← België

Arrest 167209 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 29/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.209 Rolnummer: A. 130487/IX-3636 Zaak: Arrest 167209 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 29/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 14:40 Fiche Arrest nr 167.209 van 29 januari 2007 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.209 van 29 januari 2007 in de zaak A. 130.487/IX-

  1. In zake : Christa POOSEN, die woonplaats kiest bij het VSOA - Groep XV, gevestigd te BRUSSEL, François Sebrechtslaan 61 tegen : de stad SINT-TRUIDEN, die woonplaats kiest bij advocaat I. VERHEVEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Havenlaan 86c, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Christa POOSEN op 13 december 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - het besluit van 19 augustus 2002 van de gemeenteraad van Sint-Truiden waarbij de lopende selectieprocedure voor de functie van adjunct-politiecommissaris wordt geannuleerd; - de uit die beslissing blijkende “impliciete intrekking of opheffing van de beslissing van 21 februari 2000 van de gemeenteraad van de stad Sint-Truiden, waarbij enerzijds één betrekking van adjunct-politiecommissaris werd open-verklaard om te begeven via aanwerving en anderzijds om het aanleggen van een wervingsreser- ve”, - de uit die beslissing blijkende “impliciete weigering om een constitutieve beschikking te nemen over de toewijzing of de niet-toewijzing van de functie van adjunct-politiecommissaris conform artikel 27 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten”, - de uit die beslissing blijkende “impliciete weigering om de functie van adjunct- politiecommissaris toe te wijzen aan mevrouw Christa POOSEN conform artikel 27 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten”; IX-3636-1/18 Gelet op het arrest nr. 118.681 van 28 april 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 27 juni 2003 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 14 april 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 16 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. DEBRABANDERE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat I. VERHEVEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : IX-3636-2/18 1.
  4. Op 21 februari 2000 besluit de gemeenteraad van Sint-Truiden één betrekking van adjunct-politiecommissaris open te stellen, te begeven via aan- werving, en tevens een wervingsreserve aan te leggen. Met een brief van 19 maart 2000 stelt verzoekster zich kandidaat. Zij slaagt in het examen, waarvan de uitslag als volgt wordt vastgesteld : Claudine CEULEMANTS behaalt 68%, verzoekster behaalt 67%, Sabine FLAMEND en Monique VERDUYCKT behalen 60%. 1.
  5. Op 21 augustus 2000 besluit de gemeenteraad, na vastgesteld te hebben dat wegens de bevordering van een adjunct-politiecommissaris tot adjunct- politiecommissaris-inspecteur er vanaf 1 september 2000 twee betrekkingen vacant zijn, de volgende lijst van twee kandidaten voor te dragen voor deze twee betrekkingen : - eerste betrekking : eerste kandidaat : Claudine CEULEMANTS; tweede kandidaat : verzoekster; - tweede betrekking : eerste kandidaat : Sabine FLAMEND; tweede kandidaat : Monique VERDUYCKT. 1.
  6. Als gevolg van een klacht van drie niet voor het examen geslaagde kandidaten, wordt het gemeenteraadsbesluit van 21 augustus 2000 bij besluit van 13 oktober 2000 van de gouverneur van de provincie Limburg in zijn uitvoering geschorst. Dat schorsingsbesluit is gebaseerd op de volgende rechtmatig- heidsbezwaren : - het is in strijd met artikel 21 van het administratief statuut, waarin wordt bepaald dat van elk examengedeelte alsook van het geheel der proeven een proces-verbaal van de examenverrichtingen wordt opgemaakt : (er werd slechts één proces- verbaal opgemaakt, met daarin een overzicht van de puntenquotering voor elk schriftelijk examengedeelte en voor het mondeling examen); - door de examencommissie wordt noch voor het schriftelijk, noch voor het mondeling gedeelte van het examen enige “motiverende toelichting of verant- woording” gegeven over de beoordeling van de kandidaten : op de examencopijen werden geen aantekeningen aangebracht, alhoewel er geen gebruik werd gemaakt van type-antwoorden; over het mondeling examengedeelte ontbreekt een verslag waaruit blijkt welke vragen werden gesteld en welke antwoorden de kandidaten naar voor brachten, minstens welke indruk de kandidaat in zijn antwoorden en houding gaf in overeenstemming met de functiebeschrijving; IX-3636-3/18 - het proces-verbaal van de examenverrichtingen werd niet ondertekend door een jurylid (de politiecommissaris te Sint-Truiden), dat nochtans aanwezig was op de deliberatie van het schriftelijk examen en bij het mondeling examen; - de voordracht voor twee betrekkingen is in strijd met het gemeenteraadsbesluit van 21 februari 2000 houdende openverklaring van één betrekking en het aanleggen van een werfreserve : de voordracht gebeurt voor 2 betrekkingen en er werd geen effectieve werfreserve vastgesteld. 1.
  7. Op 27 november 2000 trekt de gemeenteraad het geschorste besluit van 21 augustus 2000 in. 1.
  8. In antwoord op een brief van 8 augustus 2001 van het stadsbestuur van Sint-Truiden, waarin haar wordt meegedeeld “dat de aanwervingsprocedure voor de functie van adjunct-politiecommissaris te Sint-Truiden opnieuw zal worden opgestart”, laat verzoekster weten dat zij nog steeds kandidaat is voor de functie. 1.6.
