id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.212 Rolnummer: A. 144628/IX-3996 Zaak: Arrest 167212 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 29/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 14:41 Fiche Arrest nr 167.212 van 29 januari 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.212 van 29 januari 2007 in de zaak A. 144.628/IX-
- In zake : Ignaas VAN HALST, die woonplaats kiest bij advocaat H. RIEDER, kantoor houdende te GENT, Recollettenlei 39-40 tegen : het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, dat woonplaats kiest bij advocaten R. DEPLA en M. STUBBE, kantoor houdende te BRUGGE (SINT-KRUIS), Karel van Manderstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ignaas VAN HALST op 28 november 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 2 oktober 2003 van de minister van Volksgezondheid om hem in afwachting van de resultaten van het gerechtelijk onderzoek geen prestaties meer te laten verrichten voor het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselke- ten; Gelet op het arrest nr. 128.905 van 8 maart 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 5 augustus 2004 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-3996-1/8 Gelet op de beschikking van 14 april 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VANDERMEERSCH die, loco advocaat H. RIEDER verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat E. ENEMAN die, loco advocaat R. DEPLA verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Verzoeker werd met toepassing van het koninklijk besluit van 4 juli 1986 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dierenartsen die op de wervingsreserve van het Instituut voor Veterinaire Keuring zijn ingeschreven, met bijzondere opdrachten kunnen worden belast, gemachtigd keuringsopdrachten te verrichten. Hij oefent aldus sinds 1986 keurings- en controletaken uit in het slachthuis van Tielt en Ruiselede. 1.
- In een brief van 8 september 2003 deelt de procureur des Konings te Kortrijk aan de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent mede dat het gerechtelijk onderzoek dat lastens J.L. was ingesteld “wegens inbreuken op het KB 12.04.1974 en de Wet 24.02.1921" op 3 september 2003 uitgebreid is naar verzoeker, dat verzoeker “wordt gelijkgesteld met een in verdenking gestelde” en dat IX-3996-2/8 aan de tuchtoverheid van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: het FAVV) gevraagd dient te worden om tegen verzoeker “de gepaste tuchtmaatregelen” te nemen . 1.
- Op 10 september 2003 maakt de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent de brief van de procureur des Konings over aan het FAVV “teneinde (het bestuur) toe te laten de gepaste tuchtmaatregelen te nemen”. 1.
- Op 2 oktober 2003 deelt de minister van Volksgezondheid, op voorstel van de gedelegeerd bestuurder van het FAVV, aan verzoeker het volgende mede : "U werd met een opdracht belast in toepassing van het koninklijk besluit van 4 juli 1986 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dierenartsen, die op de wervingsreserve van het Instituut voor Veterinaire Keuring zijn ingeschreven, met bijzondere opdrachten kunnen belast worden. In het kader van deze opdracht worden U door het hoofd van de keurkring keurings- en controletaken toegekend. Momenteel loopt tegen U een gerechtelijk onderzoek wegens eventuele betrokkenheid bij het onwettig gebruik van farmacologische stoffen. Bij brief van 8 september 2003, die door de heer Procureur-Generaal bij het Hof van beroep te Gent aan de heer Gedelegeerd Bestuurder van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen is toegestuurd, deelt de heer Procureur des Konings te Kortrijk mede dat U door de heer onderzoeks- rechter wordt gelijkgesteld met een in verdenking gestelde gelet op de uitbreidende vordering in het gerechtelijk onderzoek. Omwille van het belang dat het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen hecht aan de strijd tegen het onwettig gebruik van farma- cologische stoffen en de bescherming van de credibiliteit van het agentschap ten opzichte van de maatschappij, heb ik beslist om U in afwachting van de resultaten van de gerechtelijke procedure, geen prestaties meer te laten verrichten voor het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedsel- keten. Deze maatregel heeft uitwerking vanaf de dag volgend op de betekening van deze brief. (...)". Dit is de thans bestreden beslissing; 2.