← België

Arrest 167375 - Milieuvergunningen - 01/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.375 Rolnummer: A. 176024/VII-36427 Zaak: Arrest 167375 - Milieuvergunningen - 01/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-15 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 15:02 Fiche Arrest nr 167.375 van 1 februari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.375 van 1 februari 2007 in de zaak A. 176.024/VII-36.427 In zake : 1. Arnold VAN DEN HOUTE, 2. Rita BUGGENHOUT, die woonplaats kiezen bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, Antoine Dansaertstraat 92 tussenkomende partij : de gemeente MERCHTEM, die woonplaats kiest bij advocaten J. BOUCKAERT en T. GEVERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Arnold VAN DEN HOUTE en Rita BUGGENHOUT op 18 augustus 2006 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 15 juni 2006 houdende het niet-inwilligen van hun beroep tegen het verlenen door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente MERCHTEM op 26 januari 2006 van een milieuvergunning aan Dany BUGGENHOUT voor het veranderen van zijn inrichting, gelegen aan de Dries 39 te Merchtem; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-36.427-1/38 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 30 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 november 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. FLAMEY, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat K. VAN ALSENOY, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat T. GERNAEY, die, loco advocaat J. BOUCKAERT, verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat met een verzoekschrift van 17 oktober 2006 de gemeente MERCHTEM, waarvan het college van burgemeester en schepenen in eerste aanleg de bestreden milieuvergunning heeft verleend, vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen, dit "ter ondersteuning van de wettigheid van het bestreden besluit"; dat dit verzoek kan worden ingewilligd; 2. Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 2.1. De verzoekende partijen zijn eigenaars en bewoners van de woning die gelegen is op het perceel onmiddellijk naast de gebouwen van het bedrijf van Dany BUGGENHOUT, die zijn landbouwbedrijf verder wil uitbreiden met een inrichting voor aardappelverwerking. Het landbouwbedrijf van Dany BUGGENHOUT breidde in het verleden stelselmatig uit, en daartoe werden in het verleden een aantal bouwvergun- ningen verleend. Voor het project dat Dany BUGGENHOUT thans wil realiseren, met name de uitbreiding van zijn bestaand landbouwbedrijf met aardappelverwerking, is een stedenbouwkundige vergunning en een milieuvergunning nodig. Deze laatste VII-36.427-2/38 vergunning vormt het voorwerp van de thans voorliggende procedure. De stedenbouwkundige vergunning werd verleend op 8 maart 2006, doch zij werd aangevochten met een schorsingsverzoek en een annulatieberoep, bij de Raad gekend onder het nummer G/A 171.799/X-12.778. Bij arrest nr. 163.903 van 20 oktober 2006 werd de vordering tot schorsing verworpen. Het annulatieberoep is nog hangende. 2.2. Op 24 oktober 2005 dient Dany BUGGENHOUT de milieuver- gunningsaanvraag in die aanleiding zal geven tot het thans bestreden besluit. Het voorwerp van de aanvraag betreft het veranderen van een inrichting, met precisering dat het betreft: S een wijziging door actualisatie mazoutopslag; S een uitbreiding door stallen voertuigen, frigo’s, aardappelverwerking, olie, brandstofverdeelinstallatie, mestopslag. In bijlage 1 bij de aanvraag staat vermeld: "Het onderwerp van deze aanvraag omvat de uitbreiding van mijn bestaand landbouwbedrijf met een eigen aardappelverwerking. Het betreft een proces waar de eigen geteelde aardappelen zullen verwerkt worden tot geschilde aardappelen en frieten. Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om een aantal rubrieken te actualiseren. Het betreft inzonderheid de mazoutopslag die wordt verminderd en heringedeeld, een verdeelslang, de uitbreiding en herschikking van de frigo’s, de uitbreiding met olieopslag en mestopslag". Ook in bijlage 2 wordt verduidelijkt dat de aanvraag vooral de uitbreiding met een installatie voor de verwerking van de op het bedrijf geteelde aardappelen betreft. Deze zouden worden verwerkt tot geschilde aardappelen en voorgesneden frieten die vacuüm worden verpakt. Per jaar zou zo’n 3.000 ton aardappelen verwerkt worden. Tijdens het proces wordt ten dele gebruik gemaakt van opgevangen regenwater, en ten dele van grondwater. In de bijlage 2 wordt tevens beschreven hoe het afvalwater zal worden behandeld. Daarbij wordt onder meer gebruik gemaakt van een bezinkingsinstallatie. Het water wordt uit het laatste bezinkingsbekken gepompt en op geregelde tijdstippen opgehaald en/of gebruikt als irrigatiewater. Uit bijlage 2 blijkt voorts dat de aanvraag betrekking heeft op diverse indelingsrubrieken, doch geen ervan heeft betrekking op het lozen van afvalwaters. Het lozen van afvalwaters wordt integendeel expliciet vermeld onder de vergunde rubrieken die geen onderwerp zijn van de aanvraag. VII-36.427-3/38 2.3. Op 26 januari 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente MERCHTEM de gevraagde vergunning voor een termijn die eindigt op 1 september 2011, samenvallend met de einddatum van de vorige vergunningen. 2.4. Met een aangetekend schrijven van 7 maart 2006 stellen de verzoekende partijen beroep in tegen het voormelde besluit van het college van burgemeester en schepenen. In het beroepschrift wordt in essentie aangevoerd wat volgt: S de vergunning is onverenigbaar met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan, met name woongebied met landelijk karakter en agrarisch gebied. Het betreft immers geen para-agrarische bedrijvigheid; S de beslissing is intern tegenstrijdig gemotiveerd, nu enerzijds wordt overwogen dat bijzondere aandacht nodig is om de betreffende overlast binnen de perken van het aanvaardbare te houden en dat dienaangaande gepaste voorwaarden zullen worden opgelegd, terwijl uiteindelijk slechts de algemeen geldende milieuvoorwaarden worden opgelegd; S er gebeurde geen milieutechnische afweging en beoordeling door het college van burgemeester en schepenen, met name op het vlak van de geluidshinder, geurhinder, oppervlaktewatervervuiling, de watertoets en het vrachtverkeer. 2.5. In het kader van de beroepsprocedure wordt een aantal adviezen uitgebracht:

  1. a)op 20 maart 2006 brengt de afdeling Water een gunstig advies uit voor wat betreft de waterwinning;
  2. b)op 27 maart 2006 brengt AROHM een ongunstig advies uit, omdat een aardappelverwerkend bedrijf niet thuishoort in een agrarisch gebied;
  3. c)op 11 april 2006 geeft de Vlaamse Landmaatschappij een deels gunstig/deels ongunstig advies. In het advies staat onder meer te lezen dat, vermits op basis van de beschikbare gegevens de minimale opslagcapaciteit voor de stalmest niet berekend kan worden, er niet is voldaan aan artikel 5.9.2.2., §5, van titel II van Vlarem;
  4. d)op 14 april 2006 adviseert de Vlaamse Milieumaatschappij gunstig voor de lozing van huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater, mits onmiddellijk en effectief voldaan wordt aan de algemene voorwaarden voor lozing van huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater; VII-36.427-4/38
  5. e)op 9 mei 2006 brengt de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL een advies uit waarin wordt voorgesteld het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren, meer bepaald wat betreft de motiveringsplicht en de lozing van het afvalwater. Er wordt voorgesteld als bijzondere exploitatievoorwaarde op te leggen dat het bedrijfsafvalwater van de aardappelschil-frietsnijmachine dient geloosd in oppervlaktewater via een waterzuiveringsinstallatie met een maximum debiet van 4 m³ per dag, en waarbij het effluent van de waterzuiveringsinstallatie aan een aantal voorwaarden dient te voldoen. Voorts dient opgelegd dat de aardappelschil-frietsnijlijn uitsluitend mag worden gebruikt voor de verwerking van de aardappelen van de eigen teelt;
  6. f)op 10 mei 2006 brengt de Provinciale Milieuvergunningscommissie, nadat de raadslieden van de verzoekende partijen en de exploitant zijn gehoord, een unaniem gunstig advies uit wat betreft het verlenen van de vergunning. De wijziging van het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen is te wijten aan het feit dat AROHM-Brussel had geoordeeld dat de activiteit wel para-agrarisch is. 2.6. Op 15 juni 2006 wordt het thans bestreden besluit genomen. Het beroep van de verzoekende partijen wordt niet ingewilligd. Het bestreden besluit luidt als volgt: "(...) Aanspraken van het beroepschrift (samengevat): 1. het groenscherm dat opgelegd werd in de bouwvergunning van 1999 werd niet aangelegd bijgevolg gaat het hier om een niet behoorlijk vergund en bestaand landbouwbedrijf; uitbating in strijd met de bouwvergunning staat gelijk aan onvergund; 2. misleiding van de overheid door stelselmatige uitbreiding van de opslagloods met als ware bedoeling aardappelverwerking (agro- industrie); 3. de gevraagde activiteit is planologisch onverenigbaar: een deel van de volledige uitbating ligt in woongebied met landelijk karakter (oa. witloofloods), een ander deel ligt in agrarisch gebied: versnijden van aardappelen is volgens de Raad van State niet para- agrarisch; volgens arresten van de RvS moet de activiteit onmiddellijk aansluiten bij de landbouw; versnijden van aardappelen valt hier niet onder (voorlopig conditioneren); 4. de omzendbrief van 8 juli 1997 sluit frituren van aardappelen uit als para- agrarische activiteit; 5. het is onmogelijk aan te nemen dat uitsluitend eigen productie (3000 ton/
  7. j)op de inrichting zou verwerkt worden; er werd ter zake geen bijzondere vergun- ningsvoorwaarde opgelegd zodat uitbreiding naar verwerking van aardappelen van derden mogelijk is; 6. de grenzen van de ruimtelijke draagkracht zijn al bereikt met bouwvergunning van 2001 toen de aanleg van een groenbuffer opgelegd werd; verweving van functies is onmogelijk door agro- industrie; VII-36.427-5/38 7. de uitbating van de aardappelverwerking maakt de woonfunctie in het woongebied met landelijk karakter (waar wonen en landbouwfunctie op gelijke voet staan) onmogelijk; 8. grootschalig vrachtverkeer in kleine straten, ondraaglijke overlast, toename tot 300-tal vrachtwagens per jaar; 9. geurhinder, geen geurfilters voorzien, gemeente heeft geen voorwaarden opgelegd tegen geuroverlast; 10. tegenstrijdige motivering in de beslissing van het CBS: gemeente erkent dat er geluidsproblematiek kan zijn maar legt enkel algemene voorwaarden op; 11. geen milieutechnische beoordeling; 12. geluidshinder bijkomende koelinstallaties (normen nu al overschreden); 13. vervuiling van oppervlaktewater is mogelijk; enkel bezinking is voorzien; fosfor in aardappelverwerkende industrie is een gekend probleem; 14. onvoldoende voorwaarden voor het vrachtvervoer opgelegd. II. Toepasselijke regelgeving (...) III. Feitelijke gegevens (...) IV. Ontvankelijkheid (...) V. Adviezen, Onderzoek en Motivering Op 27.03.2006 bracht de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, ROHM (ASV) ongunstig advies uit: de uitbreiding met aardappelverwerking is geen para-agrarische activiteit. Evaluatie: De Afdeling Stedenbouwkundige vergunningen (AROHM-Brussel) heeft op 20 april 2006 geoordeeld dat de activiteit wel (para-)agrarisch is (zie ook verder). Daarom sluit de ASV zich aan bij het unaniem gunstige advies van de PMVC. Op 11.04.2006 bracht de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) volgend advies uit: S ongunstig voor het hervergunnen van 120 runderen; de laatste 3 jaren werd maar gemiddeld 88% van de mestproductie conform het mestde- creet afgezet; S gunstig voor uitbreiding van de mestopslag. Op 14.04.2006 bracht de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) gunstig advies uit. Op 20.03.2006 bracht de Afdeling Water (AW) gunstig advies uit. Op 9.05.2006 bracht de Afdeling Milieuvergunningen (AMV) gunstig advies uit: 'beroep gedeeltelijk gegrond wat betreft de motiveringsplicht en het lozen van bedrijfsafvalwater; bedrijfafvalwater zuiveren vooraleer lozing in oppervlaktewater met oplegging van de sectorale lozingsnormen aardappelverwerking aangevuld met oa. lozingsnorm voor fosfor.' Evaluatie: Het zuiveren en lozen van bedrijfsafvalwater werden niet aangevraagd. Het lozen van bedrijfsafvalwater is afzonderlijk vergunningsplichtig in het Vlarem. De aanvraag vermeldt dat het bedrijfsafvalwater ofwel zal dienen voor irrigatie van het veld ofwel zal afgevoerd worden. Op 10.05.2006 bracht de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC) unaniem gunstig advies uit: beslissing CBS bevestigen. De stemgerechtigde leden waren de voorzitter en de vertegenwoordigers van de afdelingen ASV, VLM, VMM, AW, AMV, en 1 externe deskundige. De exploitant werd gehoord door de PMVC: De aanspraken van het beroepschrift worden weerlegd (samengevat): VII-36.427-6/38 1. de uitbreiding van het bestaande landbouwbedrijf met aardappelverwerking is volstrekt verenigbaar met de bestemming van het agrarische gebied; de exploitant beschikt over 70 ha grond voor de kweek van aardappelen; deze eigen aardappelen zullen verwerkt worden: wassen, schillen frieten snijden en vacuüm verpakken. Volgens de omzendbrief van 8 juli 1997 is de activiteit te bestempelen als para-agrarisch: inpak- , conditionering- en opslagbedrijven van verse landbouw- producten zoals ze van het veld komen. Verwerking van elders aangevoerde en aan de streekoneigen producten is niet als (para-) agrarisch te beschouwen. De functiewijziging van de aardappelloods naar verwerking van aardappelen werd stedenbouwkundig vergund door de gemeente op 8 maart 2006. De afdeling Land verleende (op 22 februari 2006) hiervoor een gunstig advies. De gemachtigde ambtenaar schorste deze vergunning met als argument dat de functiewijziging strijdig is met art. 11 van het KB van 28.12.1972 (niet (para-) agrarisch). De Afdeling Stedenbouwkundige vergunningen (AROHM- Brussel) heeft op 20 april 2006 het schorsingsberoep afgewezen: 'Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de producten (aardappelen) een tweede behandeling ondergaan op het bedrijf zelf, waarbij de verwer- king van deze landbouwproductie slechts op kleine schaal gebeurt en niet los staat van de eigen productie. Bij de aardappelverwerking is er geen sprake van koken, frituren (voorbakken), diepvriezen of consumptieklare maaltijden maar enkel versnijden (frieten) en daarna vacuüm verpakken. In deze context is de voorgestelde activiteit als para-agrarisch te beschouwen en niet strijdig met de terzake geldende bepalingen van het planologische bestemmingsvoorschrift van 8 juli 1997 zodat er met de aanvraag geen vergunningsplichtige wijziging is gemoeid. ... Bijgevolg wordt het dossier niet ter vernietiging van de stedenbouwkun- dige vergunning aan de minister voorgelegd.' 2. De exploitant zal een waterzuiveringsinstallatie aanleggen maar de lozingsnorm die AMV voorstelt voor fosfor = 15 mg/l is aanzienlijk strenger dan de norm van 50 mg/l uit de BBT-studie voor de groenten- en fruitverwerkende nijverheid van oktober 1999. De kans bestaat dat de gemeente weldra een riolering zal aanleggen zodat het bedrijf daarop zal kunnen lozen. Op dat ogenblik zou een aanpassing van de lozingsnormen mogelijk zijn. 3. Het advies van de VLM stelt dat de mestafzet van de 3 laatste productieja- ren (2002-2003-2004) slechts 88% conform het mestdecreet was. In 2005 was het echter 100%. De exploitant vraagt daarom dat de VLM een herberekening zou maken en vraagt de behandeling van het dossier uit te stellen tot dit nieuwe advies van de VLM ingediend is. Evaluatie van de hoorzitting: 1. Gelet op de brief van de Afdeling Stedenbouwkundige vergunningen (AROHM-Brussel) van 20 april 2006 is de gevraagde activiteit wel degelijk (para-) agrarisch en dus planologisch verenigbaar met art. 11 van het KB van 28.12.1972. De criteria voor het aannemen van het (para-) agrarisch karakter zijn samen- gevat: kleinschalig (3000 ton aardappelen/jaar), eigen productie, de aardappelen worden rechtstreeks van het veld ingepakt, geconditioneerd (versneden tot frieten en vacuüm verpakt) en opgeslagen in afwachting van verdere verhande- ling. (zie ook boven) 2. Volgens de aanvraag wordt het bedrijfsafvalwater hetzij opgehaald hetzij toegepast (laatste bezinkingsbekken) voor irrigatie op het weiland. Toepassing voor irrigatie van het weiland betekent in feite een indirecte lozing van afvalwater in grondwater, wat volgens Vlarem verboden is. VII-36.427-7/38 Daarom heeft AMV (bij het plaatsbezoek) voorgesteld om een waterzuiverings- installatie aan te leggen. Volgens de aanvraag zijn er drie in serie geschakelde bezinkingsbekkens van elk 15 m³ voor de behandeling van het afvalwater aanwezig. Door één of twee van deze bezinkingsbekkens uit te rusten met een beluchter zou de wzi kunnen gerealiseerd worden. AMV stelt hierbij voor de sectorale lozingsnormen op te leggen. Echter de uitbating van een waterzuiveringsinstallatie voor het zuiveren en lozen van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater is volgens het Vlarem. afzonderlijk vergunningsplichtig. Aangezien het lozen van (gezuiverd) bedrijfsafvalwater niet opgenomen werd in de vergunningsaanvraag, kan dit evenmin in de vergunning opgenomen worden. Het bedrijfsafvalwater dient dus volgens de huidige stand van het dossier opgehaald en afgevoerd te worden door een erkende ophaler. 3. De (her)vergunning van de runderen maakt geen deel uit van het voorwerp van de veranderingsaanvraag. De adviesbevoegdheid van de VLM beperkt zich tot de uitbreiding van de mestvaalt voor opslag van 400m³ mest tot een totaal van 610 m³ mest. Voor dit onderdeel is het advies van de VLM gunstig. Het ongunstige advies voor de runderen is zonder voorwerp. Evaluatie van het beroepschrift 1. Op 26.07.1999 heeft het CBS een bouwvergunning verleend voor het bouwen van de aardappelloods in agrarisch gebied. Volgens het besluit van het College 'is het voorstel stedenbouwkundig aanvaardbaar (beoordeling goede plaatselijke ruimtelijke ordening) bij naleving van de voorwaarde opgelegd door het College, met name het aanbrengen van een groenscherm onmiddellijk na het oprichten van de loods. Op deze wijze komt men tegemoet aan de geopperde bezwaarschriften inzake uitzicht voor de omwonenden.' Dat het niet aanleggen van het groenscherm een bouwovertreding betreft dan wel gelijk staat met 'onvergund' valt buiten het beoordelingskader van de milieuaanvraag. 2. Sinds de bouwvergunning voor de aardappelloods in 1999 werden er inderdaad nog 5 bouwvergunningen afgeleverd voor uitbreiding van de aardappelloods

(200l), open loods voor landbouwvoertuigen
(2005), voor betonverharding
(2006), plaatsen van een afdak
(2006)en voor de functiewijzi- ging van de aardappelloods naar aardappelverwerking. (8 maart 2006). Volgens het plan gevoegd bij deze milieuaanvraag beperkt de aardappelverwer- king zich tot de bouwvergunningen verleend voor de loods in 1999 en
  1. Aangezien bouw- en milieuvergunning overeenstemmen, valt dit punt voor het overige buiten het beoordelingskader van dit dossier. De gevraagde uitbreiding van de stalplaats voor voertuigen staat in het beroepschrift niet ter discussie.
