id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.290 Rolnummer: A. 95979/V-1606 Zaak: Arrêt / Arrest 167290 - Divers (fonction publique) / Varia (openbaar ambt) - 30/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-15 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-29 15:44 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 167.290 van 30 januari 2007 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.290 van 30 januari 2007 A. 95.979/V-1606 In zake: VAN DER KELEN Esther, die woonplaats kiest bij Mr. Jean BOURTEMBOURG, advocaat, Zwitserlandstraat 24 1060 Brussel, tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën. Tussenkomende partij: GERITS Lode, die woonplaats kiest bij Mr. Dirk LINDEMANS, advocaat, Keizerslaan 3 1000 Brussel. ------------------------------------------------------------------------------------------------------- ---- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, Gezien het op 26 september 2000 ingediende verzoekschrift, waarbij Esther VAN DER KELEN de nietigverklaring vordert van het koninklijk besluit van 6 juni 2000 houdende benoeming, met ingang van 1 september 1999, van Eric VAN DEN ABEELE en Lode GERITS tot directeur bij een fiscaal bestuur bij de Administratie der douane en accijnzen; Gelet op arrest nr. 99.562 van 9 oktober 2001, waarbij de vordering tot schorsing wordt afgewezen; V - 1606 - 1/8 Gelet op de kennisgeving van het arrest aan de partijen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend op 15 november 2001 door de verzoekende partij; Gezien het op 28 november 2001 ingediende verzoekschrift, waarbij Lode GERITS vraagt als tussenkomende partij te mogen optreden; Gelet op de beschikking van 10 december 2001 waarbij die tussenkomst wordt toegestaan; Gezien de regelmatig uitgewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van tussenkomst; Gezien het verslag van Mevr. G. BEECKMAN de CRAYLOO, eerste auditeur bij de Raad van State; Gelet op de beschikking van 9 mei 2006 waarbij de neerlegging van het dossier en het verslag ter griffie wordt gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 25 oktober 2006, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij wordt bepaald dat de zaak voorkomt op de terechtzitting van 12 december 2006 om 10 uur; Gehoord het verslag van Mevr. S. GEHLEN, staatsraad; Gehoord de opmerkingen van Mr. J. BOURTEMBOURG, advocaat, die voor verzoekster verschijnt, van Mevr. F. ROLAND, eerste attaché van financiën, die V - 1606 - 2/8 voor de verwerende partij verschijnt, et van Mr. D. LINDEMANS, die voor de tussenkomende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van Mevr. G. BEECKMAN de CRAYLOO, eerste auditeur; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de gegevens die nuttig zijn voor het onderzoek van de zaak uiteengezet zijn in arrest nr. 99.562 van 9 oktober 2001; Overwegende dat verzoekster in eenzelfde verzoekschrift de nietigverklaring vordert van twee benoemingen in afzonderlijke betrekkingen van bestuursdirecteur bij een fiscaal bestuur; dat zij betoogt dat beide handelingen verknocht zijn omdat, met uitzondering van de oproepen tot de gegadigden die op afzonderlijke data zijn geschied, beide procedures terzelfder tijd zijn gevoerd en beide beslissingen op dezelfde dag zijn genomen; Overwegende dat in arrest nr. 116.638 van 3 maart 2003 van de Raad van State, waarin uitspraak wordt gedaan over een ander beroep gericht tegen dezelfde benoemingen en die met dezelfde kwestie inzake verknochtheid had te maken, het volgende is gewezen: "2.