  9. Bij gemeenteraadsbesluit van 20 augustus 2001 wordt de wervingsreserve voor de functie van adjunct-politiecommissaris als volgt vast- gesteld : - Claudine CEULEMANTS; - verzoekster; - Sabine FLAMEND. 1.6.
  10. Eveneens op 20 augustus 2001, besluit de gemeenteraad de volgende kandidaten voor de vacant verklaarde betrekking van adjunct-politie- commissaris aan de provinciegouverneur voor te dragen : - eerste kandidaat : Claudine CEULEMANTS; - tweede kandidaat : Sabine FLAMEND. 1.7.
  11. Bij besluit van 25 oktober 2001 van de gouverneur van de provincie Limburg wordt het gemeenteraadsbesluit van 20 augustus 2001 houdende vaststelling van een wervingsreserve voor de functie van adjunct-politiecommissaris in zijn uitvoering geschorst. Die schorsing is gebaseerd op de vaststelling dat de gemeenteraad geen rekening heeft gehouden met drie schorsingsgronden die in het schorsings- besluit van 13 oktober 2000 waren opgenomen, met name :

(1)het niet motiveren/verantwoorden van de punten van het examen,
(2)het ontbreken van IX-3636-4/18 aparte PV's per examenonderdeel en
(3)geen ondertekening van het PV door een lid van de jury alhoewel deze aanwezig was op de deliberatie van het schriftelijk en het mondeling examen. 1.7.
  1. Op grond van dezelfde vaststelling, schorst de gouverneur bij een besluit van dezelfde datum het gemeenteraadsbesluit van 20 augustus 2001 houdende de voordracht van twee kandidaten voor de betrekking van adjunct-politiecommissa- ris. Als bijkomende schorsingsgrond wordt overwogen dat in het beschikkend gedeelte van het voordrachtbesluit niet gemotiveerd wordt waarom de niet voorgedragen kandidaat (verzoekster), die nochtans het tweede hoogste aantal punten scoorde op het aanwervingsexamen, niet werd voorgedragen en/of waarom diegene met het slechtste resultaat (Sabine FLAMEND) desondanks toch werd voorgedragen. 1.7.
  2. Op 19 november 2001 neemt de gemeenteraad kennis van de schorsingsbesluiten van 25 oktober
  3. 1.8.
  4. Met een brief van 28 december 2001 informeert de raadsman van verzoekster naar de intenties van het stadsbestuur. Met een brief van 3 januari 2002 antwoordt het college van burgemeester en schepenen dat de kennisname van de schorsingsbesluiten concreet betekent “dat, indien de aanwervingsprocedure opnieuw wordt opgestart, dit zal gebeuren conform de bepalingen van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.”. 1.8.
  5. Met een brief van 17 januari 2002 wijst de raadsman van verzoekster op artikel 27 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politie- diensten (hierna: de wet van 27 december 2000), luidens hetwelk de benoemingspro- cedures in de gemeentelijke politiekorpsen die in uitvoering zijn op datum van inwerkingtreding van deze wet worden voortgezet en afgehandeld overeenkomstig de van kracht zijnde bepalingen daags vóór de inwerkingtreding van deze wet. Hij wijst er tevens op dat de aanwervingsprocedure en de procedure tot het aanleggen van een wervingsreserve is opgestart door het gemeenteraadsbesluit van 21 februari 2000, en dat op dat ogenblik artikel 193 van de nieuwe gemeentewet moest toegepast worden. Hij concludeert dat de aangevatte procedure, conform artikel 27 IX-3636-5/18 van de wet van 27 december 2000, afgehandeld moet worden overeenkomstig artikel 193 van de nieuwe gemeentewet. 1.8.
  6. Met een brief van 22 april 2002 deelt de gouverneur aan het stadsbestuur mee dat in casu de kandidaturen op een ontvankelijke wijze én voor het verstrijken van de reglementair gestelde datum (1 juni 2001) zijn ingediend, dat de gemeenteraad kan besluiten om een nieuwe voordracht te doen, puttend uit de lijst van de geslaagde kandidaten, dat ook dan de oude reglementering van toepassing blijft, dat er in dat geval wel rekening moet gehouden worden met de schorsings- gronden van de besluiten van 25 oktober 2001, dat, indien de gemeenteraad evenwel besluit om een nieuwe rekrutering te doen en de vacature opnieuw open te stellen, de nieuwe kandidaturen niet meer kunnen ingediend worden vóór 1 juni 2001 en de nieuwe wetgeving automatisch van toepassing wordt, dat de huidige geslaagde kandidaten zich normaliter zullen verzetten tegen een nieuwe selectieprocedure omdat zij geen baat hebben bij een nieuwe selectie, dat, aangezien er ten opzichte van de geslaagde kandidaten rechten zijn ontstaan, de gemeenteraad niet zonder meer kan beslissen tot het annuleren van de huidige selectieprocedure, en dat er hiervoor een zeer grondige reden zal moeten worden aangevoerd. 1.8.
  7. Op 21 mei 2002 deelt het college van burgemeester en schepenen aan de raadsman van verzoekster mee dat het, na kennisname van de brief van de gouverneur, besloten heeft om een nieuwe rekrutering te doen en de vacatures opnieuw open te stellen waardoor automatisch de nieuwe wetgeving van toepassing wordt, “om reden dat er bij een nieuwe voordracht telkens beroep wordt aangete- kend waarbij de klagers in het gelijk worden gesteld”. 1.