  2. Het arrest van de Raad van State (NV AGRISTO) waaruit beroepindiener citeert heeft betrekking op een grootschaliger activiteit: AGRISTO: S verwerking van 60.000 ton aardappelen per jaar, S aanvoer van aardappelen door derden, geen eigen teelt, S maken van voorgebakken frieten, kroketten, dauphinois-aardappelen, enz., S vergunde drijfkracht: 1400 kW. BUGGENHOUT: S schillen en versnijden van aardappelen van eigen kweek, S max. 3000 ton/jaar, S louter schillen en versnijden tot verse frieten en vacuüm verpakken, S vergunde drijfkracht: ong. 200kW (voor aardappelschillijn en koelinstalla- ties samen). Het arrest van de Raad van State inzake Agristo gaat over de weigering door de minister van uitbreiding van het bedrijf met een bijkomende opslagloods, een VII-36.427-8/38 aardappelvlokkenlijn en een kartonnageloods omdat voor deze onderdelen ook de bouwvergunning was geweigerd. De hernieuwing van de milieuvergunning voor de verdere exploitatie van de bestaande inrichting (aardappelverwerking met een gezamenlijk geïnstalleerd vermogen van ca. 1400 kW met aanhorighe- den) werd bevestigd. De Raad van State heeft het ministeriële besluit vernietigd omdat uit het uitgangspunt dat het betrokken bedrijf een zuiver commercieel en agro- industrieel karakter heeft niet zondermeer kon/mocht afgeleid worden dat de inrichting zeker niet is te aanzien als para-agrarisch bedrijf. Het geciteerde arrest is bijgevolg verder niet dienstig voor de behandeling van onderhavig beroepschrift. De omzendbrief d.d. 08.07.1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (gewijzigd via omzendbrief dd. 25/1/2002 en 25/10/2002) bepaalt: 'Voorafgaandelijk dient gepreciseerd te worden dat het onderscheid tussen para-agrarische en agrarische bedrijven niet steeds even duidelijk is. Dit onderscheid schept evenwel geen bijzondere problemen, aangezien beide soorten bedrijven in dezelfde zone kunnen toegelaten worden. Het hoofdcriterium om te beoordelen of de aanvraag al dan niet een para-agrarisch bedrijf betreft is het volgende: Para-agrarische ondernemingen zijn die ondernemingen waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en erop afgestemd is. Bij de beoordeling kunnen volgende criteria een rol spelen:
  3. Het grondgebonden karakter van het bedrijf, in aansluiting op of vergelijkbaar met agrarisch grondgebruik.
  4. De nauwe relatie met het landbouwproductieproces.
  5. De strikte relatie met de voortgebrachte landbouwproducten (met uitsluiting van loutere handel). Het betreft dus de onmiddellijke behandeling van de landbouwproducten, die onontbeerlijk is vooraleer deze producten aan de commercialisatiesector toevertrouwd worden.' 'Voorbeelden van bedrijven die overwogen kunnen worden: (...)
  6. Inpak-, conditionering- en opslagbedrijven van verse landbouwproduc- ten. Het betreft bedrijven die de verse en streekeigen landbouwproducten, zoals ze van 'het veld' komen, rechtstreeks betrekken van de producenten en deze producten inpakken, conditioneren en opslaan, in afwachting dat ze verder verhandeld worden. In deze zin moeten bijvoorbeeld groentendiepvriesbedrijven als pa- ra-agrarische bedrijven aanzien worden, in de mate dat zij de producten van te velde en afkomstig van de streek vers schoonmaken, voor bewaring bewerken, inpakken en stockeren. Enkel wanneer van elders aangevoerde en aan de streek oneigen producten op deze wijze behandeld worden of wanneer streekeigen producten een tweede behandeling ondergaan, bijvoorbeeld wanneer deze groenten tot een andere en totaal gewijzigde vorm verwerkt worden, dienen dergelijke bedrijven als industriële bedrijven aanzien te worden die niet in het agrarische gebied kunnen worden toegelaten. Typevoorbeelden van deze laatste soort zijn bedrijven waar bijvoorbeeld aardappelen of andere producten worden versneden en gefrituurd en bewerkt tot gebruiksklare consumptiegoederen en daarna worden diepgevroren, en waar de verwerking van landbouwproducten gebeurt op een grote schaal en los van de productie. Dergelijke ag- ro-industriële activiteiten dienen te worden verwezen naar geëigende bestemmingszones.' In het bedrijf van Dany Buggenhout staat de verwerking van de aardappelen tot versgesneden frieten niet los van de productie, is er een nauwe relatie met het VII-36.427-9/38 landbouwproductieproces en is er een strikte relatie met de voortgebrachte landbouwproducten. Immers is het de bedoeling om de eigen geteelde aardappelen te conditioneren tot versgesneden frieten, zonder frituren en zonder diepvriezen. Dany Buggen- hout heeft een areaal (zowel in eigendom, in pacht als in huur) van 70 hectaren voor aardappelteelt. Bij een gemiddelde opbrengst van 44 ton/hectare (bron: Vlaams Informatiecentrum over Land- en Tuinbouw) komt dit neer op ca. 3080 ton/jaar (cfr. 3000 ton vermeld in aanvraag). De stockagecapaciteit in de aardappelloods is 3300 m³ of ca. 2900 ton (cfr. plan bij aanvraag: drie boxen van 11 m bij 25 m met een stapelhoogte van max. 4m (hoger kan niet of de onderste lagen worden murw). De aardappelschillijn heeft een capaciteit van ca. 2,5 ton/u. Bij een benuttiging van 5 u/dag (dagverse leveringen!) en 250 dagen per jaar komt men aan 3125 ton/jaar. Hieruit blijkt dat de gegevens in de aanvraag realistisch en maximalistisch ingeschat zijn, en niet als grootschalig kunnen worden aanzien. De omzendbrief bepaalt verder: 'Dit artikel (art. 11.4.1) bepaalt dat: 'agrarische gebieden bestemd zijn voor landbouw in de ruime zin'. Het gebruik van de term landbouw in de 'ruime zin' betekent dat het begrip 'landbouw' niet restrictief, doch ruim dient te worden opgevat. In die zin worden met landbouw dan ook niet enkel deze activiteiten bedoeld die bestaan in het bewerken van het land om er de veldvruchten van te plukken, doch eveneens tuinbouw, veeteelt en visteelt. Zelfs gebouwen die zijn bestemd voor tuinbouw onder glas met hydrocultuur, kunnen onder het toepassingsgebied van artikel 11.4.
  7. vallen.' Concluderend kan gesteld worden dat de aardappelschil-frietsnijlijn van Dany Buggenhout als agrarisch of para-agrarisch bedrijf dient te worden beschouwd. Deze vaststelling wordt bevestigd in de brief van de Afdeling Stedenbouwkundi- ge vergunningen (AROHM-Brussel) van 20 april 2006 waarin bovendien gesteld wordt dat de wijziging van aardappelloods naar aardappelverwerking geen vergunningsplichtige bestemmingswijziging is.
  8. de omzendbrief sluit inderdaad het frituren van aardappelen uit als para- agrarische activiteit. Dany Buggenhout vraagt deze activiteit echter niet aan.
  9. Volgens de hierboven beschreven berekening is een productie en dus verwerking van 3000 ton aardappelen voor 70ha een realistische inschatting.
