← België

Arrest 167210 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 29/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.210 Rolnummer: Zaak: Arrest 167210 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 29/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 14:40 Fiche Arrest nr 167.210 van 29 januari 2007 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.210 van 29 januari 2007 in de zaken A. I. 68.866/IX-1917 II. 73.487/IX-

  1. In zake : Herwig EELEN, die woonplaats kiest bij advocaat G. VAN GRIEKEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Vossendreef 4, bus 29 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Herwig EELEN, luitenant bij de Krijgsmacht, op 10 mei 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissingen van 3 april 1995 en van 4 maart 1996 van de minister van Landsver- dediging waarbij het door hem aangeboden ontslag, ingaande op 1 april 1995, respectievelijk op 1 april 1996, geweigerd wordt (zaak A. 68.866/IX-1917); Gezien het verzoekschrift dat Herwig EELEN, luitenant bij de Krijgsmacht, op 8 maart 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 7 januari 1997 van de minister van Landsverdediging waar het door hem aangeboden ontslag, ingaande op 1 januari 1997, geweigerd wordt (zaak A. 73.487/IX-1924); Gelet op het arrest nr. 62.064 van 1 oktober 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten wordt verworpen in de zaak A. 68.866/IX-1917; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de aanvullende memories in beide zaken; IX-1917-1/11 Gezien de verslagen opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikkingen van 5 oktober 1999 die de neerlegging ter griffie van de verslagen en van de dossiers gelasten; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikkingen van 16 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van luitenant-kolonel militair administra- teur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Verzoeker volgde een vorming aan de Koninklijke Militaire School. Hij wordt op 25 december 1989 opgenomen in het kader der beroeps- officieren en dient als luitenant bij de genie. 1.
  4. Op 20 april 1993 sluit hij, met ingang van 1 augustus 1993, een arbeidsovereenkomst met een privé-werkgever. Op 30 april 1993 vraagt hij zijn ontslag uit het kader der beroepsofficieren met ingang van 1 augustus
  5. Op 2 juli 1993 weigert de minister van Landsverdediging dit ontslag omdat de rendementsvoorwaarden niet vervuld zijn. IX-1917-2/11 1.
  6. Op 2 augustus 1993 doet verzoeker een aanvraag tot tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden (TAPA) voor de duur van 12 maanden met ingang van 1 september
  7. Op 2 september 1993 weigert de minister van Landsverdediging dit toe te kennen “wegens encadreringsbehoeften en het niet vervullen van de rendementsvoorwaarden”. 1.
  8. Op 11 januari 1995 vraagt verzoeker zijn ontslag aan uit het kader van de beroepsofficieren met ingang van 1 april 1995 en vraagt hij over te gaan naar het kader van de reserveofficieren. Hij vermeldt als reden van zijn aanvraag : “Mijn schoonvader leidt het familiebedrijf. Wegens ernstige gezondheidsproblemen is de overname door mij, die in andere omstandigheden later zou kunnen gebeuren, zeer dringend. Het uitstel van ontslag zou leiden tot verlies van het bedrijf en mogelijk tot faillissement.” Op 27 maart 1995 zendt hij een fax aan het kabinet van de minister van Landsverdediging, waarin hij stelt : “Indien mijn ontslag ondanks het uiteindelijke, gunstige advies van JSP en de u welbekende precedenten in 1994 toch geweigerd wordt, blijft me omwille van de kritieke situatie geen andere mogelijkheid dan u, met behoud van al mijn rechten, dringend te verzoeken dit ontslag om te zetten in een TAPA voor een periode van één jaar op 1 april 1995.” 1.
  9. Op 3 april 1995 neemt de minister van Landsverdediging volgende beslissing : “Ontslag : geweigerd: rendementsperiode niet vervuld. TAPA : 12 maanden toegestaan op 01 Apr 95.” De weigering van het ontslag vormt het eerste voorwerp van het eerste beroep. 1.
