← België

Arrest 167223 - Wapens - 29/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.223 Rolnummer: A. 177921/VII-37745 Zaak: Arrest 167223 - Wapens - 29/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 14:45 Fiche Arrest nr 167.223 van 29 januari 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Verwerping voorlopige maatregelen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.223 van 29 januari 2007 in de zaak A. 177.921/XII-

  1. In zake : Laurent SAVERWYNS, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. Claes, kantoor houdende te Brussel, Léon Cuissezstraat 33 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Laurent Saverwyns op 23 oktober 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 10 augustus 2006 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant waarbij hem de vergunning geweigerd wordt tot het dragen van een verweer- vuurwapen; Gezien het verzoekschrift dat Laurent Saverwyns eveneens op 23 oktober 2006 heeft ingediend om bij wege van voorlopige maatregel te horen bevelen dat verwerende partij hem een voorlopige vergunning tot het dragen van een wapen dient te verlenen; Gezien de nota’s van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 4 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-4902-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat Ph. Claeys, die verschijnt voor verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; NA BERAAD WIJST DE RAAD VAN STATE VOLGEND ARREST : De voornaamse feiten
  2. Verzoeker is juwelier en heeft een vergunning voor het bezitten van een pistool Browning, PRO-9, 9 mm. Hij dient op 25 oktober 2005 bij de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant een aanvraag in tot het verkrijgen van een draagvergunning voor het wapen. Als reden wordt opgegeven: persoonlijke bescherming ten gevolge van verschillende agressies. Het advies van 12 januari 2006 van de procureur des Konings te Brussel is ongunstig. De provinciegouverneur weigert de aanvraag bij besluit van 3 mei 2006, om de volgende redenen : “De uitreiking van een draagvergunning voor een verweervuurwapen met als reden het verzekeren van de eigen veiligheid is aan strikte voorwaarden onderworpen. De reglementering terzake zegt duidelijk dat de aanvrager in dat geval dient aan te tonen dat hij een bijzonder, de normale grenzen overschrijdend, gevaar loopt en dat het dragen van een wapen dit gevaar kan doen verminderen. Het is vanzelfsprekend dat de aanvrager hiervan het bewijs moet leveren. De overval waarvan de heer Saverwyns beweert het slachtoffer te zijn geweest, heeft zich voorgedaan in diens woning. Om zich te beschermen tegen agressie in de eigen woning, weze het dan dat men voor die bescherming zijn toevlucht zoekt tot een vuurwapen, heeft men geen draagvergunning voor een verweervuurwapen nodig. Een bezitsvergunning volstaat (hierbij moet het dan nog steeds duidelijk zijn dat het verweer in verhouding moet staan met de ondergane agressie). In het dossier wordt niet aangetoond dat de heer Saverwyns ook buiten zijn woning of zijn winkel (en hier geldt m.b.t. de persoonlijke bescherming dezelfde regel als hierboven gesteld voor de eigen woonst) het gevaar loopt het slachtoffer te worden van een overval al dan niet gepleegd met uitoefening van geweld. Het feit dat betrokkene schrik heeft dat hij in de toekomst eventueel het slachtoffer zou kunnen worden van fysiek geweld volstaat niet om het afleveren van een draagvergunning te rechtvaardigen, tenzij de aanvrager nu al kan aantonen dat dit potentieel gevaar reëel is en dat hij in een levensbedreigende situatie terecht dreigt te komen. Verzoeker kan niet aantonen dat hij buiten zijn woning en winkel een bijzonder, de normale grenzen overschrijdend gevaar loopt en dat het dragen van XII-4902-2/8 het vuurwapen dit eventuele gevaar zou kunnen verminderen. Geen enkel element uit zijn dossier wijst erop dat hij op dit ogenblik bedreigd wordt of bedreigingen ervaart en laat toe te veronderstellen dat dit in de toekomst wel het geval zou zijn”; Met een gemotiveerd schrijven van 6 juni 2006 vraagt verzoeker de gouverneur om de weigering te willen herzien. Door de gouverneur wordt op 12 juni 2006 advies ingewonnen bij de cel Terrorisme - sectie Wapens, van de federale politie - G.D.A. Brussel. In het antwoord van 28 juni 2006 wordt het verlenen van de gevraagde machtiging tot dragen van een vuurwapen “ten stelligste af[ge]raden”. Op 10 augustus 2006 weigert de gouverneur de vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen op grond van volgende motieven : “De uitreiking van een draagvergunning voor een verweervuurwapen met als reden het verzekeren van de eigen veiligheid is aan strikte voorwaarden onderworpen. De reglementering terzake zegt duidelijk dat de aanvrager in dat geval dient aan te tonen dat hij een bijzonder, de normale grenzen overschrijdend, gevaar loopt en dat het dragen van een wapen dit gevaar kan doen verminderen. Het is vanzelfsprekend dat de aanvrager hiervan het bewijs moet leveren. Teneinde de nieuwe aanvraag van de heer Saverwyns ten gronde te kunnen beoordelen werd het gemotiveerde advies gevraagd van de federale politie - GDA Brussel. Uit dit advies van 28 juni 2006 blijkt dat de federale politie grote bedenkingen en zelfs bezwaren heeft bij het toekennen van een draagvergunning voor een vuurwapen aan de heer Saverwyns. Een eerste bedenking is dat betrokkene in een vrij recent verleden het voorwerp heeft uitgemaakt van een onderzoek voor oplichting van verzekeringsmaatschappijen (valse verklaringen ongeval, diefstal van een auto,...), feiten die verzwaard werden door bedreigingen. Een tweede bedenking is dat bovenvermeld onderzoek heeft aangetoond (met diverse getuigenissen ter ondersteuning) dat de beer Saverwyns illegaal in het bezit was van vuurwapens (waar hij een passie voor zou hebben) en dat hij die wapens bovendien op illegale wijze heeft verkocht. Een derde bedenking is dat dit onderzoek tevens aan het licht heeft gebracht dat de heer Saverwyns illegaal al dan niet echte wapens droeg, zonder hiervoor in het bezit van een draagvergunning te zijn. De twee laatste vaststellingen tonen aan dat betrokkene het niet nauw neemt met de wapenwetgeving. Nochtans mag en moet van iemand die een wapendrachtvergunning vraagt verwacht worden dat hij zich strikt aan de reglementering inzake wapenbezit houdt. Wanneer dit nu al niet het geval is kan de vraag gesteld worden of betrokkene zich aan de voorwaarden van een toegekende draagvergunning zal houden (beperking in tijd en ruimte), méér nog of de heer Saverwyns deze draagvergunning op een oordeelkundige manier zal gebruiken. Een vierde bedenking is dat de winkel waarover de heer Saverwyns het heeft, volgens de vaststellingen van de federale politie, in feite een klein winkeltje is dat in hoofdzaak horloges van middelmatige kwaliteit verkoopt. XII-4902-3/8 Dit doet vragen rijzen bij de bewering van de heer Saverwyns dat hij op regelmatige tijdstippen kostbare partijen juwelen (goud, diamanten, luxe uurwerken, ...) moet aanvoeren en in omgekeerde richting belangrijke sommen geld transporteren. De indruk ontstaat dat de belangrijkheid van de transporten wordt opgevijzeld om het bekomen van een draagvergunning te rechtvaardigen. Een vijfde bedenking is de conclusie van de federale politie dat de heer Saverwyns beschikt over een impulsief en agressief karakter en dat gevreesd wordt dat betrokkene niet zou aarzelen om zijn vuurwapen te gebruiken als daar ook maar enige, al dan niet legitieme reden, voor zou bestaan. Het uitreiken van een draagvergunning aan een dergelijk persoon is vanuit veiligheidsoverwegingen uit den boze. De kans dat het wapen op straat zou worden gebruikt in omstandigheden die niet in verhouding staan met het potentieel gevaar is te groot. Bij het toekennen van een draagvergunning moet niet alleen gekeken worden naar het risico dat de aanvrager loopt, maar ook naar het gevaar dat de toekenning ervan voor derden (bv. omstanders) zou kunnen opleveren. In casu, gelet op het profiel van de heer Saverwyns en de vaststellingen van de federale politie m.b.t. de beroepsbezigheden van betrokkene en zijn respect voor de wapenwetgeving, moet besloten worden dat het niet opportuun is om hem een draagvergunning toe te kennen”. De vordering tot schorsing
  3. Taal van de rechtspleging. Verzoeker deelt “voor zoveel als nodig” mee dat hij het Frans kiest als de taal van de procedure. De taal die de organen van de Raad van State betrokken bij de werking van de afdeling administratie moeten gebruiken, staat op het eerste gezicht niet ter vrije keuze van de partijen, maar lijkt op dwingende wijze geregeld te worden door titel VI, hoofdstuk II, afdeling I, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het blijkt vooralsnog niet, en het wordt door verzoeker overigens ook geenszins beweerd, dat die regeling te dezen in het gebruik van een andere taal dan het Nederlands voorziet.