  10. De aanleg van een groenscherm rond de aardappelloods werd al opgelegd in de bouwvergunning van
  11. In de bouwvergunning voor de uitbreiding van de loods
(2001)werd het groenscherm opnieuw als voorwaarde opgelegd. In het besluit staat dat het College de aanleg op de voet zal volgen en eventueel zal bijsturen wanneer blijkt dat de aanplanting onvoldoende zou uitgevoerd worden. Het toezicht op het naleven van de voorwaarden uit de bouwvergun- ning(en) valt buiten beoordelingskader van de milieuvergunning. De gevraagde uitbreiding is beperkt tov van de reeds vergunde loods
(1999). De ruimtelijke draagkracht komt niet in het gedrang. Temeer omdat het niet gaat om agro-industrie. 7. en 11. De Vlarem- wetgeving beoordeelt de planologische verenigbaarheid van de uitbating met het gebied waarin de uitbating gelegen is. Ook op milieutechnisch vlak is de uitbating verenigbaar met de omgeving wanneer de ter zake geldende vergunningsvoorwaarden (Vlarem II) nageleefd worden. 8. en 14. beroepindiener heeft het over de explosie van vrachtverkeer tengevolge de behandeling van 3000 ton aardappelen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat elke kg aardappelen slechts twee maal kan vervoerd worden, t.t.z. 1x aangevoerd en 1x afgevoerd. Vermits de aanvraag en de vergunning enkel slaan op de verwerking van eigen teelt betekent dit dat de aanvoer (tijdens het rooien van de aardappelen) per definitie gelijk blijft. De afvoer van de aardappe- VII-36.427-10/38 len in de huidige situatie, hetzij naar de groothandel, hetzij naar de aardappelver- werkende industrie, gebeurt met grote vrachtwagens. De afvoer van de verse frieten zal met kleinere vrachtwagens en bestelwagens gebeuren. Dus het aantal transportbewegingen zal wel toenemen, doch de impact ervan met betrekking tot hinder op de wegen in de omgeving zal zeker niet toenemen, gelet op het feit dat deze afvoer met kleinere vrachtwagens zal gebeuren. 9. In de vakliteratuur wordt inderdaad een sterke relatie aangegeven tussen geurhinder en aardappelverwerking en in de BBT-studies worden maatregelen tegen geurhinder geïnventariseerd en beschreven, wanneer het gaat om de bakprocessen van de aardappelverwerking (frituren, gratineren, e.d.). Bij de installatie van Dany Buggenhout is er geen bakproces aan de orde. 10. en 12. De door beroepindiener bijgevoegde foto's om te bewijzen dat de huidige geluidssituatie al aanleiding geeft tot overschrijding van de geluidsnor- men, kunnen niet in aanmerking genomen worden. Er kan niet afgeleid worden welke toetsingsgrootheid (bv. L95-waarde), welke meetgrootheid geselecteerd is (Leq, SEL, PEAK,) welke de meetduur is, of de microfoon voorzien is van een windbol of niet. Enkel een akoestisch onderzoek uitgevoerd door een erkende geluidsdeskundige kan uitsluitsel geven. Er is geen reden om aan te nemen dat de algemene geluidsnormen van Vlarem II voor onderhavige inrichting niet zouden kunnen gehaald worden. In deze voorwaarden is trouwens ook opgelegd dat bij overschrijding van de nonnen, de exploitant op eigen kosten een akoestisch onderzoek + sanerings- maatregelen moet uitvoeren. De door het College opgelegde voorwaarden bevatten voldoende garanties om de hinder voor de omgeving tot een aanvaardbaar niveau te beperken. 13. In de aanvraag is het niet duidelijk over hoeveel bedrijfsafvalwater het zou gaan en wat de uiteindelijke bestemming zou (zijn). Het gebruik van bedrijfsaf- valwater als irrigatiewater is volgens Vlarem verboden. Het lozingaspect kan niet verder beoordeeld worden in deze lopende procedure. Volgens de huidige stand van het dossier dient het afvalwater afgevoerd te worden. De watertoets werd uitgevoerd naar aanleiding van de bouwaanvraag voor het ombouwen van een gedeelte van de aardappelloods tot aardappelverwerking. Dit heeft geleid tot de verplichting van het plaatsen van regenwaterputten, conform de provinciale verordening terzake. Gelet op de brief van de Afdeling Stedenbouwkundige vergunningen (AROHM- Brussel) van 20 april 2006 is deze bouwvergunning uitvoerbaar. De gevraagde verhoging van het op te pompen grondwaterdebiet met 300 m³/jaar stelt niet de minste problemen voor de aangeboorde grondwaterlaag. verslag van het onderzoek: De inrichting ligt volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 deels in landelijk woongebied (bestaande stal voor 25 runderen + witloofverpakking) en deels in agrarisch gebied (bestaande stallen voor 95 runderen + witloofkwekerij op watercultuur + bestaande opslagplaatsen voor aardappelen + uitbreiding met aardappelschil- lijn+frietsnijlijn). De inrichting ligt op een afstand van: - ca. 1100 m van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter; - palend aan een woongebied met landelijk karakter; - ca. 500 m van woonuitbreidingsgebied; - ca. 700 m van natuurgebied. De aardappelverwerking wordt ondergebracht in een gedeelte (11 m op 25
  1. m)van de bestaande aardappelloods met afhangen. Deze is gesitueerd in agrarisch gebied volgens het gewestplan. De verwerking van eigen aardappel- teelt tot geschilde aardappelen en/of versgesneden frieten is een para-agrarische activiteit en landbouwactiviteit in de ruime zin en is bijgevolg planologisch VII-36.427-11/38 verenigbaar met art. 11 van het KB van 28.12.1972 betreffende de inrichting en toepassing van gewestplannen. Het beroep heeft betrekking op de uitbreiding van het bestaand gemengd landbouwbedrijf (rundveehouderij + akkerbouw + witloofteelt) met een aardappelschil- en frietsnijlijn voor de valorisering van de aardappelen van eigen kweek. De bedrijfsgebouwen zijn onder te verdelen in drie delen: - een semi-vierkantshoeve met stallen voor 25 runderen en het verpakkingslo- kaal voor witloof, gelegen in landelijk woongebied - een tweede gebouw, palend aan het vorige, gelegen in het agrarische gebied en bestaande uit stallen voor 95 runderen en de witloofkwekerij (forceerzaal op watercultuur + frigo'
  2. s)- een derde loods, in achteruitbouw ten opzichte van de vorige, voor de opslag van aardappelen en het stallen van landbouwvoertuigen; het is een deel van deze loods die zou omgebouwd worden tot aardappelschillokaal met versnijding tot verse frieten. De belangrijkste reden waarom steeds meer aardappeltelers wensen over te gaan naar een eigen aardappelverwerking is de toegevoegde waarde die men met het geschilde product bereikt t.o.v. de conventioneel geoogste aardappelen, die toegeleverd worden aan industriële aardappelverwerkers. Versgeschilde aardappelen al of niet in plakken, blokjes of frites gesneden, of zelfs geprofileerd in ronde aardappeltjes (krielaardappelen of pommes Parisien- nes) vinden steeds meer afzet in restaurants, grootkeukens en frituren. Het voordeel voor de landbouwer ligt in het feit dat hij minder afhankelijk is van de prijsvorming op de markt voor de ruwe aardappel. Een aardappelschillijn, zoals de aanvrager wenst te installeren bestaat uit volgende in serie geschakelde onderdelen: S een aanvoer-/doseerbunker: om het product in de lijn te doseren en transporteren, S een ontstener: om te beletten dat steentjes de schillijn zouden beschadi- gen, S een carborundum schrapper: door middel van sneldraaiende rollen, die speciaal bekleed zijn met carborundum (bestanddeel van schuurpapier!), wordt het product voorgeschrapt, S een messenschiller: sneldraaiende rol, bekleed met scherpe mesjes voor het verhogen van de visuele aantrekkelijkheid van het product en het verhogen van de houdbaarheid van het product, S een frietsnijmachine, S een waterkoeler (waterbad op ca. 4 C: om de frieten (of de geschilde aardappelen) te reinigen en te koelen. (voorgekoelde frieten blijven na verpakking langer houdbaar), S een afweeg-/vacumeer- en verpakkingsmachine: om het eindproduct op gewicht af te wegen en te vacumeren in zakken. Verder zijn frigo's aanwezig om de verpakte frieten of geschilde aardappelen verder te koelen, voor verzending. In principe gaan de gesneden frieten nog dezelfde dag naar de verbruiker. De aardappelen worden vanuit de voorraadsilo's naar de ontstener gevoerd via een mechanische opvoerband. Hier worden de aardappelen gewassen en ontsteend in een trommel die een 200 liter water bevat en 1 x per week hervuld moet worden. Voor het wassen wordt gebruik gemaakt van regenwater. Daarna komen de gewassen aardappelen in de schilmachine terecht. De schilmachine maakt gebruik van vernevelingssproeiers die een 500 liter per dag aan water verbruiken. Vanaf hier wordt om hygiënische redenen gebruik gemaakt van grondwater. Vanuit de schilmachine worden de geschilde aardappelen in een voorraadbad gebracht. Dit bevat een 200 liter water en moet 1 x per dag hervuld worden. VII-36.427-12/38 Vanuit dit voorraadbad worden de geschilde aardappelen op een inspectietafel gebracht. Visueel worden de aardappelen gecontroleerd op eventuele onvolko- menheden. Manueel worden achtergebleven ogen in geschikte exemplaren uitgesneden en niet voor consumptie geschikte exemplaren verwijderd. Dit afval wordt eveneens via de aparte transportband afgevoerd naar de pers en vindt een nuttige toepassing onder de vorm van veevoeder voor de runderen. Na de inspectie en eventuele manuele behandeling op de inspectietafel worden de aardappelen opnieuw in een voorraadbad gebracht. Dit bevat eveneens een 200 liter water en moet ook 1 x per dag hervuld worden. In functie van het gewenste afgewerkt product (geschilde aardappelen of frieten) kunnen de aardappelen van hieruit naar de snij- en sorteermachine gebracht worden waar ze tot frieten van gelijke grootte worden verwerkt. Het tot frieten snijden gebeurt via een watersnijmes. Dit systeem bevat een 400 liter water en moet 1 x per dag hervuld worden. Hierna worden de frieten of geschilde aardappelen via de koelschroef naar de elektronische weger gebracht. In de afzakmachine worden de frieten of geschilde aardappelen vacuüm verpakt en worden ze nadien in de frigo's opgeslagen voor verdere koeling in afwachting van verzending (in principe nog dezelfde dag). Het afval (schillen en aardappelresten) wordt via een aparte transportband afgevoerd naar de pers waar het overtollige water wordt verwijderd en de pulp een nuttige toepassing vindt onder de vorm van veevoeder voor de op het bedrijf aanwezige runderen. Het onderdeel van de installatie dat mogelijk geluid produceert is de eigenlijke schiller. Door plaatsing in een volledig gesloten lokaal is uit een bezoek door de AMV aan een gelijkaardige installatie in Gosselies gebleken dat het geluid van deze machine buiten niet meer hoorbaar is. Bovendien bedraagt de afstand van het gebouw (aardappelloods) waarin de volledige installatie wordt onderge- bracht, tot de meest nabije woning (woning van beroepindiener) ca. 80 m. Er worden eveneens bijkomende koelinstallaties voorzien voor de frigo's. Het betreft nieuwe installaties die intrinsiek een laag geluidsniveau hebben. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat de installatie aanleiding zal geven tot overmatige geluidshinder. In elk geval dient de inrichting te voldoen aan de geluidsnormen van Vlarem II die voldoende garanties bieden dat de uitbating kan geschieden zonder overmatige (geluids)hinder voor de omgeving. De verwerking van de aardappelen tot versgesneden frieten veroorzaakt geen geurhinder. Er is immers geen bakproces aan verbonden. Er wordt gevraagd het maximaal op te pompen debiet uit het Ledo-Brusseliaan te verhogen met 300 m³/jaar tot een totaal van 1700m³/jaar. De capaciteit van de watervoerende laag is voldoende om het gevraagde debiet te leveren. De afvalwaterproductie van een dergelijke aardappelschillerij blijft beperkt tot ca. 1,5 m³/dag. Lozingsgegevens van een volledig vergelijkbare inrichting (aardappelschillerij Broux te Zonhoven) leren dat in de praktijk het lozingsdebiet aan bedrijfsafvalwater ca. 3m³/dag (uitsleepverliezen) bedraagt. Zoals boven al toegelicht valt de verdere beoordeling van het lozingsaspect buiten het beoordelingskader van deze aanvraag. De exploitant dient in overweging te nemen of het bedrijfafvalwater verder zal afgevoerd worden dan wel dat een wzi zou geplaatst worden. Globaal kan gesteld worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie bij naleving van de door het College opgelegde exploitatievoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt. Er bestaat bijgevolg aanleiding toe het beroep in te willigen (lees: niet in te willigen) en de beslissing van het CBS van Merchtem te bevestigen. (...)". VII-36.427-13/38 2.7. Volgens de tussenkomende partij heeft inmiddels de aanvrager besloten om over te gaan tot de installatie van een klasse 3 waterzuiveringsinstallatie. Op 27 juli 2006 heeft het college van burgemeester en schepenen akte genomen van de melding door de aanvrager van een afvalwaterzuiveringsinstallatie en een transformator van 400 kVa zoals omschreven in respectievelijk de rubrieken 3.6.2.1/ en 12.2.1/ van de bijlage bij Vlarem; 3. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen als eerste middel aanvoeren wat volgt: "EERSTE MIDDEL, genomen uit de schending van het gewestplan nr. 25 Halle-Vilvoorde-Asse, artikelen 6.1.2.2 en 11.4.1 van het K.B. van 28 december 1972 'betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen' (het 'Inrichtingsbesluit'), artikel 11 van de Omzendbrief van 29 april 1996 'houdende toelichting bij het Koninklijk Besluit van 28 december 1972', artikelen 2 en 43 §§ 6-8 van het Decreet betreffende de Ruimtelijke Ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (het 'DROG'), artikel 17 eerste lid van het Decreet van 28 juni 1985 'betreffende de Milieuvergunning' (het 'MVD'), de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (de 'Wet Uitdrukkelijke Motivering'), de materiële motiveringsplicht, de beginselen van behoorlijk bestuur, met inbegrip van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel en uit de ontstente- nis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag; DOORDAT de bestreden beslissing milieuvergunning verleent voor een industriële exploitatie in strijd met de bepalingen van het gewestplan; TERWIJL de exploitatie van de aanvrager overeenkomstig het gewestplan nr. 25 Halle-Vilvoorde-Asse gelegen is gedeeltelijk in landelijk woongebied, namelijk voor wat betreft de eerste 100m te rekenen van de Dries, en gedeelte- lijk in agrarisch gebied (stuk 12 - uittreksel uit het gewestplan in bijlage bij het verslag van expert-landmeter De Lannoy); Dat landelijk woongebied bestemd is voor de woningbouw in het algemeen, en tevens voor landbouwbedrijven overeenkomstig de artikelen 5.1 en 6.1.2.2 Inrichtingsbesluit; Dat beide bestemmingen hoofdbestemmingen zijn, zodoende dat dit bestemmingsvoorschrift dient te worden samengelezen met artikel 11 van het Inrichtingsbesluit wat betreft de verenigbaarheid van een agrarische activiteit; Dat een ander deel van de bedrijfsvoering overeenkomstig het gewestplan gelegen is in agrarisch gebied; Dat, overeenkomstig artikel 11 van het Inrich- tingsbesluit, de agrarische gebieden bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin; Dat agrarische gebieden - behoudens enkele bijzondere bepalingen - enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen mogen bevatten, de woning van de VII-36.427-14/38 exploitanten, benevens de verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven; Dat de bestreden vergunning toelaat de bestaande activiteiten om te vormen tot een industriële aardappelverwerkende exploitatie; Dat de beoogde activiteit bestaat in aardappelverwerking, waarbij aardappelen versneden worden tot frieten en klaargemaakt voor consumptie; Dat het productieproces als volgt wordt beschreven in de aanvraag: 'In onderstaande wordt het productieproces toegelicht: De aardappelen worden vanuit de voorraadsilo's naar de ontstener gevoerd via een mechanische opvoerband. Hier worden de aardappelen gewassen en ontsteend in een trommel die een 200 liter water bevat en 1 x per week hervuld moet worden. Voor het wassen wordt gebruik gemaakt van regenwater. Daarna komen de gewassen aardappelen in de schilmachine terecht waar ze door middel van een messenschiller worden geschild. Het afval (schillen en aardappelresten) wordt via een aparte transportband afgevoerd naar de pers waar het overtollige water wordt verwijderd en de pulp een nuttige toepassing vindt onder de vorm van veevoeder voor de op het bedrijf aanwezige runderen. De schilmachine maakt gebruik van vernevelingssproeiers die een 500 liter per dag aan water verbruiken. Vanaf hier wordt om hygiënische redenen gebruik gemaakt van grondwater. Vanuit de schilmachine worden de geschilde aardappelen in een voorraadbad gebracht. Dit bevat een 200 liter water en moet 1 x per dag hervuld worden. Vanuit dit voorraadbad worden de geschilde aardappelen op een inspectie- tafel gebracht. Visueel worden de aardappelen gecontroleerd op eventuele onvolkomenheden. Manueel worden achtergebleven 'ogen' in geschikte exemplaren uitgesneden en niet voor consumptie geschikte exemplaren verwijderd. Dit afval wordt eveneens via de aparte transportband afgevoerd naar de pers en vindt een nuttige toepassing onder de vorm van veevoeder voor runderen. Na de inspectie en eventuele manuele behandeling op de inspectietafel worden de aardappelen opnieuw in een voorraadbad gebracht. Dit bevat eveneens een 200 liter water en moet ook 1 x per dag hervuld worden. In functie van het gewenste afgewerkt product (geschilde aardappelen of frieten) kunnen de aardappelen van hieruit naar de snij- en sorteermachine gebracht worden waar ze tot frieten van gelijke grote worden verwerkt. Het tot frieten snijden gebeurt via een watersnijmes. Dit systeem bevat een 400 liter water en moet 1 x par dag hervuld worden. Hierna worden de frieten of geschilde aardappelen via de koelschroef naar de electronische weger gebracht. Via de afzakmachine worden de frieten of geschilde aardappelen vacuüm verpakt en worden ze in de frigo's opgeslagen.' Dat dit uiteraard geen strikt agrarische bedrijvigheid is, zodat zich de vraag stelt of eventueel sprake zou kunnen zijn van een para-agrarische activiteit; Overwegende dat bij ontstentenis van een nadere omschrijving ter zake, de term 'para-agrarisch bedrijf' in artikel 11.4.1 van het Inrichtingsbesluit in zijn spraakgebruikelijke betekenis dient te worden begrepen; Dat aangaande dit begrip reeds een uitgebreide rechtspraak door Uw Raad werd ontwikkeld; Dat daaronder worden verstaan bedrijven waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en erop afgestemd is (R.v.St., Lesage, nr. 56.419, 23 november 1995); Dat het daarbij in principe van geen belang is dat de uitgeoefende activiteit een commercieel, ambachtelijk of industrieel karakter zou hebben (R.v.St., Lesage, nr. 52.608, 30 maart 1995; R.v.St., Lesage, 56.419, 23 november 1995); Dat deze rechtspraak uiteraard geen vrijbrief geeft voor de vestiging van niet- agrarische exploitaties in agrarisch gebied; Dat de vraag uiteraard blijft hoe men VII-36.427-15/38 het 'onmiddellijk aansluiten bij en daarop afgestemd' (het Griekse 'para' betekent 'naast' of 'dichtbij') geval per geval beoordeelt; Overwegende dat in de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (B.S. 23 augustus 1997) een aantal concrete criteria worden aangereikt ter beoorde- ling van het para-agrarische karakter van een industriële, ambachtelijke of commerciële inrichting; Dat de vergunningverlenende overheid zich hierdoor kennelijk heeft laten inspireren, vermits in de bestreden beslissing en in de adviezen op verschillende plaatsen wordt verwezen naar deze omzendbrief; Dat in de omzendbrief de volgende criteria worden aangehaald om te bepalen of een bepaalde activiteit een para-agrarisch karakter heeft: 'Bij de beoordeling kunnen volgende criteria een rol spelen: 1. Het grondgebonden karakter van het bedrijf, in aansluiting op of vergelijkbaar met agrarisch grondgebruik (bv. Schoolhoeve). 2. De nauwe relatie met het landbouwproductieproces (bv. landbouw- loonwerkers). 3. De stricte relatie met de voortgebrachte landbouwproducten (met uitsluiting van loutere handel). Het betreft dus de onmiddellijke behandeling van de landbouwproducten, welke onontbeerlijk is vooraleer deze producten aan de commercialisatiesector toever- trouwd worden.' Dat de omzendbrief derhalve enige ruimte laat voor verdere verwerking van landbouwproducten als activiteit aansluitend bij en afgestemd op de landbouw, met name in zoverre dergelijke verwerking onontbeerlijk kan genoemd worden vooraleer de producten worden toevertrouwd aan de voedingsmiddelenindustrie; Dat dit verder wordt verduidelijkt bij de voorbeelden die in de omzendbrief worden gegeven als voorbeeld van een para-agrarische inrichting: 'Inpak-, conditionerings- en opslagbedrijven van verse landbouwproduc- ten. Het betreft bedrijven die de verse en streekeigen landbouwproducten, zoals ze van 'het veld' komen, rechtstreeks betrekken van de producenten en deze producten inpakken, conditioneren en opslaan, in afwachting dat ze verder verhandeld worden. In deze zin moeten bijvoorbeeld groenten- diepvriesbedrijven als para-agrarische bedrijven aanzien worden, in de mate dat zij de producten van te velde en afkomstig van de streek vers schoon- maken, voor bewaring bewerken, inpakken en stockeren. Enkel wanneer van elders aangevoerde en aan de streek oneigen producten op deze wijze behandeld worden of wanneer streekeigen producten een tweede behande- ling ondergaan, bijvoorbeeld wanneer deze groenten tot een andere en totaal gewijzigde vorm verwerkt worden, dienen dergelijke bedrijven als industriële bedrijven aanzien te worden die niet in het agrarische gebied kunnen worden toegelaten. Type-voorbeelden van deze laatste soort zijn bedrijven waar bijvoorbeeld aardappelen of andere producten worden versneden en gefritureerd en bewerkt tot gebruiksklare consumptiegoede- ren en daarna worden diepgevroren, en waar de verwerking van landbouw- producten gebeurt op een grote schaal en los van de productie. Dergelijke agro-industriële activiteiten dienen te worden verwezen naar geëigende bestemmingszones.' Dat de omzendbrief derhalve duidelijk bepaalt welke verwerkingen voor dit soort ondernemingen niet beschouwd kunnen worden als 'onontbeerlijk'; Dat in de aanvraag duidelijk sprake is van een verwerking van aardappelen tot verse frieten en geschilde aardappelen; Dat men in redelijkheid mag aannemen dat daarvoor, volgens de bewoordingen van de omzendbrief, een wijziging van de vorm van het oorspronkelijke landbouwproduct noodzakelijk is; Dat de bovenvermelde passage uit de omzendbrief, woordelijk hernomen in het bestreden besluit, derhalve in tegenspraak is met de conclusie die in het bestreden besluit wordt weerhouden, nl. dat het hier een para-agrarische VII-36.427-16/38 activiteit zou betreffen; Dat men niet onder verwijzing naar deze omzendbrief tot die conclusie kan komen, zonder te verduidelijken waarom men van het daarin uitdrukkelijk bepaalde wenst af te wijken; Dat een contradictie in de motieven gelijkstaat met een gemis aan motivering (R.v.St., nr. 44.955, 18 november 1993); Dat het hier geenszins een verwerking betreft die onontbeerlijk is om de landbouwproducten aan de commercialisatiesector toe te vertrouwen; Dat ongeschilde aardappelen immers op zichzelf reeds perfect commercialiseerbaar zijn; Dat het evenwel perfect begrijpelijk is dat landbouwers hun winstmarges wensen te verhogen door een verdere verwerking van hun aardappelen tot commercieel interessantere frieten of krielaardappelen, maar dat zulks uiteraard nog niet betekent dat een dergelijke secundaire verwerking zou thuishoren in agrarisch gebied; Dat het in dit geval een stereotiep voorbeeld betreft van een verwerkende activiteit waarbij landbouwproducten een tweede behandeling ondergaan, zodat deze activiteit geen para-agrarisch karakter heeft; Dat het bovendien weinig aannemelijk is dat de te verwerken aardappelen enkel uit eigen teelt zullen worden betrokken, temeer daar in de milieuvergun- ning ter zake geen enkele bijzondere exploitatie-voorwaarde is opgelegd; Dat het dan ook te verwachten valt dat bij de minste uitbreiding van het bedrijf aardappelen van derden voor verwerking worden afgenomen, wat door de vergunning overigens ook niet wordt uitgesloten, zodat er geen enkele juridische grondslag is om te verhinderen dat ook aardappelen van derden worden verwerkt in de inrichting; Dat de bestreden vergunning derhalve minstens als bijzondere exploitatievoorwaarde had moeten voorzien dat enkel eigen productie mocht worden verwerkt; Dat het advies van AMV trouwens had voorgesteld om een dergelijke exploitatievoorwaarde op te nemen (stuk 5; Dat de bestreden beslissing niet motiveert waarom de door het advies van AMV noodzakelijk geachte en in het vooruitzicht gestelde bijzondere exploitatievoorwaarde uiteindelijk niet werd opgenomen; Dat zij alleen al uit dien hoofde is aangetast door een motiveringsgebrek (R.v.St., Monu, nr. 61.705, 12 september 1996 en nr. 64.583, 18 februari 1997); Dat nu zulks niet is gebeurd, de inrichting eveneens kan aangewend worden voor de verwerking van van elders aangevoer- de aardappelen, wat door de geciteerde omzendbrief expliciet wordt uitgesloten; Overwegende dat deze criteria op zichzelf niet doorslaggevend zijn; Dat men zich integendeel telkens de vraag dient te stellen of de activiteit in kwestie dermate nauw aansluit bij de landbouw dat zij best wordt ondergebracht in landbouwgebied, eerder dan in het daartoe geëigende bestemmingsgebied; Dat het dan wel voor zich spreekt dat de bovenstaande criteria een belangrijke indicator vormen om uit te maken of de beoogde activiteit para-agrarisch is; Dat (men) er moet van uitgegaan worden dat het niet de bedoeling van het Inrichtingsbesluit kan zijn geweest om een vrijbrief te geven voor alle verwer- kende nijverheid om zich te vestigen in agrarisch gebied voor zover er maar een connectie is met de landbouw senso strictu; Dat het immers uit de logica van het Inrichtingsbesluit voortvloeit dat, bijvoorbeeld, verwerkende nijverheid in de regel wordt ondergebracht in industriegebied, en niet in agrarisch gebied; Dat dan ook mag worden aangenomen dat onder para-agrarische activiteiten, activiteiten moeten begrepen worden die vanuit het standpunt van een optimale ruimtelijke ordening, in weerwil van hun - per hypothese - industrieel of commercieel karakter, toch in een landbouwgebied kunnen ondergebracht worden, m.a.w. activiteiten die vanuit een ruimtelijk standpunt best worden ondergebracht dichtbij de landbouwactiviteit senso strictu; Dat het in dit licht is dat de vereiste 'dat de activiteit onmiddellijk moet aansluiten bij de landbouw en erop afgestemd zijn' moet gelezen worden; Dat men in die zin bijvoorbeeld de opslag of verwerking van mest, om evidente redenen, zou kunnen toelaten in een agrarisch gebied, maar dat anderzijds het verwerken van landbouwproducten tot consumptieklare producten geen para-agrarisch karakter heeft; VII-36.427-17/38 Dat een dergelijke interpretatie des te meer aangewezen is, nu in de meest gezaghebbende rechtsleer terecht wordt gewezen op de problemen die een brede interpretatie van het begrip 'para-agrarische ondernemingen' met zich brengt (zie T. DE WAEL, 'De stedenbouwkundige en milieuvergunning voor zonevreemde bedrijven: een status questionis', in P. FLAMEY en J. GHYSELS (eds.), Zonevreemde bedrijven, Mechelen, Kluwer, 2004, pp. 66-67); Overwegende dat, hoe dan ook, zelfs indien geen restrictieve interpretatie wordt gegeven aan de vereiste van het 'onmiddellijk aansluiten bij de landbouw en erop afgestemd zijn', in casu geen sprake is van een para-agrarische activiteit, vermits de enige band van de beoogde activiteit met de agrarische sector de te verwerken grondstof is; Dat het verwerken van aardappelen tot frieten immers evidenterwijze een activiteit is die niet aansluit bij de landbouw vermits de verwerking van aardappelen geenszins een noodzakelijk complement is van aardappelteelt; Dat het integendeel een verwerking betreft die tot doel heeft een landbouwproduct te verwerken tot een consumptieproduct; Dat dit een activiteit is die niet meer aanleunt bij de landbouw, maar wel bij de commerciële voedingsmiddelenindus- trie; Dat deze activiteit al evenmin is afgestemd op de landbouw, vermits de verwerking tot doel heeft een (beter) commercialiseerbaar en consumeerbaar eindproduct (frieten of krielaardappelen) te bekomen; Dat de bestreden beslissing trouwens specifieert dat de verwerking een betere afzet beoogt bij restaurants, grootkeukens en frituren - waarnaar het transport zou gebeuren door middel van bestelwagens; Dat de beoogde activiteit bijgevolg niet is afgestemd op de landbouw, maar integendeel op consumptie; Overwegende dat inrichtingen zoals die van de heer Buggenhout, waar al dan niet streekeigen landbouwproducten verdere behandelingen ondergaan teneinde een (beter) consumeerbaar product te bekomen, geen para-agrarisch karakter hebben; Dat deze kwestie uiteraard ook aan de orde is bij de procedure die voor Uw Raad hangende is tegen de op 8 maart 2006 aan de heer Buggenhout verleende vergunning voor een functiewijziging; Dat het auditoraatsverslag ten onrechte naar aanleiding van zijn prima facie beoordeling in het kader van het schorsingsverzoek van oordeel is geweest dat de voorgenomen inrichting een para-agrarisch karakter zou hebben (stuk 22); Dat het auditoraatsverslag dat zich steunt op de door de gemeente in haar nota aangehaalde rechtspraak en de bijbehorende commentaren derhalve niet kan gevolgd worden, in zoverre immers de aangehaalde bronnen op een tendentieuze en zelfs misleidende wijze werden weergegeven (stuk 23; zie ook de stavingsnota van de aanvrager voor de PMVC, waar dezelfde bronnen worden geciteerd: stuk 4; Dat de citaten uit de doctrine geen steun kunnen vinden in de rechtspraak van de Raad van State, en dat trouwens bij het citaat uit het boek van BOUCKAERT en DE WAELE de terechte nuancering in de bijbehorende voetnoot telkens niet werd weergegeven; Dat het artikel van DEBAERDEMAKER een stelling poneert die echter, zoals hieronder zal blijken, geen steun kan vinden in de rechtspraak van Uw Raad; Dat het past hier de rechtspraak