← België

Arrest 167242 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 30/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.242 Rolnummer: A. 177537/X-13046 Zaak: Arrest 167242 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 30/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-08 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 06:21 Fiche Arrest nr 167.242 van 30 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.242 van 30 januari 2007 in de zaak A. 177.537/X-13.

  1. In zake :
  2. Kurt JAMOUL,
  3. Leni SWINNEN, die woonplaats kiezen bij advocaat Ph. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen :
  4. de stad SINT-TRUIDEN, die woonplaats kiest bij advocaat S. VERBEKE, kantoor houdende te BRUSSEL, Neerveldstraat 101-103,
  5. de deputatie van de provincieraad van LIMBURG. DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Kurt JAMOUL en Leni SWINNEN op 9 oktober 2006 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 15 juni 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Urgente zonevreemde recreatieve constructies in open ruimte” van de stad Sint-Truiden gedeeltelijk wordt goedgekeurd, “in zoverre dit betrekking heeft op het deelplan r16 ‘recreatief gebied Brustem’”, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 augustus 2006; Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 20 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 januari 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; X-13.046-1/9 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. HULPIAU, die loco advocaat Ph. VAN WESEMAEL verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat S. VEBEKE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van bestuurssecretaris S. MOENS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak zich in de huidige stand van het geding als volgt aandienen : 1.
  7. De verzoekers zijn eigenaar van een woning gelegen aan de Hemelrijk 25 te Brustem. Tegenover hun woning ligt aan de overkant van de Hemelrijk een weiland, door het gewestplan Sint-Truiden-Tongeren opgenomen in parkgebied. Rechts van dit weiland bevinden zich voetbalterreinen, samen met de erbij horende infrastructuur van de V.V. Hemelrijk Brustem, vergund in 1990 en
  8. Deze site is op grond van hetzelfde gewestplan gelegen in recreatiegebied. Onmiddellijk links van de woning van verzoekers ligt een boomgaard, op grond van het gewestplan in agrarisch gebied. 1.
  9. Op 23 mei 2005 wordt het ontwerp van GRUP “Urgente zonevreemde recreatieve constructies in open ruimte” voorlopig vastgesteld door de gemeenteraad van Sint-Truiden. Tijdens het openbaar onderzoek, georganiseerd van 1 september 2005 tot en met 30 oktober 2005 dienen o.m. de verzoekers een bezwaarschrift in. Op 19 januari 2006 brengt de GECORO advies uit. Bij besluit van 20 februari 2006 stelt de gemeenteraad van Sint-Truiden het GRUP “Urgente zonevreemde recreatieve constructies in open ruimte” definitief vast. Bij besluit van 15 juni 2006 keurt de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg het GRUP gedeeltelijk goed. Dit is het bestreden besluit. X-13.046-2/9 De goedkeuringsbeslissing is bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 augustus 2006; 1.
  10. Aangaande het ontwikkelingsperspectief voor de V.V. Hemelrijk Brustem vermeldt de toelichtingsnota : “De bestaande terreinen dienen naar het zuiden toe opgeschoven, zodat de Hoogbeek opnieuw kan worden ontbuisd en de beekoevers afgegraven. Ten noorden van de beek kan ruimte worden gevrijwaard voor parking aan de oostzijde. Ter hoogte van de brug over de beek kan een toegang tot het park voor wandelaars (en eventueel fietsers) worden gecreëerd en sluit de groene schakel aan die op de zuidrand van het recreatiegebied loopt. Om de velden reglementaire afmetingen kunnen geven en de herwonnen oevers van Hoogbeek tegelijk de nodige natuurlijke ontwikkeling te kunnen bieden, wordt bij de ontbuizing van Hoogbeek ook het tracé van deze waterloop gedeeltelijk over een aantal meter herlegd. Om de toekomstige recreatiemogelijkheden van de club en van het hoofddorp Brustem in zijn geheel op te vangen, wordt aan de overzijde van de straat (Hemelrijk) een uitbreiding voorzien die rekening houdt met een natuurlijke ontwikkeling van de oeverstrook van Hoogbeek . Ook hier wordt het verste speelveld alleen tijdelijk (tot stopzetting van de recreatieve activiteiten aldaar) mee in de recreatieve bestemming opgenomen. Voor de Afdeling Land is in deze site geen landbouwbelang in het geding”; Daarvoor worden een strook parkgebied, tegenover de woning van de verzoekers, en een deel van het agrarisch gebied links van die woning, bestemd tot “zone voor dagrecreatie met parkachtig karakter”;
  11. Ten gronde 2.
  12. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.2.