  10. Op 21 december 1995 doet verzoeker opnieuw een aanvraag tot ontslag uit het kader der beroepsofficieren, nu met ingang van 1 april
  11. Hij stelt wat volgt : “
  12. Ik wens met mijn graad en anciënniteit naar het reservekader over te gaan.
  13. Ik weet dat ik niet zal kunnen genieten van de voordelen die, enerzijds voorzien zijn in de reglementering betreffende de werkverschaffing en de werkloosheid en, anderzijds, in de wetgeving betreffende de verzekering tegen ziekte en invaliditeit.” IX-1917-3/11 1.
  14. Op 4 maart 1996 weigert de minister van Landsverdediging ook deze aanvraag op grond van de volgende motivering : “Betrokkene voldoet NIET aan de rendementsvoorwaarden. Mag een verlenging met 1 jaar van zijn TAPA vragen.” De weigeringsbeslissing vormt het tweede voorwerp van het eerste beroep. 1.
  15. Op 13 maart 1996 vraagt verzoeker de verlenging aan van zijn tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden voor de duur van 12 maanden met ingang van 1 april
  16. Dit wordt hem toegestaan. 1.
  17. Op 30 september 1996 vraagt verzoeker opnieuw zijn ontslag aan, ditmaal met ingang van 1 januari
  18. 1.
  19. Op 7 januari 1997 weigert de minister van Landsverdediging opnieuw het ontslag. Hij is van oordeel dat de vormingskosten ten dele terugbetaald moeten worden, dat het niet past om militairen ontslag te laten nemen zonder dat deze vormingskosten terugbetaald zijn en dat, in afwachting van een wettelijke regeling, verzoeker zijn probleem moet oplossen met perioden van tijdelijke ambtsontheffing. Deze beslissing vormt het voorwerp van het tweede beroep. 1.
  20. Op 9 januari 1999 schrijft de minister van Landsverdediging aan verzoeker : “Op 11 januari 1995, 21 december 1995 en 30 september 1996 heeft u het ontslag uit het kader van de beroepsofficieren gevraagd en de wens uitgedrukt over te gaan naar het kader der reserveofficieren. De voornoemde aanvragen werden telkens geweigerd. U bestrijdt deze weigeringen nog steeds voor de Raad van State (zaken A. 68.866/X-6569 en A. 73.487/X-7268). Aangezien u sinds april 1995 niet meer werd heropgenomen in de getalsterkte van de Krijgsmacht, kan ik het door u blijkbaar nog steeds gewenste ontslag heden wel toestaan. De juiste datum van het ontslag, dat zoals u weet moet aanvaard worden door Z.M. de Koning, zal u later worden medegedeeld door de Sectie Administratie van de Divisie Personeel van de Krijgsmacht.” IX-1917-4/11 1.
  21. Bij koninklijk besluit nr. 2176 van 15 januari 1999 wordt het door verzoeker aangeboden ontslag uit het kader der beroepsofficieren aangenomen. Artikel 1 van dit koninklijk besluit luidt als volgt : “Het ontslag uit het ambt dat hij bij het kader der beroepsofficieren van de landmacht bekleedt, aangeboden door : Luitenant Eelen, H. wordt aangenomen op 1 januari
  22. Hij gaat op deze datum, met zijn graad en zijn anciënniteit, over naar het kader der reserveofficieren van de landmacht, korps van de genie. Voor verdere bevordering neemt hij anciënniteitsrang als reserveonderluitenant op 1 juni 1988”;
  23. Overwegende dat de beide beroepen betrekking hebben op de weigering, door de verwerende partij, van het aangevraagde ontslag van verzoeker uit het leger; dat de samenvoeging zich opdringt; 3.
  24. Overwegende dat verzoeker in een “aanvullende memorie van wederantwoord”, ingediend nadat hij kennis had gekregen van het sub 1.