van Uw Raad te citeren aangaande het aardappelverwerkend bedrijf AGRISTO POTATO (nr. 53.978 en nr. 74.643, respectievelijk schorsing en annulatie); Dat het hier een soortgelijke aardappel- verwerkende inrichting betreft, zij het dat het in dat geval om een grotere exploitatie ging; Dat de Raad, in deze arresten louter heeft willen bevestigen dat een para-agrarische onderneming een industrieel of een commercieel karakter kan hebben: '2.2.3.6. Er valt niet in te zien waarom een 'para-agrarisch bedrijf' geen commercieel of een industrieel -en a fortiori een 'agro-industrieel' - karakter zou mogen hebben. Uit artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 kan niet worden afgeleid dat de agrarische gebieden zijn voorbehouden aan bedrijven waarin geen daden van koophandel worden gesteld. VII-36.427-18/38 De stedenbouwwet, die de rechtsgrond is van het koninklijk besluit van 28 december 1972, is geen wet tot organisatie van, of toezicht op, de landbouw als economische bedrijvigheid. In artikel 11 van voormeld koninklijk besluit is met zoveel woorden bepaald dat de niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven een industrieel karakter kunnen hebben. Hieruit volgt logischerwijze dat ook para-agrarische bedrijven met een industrieel of, a fortiori, met een 'agro-industrieel' karakter, in een agrarisch gebied kunnen worden toegelaten. Het bestreden besluit mocht dan ook niet uit zijn uitgangspunt dat het betrokken bedrijf 'een zuiver commercieel en agro-industrieel karakter heeft', zonder meer afleiden dat die inrichting 'zeker niet is te aanzien als ... para-agrarisch bedrijf'.' Dat de Raad in zijn arrest nr. 62.888, met betrekking tot het eerder uitgesproken schorsingsarrest (nr. 53.978) zeer duidelijk stelt: '(...) dat bovendien voormeld arrest nr. 53.978 het desbetreffende middel ernstig bevindt omdat de redenen die het aldaar bestreden besluit hanteerde om tot de weigering te komen, niet tot de conclusie vermochten te leiden dat de aanvraag in kwestie onverenigbaar was met de bestemming agrarisch gebied; dat dit arrest dus geenszins vaststelt dat die aanvraag verenigbaar was met bedoelde bestemming en dat het derhalve niet de draagwijdte heeft die de verwerende partij en de tussenkomende partijen in hun excepties, er aan geven (...)' Dat ook in het arrest met betrekking tot het annulatieberoep (nr. 74.643) de Raad van State niet heeft gesteld dat een aardappelverwerkende exploitatie een para-agrarisch karakter zou hebben, maar enkel wordt vastgesteld dat het industrieel karakter van een onderneming op zich niet volstaat om te besluiten dat deze onderneming niet para-agrarisch zou zijn; Uit de hierboven geciteerde passus van het arrest nr. 62.888 van de Raad van State, woordelijk hernomen in het arrest nr. 66.898, en uit het feit dat de Raad er heeft aan gehouden deze interpretatie van haar rechtspraak uitdrukkelijk af te wijzen, kan men integendeel a contrario afleiden dat een exploitatie voor de verwerking van aardappelen naar frieten geen para-agrarisch karakter heeft en derhalve niet verenigbaar is met de bestemming agrarisch gebied (R.v.St. n.v. Agristo Potato, nr. 53.978, 22 juni 1995 en nr. 74.643, 25 juni 1998; R.v.St. Cuvelier en Van den Bussche, nr. 62.888, 31 oktober 1996 en nr. 66.898, 24 juni 1997; zie trouwens de bespreking van deze rechtspraak in B. BOUCKAERT en T. DE WAELE, Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw in het Vlaamse Gewest, Brugge, Vandenbroele, 2004, nr. 76, voetnoot 9, waar wordt gesproken van een 'terechte nuancering'); Dat men zich soortgelijke bedenkingen kan maken wanneer wordt verwezen naar de arresten DEJAEGHERE van Uw Raad (R.v.St., Dejaeghere, nr. 56.744, schorsingsarrest, 7 december 1995 en nr. 64.964, 4 maart 1997); Dat het in deze arresten een bedrijf betrof waarbij groenten werden verpakt en bewaard voor verdere verkoop; Dat de Raad in zijn arresten enkel heeft gesteld dat niet valt in te zien waarom een bedrijf enkel en alleen omwille van zijn omvang niet vergunbaar zou zijn als para-agrarische onderneming: 'Overwegende dat niet alleen deze motieven van het bestreden besluit met elkaar in tegenspraak zijn omdat een para-agrarisch bedrijf, dat voordien principieel in overeenstemming werd geacht met de bestemming agrarisch gebied, niet geacht kan worden van die bestemming af te wijken doordat het te omvangrijk wordt; dat deze motieven ook dubbelzinnig zijn, omdat eruit niet kan worden opgemaakt of de vergunning wordt geweigerd wegens de niet-overeenstemming met de bestemming van het gewestplan dan wel omwille van de verenigbaarheid met de vereisten van de goede VII-36.427-19/38 plaatselijke aanleg; dat de motiveringsplicht is geschonden; dat het tweede middel gegrond is,' Dat het in de arresten ROOBROECK dan weer een aardappelverwerkend bedrijf betrof, maar toen werd de bestreden vergunning vernietigd niet omdat een dergelijke inrichting al dan niet verenigbaar zou zijn met het bestemmings- voorschrift, maar wel omwille van een gebrekkige motivering (R.v.St., Roobroeck en Merchiers, nr. 86.381 (schorsing), 29 maart 2000; nr. 101.539, 6 december 2001): '3.4.2. Overwegende dat de tussenkomende partij terecht aanvoert dat een interpretatieve omzendbrief, waartoe de omzendbrief van 8 juli 1997 kan worden gerekend, geen verordenend karakter heeft; dat dit evenwel niet wegneemt dat, wanneer in een beroepschrift verzoekers een passage uit die omzendbrief citeren als onderbouwing van hun argumentatie dat het bedrijf van de tussenkomende partij geen para-agrarisch karakter heeft, de overheid die uitspraak doet over het beroep krachtens artikel 52, 3/, van Vlarem I, naar luid waarvan de uitspraak in beroep een gemotiveerde beslissing over de aanspraken of bezwaren die door de indiener(
  3. s)van het beroep werd(
  4. en)gesteld, gehouden is op die argumentatie een afdoend antwoord te bieden; dat dus uit het bestreden besluit moet blijken waarom de betrokken inrichting, in tegenstelling tot wat in het beroepschrift werd aangevoerd, wel degelijk een para-agrarisch karakter heeft; dat de verwerende partij als motivering zich ertoe beperkt te stellen dat de gevraagde exploitatie plaatsgrijpt binnen bestaande en vergunde gebouwen; dat evenwel het gegeven dat de exploitatie van een gevraagde milieuver- gunning plaatsgrijpt in een bestaand en vergund gebouw niet automatisch inhoudt dat hetgeen aldaar wordt vergund verenigbaar is met de bestem- ming van het betrokken gebied; dat het middel in de besproken mate gegrond is;' Dat in deze arresten dus geenszins wordt besloten tot de verenigbaarheid van een verwerking van groenten tot consumptieproducten met het bestemmings- voorschrift 'agrarisch gebied' uit het Inrichtingsbesluit; Dat het arrest ANTOINE betrekking had op artisanale verwerkingsactivitei- ten (R.v.St., Antoine, nr. 27.494, 4 februari 1987): 'De agrarische of para-agrarische activiteiten, enerzijds, en de industri- ele, anderzijds, kunnen niet worden afgebakend op grond van het begrip 'natuur' voor de toepassing van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972. Zelfs afgezien van de opkomst van de voedingsmidde- len industrie en de industrialisatie van de landbouw, overlappen de begrippen 'landbouw' en 'industrie' elkaar, inzoverre bepaalde activiteiten, zoals de produktie van boter, kaas, wijn, cider en olie verwerkingsactivitei- ten zijn die traditioneel worden uitgevoerd door de landbouwers, in hoeveelheden die die door het bestaan van grote domeinen en landbouwco- operatieven niet meer als noodzakelijk klein kunnen worden beschouwd. Kool hakken en doen gisten in een zoutoplossing vereist helemaal geen verwerking die ingewikkelder en verder doorgedreven is dan die welke voor talrijke hoeveprodukten noodzakelijk is.' Dat in dat arrest enkel werd bepaald dat activiteiten zoals de productie van boter, kaas, wijn, cider en olie verwerkingsactiviteiten zijn, die - alhoewel zij strikt genomen misschien een ambachtelijk of industrieel karakter hebben - traditioneel worden uitgevoerd door landbouwers, en in die zin een agrarisch karakter hebben: 'Kool hakken en doen gisten in een zoutoplossing vereist helemaal geen verwerking die ingewikkelder en verder doorgedreven is dan die welke voor talrijke hoeveproducten noodzakelijk is'; Dat in casu de vergelijking met traditionele hoeveproducten uiteraard niet opgaat, en dat het hier al evenmin een 'natuurlijke gisting' betreft, maar integendeel een industriële verwerking; VII-36.427-20/38 Dat het evenwel past hier te verwijzen naar de rechtspraak van Uw Raad met betrekking tot vleesverwerkende bedrijven, waar reeds verschillende keren in soortgelijke omstandigheden expliciet werd geoordeeld dat een verwerking van vleeswaren niet kan beschouwd worden als een para-agrarische onderneming; Dat de Raad van State in het arrest COENE en VAN HOORNWEDER, waar het een vleesversnijderij betrof die ondermeer drie vleesbewerkingsplaatsen en enkele koelruimten zou omvatten, heeft besloten dat een dergelijke inrichting geen para-agrarisch karakter heeft (R.v.St., Coene en Van Hoornweder, nr. 73.379, 30 april 1998); Dat men in het arrest MAECKELBERGH tot eenzelfde conclusie kwam in verband met een vleesuitsnijderij (R.v.St., Maeckelbergh, nr. 81.072, 17 juni 1999); Dat men mag aannemen dat telkens wanneer sprake is van een verwerking die niet noodzakelijk is, maar die enkel beoogt een product te bekomen dat beter aangepast is aan de noden van de consument, zoals in casu de verwerking van aardappelen tot krielaardappeltjes en frieten, een dergelijke inrichting niet para- agrarisch meer is; Dat zulks trouwens ook te lezen valt in de hoger geciteerde omzendbrief houdende toelichting bij het Inrichtingsbesluit; Dat de vraag of nog een bijkomende behandeling plaatsvindt, bijvoorbeeld het fritureren of voorbakken van de versneden aardappelen, in dit verband uiteraard irrelevant is, en trouwens eerder verband houdt met de vraag naar eventuele milieuhinderas- pecten; Dat de visie van verzoekers trouwens wordt gedeeld door de gemachtig- de ambtenaar, nu deze de stedenbouwkundige vergunning voor een functiewijzi- ging heeft geschorst omwille van de planologische onverenigbaarheid, en nadien om dezelfde reden nog eens ongunstig advies heeft verstrekt voor de PMVC met betrekking tot de milieuvergunning (stuk 6); Dat uit het voorgaande voldoende blijkt dat de beoogde activiteit geen para- agrarisch karakter heeft; Dat zulks overigens reeds wordt geïllustreerd door het feit zelf dat de heer Buggenhout een stedenbouwkundige vergunning heeft aangevraagd voor een functiewijziging en dat hij er zich dus zeer goed van bewust is dat zijn activiteit niet langer valt onder de omschrijving 'landbouw in de ruime zin' in de zin van artikel 2 §1 tweede lid 4/ van het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 'tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken en handelingen waarvoor geen stedenbouw- kundige vergunning nodig is'; Dat het nochtans vaststaande rechtspraak van Uw Raad is dat de overheid die dient te beschikken over een milieuvergunningsaanvraag er steeds toe gehouden is de voorschriften van de geldende plannen van aanleg, die immers verordenen- de kracht hebben, in acht te nemen, wat onder meer inhoudt dat zij de vergun- ning dient te weigeren indien de inrichting of een gedeelte ervan niet past in de bindende voorschriften van het plan (artikel 2 §1 DROG; R.v.St., Sonck, nr. 60.147, 13 juni 1996; R.v.St., BVBA Recyclagebedrijf Van Assche, nr. 59.921, 6 juni 1996; R.v.St., NV Vanden Avenne Vrieshuis, nr. 57.038, 14 december 1995); Dat dit te dezen kennelijk niet is gebeurd; Dat artikel 43 §§ 6-8 DROG evenwel een mogelijkheid bevat voor de milieuvergunningverlenende overheid om af te wijken van de bepalingen van het gewestplan; Dat van deze regeling evenwel enkel gebruik kan gemaakt worden voor bestaande inrichtingen die ten gevolge van een wijziging van de plannen zonevreemd is geworden, en niet, zoals te dezen het geval is, om een bestaande zone-eigen inrichting toe te laten uit te breiden naar een zonevreemde inrichting (R.v.St., De Wilde, nr. 96.083, 31 mei 2001; zie ook J. BOUCKAERT, 'Een nieuw decreet zonevreemde bedrijven. Een eerste juridische analyse', in P. FLAMEY en J. GHYSELS, Zonevreemde bedrijven, Mechelen, Kluwer, 2004, p. 220); Dat artikel 43 §7 DROG dienaangaande trouwens voorziet dat een afwijking slechts mogelijk is wanneer de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad, wat inhoudt dat de ruimtelijke draagkracht niet wordt overschreden en de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestem- VII-36.427-21/38 mingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; Dat het naleven van deze voorwaarden bovendien moet blijken uit de motivering van het vergunningsbesluit (R.v.St., Bos, nr. 66.911, 24 juni 1997); Dat dit niet het geval is, vermits de aanvrager en de vergunningverlenende overheid er verkeerdelijk zijn van uitgegaan dat het hier een para-agrarische inrichting betreft; Dat uit het bestreden besluit dan ook nergens blijkt dat de vergunning- verlenende overheid de aanvraag in het licht van deze afwijkingsregeling heeft onderzocht (R.v.St., Mermans, nr. 55.939, 19 oktober 1995); Dat, ten overvloede, door de vergunningverlenende overheid zelf trouwens reeds werd bevestigd dat de grenzen van de ruimtelijke draagkracht met de huidige omvang van het bedrijf zijn bereikt en dan nog binnen de context van een familiaal agrarisch bedrijf; Dat immers met betrekking tot de eerste vergunning voor de bouw van een aardappelloods (dd. 26 juli 1999) in de notulen van het schepencollege van 19 mei 2005 (stuk 14) reeds werd gesteld: '4.Overschrijden van de ruimtelijke draagkracht. De ruimtelijke draagkracht wordt ons inziens niet overschreden. In gans de opgebouwde motivering vertrekt men vanuit het standpunt van een totaal nieuw te bouwen loods in de open ruimte. Wij willen er op wijzen dat het hier gaat om een uitbreiding van een bestaande loods, en de uitbreiding heel beperkt is t.o.v. deze bestaande loods. De bestaande loods werd vergund op 26/07/99 (dossiernummer gemeente 1999/34). Toen kon men eventueel spreken van een overschrijding van de ruimtelijke draagkracht maar er werden destijds geen bezwaren geformuleerd. Ook bij een eerste uitbrei- ding van de aardappelloods. vergund op 01/02/2001 (dossiernummer gemeente 2000/74/1) en tijdens het openbaar onderzoek (dat toen liep van 19/12/2000 tot 22/01/2001) werden er ook geen bezwaren ingediend. Waarom dit nu plotseling wel het geval is lijkt ons eerder het gevolg van een interne familietwist in plaats ven een gegrond bezwaar op basis van gefundeerde stedenbouwkundige argumenten. Uit landbouwkundig standpunt en uit oogpunt van een goede landinrichting verleende de afdeling Land daarenboven positief advies.' Dat de gemeente dus met zoveel woorden toegeeft dat de initiële aanleg, en dus per definitie ook de verdere uitbreiding van de loods niet strookt met de goede ruimtelijke ordening, maar dat het verlenen van de vergunningen toch verantwoord werd geacht omdat er geen bezwaren worden ingediend; Dat het nochtans in eerste instantie de vergunningverlenende overheid is die de aanvragen dient te toetsen aan de goede plaatselijke ordening, en niet de omwonenden; Dat het voor zich spreekt dat als de aanleg van de loods op zich reeds strijdig was met de goede plaatselijke ordening, de nu aangevraagde milieuvergunning voor een omvorming van de activiteiten van die van een agrarische onderneming naar een industriële aardappelverwerking de ruimtelijke draagkracht van het aangrenzende landelijke woongebied nog verder zal aantasten, en de plaatselijke verweving van functies onmogelijk zal maken; ZODAT de bestreden beslissing werd genomen met schending van de in het eerste middel aangehaalde bepalingen en beginselen"; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota samengevat betoogt dat de argumentatie van de verzoekende partijen niet nieuw is en reeds in het bestreden besluit werd beantwoord; dat zij daarop de argumentatie uit de aanhef van het bestreden besluit citeert, en stelt dat de verzoekende partijen toch nog verwarring trachten te zaaien "door te verwijzen naar omzendbrieven van de rechtspraak van uw Raad, die zoals hoger reeds aangetoond werd volstrekt niet op dit dossier toepasbaar VII-36.427-22/38 is"; dat zij doet gelden dat het frituren van aardappelen niet werd aangevraagd en uiteraard ook niet werd toegestaan, dat de berekening van de productieverwerking van 3.000 ton aardappelen van eigen productie, voortgebracht op 70 hectaren, een realistische inschatting is, zodat het niet gaat over industriële uitbatingen waarover de Raad van State reeds uitspraak deed; 3.