  13. Overwegende dat het eerste middel is “genomen uit de schending van de artikelen 3, 4, 38 en 39 van het DRO van 18 mei 1999, uit de schending van het motiverings-, het zorgvuldigheids en het rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en wegens het ontbreken van de rechtens vereiste grondslag. X-13.046-3/9 Doordat het bestreden besluit in artikel 8.24.
  14. van de stedenbouwkundige voorschriften een beschrijving geeft van de in de zone voor dagrecreatie toelaatbare werken. En doordat deze voorschriften geen enkele specifieke doelstelling omvatten, doch slechts in het algemeen aangeven dat de constructies ‘in harmonie’ dienen te zijn met hun omgeving ‘door een eigen antwoord van de ontwerper op de elementen uit de omgeving’. Terwijl uit de parlementaire voorbereiding van het DRO en in het bijzonder artikel 3,8 duidelijk blijkt dat de ruimtelijke uitvoeringsplannen, door het verplicht invoegen van stedenbouwkundige voorschriften, als basis moeten dienen voor het vergunningenbeleid (cf Memorie, van Toelichting 22-24). En terwijl in deze parlementaire voorbereiding eveneens wordt gesteld dat deze stedenbouwkundige voorschriften, als instrument van het vergunningen- beleid, dienen te slaan op de bestemming, de inrichting en het beheer van het betreffende plangebied, opdat alzo wordt duidelijk gemaakt wat al dan niet kan worden toegelaten. En terwijl zo o.m. voorschriften ivm met uitzicht, type bebouwing, esthetische voorschriften, ... dienen te worden ingelast. En terwijl in casu moet worden vastgesteld dat de betrokken voorschriften bijzonder vaag en onduidelijk blijven over wat nu al dan niet is toegelaten, door als algemene regel te stellen dat de constructies ‘in harmonie’ moeten zijn met hun omgeving en onderling, waarbij dit moet worden bereikt door ‘een eigen antwoord van de ontwerper op de elementen uit de omgeving’. En terwijl op die manier de stedenbouwkundige voorschriften en het plan nalaten een duidelijk kader te scheppen waarbinnen stedenbouwkundige vergunningen kunnen worden bekomen. En terwijl artikel 39 DRO weliswaar een zekere flexibiliteit toelaat in de stedenbouwkundige voorschriften, doch dat tevens uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat van bij de aanvang duidelijk moet zijn wat de inhoud van het stedenbouwkundig voorschrift is en de modaliteiten moeten voorschrijven die bij de inrichting van het gebied moeten worden in acht genomen. En terwijl echter in casu, door slechts een zeer vage omschrijving te geven van deze modaliteiten, afbreuk wordt gedaan aan de rechtszekerheid, nu dit allerminst is opgemaakt als instrument tot voorlichting van de vergunningverlenende overheid met het oog op de beoordeling van vergunningsaanvragen in het licht van de bestemmingsvoorschriften. En terwijl integendeel het initiatief en de invulling van de modaliteiten geheel worden overgelaten aan de aanvrager die verondersteld wordt een ‘eigen antwoord te geven op de elementen uit de omgeving’. En terwijl dit ‘antwoord op de elementen uit de omgeving’ uiteraard niet kan worden overgelaten aan de aanvrager van de vergunning, doch duidelijk moet worden omschreven door de stedenbouwkundige voorschriften van het plan om de vergunningverlenende overheid toe te laten de aanvraag hieraan te toetsen. En terwijl alzo het plan geenszins tegemoetkomt aan de doelstellingen van de decreetgever, nl. dat de stedenbouwkundige voorschriften van een plan een concreet kader dienen te creëren voor het vergunningenbeleid van de vergunningverlenende overheid en waaraan deze overheid de ingediende aanvragen in concreto kan toetsen. En terwijl een ruimtelijk ordeningsplan de burger immers zekerheid en duidelijkheid dient te verschaffen over de bestemming en de gebruiks- mogelijkheden van een perceel, waarbij de eisen van rechtszekerheid en ruimtelijke kwaliteit prioritair dienen te zijn. En terwijl deze problematiek eveneens door het provinciebestuur wordt erkend in het bestreden besluit, doch hieraan geen concreet gevolg wordt gegeven, behalve dat ‘een evaluatie van dit GRUP noodzakelijk wordt geacht X-13.046-4/9 om na te gaan of dit GRUP geen ongewenste ruimtelijke gevolgen geeft die moment niet kunnen worden ingeschat’. En terwijl een dergelijke formulering uiteraard niet bijdraagt tot de rechtszekerheid, doch deze integendeel in de hand werkt door zelf te stellen dat nadelige effecten niet kunnen worden ingeschat. En terwijl het plan op die manier dan ook geen enkele rechtszekerheid biedt omtrent de invulling van het plangebied en de in het middel opgesomde bepalingen schendt”; 2.2.