  25. vermeld koninklijk besluit, het voorwerp van de beroepen uitbreidt tot de in dat besluit vermelde datum van ingang van zijn ontslag en zijn overgang naar het reservekader -1 januari 1999- en tot de datum van zijn ranginneming als reserveonderluitenant -op 1 juni 1988-; 3.
  26. Overwegende dat de auditeur-verslaggever in zijn verslagen over de zaken tot het besluit gekomen is dat de uitbreiding van de beroepen niet ontvankelijk is; dat verzoeker in zijn laatste memories dat standpunt “beaamt”; dat de Raad van State dan ook niet verder op deze problematiek moet ingaan;
  27. Overwegende dat verzoeker zijn belang bij de vernietiging van de bestreden beslissingen in zijn verzoekschrift in de zaak nr. A. 68.866 als volgt adstrueerde : hij heeft er belang bij dat zijn vrijwillig ontslag ingewilligd wordt, en dat zijn verhouding met de verwerende partij daarmee definitief geregeld wordt, terwijl zulks met een TAPA-regeling niet het geval is; dat hij in zijn verzoekschrift in de zaak nr. A. 73.487 ook stelt dat zijn vrijwillig ontslag op 1 januari 1997 kan voorkomen dat “men hem een terugbetaling zou opleggen, die naar verluidt een slordige 500.000 f zou belopen”; dat hij in zijn aanvullende memories van wederantwoord, ingediend nadat hij bij koninklijk besluit van 15 januari 1999 zijn ontslag uit het kader der beroepsofficieren had gekregen vanaf 1 januari 1999, uiteenzet dat hij geen belang meer heeft bij de vernietiging “van de beslissing tot aanvaarding van het IX-1917-5/11 ontslag op zich” maar dat hij zich nog gegriefd voelt “door het feit dat de verwerende partij het ontslag niet aanvaard heeft op de door (hem) zelf aangevraagde datum”, omdat de tijdelijke ambtsontheffingen die hij heeft moeten vragen hem geen dienstanciënniteit in het actief kader opgeleverd hebben en hij die anciënniteit ook moet derven in het reservekader; dat hij er in die memorie van uitgaat dat na de vernietiging van de weigering van zijn ontslag de verwerende partij hem “de jure (zal) opnemen in het kader van de reserveofficieren met de graad en de anciënniteit in die graad die hij bekleedde op de aangevraagde ontslagdatum”, dat hij aldus “anciënniteit herwint in het kader van de reserveofficieren” en dat met een vernietiging erga omnes vast-gesteld wordt dat hij “op de initiële datum ontslagen diende te worden”; 4.
  28. Overwegende dat verzoeker, als gevolg van het sub 1.
  29. vermelde besluit, waarbij hij met ingang van 1 januari 1999 ontslag uit het beroepskader verkregen heeft, definitief het beroepskader van de Krijgsmacht verlaten heeft; dat, met dat gegeven voor ogen en rekening houdend met het feit dat het de wens van verzoeker was om zo snel mogelijk uit het beroepskader van de Krijgsmacht te kunnen treden, de auditeur onderzocht heeft of de genoegdoening die verzoeker aldus gekregen heeft, niet van aard is om hem het actueel belang, zoals hij dat in zijn aanvullende memories van wederantwoord uiteenzet, bij de ingediende beroepen te ontzeggen; dat hij tot het besluit gekomen is dat de verwijzing naar de anciënniteit in het reservekader niet dienstig betrokken kan worden bij de onderhavige zaak waarin verzoeker enkel de weigering van zijn ontslag uit het beroepskader bestrijdt, dat de toepasselijke reglementering niet voorziet in een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij zodat verzoeker ten onrechte stelt dat met een vernietiging erga omnes vastgesteld zal worden dat hij op de door hem gevraagde datum ontslagen moest worden en in het reservekader opgenomen worden en dat verzoeker met het koninklijk besluit van 15 januari 1999 genoegdoening gekregen heeft, zodat geen actueel belang meer aanwezig is; 4.