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij op zeer uitgebreide wijze motiveert dat het in casu wel degelijk om een para-agrarisch bedrijf gaat, daar de activiteiten die de aanvrager wenst uit te voeren in rechtstreeks verband staan met diens akkerbouwactiviteiten, namelijk aardappelteelt; dat zij opmerkt dat de verwijzingen door de verzoekende partijen naar de arresten in de zaak n.v. AGRISTO niet opgaan, daar het aldaar ging om een grootschalige aardappelverwer- kingsactiviteit, waarbij de aardappelen werden voorgebakken en waarbij er aanvoer was van derden, hetgeen in casu geenszins het geval is; 3.1.4.1. Overwegende dat de overheid die moet beschikken op een aanvraag tot milieuvergunning ertoe gehouden is de voorschriften van de geldende plannen van aanleg in acht te nemen, wat onder meer inhoudt dat zij de vergunning dient te weigeren indien de inrichting, of een gedeelte ervan, niet past in de bindende voorzieningen van het plan; dat artikel 11.4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen bepaalt wat volgt: "De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbrei- dingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden"; dat de omzendbrief van 8 juli 1997, naar dewelke de verzoekende partijen verwijzen, prima facie geen verordenende waarde heeft, en dan ook niet bij het onderzoek naar de ernst van het middel wordt betrokken; VII-36.427-23/38 3.1.4.2. Overwegende dat een para-agrarisch bedrijf kan worden omschreven als een onderneming waarvan de activiteit bij de landbouw aansluit en erop afgestemd is; dat in casu men op het eerste gezicht bezwaarlijk staande kan houden dat het versnijden van aardappelen van de eigen oogst tot frieten, die evenwel niet gefrituurd doch louter verpakt en gekoeld worden, niet zou aansluiten bij de landbouw en erop afgestemd is; dat bijgevolg op het eerste gezicht niet kan worden aangenomen dat het verlenen van de vergunning ingaat tegen het bestemmingsvoor- schrift neergelegd in artikel 11.4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972; dat de stelling van de verzoekende partijen dat de beoogde activiteit niet zou zijn afgestemd op de landbouw daaraan geen afbreuk doet; dat het niet is omdat bepaalde produkten meer geschikt gemaakt worden voor consumptie, dat de activiteit niet meer zou kunnen afgestemd zijn op de landbouw; dat dienvolgens op het eerste gezicht kan worden aangenomen dat het in casu inderdaad om een para-agrarisch bedrijf gaat; 3.1.4.3. Overwegende, wat het argument van de verzoekende partijen betreft dat de verwerking van de aardappelen geenszins onontbeerlijk is om de landbouwproducten aan de commercialisatiesector toe te vertrouwen, dat het feit dat er een beperkte verwerking is prima facie niet betekent dat het niet om een para- agrarische activiteit zou kunnen gaan; dat dit uit artikel 11.4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 op het eerste gezicht niet valt af te leiden; dat het in casu gaat om het louter versnijden van de aardappel tot friet en het inpakken ervan, zodat het om een vorm van conditioneren lijkt te gaan; 3.1.4.4. Overwegende dat de bewering van de verzoekende partijen dat het weinig aannemelijk is dat de te verwerken aardappelen enkel uit de eigen teelt zullen worden betrokken, geenszins wordt aangetoond; dat, vooreerst, de aanvrager gebonden is aan zijn aanvraag, minstens wat betreft de hoeveelheden aardappelen die verwerkt kunnen worden; dat voorts in die aanvraag duidelijk werd te kennen gegeven dat enkel eigen aardappelen zullen worden verwerkt; dat deze hoeveelheden, voortgaande op de aanhef van het bestreden besluit, lijken te corresponderen met de opbrengst van de eigen oogst op 70 hectaren; dat vooralsnog er op het eerste gezicht niets is dat er op wijst dat de exploitant zinnens is om aardappelen van derden te verwerken; VII-36.427-24/38 3.1.4.5. Overwegende, ten slotte, dat geen van de arresten waarnaar de verzoekende partijen verwijzen relevant lijkt ter beoordeling van de onderhavige zaak; 3.1.4.6. Overwegende dat prima facie besloten moet worden dat in de aanhef van het bestreden besluit uitvoerig en op het eerste gezicht correct wordt gemotiveerd waarom aan het bedrijf een para-agrarisch karakter kan worden toegeschreven; dat meteen dan ook de in het beroepschrift ontwikkelde argumentatie wordt ontmoet; dat het eerste middel niet ernstig is; 3.2.1. Overwegende dat de verzoekende partijen als tweede middel aanvoeren wat volgt: "TWEEDE MIDDEL, genomen uit de schending van artikel 11 en artikel 17 eerste lid MVD, artikel 5 en artikel 17 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 6 februari 1991 'houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning' ('Vlarem I'), de artikelen 2 en 3 Wet Uitdrukkelijke Motivering, de materiële motiveringsplicht en de beginselen van behoorlijk bestuur, met inbegrip van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel; DOORDAT de bestreden vergunning werd verleend op basis van een o nvo lledige aanvraag, zodat het openbaar onderzoek, dat derden-belanghebbenden in staat moet stellen hun bezwaren tot uiting te brengen met betrekking tot de geplande inrichting, werd gevitieerd en ook geen volledig onderzoek werd gedaan naar alle hinderaspecten van de aangevraagde inrichting, vermits in de bestreden beslissing niet wordt ingegaan op de bezwaren die door verzoekers werden geuit in verband met de afvalwaterproblematiek, maar men er integendeel kennelijk van uitgaat dat dit dient opgenomen te worden in een afzonderlijke milieuvergunningsaanvraag; TERWIJL door verzoekers reeds in hun beroepsschrift tegen de in eerste aanleg door de gemeente Merchtem verleende vergunning reeds werd aang- evoerd dat de regeling in de aanvraag in verband met het afvalwater niet voldoende was; Dat in de milieuvergunningsaanvraag verder valt te lezen dat de aardappelverwerking, volgens de eigen schatting van de aanvrager, per dag meer dan 1.300 liter afvalwater zal genereren, volgens het advies van AMV ongeveer 3 m³ per dag (stuk 5; zie ook de beschrijving van het productieproces door de aanvrager hernomen in het advies van VMM: stuk 9); Dat dit bedrijfsafvalwater zou worden gebezigd voor irrigatie; Dat het advies van AMV (stuk 5) dienaangaande het volgende bepaalt (p. 20): 'Oppervlaktewater-vervuiling Hier voert appellant wel degelijk een valabel argument aan. In de aanvraag en zelfs in een aanvullende toelichting wordt mistig gedaan over de hoeveelheid afvalwater en de uiteindelijke bestemming. Waar appellant de opgegeven bedrijfsafvalwaterhoeveelheid als 'dergelijke massale hoeveelheden' omschrijft dient gesteld dat, zoals hoger in het 'Verslag Onderzoek' aangegeven, de reële waterverbruiken voor een dergelijke installatie tot 20 X lager liggen dan opgegeven in de referentievolumes voor de aardappelverwerking in de bijlagen van Vlarem II. VII-36.427-25/38 Ondanks de zeer lage volumes is het gebruik van bedrijfsafvalwater als irrigatiewater principieel niet toegelaten. Een waterzuiveringsinstallatie voor de behandeling van het bedrijfsafvalwater dringt zich op. Analysere- sultaten van een gelijkaardige schillijn met een kleine aerobische waterzui- veringsinstallatie tonen aan dat de klassieke parameters (BOD, COD, zw.st.) zeer goed onder controle kunnen gehouden worden (zuiveringsren- dementen van ca. 90% of meer). Het opleggen van de nodige voorwaarden hieromtrent dringt zich op.' Dat in de bestreden beslissing (stuk l), onder 'evaluatie van de hoorzitting' het volgende te lezen valt (p. 5): '2. Volgens de aanvraag wordt het bedrijfsafvalwater hetzij opgehaald hetzij toegepast (laatste bezinkingsbekken) voor irrigatie op het weiland. Toepassing voor irrigatie van het weiland betekent in feite een indirecte lozing van afvalwater in grondwater, wat volgens Vlarem verboden is. Daarom heeft AMV (bij het plaatsbezoek) voorgesteld om een waterzuive- ringsinstallatie aan te leggen. Volgens de aanvraag zijn er drie in serie geschakelde bezinkingsbekkens van elk 15 m³ voor de behandeling van het afvalwater aanwezig. Door één of twee van deze bezinkingsbekkens uit te rusten met een beluchter zou de wzi kunnen gerealiseerd worden. AMV stelt hierbij voor de sectorale lozingsnormen op te leggen. Echter de uitbating van een waterzuiveringsinstallatie voor het zuiveren en lozen van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater is volgens het Vlarem afzonderlijk vergunningsplichtig. Aangezien het lozen van (gezuiverd) bedrijfsafvalwater niet opgenomen werd in de vergunningsaanvraag, kan dit evenmin in de vergunning opgenomen worden. Het bedrijfsafvalwater dient dus volgens de huidige stand van het dossier opgehaald en afgevoerd te worden door een erkende ophaler.' Dat verder, onder 'verslag van het onderzoek' nog te lezen valt (p. 11): 'De afvalwaterproductie van een dergelijke aardappelschillerij blijft beperkt tot ca. 1,5 m³/dag. Lozingsgegevens van een volledig vergelijkbare inrichting (aardappelschillerij Broux te Zonhoven) leren dat in de praktijk het lozingsdebiet aan bedrijfsafvalwater ca. 3 m³/dag (uitsleepverliezen) bedraagt. Zoals boven al toegelicht valt de verdere beoordeling van het lozingsaspect buiten het beoordelingskader van deze aanvraag. De exploitant dient in overweging te nemen of het bedrijfafvalwater verder zal afgevoerd worden dan wel dat een wzi zou geplaatst worden.' Dat de vergunningverlenende overheid evenwel een volledige toetsing dient uit te voeren van de hinder die de inrichting zal veroorzaken, minstens van de op het eerste zicht essentiële bestanddelen daarvan, en zich niet kan beperken tot slechts bepaalde aspecten, met name in zoverre deze al dan niet door de aanvrager zouden zijn opgenomen in de aanvraag; Dat de overheid te dezen heeft moeten vaststellen dat de aanvrager heeft nagelaten een bepaalde rubriek, t.t.z. lozing van bedrijfsafvalwater, op te nemen in de aanvraag; Dat de volledigheid van de milieuvergunningsaanvraag garandeert dat het openbaar onderzoek en de adviesprocedures hun doel bereiken, doordat de buurtbewoners en de adviesverlenende instanties worden uitgenodigd de aanvraag in al zijn (hinder-)aspecten te beoordelen; Dat een wijziging in de aanvraag immers zou leiden tot een uitholling van het openbaar onderzoek en de adviesprocedure (R.v.St., CV Knescovar, nr. 67.207, 30 juni 1997); Dat het in dit geval bovendien een essentieel bestanddeel betreft, vermits de afvalwaters van een aardappelverwerkende inrichting één van de voornaamste bronnen van (geur)hinder vormen; Dat dit aspect van de aanvraag des te meer had onderzocht moeten worden, vermits dit één van de hinderaspecten betreft VII-36.427-26/38 waaromtrent door de beroepsindieners klachten werden geformuleerd (R.v.St., Anckaert e.a., nr. 92.152, 11 januari 2001); Dat Uw Raad zich over een soortgelijke aardappelverwerkende exploitatie reeds heeft uitgesproken, en toen tot de bevinding was gekomen dat het afvalwater, en met name de slibstockage- bekkens grote geurhinder veroorzaken (R.v.St., Cuvelier en Van den Bussche, nr. 62.888, 31 oktober 1996); Dat de motiveringsverplichting is geschonden wanneer in het vergunningsbesluit niet wordt ingegaan op ongunstige elementen die in de adviesprocedure aan het licht kwamen, wanneer deze argumenten zeer belangrijk lijken voor de beoordeling van de vergunningsaanvraag (R.v.St., De Schepper, nr. 64.972, 4 maart 1997); Dat het evenwel in eerste instantie aan de aanvrager is om zijn aanvraag zo te construeren dat de vergunningverlenende overheid de voorgenomen exploitatie in zijn geheel kan beoordelen; Dat de aanvrager immers niet van de vergunningverlenende overheid mag verwachten dat zij zelf de onvolledigheid van de vergunningsaanvraag goedmaakt (R.v.St., NV Smekens Exportslacht- huis, nr. 74.652, 25 juni 1998); Dat het niet aan de overheid is om de leemten van een onvolledige of vage vergunningsaanvraag op te vullen (R.v.St., Gemeente Brecht, nr. 126.060, 4 december 2003); Dat een vergunningverlenende overheid die geconfronteerd wordt met een onvolledige aanvraag deze dient te weigeren, omdat zij niet in staat wordt gesteld een volledig onderzoek uit te voeren naar alle hinderaspecten die aan de inrichting aankleven; Dat het gevolg van deze onvolledigheid te dezen echter is dat het lozingsaspect 'buiten het beoordelingskader' werd gelaten; Dat dit uiteraard niet redelijk is; Dat de vergunningverlenende overheid derhalve actief haar medewerking verleent aan het saucissoneren van vergunningsaanvragen, wat leidt tot een gefragmenteerde toetsing van de hinderaspecten; Dat de overheid alvorens vergunning te verlenen dient te onderzoeken of de exploitatie van de inrichting waarvoor de inrichting wordt gevraagd en de wijze waarop zij volgens de aanvraag zal worden uitgeoefend voor de omwonenden geen ernstige hinder zal teweegbrengen en desbetreffend het vergunningsbesluit afdoende te motiveren, zeker wat die aspecten van hinder betreft waaromtrent de beroepsindieners klachten hebben geuit (R.v.St., Carlos Anckaert, nr. 92.152, 11 januari 2001); Dat te dezen klachten werden geuit in verband met de lozing van afvalwaters (zie het beroepschrift van verzoekers; stuk 3), en deze klachten ernstig werden bevonden door AMV (stuk 5); Dat geen enkele redelijk handelende overheid in die omstandigheden deze aspecten eenvoudigweg buiten beschouwing zou laten, nota bene omwille van een zogenaamde (in werkelijk- heid voorgewende) vergetelheid van de aanvrager; ZODAT het bestreden besluit