- Overwegende dat in het verzoekschrift de nietigverklaring van twee onderscheiden benoemingen gevorderd wordt; dat een verzoekschrift bij de Raad van State in beginsel slechts één vordering mag bevatten; dat van die regel enkel kan worden afgeweken indien verscheidene vorderingen een zodanige samenhang vertonen dat het als waarschijnlijk voorkomt dat vaststellingen gedaan of beslissingen genomen met betrekking tot de ene vordering een weerslag zullen hebben op de uitkomst van de andere; dat er slechts voldoende samenhang tussen die beslissingen kan bestaan indien zij genomen zijn op basis van eenzelfde procedure of indien de procedures volledig gelijktijdig zijn verlopen en het onderzoek van de beroepen geen afzonderlijke behandeling noch afzonderlijke debatten vereist; dat in de onderhavige zaak verzoeker de annulatie vordert van twee benoemingen tot directeur bij dezelfde administratie, dat de procedures gestart zijn door afzonderlijke vacantverklaringen, de ene van 11 september 1998, de andere van 18 juni 1999, dat de kandidaturen voor de beide V - 1606 - 3/8 vacatures door het college van dienstchefs afzonderlijk zijn onderzocht op respectievelijk 16 oktober 1998 en 27 juli 1999 en het voorstel met afzonderlijke nota’s op respectievelijk 28 september 1999 en 30 september 1999 aan de directieraad is voorgelegd; dat ook de directieraad de kandidaturen voor beide betrekkingen afzonderlijk heeft onderzocht zij het dan dat dit tijdens dezelfde vergadering is geschied; dat derhalve, alhoewel de procedures vanaf een bepaald ogenblik, nadat de vergelijking van titels en verdiensten was gedaan, chronologisch gelijktijdig zijn verlopen en de beide benoemingen zijn gedaan in hetzelfde koninklijk besluit, het volledige verloop van de beide benoemingen nochtans voldoende duidelijk aantoont dat het twee afzonderlijke benoemingsprocedures betreft; dat bovendien het resultaat van de vordering tegen de ene benoeming dat van de vordering gericht tegen de andere benoeming juridisch niet bepaalt, zodat de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van de ene benoeming geen effect heeft op de rechtmatigheid of de onrechtmatigheid van de andere benoeming; dat uit het loutere feit dat beide benoemingen in eenzelfde besluit zijn vastgesteld niet kan volgen dat er samenhang is; dat er derhalve geen reden is om over beide beroepen in één arrest uitspraak te doen; dat de vordering tot annulatie derhalve niet ontvankelijk is in zoverre zij gericht is tegen de benoeming van de in het verzoekschrift als tweede vermelde Lode GERITS"; Overwegende dat er geen grond is om af te wijken van hetgeen aldus is gewezen; dat alleen het eerste voorwerp van het verzoekschrift ontvankelijk is, te weten het koninklijk besluit van 6 juni 2000 houdende benoeming van Eric VAN DEN ABEELE tot directeur bij een fiscaal bestuur; Overwegende dat verzoekster een eerste middel ontleent aan schending van artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van het bestuur, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het rijkspersoneel, van de rechtsregels en -beginselen, inzonderheid van het beginsel van behoorlijk bestuur en van een billijke procedure en aan machtsoverschrijding; dat zij uiteenzet dat in de bestreden handeling als rechtsgrond onder meer het koninklijk besluit van 7 augustus 1939, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 mei 1999 wordt opgegeven, terwijl enerzijds het koninklijk besluit van 13 mei 1999 niet van toepassing was op de procedures die, zoals in dit geval, aangevat zijn vóór 14 juli 1999 en anderzijds dit koninklijk besluit geacht moet worden onwettig te zijn omdat het niet als ontwerp ter fine van advies aan de afdeling Wetgeving is voorgelegd en het verzoek om spoedbehandeling niet met bijzondere redenen was omkleed, noch deugdelijk was gemotiveerd; dat zij betoogt dat de directieraad haar, op grond van dit koninklijk besluit, V - 1606 - 4/8 niet heeft toegestaan zich te laten bijstaan door een advocaat, toen zij gehoord is naar aanleiding van haar bezwaar tegen de benoemingsvoordrachten, wat zij in strijd meent te zijn met de beginselen van een behoorlijk bestuur en van een billijke procedure; dat zij er aan toevoegt dat haar niet de mogelijkheid is geboden haar bezwaar naar behoren in te dienen omdat in de kennisgeving die haar van die voordrachten is gegeven alleen de rangschikking van de gegadigden was opgenomen en niet de motieven voor die rangschikking; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat geen enkele wets- of verordeningsbepaling de overheid verplicht te aanvaarden dat een personeelslid wordt bijgestaan door een advocaat wanneer zijn bezwaarschrift