  30. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memories betoogt dat de betwisting over de weigering om hem te ontslaan noodzakelijk de weigering inhoudt om hem in het reservekader op te nemen, zodat de verwijzing naar zijn anciënniteit in het reservekader wel degelijk relevant is; dat hij ook nog stelt dat hij geen ontslag heeft gekregen op de door hem aangevraagde datum zodat hij ook op dat vlak geen volledige voldoening heeft gekregen; dat hij de problematiek van het actueel belang bekritiseert en betoogt dat het niet uitgesloten is dat hem retroactief rechtsherstel verleend wordt en dat, indien er vóór 15 januari 1999 geen uitspraak over zijn beroepen werd gedaan, zulks te wijten is aan de tijd die een procedure bij IX-1917-6/11 de Raad van State in beslag neemt hetgeen, wegens de discriminatie waarvan hij omwille van dit “external element” het slachtoffer is, reden moet zijn om aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen over de gelijke behandeling van verzoekers die in zijn geval verkeren en verzoekers die niet geconfronteerd worden met een beslissing die hen laattijdig en niet-retroactief genoegdoening verschaft; 4.
  31. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog stelt, enerzijds, dat de vorderingen van verzoeker verschillende data vermelden waarop zijn ontslag en zijn opname in het reservekader moet ingaan en, anderzijds, dat “verzoeker zich klaarblijkelijk geschikt heeft in het definitief en rechtens onaantastbaar koninklijk besluit van 15 januari 1999”, wat haar doet besluiten dat “bij gebrek aan coherentie” verzoeker nog steeds niet duidelijk maakt waaruit de door hem nagestreefde “volledige genoegdoening” bestaat; 4.4.
  32. Overwegende dat verzoeker in de loop van de procedure, na een nieuwe beslissing van de verwerende partij, het actief kader van de Krijgsmacht heeft mogen verlaten; dat, aangezien hij op die wijze het voordeel heeft gekregen dat hij met de vernietiging van de bestreden beslissingen nastreefde -weliswaar niet op 1 april 1995, op 1 april 1996 of op 1 januari 1997, maar op 1 januari 1999-, de vraag rijst op welke wijze de vernietiging van een van de bestreden beslissingen hem nog van nut kan zijn, dit wil zeggen welk tastbaar voordeel dergelijke vernietiging hem nog kan opleveren; dat het aan de verzoeker behoort om het bestaan van dergelijk bijkomend voordeel concreet aan te tonen; dat hij zulks heeft pogen te doen in zijn aanvullende memories van wederantwoord en in zijn laatste memories; Overwegende dat, na de vernietiging van de weigering om het door verzoeker op 11 januari 1995, op 21 december 1995 of op 30 september 1996 aangevraagde ontslag te aanvaarden, de verwerende partij opnieuw geconfronteerd zal worden met de aanvraag van verzoeker, waarover zij een beslissing moet nemen; dat verzoeker weliswaar niet aantoont en dat uit de gegevens van het dossier ook niet blijkt dat de verwerende partij in het vernietigingsarrest de dwingende rechtsplicht zal aantreffen om hem retroactief tot 1 april 1995, tot 1 april 1996, of tot 1 januari 1997 ontslag te verlenen -een vernietigingsarrest zal dan ook geenszins impliceren dat hij op een bepaalde datum ontslagen moest worden-, maar dat de verwerende partij van haar kant ook niet aantoont dat het voor haar onmogelijk is na een vernietigingsarrest alsnog verzoeker retroactief tot 1 april 1995, tot 1 april 1996 of tot 1 januari 1997 genoegdoening te geven; dat te dien aanzien ook opgemerkt wordt dat de omstandigheid dat verzoeker het koninklijk besluit nr. 2176 van 15 januari IX-1917-7/11 1999 niet bestreden heeft, de verwerende partij niet belet om, door het gevraagde ontslag eerder te laten ingaan, aan verzoeker een bijkomend voordeel toe te kennen; dat, met andere woorden, de verwerende partij niet aantoont dat het uitgesloten is dat verzoeker thans nog ontslag kan krijgen vanaf 1 april 1995, 1 april 1996 of 1 januari 1997 zodat de vernietiging van één van de bestreden beslissingen voor verzoeker een nieuwe kans creëert om van de verwerende partij een gunstige beslissing te verkrijgen; dat, daargelaten de vraag of de loutere mogelijkheid dat de verwerende partij verzoeker ter wille kan zijn wel volstaat om het bestaan van een actueel belang te aanvaarden, in dit geval vooral de vraag rijst of verzoeker wel concreet aantoont welk voordeel hij thans nog kan halen uit het vervroegen van de ingangsdatum van zijn ontslag van 1 januari 1999 tot 1 april 1995, tot 1 april 1996 of tot 1 januari 1997; 4.4.
