten grondslag liggen, terdege bewezen zijn; 2.4.3. Overwegende dat de verwerende partij met haar laatste memorie nog een aantal stukken overlegt om aan te tonen dat verzoekster in het verleden niet altijd de vermelding “zeer goed” gekregen heeft maar dat zij “om aanverwante redenen als de hier voorliggende” in 1993 de vermelding “onvoldoende” gekregen heeft, dat het “patroon van onwettige ééndagsafwezigheden zich anno 1995 doorgezet heeft”, dat verzoekster in december 1995 niet eenmaal maar tweemaal ongewettigd afwezig was en toen de ziektecontrole weigerde en dat er na het incident van 31 juli 1995 een tuchtvoorstel tegen verzoekster geformuleerd werd dat evenwel geen verder gevolg heeft gehad; dat volgens haar deze stukken kunnen dienen om de evaluatiebeslissing te onderbouwen; dat evenwel de verwerende partij niet aantoont dat de stukken ter kennis waren van het college van secretarissen-generaal op het ogenblik dat het de bestreden beslissing nam; dat met deze nadien opgedoken stukken geen rekening kan worden gehouden bij het beantwoorden van de vraag of het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid is; 2.5. Overwegende dat het derde middel gegrond is, IX-826-12/13 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 18 april 1996 van het college van secretarissen-generaal van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap waarbij Juliette EVERAERT definitief de vermelding “onvoldoende” wordt toegekend. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 29 januari 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld als volgt : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, door de eerste voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de H. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, overleden na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-826-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.207 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.