is aangetast door een schending van de in het tweede middel aangehaalde bepalingen en beginselen"; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de nota betoogt dat het lozingsaspect gemotiveerd buiten beschouwing is gelaten, dat in het bestreden besluit duidelijk wordt uitgelegd waarom het advies van de afdeling Milieuvergunningen niet wordt gevolgd, dat duidelijk staat vermeld waaraan de exploitant zich te houden heeft, dat hij enkel het afvalwater kan afvoeren, en dat vermits deze afvoer niet als hinderlijk is ingedeeld, zij geen voorwaarden terzake kon opleggen; dat zij beklemtoont dat in het bestreden besluit duidelijk wordt uitgelegd waarom het lozingsaspect niet in aanmerking wordt genomen, en dat zij de motivering op dit punt citeert; VII-36.427-27/38 3.2.3. Overwegende dat de tussenkomende partij betoogt dat inmiddels, namelijk op 27 juli 2006, het college van burgemeester en schepenen akte heeft genomen van de melding door de aanvrager van een afvalwaterzuiveringsinstallatie zoals omschreven in rubriek 3.6.2.1. van de bijlage bij Vlarem I en dat, aangezien de verzoekende partijen naar eigen zeggen hun belang bij het tweede middel ontlenen aan het feit dat naar hun oordeel de verwerking van afvalwater één van de voornaamste bronnen van geurhinder zou zijn, het actueel belang van de verzoekende partijen bij dit middel verloren is gegaan; dat, vervolgens, zij op uitgebreide wijze argumenteert dat het middel feitelijke grondslag mist, aangezien volgens de aanvraag het geenszins de bedoeling van de aanvrager was om afvalwater te lozen, maar om het op geregelde tijdstippen te laten ophalen en/of te gebruiken als irrigatiewater; dat zij vervolgens nog "uiterst ondergeschikt" betoogt dat in casu wel degelijk voldaan is aan de motiveringsplicht en dat zij desbetreffend citeert uit het bestreden besluit; 3.2.4.1. Overwegende dat ook uit het dossier van de vergunningsaanvraag niet blijkt dat de aanvraag sloeg op het lozen van afvalwaters; dat dit overigens ook niet wordt betwist; dat in casu de kernvraag lijkt te zijn of de overheid de milieuver- gunning diende te weigeren precies omdat de vergunningsaanvraag niet sloeg op afvalwaters, en een -volgens de verzoekende partijen essentieel- hinderaspect dus niet kon worden beoordeeld; 3.2.4.2. Overwegende dat dit op het eerste gezicht niet het geval lijkt te zijn; dat enkel het standpunt van de verzoekende partijen eventueel zou kunnen worden bijgetreden wanneer de niet aangevraagde activiteiten van die aard en zo essentieel zijn dat het afleveren van een vergunning die dergelijke activiteiten niet omvat eigenlijk neerkomt op het afleveren van een onwerkzame vergunning; dat evenwel, wanneer voor de niet aangevraagde activiteit een alternatief bestaat dat het mogelijk maakt om toch te exploiteren, de verwerende partij de vergunning niet kon weigeren omwille van beweerde lacunes in de aanvraag; dat in casu die mogelijkheid er was, namelijk door het ophalen van het afvalwater, zijnde een oplossing die door de overheid niet hinderlijk genoeg wordt geacht om ze op de lijst van de vergun- ningsplichtige activiteiten op te nemen; dat in het bestreden besluit dan ook prima facie terecht wordt overwogen wat volgt: S het zuiveren en lozen van bedrijfsafvalwater werd niet aangevraagd; S het lozen van bedrijfsafvalwater is afzonderlijk vergunningsplichtig; S de aanvraag vermeldt dat het bedrijfsafvalwater zal worden afgevoerd of dienen voor irrigatie op het veld; VII-36.427-28/38 S irrigatie van het weiland komt neer op een indirecte lozing van het afvalwater in grondwater, en dat is verboden; S de afdeling Milieuvergunningen stelt voor een waterzuiveringsinstallatie aan te leggen, maar ook die is niet aangevraagd en is afzonderlijk vergunningsplichtig; S bijgevolg moet het bedrijfsafvalwater opgehaald worden door een erkende ophaler; S het lozingsaspect kan dus niet beoordeeld worden in het kader van de vergun- ningsprocedure; dat dergelijke redengeving op het eerste gezicht deugdelijk lijkt en ook een antwoord biedt op het advies van de afdeling Water en op de argumentatie uit het beroepschrift; dat de a posteriori gedane melding van de afvalwaterzuiveringsinstallatie geen deel uitmaakt en ook geen deel diende uit te maken van de in het geding zijnde vergunningsaanvraag; dat het tweede middel niet ernstig is; dat dienvolgens de door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie aan actueel belang in de huidige stand van de procedure niet moet worden onderzocht; 3.3.1. Overwegende dat de verzoekende partijen als derde middel aanvoeren wat volgt: "DERDE MIDDEL genomen uit de schending van artikel 17 eerste en tweede lid en artikel 20 MVD, de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (de 'Wet Uitdrukkelijke Motivering'), de materiële motiveringsplicht, de beginselen van behoorlijk bestuur, met inbegrip van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel; DOORDAT de vergunningverlenende overheid op basis van een kennelijk onvolledige aanvraag vergunning verleent, zonder evenwel haar besluit naar behoren te motiveren in het licht van de verstrekte adviezen, en kennelijk ook zonder dat zij met betrekking tot essentiële aspecten van de voorgenomen exploitatie een zorgvuldige beoordeling heeft gemaakt, minstens zonder te voorzien in exploitatievoorwaarden die de hinder voor de omwonenden tot een aanvaardbaar niveau zouden kunnen beperken; TERWIJL de vergunningverlenende overheid, indien zij ex impossibile en in weerwil van het bepaalde in het tweede middel, van oordeel was dat zij toch uitspraak kon doen over een onvolledige aanvraag, zij nog steeds de verplichting had om te onderzoeken of de exploitatie van de inrichting waarvoor de inrichting wordt gevraagd en de wijze waarop zij volgens de aanvraag zal worden uitgeoefend voor de omwonenden geen ernstige hinder zal teweegbrengen en desbetreffend het vergunningsbesluit afdoende te motiveren; Dat zij bovendien de nodige bijzondere exploitatievoorwaarden dient op te leggen indien zulks, na een volledige beoordeling zoals zonet beschreven, noodzakelijk blijkt teneinde de te verwachten hinder voor de omwonenden tot een aanvaardbaar niveau te beperken; Dat de aanvrager met betrekking tot de lozing van afvalwaters het volgende verwerkingsprocédé beschrijft (zie het advies van VMM; stuk 9): 'Afvalwaterbehandeling VII-36.427-29/38 De behandeling die deze afvalwaterstromen ondergaan is de volgende: het water wordt via de goot die onder bijna de gehele schillijn loopt verzameld en via een afvoerleiding naar een pomp gebracht. Via deze pomp komt het terecht in een pers, met als doel organische deeltjes met een diameter van meer dan 0.3 mm te weerhouden (uitsluitend aardappel- schillen). Het aldus voorbehandelde water stroomt vervolgens gravitair naar de bezinktanks. De brij die via deze pers uit de afvalwaterstroom wordt verwijderd, wordt opgevangen in een bak. De verwijderde aardap- pelschillen worden aangewend als veevoeder voor de op het bedrijf aanwezige runderen. Na deze eerste scheiding vaste stoffen/water komt het effluent terecht in de bezinktanks. De bezinkingsinstallatie bestaat uit drie opeenvolgende reservoirs met elk een inhoudsvermogen van 15 m³ die in cascade zijn opgesteld. Het water stroomt gravitair van de ene tank in de andere. De verblijftijd (in de veronderstelling dat geen kortsluitstromen optreden) bedraagt bijna 24 uur per bezinktank, hetgeen laat vermoeden dat een vrij goede verwijderingsef- ficiëntie verkregen wordt ten opzichte van nog in het afvalwater aanwezige vaste partikels. Uit het laatste bezinkbekken wordt het water via een pomp naar de omliggende weilanden gepompt en gebruikt als irrigatiewater. De verspreiding van het water zal gebeuren door middel van een bevloeiingsin- stallatie die herhaaldelijk verplaatst wordt. Het water stroomt aldus over het bodemoppervlak en dringt in de bodem. Bezonken materiaal (slib) wordt periodiek uit de reservoirs verwijderd. Hiertoe wordt op geregelde tijdstippen visueel gecontroleerd of slib door de waterstroom meegevoerd wordt vanuit de eerste bezinktank in de tweede tank. In eerste instantie wordt alle water verwijderd en het bezonken slib manueel verwijderd en via de normale landbouwwerktuigen op het land gebracht. Dit dient gemiddeld gezien om de twee maanden te gebeuren. De hoeveelheid slib die uit de drie bezinktanks telkens wordt verwijderd bedraagt 15 m³. (totaal van 90 m³ slib/ jaar) Aangezien geen afvalwaters als dusdanig worden geloosd. noch in oppervlaktewater. noch in de openbare riool, maar herbruikt worden als irrigatiewater, zijn de sectoriële voorwaarden, beschreven in het Vlarem momenteel niet relevant.' Dat in eerste aanleg door de gemeente Merchtem met betrekking tot de lozing van afvalwaters enkel het volgende werd overwogen (stuk 2; p. 6): 'Hoe wordt het water afgevoerd' 'Er is een wisselwerking voorzien tussen ophaling en lozing. Belangrijk is te noteren dat de aanvrager er dient over te waken dat de lozingsnormen op oppervlaktewater dienen gehaald te worden.' Dat, alhoewel door de aanvrager wordt voorgehouden dat er van lozing van afvalwaters geen sprake is, via een bijzondere voorwaarde in het vergunningsbe- sluit van de gemeente toch de Vlarem II voorwaarden voor de lozing van bedrijfsafvalwaters in oppervlaktewater (bijlage 5.3.2.1/
  5. a)Vlarem II) worden opgelegd; Dat verzoekers vervolgens in hun beroepsschrift tegen de beslissing van de gemeente bezwaren hebben geformuleerd, stellende dat een bezinkingsinstallatie zoals voorzien in de aanvraag niet zou volstaan om de afvalwaters te verwerken, en dat het algemeen bekend is dat een dergelijke bezinkingsinstallatie voor de verwerking van plantaardig afval afkomstig van zetmeelproducten voor een enorme geuroverlast zorgt, waarvoor in de aanvraag geen enkele valabele maatregel wordt voorzien; VII-36.427-30/38 Dat in een zeer omstandig(
  6. e)advies van AMV met betrekking tot de problematiek van de afvalwaters het volgende te lezen valt onder de hoofding 'verslag onderzoek' (stuk 5; p. 7): 'afvalwater Volgens de informatie van de fabrikant, zoals beschreven in het produktie- proces, blijft de afvalwaterproductie van een dergelijke aardappelschillerij beperkt tot ca 1,5 m³/dag. Vermits dit absoluut niet overeenstemt met de referentievolumes voor de aardappelverwerkende nijverheid, zoals opgenomen in bijlage 5.3.2. van Vlarem II, werden deze cijfers door verslaggever (Luc Van Geert van AMV) met de nodige scepsis onthaald. Immers deze bijlage bepaalt onder 1/ voor de sector 'aardappelverwerking' een verbruik ven 2,5 m³/ton of dus minstens een factor 17 hoger. Bij een plaatsbezoek aan een gelijkaardige aardappelschillerij in Gosselies is evenwel gebleken dat de cijfers in de aanvraag, hoewel minimalistisch, in theorie kunnen kloppen. Lozingsgegevens van een volledig vergelijkbare inrichting (aardappelschillerj Broux te Zonhoven) leren dat in de praktijk het lozingsdebiet aan bedrijfsafvalwater ca. 3 m³/dag bedraagt. Het verschil is te verklaren door de compensatie van de uitsleepverliezen aan water bij overdracht van de aardappelen tussen de verschillende onder-delen van de schil-snijlijn. Hoe dan ook blijft de afvalwaterproductie bij deze technologie zeer beperkt, ten opzichte van deze die destijds model stond voor het bepalen van de referentievolumes (voornamelijk toe te schrijven aan het 'droge' transport van de aardappelen via transportbanden in de huidige technologie t.o.v. transport via watergoten in de vroegere technologie). Voor de watervoorziening wordt deels gebruik gemaakt van regenwater, deels van grondwater. Het aanvraagdossier is wat betreft de bestemming van het afvalwater eerder vaag en/of dubbelzinnig. Er wordt gesproken van ofwel ophaling voor externe verwerking ofwel gebruik als irrigatiewater. Nu het gebruik als irrigatiewater zou in feite een indirecte lozing van afvalwater in grondwater betekenen en is principieel niet toelaatbaar. Anderzijds spreekt het aanvraagdossier wel over drie in serie geschakelde bezinkingsbekkens van elk 15 m³ voor de behandeling van het afvalwater. Naar aanleiding van het onderzoek ter plaatse heeft de exploitant zich wel geëngageerd om een waterzuiveringsinstallatie te plaatsen. In de praktijk kan dit door één of twee van de voorziene bezinkingsbekkens uit te rusten met een beluchter. Het is trouwens een dergelijke installatie die operationeel is bij het reeds aangehaalde bedrijf Broux te Zonhoven. De analyseresultaten van dit bedrijf tonen aan dat een dergelijke waterzuivering efficiënt kan functione- ren. (BOD: 4 mg/l, COD: 21 -43 mg/l, ZS: 13 mg/l). De plaatsing van een afvalwaterzuiveringsinstallatie is, hoewel de inrichting slechts een vuilvracht van een 100-tal IE vertegenwoordigt, hoe dan ook noodzakelijk, temeer daar de openbare riolering niet aangesloten is op een RWZI.' Dat verder onder de hoofding 'evaluatie van de aanspraken en bezwaren beroepindieners' nog te lezen valt (stuk 5; p. 20): 'Oppervlaktewater-vervuiling Hier voert appellant wel degelijk een valabel argument aan. In de aanvraag en zelfs in een aanvullende toelichting wordt mistig gedaan over de hoeveelheid afvalwater en de uiteindelijke bestemming. Waar appellant de opgegeven bedrijfsavalwaterhoeveelheid als 'dergelijke massale hoeveelhe- den' omschrijft dient gesteld dat, zoals hoger in het 'Verslag Onderzoek' aangegeven, de reële waterverbruiken voor een dergelijke installatie tot 20 x lager liggen dan opgegeven in de referentievolumes voor de aardappel- verwerking in de bijlagen van Vlarem II. VII-36.427-31/38 Ondanks de zeer lage volumes is het gebruik van bedrijfsafvalwater als irrigatiewater principieel niet toegelaten. Een waterzuiveringsinstallatie voor de behandeling van het bedrijfsafvalwater dringt zich op. Analysere- sultaten van een gelijkaardige schillijn met een kleine aerobische waterzui- veringsinstallatie tonen aan dat de klassieke parameters (BOD, COD, zw.st.) zeer goed onder controle kunnen gehouden worden (zuiveringsren- dementen van ca. 90% of meer). Het opleggen van de nodige voorwaarden hieromtrent dringt zich op.' Dat het voorgaande uiteindelijk leidt tot het volgende advies (stuk 5; p. 21): 'ADVIES ! Gunstig Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, mits naleving van aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden, tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat ten einde de exploitatie van de inrichting bestaanbaar te maken met de omgeving, zowel op het vlak van de risico's de externe veiligheid als op het vlak van de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting, het evenwel noodzakelijk is vergunningsvoorwaarden op te leggen die met de toepassing van een beste beschikbare techniek, technisch haalbaar zijn; dat op basis van de vanuit dit uitgangspunt gehanteerde technische criteria en de van toepassing zijnde normen, deze noodzakelijke voorwaarden kunnen worden geconcretiseerd als omschreven in het beschikkende gedeelte; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de gevraagde vergunning mits het opleggen van de noodzakelijk geachte vergunnings- voorwaarden toe te staan voor een termijn verstrijkend op 01.09.2011' Dat in het voorstel van AMV (stuk 5; p. 22) een wijziging van de bestreden beslissing wordt voorgesteld, waarin de aanleg van een waterzuiveringsinstallatie wordt opgelegd, en verder de door de gemeente reeds opgelegde sectorale lozingsnormen voor lozingen in oppervlaktewaters afkomstig van aardappelver- werking verder worden aangevuld met ondermeer een bijkomende norm voor fosfor (15 mg/l); Dat de aanvrager in zijn nota voor de PMVC dienaangaande het volgende overweegt (stuk 4; p.6): 'Meer bepaald is de heer BUGGENHOUT bereid een waterzuiveringsin- stallatie te voorzien, waarbij wordt voldaan aan de door AMINAL, Afdeling Milieuvergunningen voorgestelde lozingsnormen (zijnde de sectorale lozingsnomen voor lozing in oppervlaktewater - zie bijlage 5.3.2., 1/ bij VLAREM II, aangevuld met een lozingsnorm voor totaal stikstof (120 mg/