  8. Op 19 augustus 2002 besluit de gemeenteraad dat de lopende selectieprocedure voor de functie van adjunct-politiecommissaris wordt geannuleerd en dat de eventuele nieuwe selectie dient te gebeuren in toepassing van de -nieuwe- wetgeving op het politiepersoneel. Dat besluit luidt als volgt : "Annulatie lopende selectieprocedure voor de functie van adjunct-politie- commissaris. A. Het overzicht van de aanwervingsprocedure voor de functie van adjunct- politiecommissaris; Gelet op het raadsbesluit van 21/2/2000 waarbij enerzijds één betrekking van adjunct-politiecommissaris werd openverklaard om te begeven via aanwerving en anderzijds om het aanleggen van een wervingsreserve; Gelet op de bekendmaking van deze vacature; IX-3636-6/18 Gelet op de kandidatuurstellingen van: Luc Aerts, Claudine Ceulemants, André Charlier, Sabine Flamend, Danny Knaepen, Chris Koll, Herman Misotten, Paul Pirard, Christa Poosen, Henri Cauwenbergh, Patrick Vanmechelen en Monique Verduickt; Gelet op de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 12/5/2000 waarbij de examencommissie als volgt werd samengesteld: - voorzitter : Jean Lavreysen, directeur PCVO - leden: Michel Beckers, politiecommissaris te Hasselt Frank Mulleners, politiecommissaris te Genk Philip Pirard, politiecommissaris te Sint-Truiden Ivo Delbrouck, 1ste sub. procureur des Konings te Hasselt - secretaris : Sabin Lafosse, afdelingshoofd-personeelsdienst Gelet op het PV van het aanwervingsexamen dd. 7/7/2000 waaruit blijkt dat de volgende kandidaten geslaagd zijn: - Claudine Ceulemants 68 % der punten - Christa Poosen 67 % der punten - Sabine Flamend 60 % der punten - Monique Verduyckt 60 % der punten Gelet op de beslissing van 21/8/2000 waarbij Marc Lammens bevorderd werd tot adjunct-politiecommissaris inspecteur met ingang van 1/9/2000; Overwegende dat door deze bevordering er twee betrekkingen van adjunct- politiecommissaris vacant zijn; Gelet op de beslissing van de gemeenteraad van 21/8/2000 houdende voordracht van twee kandidaten voor twee betrekkingen van adjunct -politie- commissaris nl.: - 1ste betrekking: 1ste kandidaat: Claudine Ceulemants 2de kandidaat: Christa Poosen de - 2 betrekking: 1ste kandidaat: Sabine Flamend 2de kandidaat: Monique Verduyckt Gelet op de bezwaarschriften dd. 11/8/2000 en 1/9/2000, ingediend bij het Provinciaal Gouvernement Limburg van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, ingesteld tegen de gevolgde procedure, inzonderheid tegen onregelmatigheden bij de examenverrichtingen welke voorafgingen aan de voordracht van de kandidaten en tegen de beslissing van de gemeenteraad d.d. 21/8/2000 houdende voordracht van kandidaten; Gelet op de beslissing van 13 oktober 2000 van de gouverneur waarbij het besluit van de gemeenteraad van 21/8/2000 houdende de voordracht van kandidaten voor twee betrekkingen van adjunct-politiecommissaris van Sint- Truiden, geschorst wordt om volgende redenen: - dat er slechts één proces-verbaal werd opgemaakt van het aanwervings- examen wat in tegenstijd is met art. 21 van het administratief statuut van de stad Sint-Truiden waarin bepaald wordt dat voor ieder examendeel een apart proces-verbaal dient te worden opgemaakt; - door de examencommissie noch voor het schriftelijk, noch voor het mondeling gedeelte van het examen enige motiverende toelichting of verantwoording werd gegeven over de beoordeling van de kandidaten; - dat één jurylid, aanwezig op de deliberatie van het schriftelijk examen en bij het mondeling examen, het proces-verbaal van het examen niet ondertekend heeft; - dat er geen effectieve werfreserve werd vastgesteld; Gelet op het raadbesluit van 27/11/2000, waarbij het raadsbesluit van 21/8/2000, houdende voordracht van kandidaten voor twee betrekkingen van adjunct-politiecommissaris, wordt ingetrokken; Overwegende dat de verzoekende partijen (Patrick Vanmechelen, Paul Pirard en Herman Missotten) eveneens een verzoekschrift tot schorsing bij de Raad van State hebben ingediend dd. 5/9/2000; IX-3636-7/18 Gelet op de beslissing van het college van burgemeester en schepenen dd. 29/9/2000 waarbij het advocatenbureau Bogaert & Vandemeulebroeke, Woluwedal 20 te 1932 Sint-Stevens-Woluwe werd aangesteld om de stad Sint- Truiden te vertegenwoordigen inzake de procedures ingesteld bij de Raad van State door de verzoekende partijen, houdende de vordering tot schorsing van voormelde besluiten; Overwegende dat de arresten in voornoemde zaken werden betekend op 5/4/2001; Overwegende dat onze raadsman adviseert om de procedure opnieuw op te starten als volgt: 1e vaststellen van