  33. Overwegende dat verzoeker verwijst enerzijds naar het verwerven van anciënniteit in het kader van de reserveofficieren en anderzijds naar de verhoopte vaststelling “erga omnes en ex tunc” dat hij “op de initiële datum diende ontslagen te worden”; 4.4.2.
  34. Overwegende dat verzoeker kan gevolgd worden in zijn redenering dat de weigering om hem uit het beroepskader te ontslaan, de weigering impliceert om hem in het reservekader op te nemen; dat hij immers in zijn aanvragen tot ontslag steeds de wens heeft uitgedrukt om naar het reservekader over te gaan; dat evenwel verzoeker op geen enkele wijze verduidelijkt welk nadeel hij, als officier in het reservekader, reeds geleden heeft omdat zijn overplaatsing slechts op 1 januari 1999 plaatsgevonden heeft -met ranginneming op 1 juni 1988- of welk concreet voordeel hij op dit ogenblik nog kan verwachten van een mogelijke wijziging van de datum van zijn overplaatsing of zijn ranginneming; dat dergelijk voordeel ook niet evident is, aangezien het koninklijk besluit van 15 januari 1999 zijn anciënniteitsrang als reserveluitenant, met het oog op verdere bevordering laat ingaan op 1 juni 1988, waarmee zijn loopbaan in het reservekader volledig losgekoppeld is van de wijzigingen aan zijn statuut in het beroepskader; IX-1917-8/11 4.4.2.
  35. Overwegende dat, waar verzoeker in algemene bewoordingen verwijst naar het feit dat hij geen algehele voldoening heeft gekregen en dat het niet uitgesloten is dat een vernietiging hem dat volledig rechtsherstel wel bezorgt, hij daaraan geen concreet materieel voordeel verbindt; dat zijn uiteenzetting op dat vlak derhalve alleen gezien kan worden in het kader van de morele genoegdoening die een vernietiging hem kan bezorgen maar dat, bij gebrek aan nadere concretisering ook op dat vlak, het voordeel dat hij nastreeft niet verder reikt dan het eenvoudig onwettig horen verklaren van de bestreden beslissingen, hetgeen een indirect belang betreft waarmee de Raad van State geen rekening houdt; 4.4.
  36. Overwegende dat verzoeker niet aantoont dat de vernietiging van de bestreden besluiten hem een tastbaar voordeel kan opleveren dat zich voegt bij de voordelen die hem reeds door het koninklijk besluit van 15 januari 1999 gegeven zijn; dat niet voldaan is aan een wezenlijk bestanddeel van het belang dat de wet vereist om een annulatieberoep in te stellen en er uitspraak te kunnen over doen; 4.4.
  37. Overwegende dat verzoeker niet concreet aanduidt op welke wijze de vernietiging van de weigering om hem op 1 januari 1997 ontslag te verlenen hem een voordeel kan opleveren in het kader van de toepassing van de wet van 16 maart 2000 betreffende het ontslag van bepaalde militairen en de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming van bepaalde kandidaat-militairen, de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen door de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden, nu verzoeker ontslag gekregen heeft vanaf 1 januari 1999 en de wet van 16 maart 2000 uitwerking heeft vanaf 16 april 2000; 5.
