id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.373 Rolnummer: A. 179587/XII-4962 Zaak: Arrest 167373 - Overheidsopdrachten - 01/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-06 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 15:01 Fiche Arrest nr 167.373 van 1 februari 2007 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.373 van 1 februari 2007 in de zaak A. 179.587/XII-
- In zake : de NV TERRA ENGINEERING & CONSULTANCY, die woonplaats kiest bij advocaat S. Butenaerts, kantoor houdende te 1080 Brussel, Leopold II laan 180 tegen : de OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFEN- MAATSCHAPPIJ (OVAM), die woonplaats kiest bij advocaten P. Luypaers en H.-K. Carême, kantoor houdende te Heverlee, Industrieweg 4, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV Terra Engineering & Consultancy op 20 december 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de “beslissing van 6 december 2006, houdende de gunning van de aanneming van diensten ‘Brugge-Carcoke-ABSW : innovatieve technieken, kartering en begeleiding’ aan de NV SORESMA”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 januari 2007, om 9.30 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Butenaerts, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat H.-K. Carême, die loco advocaat P. Luypaers verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. Barra; XII-4962-1/4 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van “artikel 14 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, van artikel 69 en volgende van het KB van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel en de inhoudelijke motiveringsplicht”; dat zij daartoe betoogt dat niet is gegund aan de laagste regelmatige inschrijver omdat de verwerende partij ten onrechte van oordeel was dat de verzoekende partij op het ogenblik van de toewijzingsbeslissing niet voldeed aan alle selectiecriteria terwijl de door haar voorgestelde werfleider Lars Reychler wel aan de ervaringsvereiste van minimaal twee jaar voldeed op 6 december 2006, ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing; Overwegende dat de bestreden beslissing genomen is door de administrateur-generaal van de verwerende partij op 6 december 2006; dat daarbij de in het geding zijnde opdracht “wordt gegund” met de procedure van de openbare aanbesteding aan NV SORESMA voor een bedrag van 395.143,00 euro; dat uit het gunningsverslag blijkt dat de verzoekende partij bij de kwalitatieve selectie niet geselecteerd werd en wel met volgende redengeving : “De beide voorgestelde werfleiders hebben niet de vereiste ervaringsduur : de heer Van de Velde (sinds 26/11/2004) en de heer Reychler (sinds 07/03/05) wat niet voldoet (gevraagd minimaal 2 jaar )”; XII-4962-2/4 Overwegende dat het toepasselijke bestek (blz. 6) bepaalt “ Art. 69-70-
- - Selectiecriteria [...] Conform art. 71 waarin de bekwaamheid en efficiëntie van de inschrijver wordt nagegaan, zal de OVAM minimaal volgende eisen stellen : [...] " De werfleider in dienst bij de inschrijver, moet over minimaal 2 jaar ervaring beschikken in het opvolgen te velde van bodemsaneringswerken en : - een scholing in de chemie of biochemie van het lange type/universitair - én een aanvullende cursus basisveiligheid te hebben genoten voor het moment van de aanvang van de opdracht op de site”; Overwegende dat de verwerende partij opmerkt dat de ervaringsdata van de beide voorgestelde werfleiders in de bestreden beslissing verwisseld worden doch dat de materiële misslag zonder rechtsgevolgen is, aangezien beiden immers niet over de vereiste twee jaar ervaring beschikken; Overwegende dat lijkt te mogen worden aangenomen dat de verwisseling van de ervaringsdata van de twee opgegeven werfleiders op een verschrijving berust; dat voorts de hiervoor aangehaalde besteksbepaling als een selectiecriterium voorschrijft dat de werfleider over minimaal 2 jaar ervaring moet beschikken; dat volgens het bestek (blz. 2) de offertes dienen te worden ingediend ten laatste tot op het ogenblik van de opening op 5 september 2006 om 13 uur; dat niet wordt betwist dat op dat ogenblik aan de vereiste van de twee jaar niet was voldaan, nu de betrokken werfleider met de langste ervaring Reychler zijn ervaring maar had opgebouwd vanaf 26 november 2004; dat, ingeval op het ogenblik van de toetsing aan het in het geding zijnde selectiecriterium rekening zou zijn gehouden met een ervaring die op het ogenblik van de opening der offertes nog niet aanwezig was bij de werfleiders van de verzoekende partij, haar offerte lijkt te zouden zijn aangevuld, en zulks met een overigens onzeker gegeven, namelijk de oplopende ervaring van de werfleiders; dat het erop lijkt dat een dergelijke handelwijze niet zou kunnen worden aangemerkt als zorgvuldig hanteren van het betrokken selectiecriterium; dat het enig middel niet ernstig is; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door het voormelde artikel 17 gestelde voorwaarde; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, XII-4962-3/4 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een februari 2007, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4962-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.373 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.