  15. Overwegende dat de verwerende partijen prima facie op goede gronden verwijzen naar de bestemmings- en de inrichtingsvoorschriften opgenomen in de artikelen 8.24.1 en 8.24.2 van het bestreden plan; dat daarin, naast het principe van “harmonie” van de constructies met hun omgeving en onderling, ook een hele reeks voorschriften zijn opgenomen met betrekking tot de ordening (nl. inzake buffering en een groene schakel), de morfologie en het uitzicht van het gebied (o.a. de verhouding tussen bebouwde en niet-bebouwde oppervlakte, de inrichting van niet-bebouwbare oppervlakte, toegelaten reliëfwijzigingen, volumes, plaatsing en afwerking van gebouwen); dat aldus de stedenbouwkundige voorschriften in het bestreden plan voldoende duidelijk lijken vastgesteld te zijn, en dit plan zich dus geenszins lijkt te beperken tot het door de verzoekende partijen vermelde en als te vaag bestempelde principe; dat het middel niet ernstig is; 2.3.
  16. Overwegende dat het tweede middel is “genomen uit de schending van artikel 8, §§ 1 en 2 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemeen waterbeleid, en uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Doordat de watertoets in het bestreden besluit zich beperkt tot een toetsing in concreto van ‘de recreatieve sites in of in relatie tot een risicogebied voor overstromingen’ en ‘recreatieve sites en hoeven in historisch, van nature uit overstroomde delen van de valleien’. Terwijl artikel 8 § 1 van voormeld decreet bepaalt dat de overheid die zich moet uitspreken over de goedkeuring van een plan, ervoor moet zorgen dat door het plan geen schadelijk effect ontstaat aan het integraal waterbeleid. En terwijl §2 van hetzelfde artikel de overheid verplicht een dergelijke beslissing te motiveren, en deze in elk geval te toetsen aan de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid. En terwijl in de bestreden beslissing dan ook een expliciete watertoets dient te gebeuren van ieder deelgebied, en de bestreden beslissing minstens de resultaten van deze watertoets had moeten vermelden. En terwijl het Decreet Integraal Waterbeleid nochtans aan de overheid oplegt na te gaan of door het plan geen schadelijk effect wordt toegebracht, waarbij schadelijk effect ondermeer wordt gedefinieerd als ‘ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit’. En terwijl de Bestendige Deputatie en de stad Sint-Truiden (...) in het kader van de watertoets dan ook minstens de effecten van de verhardingen op en X-13.046-5/9 ontbossing van de betrokken nieuwe recreatieve zone op de waterhuis-houding van de naastgelegen beek, het achterliggende parkgebied bij het kasteel en de woning van verzoekers hadden moeten nagaan. En terwijl het daarenboven evident is dat de ophogingswerken en de ontbossing die zullen nodig zijn op het perceel recht tegenover de woning van cliënten om de speelvelden aan te leggen en de kantine en clublokalen te bouwen, wel degelijk een nadelig effect zullen hebben voor de waterhuis- houding. En terwijl het daarnaast zo is dat verzoekers nu reeds bij hevige regenval vaak last hebben van wateroverlast, terwijl het perceel weiland momenteel nochtans een stuk lager ligt dan de weg en het perceel van cliënten. En terwijl het dan ook geen betoog hoeft dat na de ophoging van dit weiland voor de bouw van de clubinfrastructuur en het aanleggen van de speelvelden, deze wateroverlast alleen maar zal toenemen. En terwijl het gemeentelijk RUP zich echter beperkt tot de vaststelling dat ‘de voorschriften van het RUP voor alle gebouwen de verplichting tot het aansluiten van de hemelwaterafvoer op een hemelwaterput en de verplichting tot het installeren van buffercapaciteit ter beperking van het lozingsdebiet in de openbare rioleringen en waterlopen voorzien’ en ‘voor de niet bebouwde delen in alle zones slechts een beperkte oppervlakte aan verharding is toegelaten, dan wel een ruim aandeel aan gebruik van waterdoorlatende verhardingsmaterialen’. En terwijl dit uiteraard geen rekening houdt met de verhoging die zal nodig zijn voor de nivellering van de voetbalvelden en de ontbossing achteraan het perceel tegenover verzoekers. En terwijl ook daar (...) het gemeentelijk RUP duidelijk te kort schiet en de van toepassing zijnde decretale bepalingen worden geschonden”; 2.3.