door de directieraad wordt onderzocht; dat zij meent dat het verlenen van een zodanig recht het verloop van de benoemingsprocedure zou kunnen vertragen; dat zij evenzo meent dat geen enkele wets- of verordeningsbepaling in die fase van de benoemingsprocedure voorschrijft dat de notulen van de vergaderingen van de directieraden aan het personeelslid moeten worden meegedeeld, zelfs niet op diens verzoek; dat zij uitlegt waarom naar haar mening het betoog van verzoekster steunt op een misvatting in verband met de aard van de bezwaarprocedure ingesteld in het kader van de oproep tot gegadigden; dat zij uiteenzet dat deze procedure niet mag worden verward met de uitoefening van de rechten van de verdediging; dat naar haar mening het ontbreken van de voorafgaande mededeling van de motieven van de voordrachten of van de bijstand van een advocaat, verzoekster geen schade heeft berokkend, aangezien zij gebruik heeft kunnen maken van haar bezwaarrecht en haar eigen aanspraken en verdiensten heeft kunnen beklemtonen; dat zij de beweringen van verzoekster in verband met het koninklijk besluit van 13 mei 1999 betwist, alsmede enigerlei schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij van oordeel is dat verzoekster geen belang heeft bij het aanvoeren van de schending van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, omdat zij niet aantoont dat zij gebruik gemaakt heeft van de rechtsmiddelen waarin deze wet voorziet; dat zij ten slotte verklaart dat het haar niet duidelijk is in welk opzicht het beginsel van behoorlijk bestuur en van een billijke procedure zou zijn geschonden; Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord V - 1606 - 5/8 toelichting verstrekt bij de onderdelen van het middel betreffende het ontbreken van bijstand door een advocaat en het niet meedelen van de notulen van de vergaderingen van de directieraad; dat zij in verband met het laatstgenoemde punt gewag maakt van de arresten CORMEAU nr. 86.732 en nr. 86.733 van 7 april 2000 en meent dat zij niet in de mogelijkheid is gesteld haar bezwaar te laten horen in de omstandigheden waarop zij recht had en die het gevolg waren van de gezamenlijke toepassing van artikel 32 van de Grondwet, de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur (die de federale tegenhanger is van het decreet van de Waalse Gewestraad van 30 maart 1995 betreffende de openbaarheid van bestuur waarvan sprake is in de voormelde arresten CORMEAU) en van artikel 26, §§ 2 en 3, van het voormelde koninklijk besluit van 7 augustus 1939; Overwegende dat uit het dossier blijkt dat in de kennisgeving van de voordrachten van de directieraad die op 22 oktober 1999 aan verzoekster is toegezonden, alleen melding wordt gemaakt van de naam van de voorgedragen gegadigden, dat de betrokkene, zonder dat daarop is ingegaan, verzocht heeft om de mededeling van het besluit van de directieraad om haar opmerkingen op dienstige wijze uiteen te kunnen zetten, en dat zij geenszins op de hoogte is gebracht van de redenen waarom zij niet was voorgedragen of van de kritiek die op haar was geuit; dat om de in de voormelde arresten CORMEAU opgegeven redenen dient te worden vastgesteld dat de verwerende partij, door de notulen van de vergadering van de directieraad niet ambtshalve ter kennis te brengen van verzoekster, terzelfder tijd als de voordrachten van deze raad, en door uitdrukkelijk te weigeren haar inzage in dat document te laten hebben, verzoekster verhinderd heeft haar bezwaarrecht dienstig uit te oefenen; dat het middel op dat punt gegrond is; dat er geen grond is om de overige toelichtingen, noch de overige middelen van het verzoekschrift te onderzoeken, aangezien zij, gesteld dat zij gegrond zijn, niet zouden kunnen leiden tot een ruimere nietigverklaring, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het koninklijk besluit van 6 juni 2000 houdende V - 1606 - 6/8 benoeming van Eric VAN DEN ABEELE tot directeur bij een fiscaal bestuur in zoverre het niet is vernietigd bij arrest nr. 116.
- Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde koninklijk besluit. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus uitgesproken te Brussel, op dertig januari tweeduizend zeven, in openbare terechtzitting van de Ve kamer van de Raad van State, door: de HH. R. ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, Mevr. M.-Chr. MALCORPS, griffier. De Griffier, De Eerste Voorzitter van de Raad van State, M.-Chr. MALCORPS. V - 1606 - 7/8 R. ANDERSEN. V - 1606 - 8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.290 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.99.562 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div