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede middel betoogt dat het bestreden besluit een einde stelt aan zijn opdracht maar dat dit gebeurd is zonder dat hij gehoord werd, hetgeen een schending uitmaakt van artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 4 juli 1986 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dierenartsen (...) met bijzondere opdrachten kunnen belast worden en van het IX-3996-3/8 beginsel dat het bestuur ertoe verplicht aan de persoon tegen wie een maatregel wordt overwogen die hem ernstig in zijn belangen kan schaden, de mogelijkheid te geven “om zijn standpunt met betrekking tot de overwogen maatregel kenbaar te maken”; dat hij stelt dat hij door de bestreden beslissing ernstig in zijn belangen geschaad wordt omdat het hem voor langere tijd onmogelijk gemaakt wordt nog een inkomen als keurder te verwerven en omdat zijn reputatie als dierenarts wordt aangetast; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit geen einde stelt aan een lopende opdracht maar dat het gaat om een maatregel in het belang van de dienst en dat de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur niet absoluut is in die zin dat het horen achterwege kan blijven wanneer de feiten vatbaar zijn voor eenvoudige constatatie; dat zulks volgens haar te dezen het geval is, aangezien het horen van verzoeker niets veranderd zou hebben aan het feit dat de onderzoeksrechter hem gelijkgesteld had met een in verdenkinggestelde, dat de procureur-generaal het FAVV verzocht had een tuchtmaatregel te treffen en verzoeker tijdens het verhoor niet zou hebben kunnen ontkennen dat er een gerechtelijk onderzoek tegen hem loopt; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat hij nooit de kans gekregen heeft zijn mening uiteen te zetten omtrent de maatregel die het bestuur tegen hem overwoog, terwijl de betreden beslissing hem belet voor langere tijd een inkomen te verwerven en zijn reputatie aantast; dat hij vindt dat een verhoor wel degelijk nuttig ware geweest, nu hij argumenten had kunnen aanbrengen ten aanzien van de vaststelling van de gerechtelijke overheid dat hij “gelijk gesteld (werd) met een in verdenkinggestelde”; dat hij ook verwijst naar het arrest nr. 124.404 van 20 oktober 2003 inzake H.S., gewezen over een vordering tot schorsing “in een quasi-identieke zaak” en benadrukt dat de verzoeker in die zaak wel degelijk in verdenking gesteld was; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie verwijst naar het arrest nr. 126.150 van 8 december 2003 inzake J.L., waarin de Raad van State aangenomen heeft dat het bestuur met de brief van de procureur-generaal voldoende geïnformeerd was om ook zonder nader horen van verzoeker een beslissing te nemen in het kader van de behoorlijke werking van het FAVV; dat zij betoogt dat het enig verschil tussen de zaken H.S. en J.L. erin bestond dat laatstgenoemde aangehouden was, terwijl er in beide gevallen sprake was van een IX-3996-4/8 gerechtelijk onderzoek inzake onwettig gebruik van farmacologische stoffen en terwijl de onderzoeksrechter in beide gevallen oordeelde dat er voldoende aanwijzingen van schuld waren en de procureur-generaal het FAVV gevraagd had een tuchtmaatregel op te leggen en verzoeker naderhand zelfs ook effectief aangehouden is; 2.
- Overwegende dat, zo uit de bewoordingen van het verzoekschrift weliswaar opgemaakt zou kunnen worden dat het middel beperkt is tot de vraag of de verwerende partij verzoeker terdege in kennis gesteld heeft van de maatregel die zij zou treffen, de verwerende partij het middel blijkens de memorie van antwoord in ieder geval begrepen heeft als de schending van de hoorplicht in zijn globaliteit; dat, nu de repliek van verzoeker ook die draagwijdte heeft, de Raad van State het middel leest zoals de verwerende partij het begrepen heeft; 2.5.
- Overwegende dat artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 4 juli 1986 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dierenartsen die op de wervingsreserve van het Instituut voor Veterinaire Keuring zijn ingeschreven, met bijzondere opdrachten kunnen worden belast, bepaalt dat de minister van Volksge- zondheid onder bepaalde voorwaarden en “de dierenarts gehoord”, een einde kan stellen aan de opdrachten van de dierenartsen; Overwegende dat het bestreden besluit de opdrachten waarmee verzoeker belast was, niet beëindigt; dat er wel wordt beslist dat verzoeker tijdelijk, met name tot de resultaten van het gerechtelijk onderzoek bekend zijn, geen opdrachten meer zal krijgen; dat dergelijk besluit dan ook niet onderworpen is aan de hoorplicht, ingesteld door artikel 7, § 2, van voornoemd koninklijk besluit van 4 juli 1986; 2.5.