  7. l)behalve evenwel voor wat betreft de voorgestelde norm voor totaal fosfor van 15 mg/l, nu deze niet overeenstemt met en aanzienlijk strenger is dan de norm van 50 mg/1 voorgesteld in de BBT-studie voor de groenten- en fruitverwerkende nijverheid van oktober 1999 (zie bijlage 5). De heer BUGGENHOUT verzoekt uw Commissie dan ook om deze laatste norm te adviseren, en aldus niet vast te houden aan de door AMINAL, Afdeling Milieuvergunningen geadviseerde (niet BBT- conforme) lozingsnorm voor totaal fosfor van 15 mg/l.' Dat de bestreden beslissing evenwel, zoals hierboven in het tweede middel reeds werd uiteengezet, wellicht gemakkelijkheidshalve, de ganse problematiek van de afvalwaters tussen haakjes plaatst, overwegende dat dit 'buiten het beoordelingskader van deze aanvraag' zou vallen vermits de desbetreffende rubrieken daarin niet waren opgenomen; Dat wel nog wordt overwogen dat het bedrijfsafvalwater volgens de huidige stand van het dossier - in afwachting dus VII-36.427-32/38 van een oplossing die van de vergunningverlenende overheid kennelijk niet moet worden verwacht - opgehaald en afgevoerd dient te worden door een erkende ophaler; Dat evenwel niet wordt verduidelijkt met welke frequentie dit dient te gebeuren, noch welke de verdere modaliteiten van een dergelijke regeling zouden moeten zijn; Dat al evenmin duidelijk is waar dit water dan zou moeten opgeslagen worden in afwachting van de ophaling, wat echter een belangrijke vraag is gelet op de geurhinder die dit afvalwater zal veroorzaken voor de omwonenden; Dat er overigens ook geen rekening mee wordt gehouden dat de ophaling van ongeveer 1.100 m³ afvalwater per jaar uiteraard voor bijkomend vrachtwagenverkeer zou zorgen op de belendende wegen en op het aan de tuin van verzoekers grenzende erf van de aanvrager; Dat de Bestendige Deputatie derhalve geen oplossing aanreikt voor de bezwaren die in het kader van het openbaar onderzoek aan het licht werden gebracht, en die door de adviesverlenende instanties gegrond werden bevonden, maar, eigenaardig genoeg, wel de door de gemeente Merchtem opgelegde bijzondere exploitatievoorwaarde in verband met de lozing van de afvalwaters zonder meer herneemt; Dat evenwel niet wordt verduidelijkt waarom deze exploitatievoorwaarde dan zou volstaan, alhoewel AMV had voorgesteld deze te vervangen door strengere lozingsnormen; Dat de overheid te dezen behoorde te motiveren waarom het omstandig advies van AMV niet diende te worden gevolgd, ondermeer in zoverre daarin werd voorgesteld om strengere lozingsnormen op te leggen dan degene die uiteindelijk werden opgelegd, temeer daar het hier hinderaspecten betreft waaromtrent in de bezwaarprocedure klachten werden geuit; Dat het opleggen van de algemene milieuvoorwaarden zoals opgenomen in Vlarem II, zoals te dezen is gebeurd, de vergunningverlenende overheid er uiteraard niet van ontslaat voorafgaandelijk te onderzoeken of de exploitatie van de inrichting waarvoor de vergunning wordt gevraagd en de wijze waarop zij volgens de aanvraag zal worden uitgeoefend voor de omwonenden geen ernstige hinder zal teweegbrengen en desbetreffend het vergunningsbesluit afdoende te motiveren, zeker wat die aspecten van hinder betreft waaromtrent de beroepsindieners klachten hebben geuit (R.v.St., Carlos Anckaert, nr. 92.152, 11 januari 2001); Dat het op dit ogenblik geenszins duidelijk is wat er met de afvalwaters afkomstig van de inrichting zal gebeuren; Dat het niet redelijk is hieromtrent geen duidelijkheid te verschaffen, minstens wat (
  8. de)betreft de modaliteiten van de ophaling, gegeven het feit dat de geuroverlast afkomstig daarvan één van de voornaamste hinderbronnen zal uitmaken in hoofde van verzoekers; Dat de bestreden beslissing derhalve is gegrond op een kennelijk onzorgvuldige beoordeling; Dat het vergunningsbesluit tegenstrijdig gemotiveerd is, aangezien enerzijds wordt geopperd dat het afvalwater moet worden afgevoerd zonder aangepaste exploitatievoorwaarden gekoppeld aan deze ophaling, en anderzijds de lozingsnormen zoals bepaald in bijlage 5.3.2 Vlarem II m.b.t. bedrijfsafvalwater komende van aardappelverwerkingsinrichtingen worden opgelegd door loutere bevestiging van het collegebesluit en de daarin opgenomen bijzondere exploita- tievoorwaarden; Dat één en ander des te meer klemt aangezien de exploitant, na eerst hierover geen uitleg gegeven te hebben, nadien via SBB laat verklaren dat het water wordt afgevoerd op het weiland, om later nog, na plaatsbezoek van AMV, te beloven een waterzuiveringsinstallatie te zullen voorzien, zonder dat de specifieke rubriek 3.6 werd opgenomen in de aanvraag; Dat het gemak waarmee het bestreden besluit deze essentiële aspecten inzake bedrijfsafvalwater afdoet, schril afsteekt tegen het grondig onderzoek van AMV dat een waterzuivering onontbeerlijk achtte onder verwijzing naar gelijkaardige exploitaties; Dat de vergunningverlenende overheid op onzorgvuldige wijze deze afvalwaterproblematiek voor zich uit heeft geschoven onder het voorwendsel dat zulks buiten het bestek van de aanvraag zou vallen (sic.); VII-36.427-33/38 ZODAT het bestreden besluit is aangetast door de in het derde middel opgesomde bepalingen en beginselen"; 3.3.2. Overwegende dat in de nota de verwerende partij betoogt dat dit middel in feite hetzelfde middel betreft als het tweede middel; dat zij doet gelden dat zij heeft gemotiveerd waarom zij het lozingsaspect buiten het beoordelingskader van de aanvraag situeerde; 3.3.3. Overwegende dat ook de tussenkomende partij verwijst naar haar weerlegging van het tweede middel, daar deze middelen inhoudelijk identiek zijn; 3.3.4. Overwegende dat de verwerende en de tussenkomende partij terecht betogen dat het derde middel in ruime mate samenvalt met het tweede middel, dat niet ernstig werd bevonden; dat de vergunningverlenende overheid geen beoordeling diende te maken van het aspect lozing van afvalwaters, vermits de aanvraag daarop geen betrekking had en daarvoor ook geen vergunning werd verleend; dat de verwerende partij in de aanhef van het bestreden besluit uitlegt waarom zij niet tot een dergelijke beoordeling overging, en niets belet dat de afvalwaterproblematiek, inzonderheid de hinderaspecten ervan, zal kunnen worden beoordeeld indien een aanvraag wordt ingediend die daarop betrekking heeft; dat prima facie uit de motivering van het bestreden besluit afdoende blijkt waarom het advies van de afdeling Milieuvergunningen niet werd gevolgd; dat, zoals reeds gesteld, het ophalen van afvalwater niet vergunningsplichtig is en derhalve binnen het kader van de milieuvergunningsprocedure niet als hinderlijk kan worden aangemerkt; dat zelfs waar de afdeling Milieuvergunningen een zuiveringsinstallatie en lozingsnor- men voorstelt, het bestreden besluit prima facie terecht overweegt dat voor een waterzuiveringsinstallatie noch voor het lozen van afvalwaters een aanvraag werd ingediend, en bijgevolg een vergunning dan ook niet kan worden verleend; dat het inderdaad weinig zin heeft lozingsnormen op te leggen voor iets wat niet vergund werd; dat prima facie, waar het bestreden besluit de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 26 januari 2006 bevestigt waarin wél lozingsnormen werden opgelegd, dit eigenlijk als een materiële vergissing moet worden beschouwd; dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen niets anders lijkt te doen dan de altijd geldende lozingsnormen van Vlarem II op te leggen voor "het afvalwater dat niet afgevoerd wordt"; dat vermits volgens het bestreden besluit alle afvalwater moet worden afgevoerd, de facto eigenlijk geen lozingsnormen worden opgelegd, en al helemaal geen normen die iets toevoegen aan wat toch al in de regelgeving is opgenomen; dat het derde middel niet ernstig is; VII-36.427-34/38 3.4.1. Overwegende dat het vierde middel luidt als volgt: "VIERDE MIDDEL genomen uit de schending van de artikelen 5.9.1.1 §1 en 5.9.2.2 §§ 1-5 van het Besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne ('Vlarem II'), de artikelen 2 en 3 Wet Uitdrukkelijke Motivering, de materiële motiverings- plicht van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, en uit de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag; DOORDAT het bestreden besluit vergunning verleent voor de uitbreiding van de bestaande mestvaalt met een volume van 400m³ vaste mest TERWIJL artikel 5.9.2.2., § 5 VLAREM II voorziet dat elke inrichting waar vaste dierlijke mest geproduceerd wordt, over een mestopslagcapaciteit van minimaal 6 maand voor vaste dierlijke mest dient te beschikken, met een afwijking voor stalmest waar de periode drie maand dient te bedragen; Dat het artikel verder minimumvereisten bepaalt waaraan opslagplaatsen van dierlijke mest dienen te voldoen, zoals bijvoorbeeld een mestdichte vloer; Dat het advies van Afdeling Land vaststelt dat het administratief dossier niet toelaat te besluiten dat voldaan is aan de vereisten van deze bepaling (stuk 8); Dat daarop in de bestreden beslissing niet wordt ingegaan, maar zonder meer vergunning wordt verleend voor de uitbreiding van de bestaande mestvaalt; Dat geen enkel zorgvuldig handelende overheid zou besluiten vergunning te verlenen indien zij niet over de nodige gegevens beschikt om te beoordelen of wel is voldaan aan alle wettelijke vereisten; Dat de beslissing derhalve kennelijk onredelijk is; Dat zij zich bovendien niet voldoende motiveert in het licht van het ongunstig advies van de VLM, waarin één en ander werd aangestipt; Dat zij in die mate eveneens aangetast is door een gebrekkige motivering; Dat de vergunningverlenende overheid er dan kennelijk maar van uitgaat dat wel voldaan zal zijn aan de voorwaarden van voormelde bepaling, terwijl dit geenszins het geval is; Dat zij derhalve eveneens uitgaat van verkeerde feitelijke premissen (R.v.St., BVBA Maalderij Meskens, nr. 48.387, 30 juni 1994); ZODAT de bestreden beslissing is aangetast door een schending van de in het vierde middel opgesomde bepalingen en beginselen"; 3.4.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota betoogt dat de analyse van de verzoekende partijen onjuist is; dat zij doet gelden dat immers de Vlaamse Landmaatschappij wel gunstig adviseerde voor de uitbreiding van de mestopslag, dat in haar advies van 11 april 2006 de Vlaamse Landmaatschappij enkel stelt dat ze de opslagcapaciteit van de mest niet kan berekenen omdat haar in eerste aanleg niet om advies was gevraagd en zij dus het staltype niet kende, dat in het bestreden besluit de problematiek uitvoerig en zeker voldoende wordt besproken, dat ter zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie de vertegenwoordiger van de Vlaamse Landmaatschappij een gunstig advies uitbracht en dat bovendien de mestopslag ingedeeld is in klasse 3, waaromtrent zij niet eens een beoordelingsbe- voegdheid heeft; 3.4.3. Overwegende dat de tussenkomende partij artikel 5.9.2.2., §5, van Vlarem II citeert; dat zij stelt dat daaruit kan worden afgeleid dat de ratio legis van VII-36.427-35/38 deze bepaling er in bestaat om er voor te zorgen dat een inrichting waarop dierlijke mest wordt geproduceerd te allen tijde beschikt over voldoende capaciteit om de in de inrichting geproduceerde dierlijke mest op te slaan, of met andere woorden, te vermijden dat mest zou worden gestort bij gebrek aan opslagcapaciteit, dat het bestreden besluit aan de aanvrager een uitbreiding van de mestvaalt verleent, zonder echter vergunning te verlenen voor uitbreiding van de veestapel, dat bijgevolg bezwaarlijk kan worden ingezien welk nadeel de vergunning op dit vlak aan de verzoekende partijen berokkent, dat bijgevolg evenmin kan worden ingezien op welke wijze een eventuele vernietiging van dit deel van de vergunning aan de verzoekende partijen een voordeel zou kunnen verschaffen; dat zij zich afvraagt of de verzoekende partijen misschien liever hebben dat de mest wordt gestort in plaats van deze op te slaan; dat zij in ondergeschikte orde nog betoogt dat het advies van de Vlaamse Landmaatschappij niet moest worden ingewonnen en dat bovendien het advies van de Vlaamse Landmaatschappij voor wat betreft de gevraagde uitbreiding van de mestopslag wel degelijk gunstig was; 3.4.4. Overwegende dat het middel niet ernstig is om volgende redenen: Artikel 5.9.2.2., §5, van Vlarem II bepaalt wat volgt: "Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning dient de inrichting, ingeval op de inrichting vaste dierlijke mest geproduceerd wordt, te beschikken over één of meer mestopslagplaatsen voor vaste dierlijke mest met een totale capaciteit die voldoende is om tenminste de hoeveelheid vaste dierlijke mest te stockeren die gedurende een periode van 6 maanden wordt geproduceerd door de dieren die op basis van het aantal dierplaatsen in de stal(len) kunnen worden gehouden. In afwijking hiervan bedraagt voor stalmest de periode tenminste 3 maanden. Het benodigde volume dient berekend op basis van de richtlijnen voor opslagcapaciteit voor mest vermeld in bijlage 5.9., hoofdstuk 7. Aan deze bepalingen wordt eveneens geacht voldaan te zijn wanneer de exploitant van de inrichting aantoont op een andere reglementaire manier gedurende de beschouwde periode te kunnen voorkomen dat de voormelde mesthoeveelheid of een gedeelte ervan op cultuurgrond wordt opgebracht". Deze bepaling strekt er dus toe een voldoende mestopslagcapaci- teit te voorzien. Wanneer een uitbreiding van de mestopslagcapaciteit wordt toegestaan, kan dat alleen maar meebrengen dat voldaan wordt aan artikel 5.9.2.2., §5, van Vlarem II, of dat toch alleszins beter tegemoet gekomen wordt aan de vereiste die in deze bepaling vervat zit. Met het bestreden besluit wordt geen uitbreiding van de veestapel toegestaan. Zo bezien valt prima facie inderdaad, zoals de tussenkomende partij betoogt, niet direct in te zien welk belang de verzoekende partijen hebben bij het middel. VII-36.427-36/38 Voorts, moet worden opgemerkt dat de uitbreiding van de mestopslag van 210 m³ tot 610 m³ in principe slechts meldingsplichting is. Inderdaad moet men vaststellen dat, overeenkomstig artikel 28.2.c), 1/, van de ind

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.