de wervingsreserve; 2e voordracht van 2 kandidaten voor één betrekking; 3e na de benoeming door de gouverneur over te gaan tot de voordracht van 2 kandidaten voor de tweede betrekking; Gelet op de beslissingen van de gemeenteraad van 20/8/2001, houdende vaststelling van de wervingsreserve en de voordracht van kandidaten voor de functie van adjunct-politiecommissaris; Gelet op de ingediende bezwaren van de tegenkandidaten bij de gouverneur; Gelet op de beslissing van de gouverneur van 25/10/2001, houdende schorsing van voornoemde raadsbesluiten; Gelet op het raadsbesluit van 19/11/2001 waarbij de raad kennis neemt van de schorsingsbesluiten van 25/10/2001; Overwegende dat de schorsingsgronden door de Gouverneur aangehaald dezelfde zijn als deze vervat in haar besluit van 13 oktober 2000; dat de materiële en juridische tekorten aan de jury ten laste gelegd, enkel maar te herstellen zijn door een bijkomende deliberatie van de jury; dat de jury door materiële omstandigheden en tijdsverloop, het onmogelijk en onopportuun acht nog te vergaderen; dat derhalve de schorsingsgronden niet kunnen hersteld worden; B. Nieuwe rechtspersoon. Gelet op de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus; Overwegende dat ingevolge deze organisatie van de politie, de lokale politie ondergebracht wordt in één gemeente- en meergemeentenzones; dat deze politiezones aparte besturen uitmaken die, los van de gemeentelijke organisatie, administratieve leiding geven aan de lokale politie; Overwegende dat, ingevolge voornoemde wetgeving, de meergemeenten- zones zelfs een aparte juridische rechtspersoon uitmaken met een eigen juridische handelingsbekwaamheid; Overwegende dat de stad St. Truiden deel uitmaakt van de meergemeenten- zone Gingelom/Sint-Truiden/Nieuwerkerken. Overwegende dat bij koninklijk besluit van 21/2/2002 de lokale politiezone van Gingelom/Sint-Truiden/Nieuwerkerken ingesteld werd op datum van 1/1/2002; Overwegende dat dientengevolge de lokale politie in de meergemeentenzone Gingelom/Sint-Truiden/Nieuwerkerken, vanaf 1/1/2002 geïnstalleerd wordt als een eigen rechtspersoon; dat, dientengevolge alle handelingsbekwaamheid in relatie tot de organisatie van de lokale politie in de meergemeentenzone Gingelom/Sint-Truiden/Nieuwerkerken, uitgaat van deze nieuwe rechtspersoon; dat de stad Sint-Truiden op zich derhalve geen administratieve daden meer kan stellen ten overstaan van de politie; dat in deze optiek de stad Sint-Truiden op zich geen gezagsrelatie meer heeft ten opzichte van haar vroegere politieagenten; Overwegende dat de gemeenteraad bijgevolg geen enkele bevoegdheid meer heeft voor de personeelsaangelegenheden inzake aanwervingen en bevorderin- gen; IX-3636-8/18 dat de politieagenten immers voortaan onder gezag en leiding staan van de nieuwe rechtspersoon; dat deze rechtspersoon derhalve de werkgever is van de lokale politie en de hiërarchische verhoudingen regelt; dat de stad Sint-Truiden op zich derhalve niet in de plaats kan treden om binnen de politieformatie van de zone nog voordrachten te doen; C. Conclusie. Overwegende dat rekening houdend met: 1e de schorsinggronden van de besluiten van de gouverneur van 25/10/2001 het materieel onmogelijk is om de aanwervingsprocedure voor de functie van adjunct-politiecommissaris te herstellen; 2e de installatie van een eigen rechtspersoon van de lokale politie vanaf 1/1/2002; het logisch is om de lopende procedure inzake de aanwerving voor de functie van adjunct-politiecommissaris te annuleren en een eventuele nieuwe rekrutering te doen in toepassing van de nieuwe wetgeving op het politiepersoneel, door de lokale meergemeentenzone; Gelet op de bepalingen van de nieuwe gemeentewet; Besluit: art. 1 - De lopende selectieprocedure voor de functie van adjunct- politiecommissaris wordt geannuleerd. art. 2 - De eventuele nieuwe selectie dient te gebeuren in toepassing van de wetgeving op het politiepersoneel. (...)” 2.
  9. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat overeenkomstig het op 31 december 2000 van kracht zijnde artikel 193, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet, de adjunct-commissarissen van de gemeentelijke politie benoemd worden door de provinciegouverneur uit een lijst van twee kandidaten voorgedragen door de gemeenteraad; dat zij met verwijzing naar die bepaling stelt dat de gemeenteraad niet bevoegd is om verzoekster tot adjunct-commissaris van politie te benoemen en dat hij dan ook niet impliciet geweigerd kan hebben om haar te benoemen, zodat het beroep wat het vierde voorwerp betreft niet ontvankelijk is; 2.