  4. Verzoek tot vertaling der stukken. Verzoeker vraagt ter terechtzitting dat de “memorie van antwoord” van verwerende partij en het auditoraatsverslag in het Frans worden vertaald en dat de behandeling van de zaak in afwachting daarvan wordt uitgesteld. XII-4902-4/8 Partijen die niet onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, zoals verzoeker, mogen overeenkomstig artikel 66, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voor hun akten en verklaringen de taal gebruiken welke zij verkiezen. Aldus heeft verzoeker zich in zijn verzoekschrift tegen de weigering van 10 augustus 2006 van de gouverneur van Vlaams-Brabant, van het Frans mogen bedienen. Luidens het tweede lid van voornoemd artikel 66 wordt zo nodig en inzonderheid op verzoek van een der partijen een beroep gedaan op een vertaler, en zijn de kosten van vertaling ten laste van de staat. Tenminste in de huidige stand van zaken wordt, zoals de Raad reeds eerder deed in zijn arrest inzake Xhonneux, nr. 26.274 van 18 maart 1986, aangenomen dat die bepaling niet tot doel heeft om aan de partij die de taal van de procedure niet gebruikt, ook nog toe te laten om op kosten van de staat een vertaling te verkrijgen van de stukken die regelmatig in de taal van de procedure gesteld zijn. Zij lijkt er alleen toe te strekken een partij die niet aan de taalwetgeving onderworpen is, de gelegenheid te bieden om zich uit te drukken in de taal van haar keuze zonder dat dit voor haar of voor de andere partijen vertalingskosten meebrengt. Het verzoek tot vertaling wordt verworpen.
  5. De schorsingsvoorwaarden. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  6. De voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Verzoeker doet in essentie gelden dat hij een juwelierszaak uitbaat, dat hij gedurende zijn verplaatsingen tussen zijn woning, de juwelierszaak, zijn leveranciers en de bank dikwijls in het bezit is van aanzienlijke bedragen en juwelen, dat hij wel een vergunning heeft voor het bezitten van een vuurwapen thuis en in zijn zaak, maar dat hij niet beschermd is tijdens zijn verplaatsingen noch als hij de voormelde gelegenheden binnengaat of verlaat, dat zijn juwelierszaak in een risicozone is gelegen, dat het risico XII-4902-5/8 op agressie in de sector van de juwelierszaken en de realiteit van de agressies waarvan hij het slachtoffer is geweest, niet ernstig betwist kunnen worden, dat in de eerste beslissing van 15 (lees: 3) mei 2006 werd geoordeeld dat hij voldoende beschermd was door zijn vergunning om een wapen te bezitten en dat hij niet de realiteit aantoonde van het gevaar buiten zijn woning en de juwelierszaak, dat echter de realiteit van het risico op agressie zich tot het geheel van zijn professioneel leven uitstrekt.
  7. Het lijkt niet ongeoorloofd om de vraag naar het bestaan van de dreiging van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ten gevolge van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van een bestreden handeling, hetzij de vraag naar de noodzaak om een uitspraak ten gronde door een schorsing te doen voorafgaan teneinde de realisering van die dreiging te vermijden, te beantwoorden in het licht van de houding die de betrokken verzoeker zelf aanneemt. Wie, met andere woorden, geloofwaardig wil beweren dat hij door de dadelijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een ernstig nadeel riskeert dat zonder schorsing slechts moeilijk te herstellen zal zijn, moet zich dienovereenkomstig gedragen.
  8. Aldus beschouwd valt het te dezen op dat het aangevoerde nadeel ook al aan de eerdere weigering van 3 mei 2006 van de gouverneur vastzat. Dit kan des te minder over het hoofd worden gezien waar verzoeker die eerste weigering en de onjuistheid van de bewering erin dat hij niet de realiteit bewijst van het risico op agressie buiten zijn woning en de juwelierszaak, zelf bij de uiteenzetting van zijn nadeel ten gevolge van de tweede weigering betrekt. Niettemin heeft hij niet de schorsing van de weigering van 3 mei 2006 gevraagd. Evenmin heeft hij verduidelijkt waarom niet, of betoogt hij dat de omstandigheden sindsdien gewijzigd zijn. Het bevoegde lid van het auditoraat kon daar in zijn verslag op goede grond uit concluderen tot de aantasting van de geloofwaardigheid van verzoekers bewering dat hij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te ondergaan door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing van 10 augustus
  9. Verre van zich tenminste op de terechtzitting nader te verklaren en de hiervoor bedoelde verduidelijking te verschaffen, dringt verzoeker alsdan in wezen alleen op een uitstel van de zaak aan, tot na de vertaling van de “memorie van antwoord” van verwerende partij en van het auditoraatsverslag. Dit -overigens, zoals gezien, ongegronde- verzoek kon nochtans al veel eerder zijn geformuleerd. Het lijkt XII-4902-6/8 dan ook vooral een vertragend effect te beogen en is als zodanig een bijkomende reden om te betwijfelen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verzoeker een ernstig en moeilijk herstelbaar nadeel doet lijden.
  10. In de gegeven omstandigheden is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de tweede van de cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing vervuld is. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. De vordering tot oplegging van een voorlopige maatregel
  11. Gelet op artikel 18, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient het niet vervuld zijn van de door artikel 17, § 2, eerste lid, bedoelde voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, ook de verwerping van de vordering tot het bevelen van een voorlopige maatregel mee te brengen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  12. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  13. De vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wordt verworpen. Artikel
  14. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig januari 2007, door : XII-4902-7/8 de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4902-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.223 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.916 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.