  17. Overwegende dat, vermits de verzoekende partijen de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden plan slechts vorderen “in zoverre dit betrekking heeft op het deelplan r16 ‘recreatief gebied Brustem’”, het middel slechts ontvankelijk is in zoverre de erin uitgeoefende kritiek betrekking heeft op het bedoelde deelplan r16; Overwegende dat de verwerende partijen op het eerste gezicht terecht wijzen op de volgende uiteenzetting onder de hoofding “watertoets” in de toelichtingsnota die bij het goedkeuringsbesluit is gevoegd : “(..) Recreatieve sites en hoeven in historisch, van nature uit overstroomde delen van de valleien De zeven andere recreatieve sites en hoeven die in beekvalleien zijn gelegen (r16, (...)) bevinden zich in de van nature uit overstroomde delen van die valleien, buiten risicozones voor overstroming. In de recreatieve site r16 en in de bijhorende bufferstrook is binnen de 10m-oeverstrook geen nieuwe bebouwing en slechts beperkte verharding toegelaten en in de verwijdering van overtallige verharding en het terug openmaken van de Hoogbeek met oevers met een zich natuurlijk verder ontwikkelende vegetatie verplicht. Ook in het geheel van deze site is slechts een beperkte oppervlakte aan bebouwing of verharding toegelaten. Drainage kan alleen worden toegelaten wanneer dit in een watertoets wordt gemotiveerd (en X-13.046-6/9 in voorkomend geval geremedieerd). Reliëfwijzigingen zijn alleen toegelaten als ze functioneel absoluut noodzakelijk zijn. Gelet op de eerder beperkte totale mogelijke bebouwbare en verhardbare oppervlakte enerzijds en de verplichte ontharding en ontbuizing anderzijds dient in alle redelijkheid geoordeeld te worden dat het eventuele schadelijk effect beperkt is tot de veiligheid van die eventuele gebouwen in de site zelf. Enige negatieve invloed op het watersysteem of de veiligheid van overige constructies in de omgeving is door deze geringe oppervlakte niet te verwachten; vermoedelijk zal de ontbuizing en de daarbijhorende terreinheraanleg voor een vlotter afvoer van water naar Hoogbeek zorgen en zo de eventuele negatieve effecten op percelen verderaf doen verminderen; (...) Algemeen voorzien de voorschriften van het R.U.P. ook hier voor alle gebouwen de verplichting tot aansluiten van de hemelwaterafvoer op een hemelwaterput en (voor de grotere gebouwen en verharde oppervlakten) de verplichting tot het installeren van buffercapaciteit ter beperking van het lozingsdebiet in de openbare rioleringen en waterlopen. Voor de niet bebouwde delen is in alle zones slechts een zeer beperkte oppervlakte aan verharding toegelaten, dan wel een ruim aandeel aan gebruik van waterdoorlatende verhardingsmaterialen verplicht”; Overwegende dat de verzoekende partijen dan ook een zeer onvolledige lezing geven van de motivering van het bestreden plan ten aanzien van de watertoets; dat die lezing voornamelijk voorbij gaat aan de opmerkingen die specifiek betrekking hebben op de site Brustem r16; dat het middel niet aantoont dat die motivering uit het oogpunt van de geschonden geachte decretale bepalingen en algemene beginselen niet afdoende is; dat het derhalve niet ernstig is; 2.4.
  18. Overwegende dat het derde middel is “genomen uit de schending van artikel 48 §2 DRO van 18 mei 1999, uit de schending van het Ministerieel Besluit dd. 25 oktober 2000 houdende goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Sint-Truiden, uit de schending van het Ministerieel Besluit dd. 12 februari 2003 houdende goedkeuring van het provinciaal ruimtelijk structuurplan Limburg, en uit de schending van het motiverings-, het zorgvuldigheids- en het rechtzekerheids- beginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Doordat het bestreden (besluit) voor het deelplan recreatief gebied Brustem deels de gewestplanbestemming agrarisch gebied omzet in zone voor dagrecreatie. Terwijl de doelstellingen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan duidelijk stellen dat een verdere versnippering van het landbouwgebied moet worden tegengegaan. En terwijl het RUP, door de geplande onteigening van de naast de woning van verzoekers gelegen in exploitatie zijnde boomgaard net het omgekeerde wenst te bewerkstelligen van deze doelstellingen. En terwijl artikel 48 §2 DRO nochtans gebiedt dat een RUP wordt opgemaakt ter uitvoering van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. En terwijl het plan, zonder hiervoor enige bijzondere motivering te geven, integendeel de doelstellingen van het structuurplan naast zich neer legt. X-13.046-7/9 En terwijl het bestreden besluit dan ook de in het middel aangehaalde bepaling schendt”; 2.4.