  10. Overwegende dat verzoekster daar op repliceert dat de exceptie “juridische grondslag mist”, aangezien de problematiek van de impliciete weigering van een benoeming samenhangt met de vraag of het bestuur verplicht is de betrokkene te benoemen, hetgeen verband houdt met de grond van de zaak; dat volgens haar noch de vraag naar de bevoegdheid van het orgaan dat de benoeming kan verlenen noch de vraag wie als verwerende partij in een proces daarover moet optreden, te dien aanzien relevant is; dat zij daar subsidiair aan toevoegt dat, gelet op het standpunt van de verwerende partij dat de provinciegouverneur bevoegd is om de benoeming te verrichten, het nuttig kan zijn de gouverneur van de provincie Limburg overeenkomstig artikel 21bis, § 1, eerste lid, tweede volzin van de IX-3636-9/18 gecoördineerde wetten op de Raad van State, in de zaak te betrekken om zich te verdedigen ten aanzien van de beslissing die het vierde voorwerp van het beroep vormt; 2.
  11. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie uiteenzet waarom haar beroep tot nietigverklaring van de impliciete weigering om op grond van de overgangsbepaling van artikel 27 van de wet van 27 december 2000 een adjunct-commissaris te benoemen -het derde voorwerp van haar beroep- en om die benoeming aan haar toe te kennen -het vierde voorwerp-, wel degelijk ontvankelijk is; dat zij in een zeer uitvoerige uiteenzetting het arrest TIBAX, nr. 20.599 van 30 september 1980, ontleedt en daaruit afleidt dat het nut van het bestrijden van een impliciete weigering om te benoemen erin bestaat enerzijds dat de Raad van State, eenmaal hij besloten heeft tot de gegrondheid van het beroep tegen de expliciete benoeming, ook uitspraak moet doen over de vernietigingsgrond die betrekking heeft op een rechtsdwaling of een feitelijke dwaling bij de waardering van de verdiensten van de verzoeker, wat aan de verzoeker het voordeel oplevert dat, in geval van heroverweging, het bestuur geen tweede maal zijn titels en verdiensten foutief mag beoordelen, en anderzijds dat de vernietiging van de bijkomend gevraagde impliciete weigering aanleiding kan geven tot een ruimer rechtsherstel, met name waar de overheid in het annulatiearrest de verplichting zal vinden om het dossier opnieuw in overweging te nemen en dan, afgaande op de vastgestelde verplichting om verzoeker te benoemen, daartoe over te gaan, zelfs met retroactieve werking; dat zij stelt dat bij het louter bestrijden van de benoemingsbeslissing, het bestuur die verplichtingen niet heeft en dat de ontvankelijkheid van het beroep tegen een impliciete weigering zelfs losstaat van de vraag naar de gegrondheid van het beroep; 2.
  12. Overwegende dat voor een goed begrip van de stellingen van de partijen, volgende gegevens onder de aandacht worden gebracht: - artikel 27, eerste lid, van de wet van 27 december 2000 bepaalt dat de be- noemingsprocedures in de gemeentelijke politiekorpsen die in uitvoering zijn op de datum van inwerkingtreding van de wet -1 januari 2001-, voortgezet en afgehandeld worden overeenkomstig de bepalingen die daags voordien van toepassing waren; artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 maart 2001 waarbij die wetsbepaling wordt uitgevoerd, zoals gewijzigd bij artikel 75 van het koninklijk besluit van 20 november 2001, bepaalt dat een benoemingsprocedure wordt geacht in uitvoering te zijn voor het personeelslid dat vóór 1 juni 2001 een akte van kandidaatstelling ingediend heeft; IX-3636-10/18 - niet betwist wordt dat de kandidaatstellingen voor de benoeming in de betrekking van adjunct-politiecommissaris die op 21 februari 2000 vacant verklaard was, ingewonnen zijn vóór 1 juni 2001; dat die ingezette benoemingsprocedure aldus volgens artikel 27 van de wet van 27 december 2000 voortgezet kon worden overeenkomstig de op 31 december 2000 bestaande regelgeving, te weten artikel 193, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet; luidens die bepaling worden de adjunct-commissarissen benoemd door de provinciegouverneur uit een lijst van twee kandidaten, voorgedragen door de gemeenteraad, waaraan de burgemeester een derde kandidaat kan toevoegen; - verzoekster bestrijdt het gemeenteraadsbesluit van 19 augustus 2002 waarbij de benoemingsprocedure wordt geannuleerd of, anders gezegd, ingetrokken of stopgezet; volgens haar ligt in die beslissing besloten dat de gemeenteraad zijn eerder besluit om de betrekking open te verklaren intrekt of opheft, dat hij weigert toepassing te maken van de overgangsregeling van de wet van 27 december 2000 en dat hij weigert haar tot adjunct-commissaris te benoemen; 2.4.
  13. Overwegende dat het eerste voorwerp van het beroep betrekking heeft op de beslissing van 19 augustus 2002 waarbij de lopende selectieprocedure voor de aanwerving van een adjunct-politiecommissaris geannuleerd wordt -artikel 1- en waarbij bepaald wordt dat de eventuele nieuwe recrutering zal gebeuren overeenkomstig de regelgeving die door de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een politiedienst gestructureerd op twee niveaus (hierna: de WGP) en de daarbij aansluitende reglementen uitgewerkt zijn voor de benoeming van het personeel van de meergemeentezones -artikel 2-; dat het tweede voorwerp van het beroep daar één geheel mee uitmaakt, aangezien de gemeenteraad met de stopzetting van de benoemingsprocedure aangeeft dat hij geen enkel rechtsgevolg wenst te koppelen aan zijn beslissing om de benoemingsprocedure op te starten, wat neerkomt op de intrekking of de opheffing van de beslissing waarbij de benoemingsprocedure opgestart werd; dat verzoekster evenwel niet aantoont welk specifiek bijkomend voordeel dat niet reeds vervat is in de vernietiging van het gemeenteraadsbesluit van 19 augustus 2002 zelf, zij verhoopt met de uitdrukkelijke vernietiging van dit impliciet besluit; dat het beroep in zijn tweede voorwerp niet ontvankelijk is; 2.4.1.