- Overwegende dat het bestreden besluit verzoeker wel belet nog voort, en tot na de afronding van de gerechtelijke procedure, keuropdrachten voor de verwerende partij te verrichten; dat zulks voor hem een geldelijk verlies inhoudt en zijn reputatie als dierenarts negatief kan beïnvloeden; dat verzoeker aldus geconfronteerd wordt met een maatregel van inwendige orde die ernstige gevolgen heeft voor zijn persoonlijke situatie; IX-3996-5/8 Overwegende dat het beginsel van behoorlijk bestuur betreffende de hoorplicht er zich tegen verzet dat de overheid tegen iemand een ernstige maatregel treft die gegrond is op een gegeven dat hem als een tekortkoming wordt aangerekend en die van aard is om zijn belangen ernstig aan te tasten zonder hem vooraf de gelegenheid te bieden zijn standpunt op een nuttige wijze te doen kennen; Overwegende dat buiten betwisting staat dat de bestreden beslissing van aard is om de belangen van verzoeker zwaar aan te tasten en dat de maatregel gegrond is op zijn persoonlijk gedrag; dat de verwerende partij ook niet betwist dat verzoeker op geen enkele wijze de gelegenheid gekregen heeft om zijn standpunt met betrekking tot de feiten waarop de maatregel steunt -het ingestelde gerechtelijk onderzoek wegens zijn mogelijke betrokkenheid bij het onwettig gebruik van farmacologische stoffen en de daarop gesteunde vraag van de procureur-generaal om hem een tuchtstraf op te leggen- in het besluitvormingsproces te laten gelden; Overwegende dat de verwerende partij niet ontkent dat de hoorplicht geldt voor beslissingen als de bestredene, maar dat zij meent zich te kunnen beroepen op de uitzonderingssituatie dat het horen in dit geval niets kon veranderen aan het feit dat er tegen hem een gerechtelijk onderzoek lopend was, dat hij door de onderzoeksrechter “gelijkgesteld (was) met een in verdenking gestelde” en dat de procureur-generaal het bestuur verzocht had “de gepaste tuchtmaatregel” te treffen; dat zij inzonderheid een parallel trekt met de zaak J.L., waarin de Raad van State in zijn arrest nr. 126.150 van 8 december 2003 met betrekking tot het dossier waaraan de gerechtelijke overheden de zaak van verzoeker gekoppeld hebben, geoordeeld heeft dat de mededeling van de procureur-generaal voldoende duidelijk stelde dat J.L. het rechtstreeks voorwerp vormde van een gerechtelijk onderzoek wegens het onwettig gebruik van farmacologische stoffen en dat hij daarvoor in verdenking was gesteld en dat het bestuur daarmee, samen met de vaststelling dat de betrokkene voor die feiten aangehouden was, over voldoende precieze en bewijs- krachtige informatie beschikte om zonder verder onderzoek te beslissen hem voor een zekere tijd niet meer te laten werken voor het FAVV; Overwegende dat de mededeling over het instellen van een gerechtelijk onderzoek op zich niet volstaat om een maatregel als de bestredene te treffen; dat de verwerende partij de bestreden beslissing genomen heeft op grond van de mededeling dat de gerechtelijke overheden het lopende gerechtelijk onderzoek tegen J.L. wegens inbreuken op de wet van 21 februari 1921 uitgebreid hebben naar IX-3996-6/8 verzoeker, “eveneens wegens inbreuken op de reeds vermelde wetgeving”; dat die mededeling geen nadere specificatie bevatte over de precieze feiten die aan de tenlastelegging(en) tegen verzoeker ten grondslag lagen; dat het gerechtelijk onderzoek slechts opgestart is zes maanden na dat tegen J.L.; dat voorts de omstandigheid dat in de mededeling ook wordt aangegeven dat verzoeker “gelijkgesteld wordt met een in verdenking gestelde”, erop wijst dat de houding die de gerechtelijke overheden in hun brief aan de verwerende partij tegen verzoeker aangenomen hebben niet dezelfde was als deze aangenomen tegen J.L.; dat de vaststelling dat, in die omstandigheden, de gerechtelijke overheid geen nadere informatie verstrekt heeft over de feiten die zij aan verzoeker ten laste legde of over de bewijsgegevens waarop haar beslissing steunde, meebrengt dat de verwerende partij verzoeker niet zonder nader onderzoek over de precieze aard van de tenlasteleggingen en hun weerslag op de uitoefening van zijn opdracht, kon uitsluiten van verdere opdrachten tot de resultaten van de gerechtelijke procedure bekend waren; dat verzoeker in het kader van dat onderzoek de mogelijkheid diende te krijgen om zijn standpunt ter zake ter kennis van het bestuur te brengen; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 2 oktober 2003 van de minister van Volksgezondheid om Ignaas VAN HALST in afwachting van de resultaten van het gerechtelijk onderzoek geen prestaties meer te laten verrichten voor het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-3996-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 29 januari 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld als volgt : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, door de eerste voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de H. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, overleden na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3996-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.212 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.128.905 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div