  38. Overwegende dat verzoeker vraagt dat de Raad van State aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag zou stellen over de schending van het gelijkheidsbeginsel doordat de Raad van State aan verzoeker het belang bij het annulatieberoep ontzegt omdat het bestuur hem in de loop van het geding met een nieuwe beslissing genoegdoening heeft gegeven terwijl die beslissing, aangezien zij niet terugwerkt tot op de datum dat het bestreden besluit uitwerking heeft gehad en de bestreden beslissingen ook niet intrekt, geen volledig rechtsherstel verleent en terwijl een andere verzoeker, wiens beroep wordt onderzocht vooraleer een dergelijke nieuwe beslissing tot stand komt, de ontvankelijkheidsexceptie van het gebrek aan actueel belang niet tegengeworpen krijgt en er een verplichting bestaat om in geval van vernietiging retroactief rechtsherstel te verlenen; dat volgens verzoeker deze prejudiciële vraag moet luiden als volgt : IX-1917-9/11 “Schenden de art. 14 en 19 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State de art. 10 en 11 van de Grondwet, inzoverre ze geïnterpreteerd worden als inhoudende dat de Raad van State de rechtmatigheid van verzoekers belang tot het vorderen van de vernietiging met gezag erga omnes en ex tunc van de weigering van een vrijwillig ontslag in de loop van de procedure kan ontzeggen -desgevallend ambtshalve- op de grond van de bevinding dat de aanvraag tot vrijwillig ontslag, voorwerp van het verzoekschrift tot vernietiging, later werd ingewilligd zonder dat deze latere rechtshandeling evenwel ingang heeft op de aanvankelijk gevraagde ontslagdatum en zonder dat de bestreden akte hiermede ingetrokken wordt en in acht genomen enerzijds het feit dat deze exceptie niet zou onderzocht zijn geweest, indien de Raad van State voordien zoniet de grond van de zaak, dan minstens de ontvankelijkheid zou onderzocht hebben, en anderzijds het feit dat retroactief rechtsherstel dient verleend te worden?”; 5.
  39. Overwegende dat het Arbitragehof in zijn arrest nr. 13/2004 van 21 januari 2004 een identieke prejudiciële vraag van de Raad van State, gesteld in een geding waarin dezelfde juridische problematiek onderzocht werd, reeds beantwoord heeft; dat het Hof geen schending van het gelijkheidsbeginsel vastgesteld heeft, in zoverre de betrokkene “wordt uitgenodigd aan te tonen welk voordeel de vernietiging van een bestuurlijke weigeringsbeslissing hem nog kan opleveren, ondanks de latere inwilliging, zonder terugwerkende kracht, van zijn aanvraag”; 5.
  40. Overwegende dat verzoeker in zijn aanvullende memories van wederantwoord en in zijn laatste memories een uiteenzetting gegeven heeft over zijn belang, zoals dat volgens hem nog bestond nadat met het koninklijk besluit van 15 januari 1999 zijn ontslag was aanvaard vanaf 1 januari 1999 en zijn initieel belang reeds teloorgegaan was; dat hij ter terechtzitting ook geen verdere toelichting meer verstrekt heeft; dat hiervoor is uiteengezet dat verzoeker daarmee niet aantoont nog over het vereiste actueel belang te beschikken, BESLUIT: Artikel
  41. De beroepen nrs. A. 68.866/IX-1917 en A. 73.487/IX-1924 worden samengevoegd. IX-1917-10/11 Artikel
  42. De beroepen worden verworpen. Artikel
  43. De kosten van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Het bedrag van 99,16 euro fiscale zegels, teveel aangebracht op het verzoekschrift tot nietigverklaring in de zaak A. 68.866/IX-1917, wordt aan de verzoekende partij terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 29 januari 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld als volgt : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, door de eerste voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de H. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, overleden na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-1917-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.210 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.