  14. Overwegende dat de beslissing tot annulatie van de aanwervingsprocedure -die ook gelezen kan worden als een intrekking of stopzetting van de procedure-, opgenomen in artikel 1 van het eerste bestreden besluit, tot gevolg heeft dat geen toepassing meer gemaakt kan worden van de IX-3636-11/18 overgangsbepaling van artikel 27 van de wet van 27 december 2000 en dat de aanwerving door de stad Sint-Truiden van een adjunct-commissaris, die dan een plaats zal krijgen binnen het lokaal politiekorps waartoe de stad inmiddels is gaan behoren, onmogelijk wordt; dat buiten betwisting staat dat verzoekster belang heeft bij de vernietiging van die beslissing; Overwegende dat de gemeenteraad het voormelde gevolg van de stopzetting van de aanwervingsprocedure in artikel 2 van het bestreden besluit van 19 augustus 2002 expliciet geaffirmeerd heeft, maar dat hij daarmee geen andere rechtsgevolgen heeft kunnen bepalen dan deze welke reeds in de wet zelf besloten liggen; dat die beslissing geen voor vernietiging vatbare handeling vormt; 2.4.1.
  15. Overwegende dat verzoekster de nietigverklaring vordert van de in het gemeenteraadsbesluit van 19 augustus 2002 besloten beslissing waarbij geweigerd wordt een beslissing te nemen over het al dan niet benoemen in de graad van adjunct-commissaris van politie op grond van de overgangsregeling (het derde voorwerp van het beroep) evenals van de impliciete beslissing om precies haar niet in die graad te benoemen (het vierde voorwerp van het beroep); Overwegende dat krachtens artikel 193, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet, de adjunct-politiecommissarissen benoemd worden door de provinciegouverneur, die daarvoor een lijst met twee kandidaten, opgemaakt door de gemeenteraad, ter beschikking krijgt; dat, wanneer de gemeenteraad besluit om geen kandidaten voor benoeming voor te dragen, maar integendeel om de opgestarte aanwervingsprocedure stop te zetten omdat onregelmatigheden vastgesteld zijn bij het examen en omdat het gemeentebestuur niet meer bevoegd is in die materie, hij geen beslissing neemt over het aanvaarden of het weigeren van welke kandidatuur dan ook; dat verzoekster in het gemeenteraadsbesluit van 19 augustus 2002 dan ook niet kan lezen dat de gemeenteraad, door een andere kandidaat te benoemen, haar kandidatuur impliciet heeft afgewezen; dat het beroep niet ontvankelijk is in zijn vierde voorwerp; Overwegende, wat het derde voorwerp betreft, dat de stopzetting van de bevorderingsprocedure -het eerste voorwerp van het beroep- tot gevolg heeft dat geen benoeming meer kan gebeuren volgens de overgangsregeling van artikel 27 van de wet van 27 december 2000; dat met andere woorden, de beslissing tot stopzetting insluit dat de gemeenteraad geen gebruik zal maken van de mogelijkheid IX-3636-12/18 die voormeld artikel 27 hem bood; dat evenwel ook te dezen verzoekster niet duidelijk maakt welk bijkomend voordeel de expliciete vernietiging van die impliciete weigeringsbeslissing haar kan bijbrengen; dat het beroep niet ontvankelijk is wat het derde voorwerp betreft; Overwegende dat met de bestreden beslissing om de ingezette benoemingsprocedure stop te zetten, de gemeenteraad besloten heeft geen benoeming te verrichten overeenkomstig de overgangsbepaling van artikel 27 van de wet van 27 december 2000; dat die beslissing, binnen het kader van de bevoegdheden vastgelegd in artikel 193 van de nieuwe gemeentewet, erop neerkomt dat de verwerende partij geen lijst met twee kandidaten voor benoeming aan de provinciegouverneur zal voorleggen; dat dergelijke beslissing, die enkel betrekking heeft op het vaststellen van een dubbele kandidatenlijst, geenszins de beslissing kan bevatten om verzoekster niet te benoemen; 3.