  19. Overwegende dat de verwerende partijen er terecht op wijzen dat de ingeroepen schending van het provinciaal ruimtelijk structuurplan in het middel niet wordt toegelicht; dat het middel in zoverre niet ontvankelijk lijkt te zijn; Overwegende dat de verwerende partijen eveneens op goede gronden aanvoeren dat de algemene doelstelling in het gemeentelijk structuurplan dat versnippering van het landbouwgebied moet worden tegengegaan, op zichzelf genomen niet lijkt uit te sluiten dat hier of daar een agrarisch gebied een andere bestemming krijgt; dat de afdeling Land heeft geadviseerd dat in casu geen landbouwbelangen in het geding zijn; dat het richtinggevend deel van het gemeentelijk structuurplan ook bepaalt dat de speel- en sportvoorzieningen in dorpen en wijken dienen te worden geoptimaliseerd, hetgeen met het bestreden plan lijkt te worden nagestreefd; dat het middel niet lijkt aan te tonen dat dit plan een versnippering van het landbouwgebied meebrengt; dat het niet ernstig is; 2.5.
  20. Overwegende dat het vierde middel is “genomen uit de schending van artikel 49 §5 DRO van 18 mei 1999 en uit de schending van het motiverings-, het zorgvuldigheids-, het rechtzekerheids-, en het onpartijdigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Doordat de GECORO in casu zich in haar vergadering dd. 19 januari 2006 heeft beperkt tot een louter ‘akkoord gaan’ met de antwoorden geformuleerd door de ontwerper van het gemeentelijk RUP. Terwijl door de oprichting van de GECORO in elke gemeente, de samenstelling ervan, en de verschillende taken die haar worden toegekend in het kader van het DRO van 18 mei 1999 (...), er kan van uit gegaan worden dat deze commissie in het leven werd geroepen als bijkomende garantie voor de burger op een behoorlijk bestuur. En terwijl het belang van de taak die de GECORO wordt toegekend in het kader van het totstandkomingsproces van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dan ook als determinerend moet worden beschouwd (...). En terwijl in casu moet worden vastgesteld dat de GECORO, door zich zonder enige bijzondere motivering of uitgebreide bespreking van de ingediende bezwaren, te verlaten op het standpunt van de ontwerper, onvoldoende van haar taak heeft gekweten. En terwijl het immers voor de hand ligt dat de ontwerper van het ontwerpplan, eerder dan in alle objectiviteit de ingediende bezwaren te evalueren, zijn eigen plan zal trachten te verdedigen. En terwijl daarnaast de GECORO net in het leven is geroepen om, gelet op zijn diverse samenstelling uit alle geledingen van het maatschappelijk leven en de kerntaak die hem is toegekend in de procedure tot vaststelling van een gemeentelijk RUP, een bijkomende garantie te bieden aan de burger op een objectieve evaluatie van zijn opmerkingen en bezwaren. X-13.046-8/9 En terwijl in casu de ontwerper is opgetreden als verdediger van zijn eigen plan, terwijl de gemeente tegelijk van hem heeft verwacht, door hem exclusief de taak van de weerlegging van de ingediende bezwaren en opmerkingen toe te kennen, dat hij de grootste criticaster van zijn eigen ontwerp zou zijn. En terwijl een dergelijk handelwijze er enkel toe leidt dat de ontwerper rechter en partij wordt in de procedure en zodoende onmogelijk op objectieve wijze de bezwaren kan evalueren. En terwijl het onpartijdigheidsbeginsel is geschonden en de garantie op een objectieve behandeling van de bezwaren van de burgers”; 2.5.
  21. Overwegende dat met de verwerende partijen lijkt te moeten worden vastgesteld dat het loutere feit dat de GECORO zich akkoord heeft verklaard met de antwoorden die de ontwerper van het plan heeft verstrekt op de adviezen, opmerkingen en bezwaren die over het ontwerp werden geformuleerd niet aantoont dat die commissie zich onvoldoende van haar taak heeft gekweten, noch dat de ontwerper “rechter en partij” zou zijn geweest; dat het middel niet ernstig is, BESLUIT: Artikel
  22. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  23. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig januari 2007, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-13.046-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.242 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.923 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.