  16. Overwegende dat verzoekster in het eerste middel onder meer de schending aanvoert van de materiële motiveringsverplichting en van de artikelen 27 en 56 van de wet van 27 december 2000; dat zij zulks als volgt toelicht: - in het bestreden besluit wordt gesteld dat de materiële en juridische tekortkomingen die aan de examenjury worden verweten enkel goedgemaakt kunnen worden door een bijkomende deliberatie van de jury, maar dat de jury het, gelet op de materiële omstandigheden en het tijdsverloop, onmogelijk en inopportuun acht om nog te vergaderen zodat het bestuur niet meer tegemoet kan komen aan de grieven die de provinciegouverneur in zijn schorsingsbesluit heeft uiteengezet; zelfs al zou dat motief materieel bewezen worden, dan is het in ieder geval niet draagkrachtig, aangezien de verwerende partij zich daarmee verschuilt achter een tijdsverloop waarvoor zij zelf verantwoordelijk is, nu zij na het eerste schorsingsbesluit van de provinciegouverneur -het besluit van 13 oktober 2000, waarvan de motieven nadien ook overgenomen zijn in het tweede schorsingsbesluit van 25 oktober 2001- geen enkele moeite gedaan heeft om aan de gemaakte opmerkingen tegemoet te komen maar integendeel een nieuwe voordracht gedaan heeft; in dat verband weze benadrukt dat tussen het gemeenteraadsbesluit van 21 augustus 2000 en de schorsing door de provinciegouverneur minder dan drie maanden verlopen zijn en dat de examenjury op dat ogenblik wel degelijk nog nuttig samengeroepen kon worden; - in de bestreden beslissing wordt ook gesteld dat de stad Sint-Truiden met ingang van 1 januari 2002 geen beslissingen meer kan treffen inzake personeels- IX-3636-13/18 aangelegenheden bij de politie, aangezien de meergemeentenzone Gingelom/Sint- Truiden/Nieuwerkerken nu de werkgever is van het politiepersoneel; die motivering is evenmin draagkrachtig, aangezien de artikelen 27 en 56 van de wet van 27 december 2000 voor de stad precies de rechtsgrond vormen om in een lopende aanwervingsprocedure nog een aantal beslissingen te nemen, waaronder het doen van een voordracht; precies wegens de beslissing van 19 augustus 2002 kan de gehouden selectieprocedure niet langer worden beschouwd als een aan de gang zijnde procedure die de toepassing van artikel 27 van de wet van 27 december 2000 mogelijk maakt; 3.
  17. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt wat volgt: uit de bestreden beslissing blijkt dat het bestuur aan de examenjury gevraagd heeft om een bijkomende deliberatie te houden maar dat de jury het onmogelijk en inopportuun vond om nog te vergaderen; aangezien de examenjury als enige bevoegd is om de examenuitslag vast te stellen was het stadsbestuur wegens de weigering van de jury in de onmogelijkheid om de kritiek die aanleiding had gegeven tot de schorsing van de voordracht, te herstellen en kon zij geen nieuwe voordracht meer doen zonder een nieuw examen te organiseren; inmiddels is de stad Sint-Truiden evenwel deel gaan uitmaken van een meergemeentezone, die een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft; gewis bevat de wet van 27 december 2000 een overgangsregeling voor selecties die in uitvoering zijn op 1 januari 2001, maar geen enkele regel verplicht een bestuur om aangevangen procedures tot het einde toe door te trekken; de stad was dus geplaatst voor een materiële onmogelijkheid om de onregelmatigheid van de lopende procedure op een andere wijze dan met een nieuw examen te herstellen, zulks op een ogenblik dat zij in de aangelegenheid geen bevoegdheid meer had en daarom vond zij het logisch om de lopende procedure niet voort te zetten; in die zin kan het bestreden besluit gezien worden als de intrekking van het besluit van 21 februari 2000, waartegen een annulatieberoep ingediend was en dat overigens op zich geen reden van bestaan meer had aangezien het wegens de stopzetting van de procedure toch niet meer in een eindbesluit kon uitmonden; 3.
  18. Overwegende dat verzoekster daar op repliceert dat de vacantverklaring van een ambt, waardoor het bestuur aangeeft dat er nood is aan het begeven van de vacature, in beginsel impliceert dat het ook begeven wordt, dat zulks alleen dan niet het geval is wanneer aangetoond wordt dat er pertinente redenen bestaan om geen benoeming te verrichten en dat de verwerende partij in dit geval niet aantoont dat de vacantverklaring niet kon uitmonden in een benoeming; IX-3636-14/18 3.
  19. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog betoogt dat, daargelaten de vraag of de stad verantwoordelijk kan zijn voor de ontstentenis van drie afzonderlijke processen-verbaal, zij op de datum van het bestreden besluit “in de onmogelijkheid was” om tegemoet te komen aan de kritiek die de provinciegouverneur in zijn schorsingsbeslissingen had geuit; dat zij ook nog herhaalt dat er op het ogenblik dat het bestreden besluit getroffen werd annulatieberoepen hangende waren tegen het gemeenteraadsbesluit van 21 februari 2000 waarbij de benoemingsprocedure werd opgestart, zodat het opnieuw afnemen van de proeven op dat ogenblik geen oplossing bood; dat zij daar nu aan toevoegt dat het organiseren van een nieuw examen de rechten van de geslaagde kandidaten aangetast zou hebben; dat zij nog benadrukt dat zij op 19 augustus 2002 niet meer tot een nieuwe vacantverklaring kon beslissen, aangezien dergelijke nieuwe vacantverklaring niet als een voortzetting van de procedure kan gezien worden in de zin van artikel 27 van de wet van 27 december 2000; 3.5.
  20. Overwegende dat artikel 27 van de wet van 27 december 2000 een overgangsregeling instelt die aan de gemeentebesturen de mogelijkheid biedt om aan de gang zijnde benoemingsprocedures -met name deze waarvoor de kandidaturen ingediend zijn vóór 1 juni 2001- voort te zetten en daarin zelf een eindbeslissing te nemen; dat niet betwist wordt dat de procedure voor de aanwerving van een adjunct- politiecommissaris die de gemeenteraad van Sint-Truiden met zijn besluit van 21 februari 2001 op gang gebracht heeft onder die overgangsregeling valt; dat de verwerende partij enkel laat gelden dat geen rechtsregel haar belette om, na de schorsing van het tweede voordrachtbesluit van de gemeenteraad -dat niet gerechtvaardigd werd en dat aldus elke juridische waarde verloren heeft-, de benoemingsprocedure stop te zetten; 3.5.2.
  21. Overwegende dat een bestuur er niet toe verplicht is een aangevatte benoemingsprocedure tot het einde toe voort te zetten; dat evenwel, aangezien de vacantverklaring van een betrekking inhoudt dat het bestuur het invullen van de betrekking noodzakelijk acht in het belang van de dienst, de stopzetting van een benoemingsprocedure niet mogelijk is zonder dat het bestuur aantoont dat het daarvoor gegronde redenen heeft die eveneens verband houden met het belang van de dienst; 3.5.2.
  22. Overwegende dat de wetgever zelf heeft aangegeven dat het belang van de dienst -in dit geval de organisatie van de nieuwe politiestructuur- er zich niet IX-3636-15/18 tegen verzet dat de gemeentebesturen in de gevallen als het onderhavige nog beslissingen zouden nemen over aanwervingen; dat de wet van 27 december 2000 immers zelf aanduidt op welke wijze de nog door de gemeenten op hun kader benoemde politieambtenaren in het nieuwe geheel zullen opgenomen worden; dat de gemeenteraad dan ook in de totstandkoming van een nieuwe lokale politiezone met een eigen rechtspersoonlijkheid en in de onmogelijkheid voor de gemeente om in diens plaats “binnen de politieformatie van de zone nog voordrachten te doen”, geen motief kon vinden om de bevorderingsprocedure stop te zetten; 3.5.3.
  23. Overwegende dat het bestreden besluit de op gang gebrachte benoemingsprocedure ook stopzet omdat de “schorsingsgronden” die de provinciegouverneur ten aanzien van de voordrachtbeslissingen van de gemeenteraad heeft doen gelden en die verband houden met het optreden van de examencommissie, “niet hersteld kunnen worden”; dat zulks volgens de verwerende partij het geval is omdat die gebreken niet kunnen hersteld worden zonder “een bijkomende deliberatie”, terwijl de commissie het “door materiële omstandigheden en tijdsverloop onmogelijk en onopportuun acht nog te vergaderen”; 3.5.3.
  24. Overwegende dat, in gevallen als het onderhavige, de examenjury optreedt als een orgaan van de gemeente; dat zij haar werkzaamheden verricht voor rekening van het gemeentebestuur, dat aldus rechtstreeks verantwoordelijk wordt voor haar beslissingen; dat de examenjury de kandidaten examineert en beoordeelt in volle onafhankelijkheid, maar dat zij zich voor het overige dient te schikken naar de instructies die zij van de bevoegde gemeenteorganen ontvangt; dat de verwerende partij zich dan ook niet kan verschuilen achter de stelling -waarvan overigens geen enkel bewijs wordt voorgebracht- dat de examencommissie het onmogelijk en inopportuun achtte om nog te vergaderen teneinde tegemoet te komen aan de kritiek van de provinciegouverneur, die betrekking had op de wijze waarop zij haar beslissing over het examenresultaat geofficialiseerd heeft; dat het gemeentebestuur integendeel aan de examenjury de opdracht had moeten geven om de vastgestelde gebreken met betrekking tot het examen te remediëren en, zo de examencommissie daar niet op wenste in te gaan wegens “materiële omstandigheden” -overigens niet nader gespecifieerd en niet bewezen- en “tijdsverloop”, desnoods de examencommissie van haar opdracht had moeten ontlasten en een nieuwe commissie met een nieuw examen had moeten belasten; IX-3636-16/18 3.5.3.
  25. Overwegende dat de gemeenteraad, na de kennisneming van het schorsingsbesluit van 13 oktober 2000 van de provinciegouverneur, ervoor geopteerd heeft zijn onregelmatig bevonden voordrachtbesluit van 21 augustus 2000 in te trekken en op grond van het bestaande dossier een nieuwe voordracht te doen, zonder te antwoorden op de grieven van de provinciegouverneur met betrekking tot het verloop van het examen; dat het dan ook voorspelbaar was dat de nieuwe voordracht opnieuw de toetsing door de toezichthoudende overheid niet zou doorstaan; dat zulks des te minder kan verantwoorden dat de verwerende partij, teneinde de benoemingsprocedure na een tweede schorsingsbeslissing door de provinciegouverneur dan toch stop te zetten, verwijst naar het tijdsverloop om de examencommissie niet hoeven samen te roepen voor een bijkomende deliberatie; 3.5.
  26. Overwegende dat aan de beslissing van de gemeenteraad om de aanwervingsprocedure te beëindigen geen deugdelijke motieven ten grondslag liggen; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  27. Vernietigd wordt het besluit van 19 augustus 2002 van de gemeenteraad van Sint-Truiden waarbij de lopende selectieprocedure voor de functie van adjunct-politiecommissaris wordt geannuleerd. Artikel
  28. Het beroep wordt voor het overige verworpen. IX-3636-17/18 Artikel
  29. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 29 januari 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld als volgt : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, door de eerste voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de H. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, overleden na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3636-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.209 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.118.681 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.