id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.376 Rolnummer: A. 110810/VII-24685 Zaak: Arrest 167376 - Milieuvergunningen - 01/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-20 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 15:02 Fiche Arrest nr 167.376 van 1 februari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.376 van 1 februari 2007 in de zaak A. 110.810/VII-24.685. In zake : Michel GROMMEN, die woonplaats kiest bij advocaat L. CUYPERS, kantoor houdende te HOESELT, Dorpsstraat 28 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. tussenkomende partij : Luc SAMPERMANS, in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder en wettelijk vertegenwoordiger van de b.v.b.a. APPELTANS, gevestigd te DIEPENBEEK, Muggenbergstraat 6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Michel GROMMEN op 27 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 29 juni 2001 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw waarbij het beroep ingesteld tegen het besluit van 14 december 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg houdende het verlenen aan de b.v.b.a. APPEL- TANS van de vergunning voor het exploiteren van een bevoorradingsstation voor motorvoertuigen met car-wash, gelegen aan de Tongersesteenweg te Kortessem, slechts gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt gewijzigd in die zin dat de vergunning voor de LPG-installatie wordt geweigerd en een bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarde wordt opgelegd met betrekking tot het voorzien van een damprecuperatiesysteem, en voor het overige wordt bevestigd; VII-24.685-1/13 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 19 december 2001; Gelet op de beschikking van 30 januari 2002 die de tussenkomst van advocaat Luc SAMPERMANS, in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoer- der en wettelijk vertegenwoordiger van de b.v.b.a. APPELTANS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 13 mei 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 28 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. CUYPERS, die verschijnt voor de verzoeker, van advocaat I. VANDEN BON die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij, en van heren T. CELIS en J. APPELTANS, die verschijnen voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-24.685-2/13 1.1. Op 29 juni 2000 dient de b.v.b.a. APPELTANS bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg een aanvraag in voor het exploiteren van een bevoorradingsstation voor motorvoertuigen toegerust met een carwash- installatie, gelegen aan de Tongersesteenweg z.n. te Kortessem. Het voorwerp van de aanvraag omvat in concreto : - het lozen van 0,38 m3/uur - 3,11 m3/dag - 940 m3/jaar niet in de rubrieken 3.4. of 3.6 begrepen bedrijfsafvalwater in de openbare riolering; - het lozen van max. 0,5 m3/dag - 110 m3/jaar huishoudelijk afvalwater via een septische put in de openbare riolering; - een automatische carwash en twee self-carwash-eenheden voor het wassen van maximum 50 voertuigen per dag; - een bevoorradingszuil voor LPG; - de opslag van 9.800 liter LPG in een ondergrondse houder; - de opslag van 45.000 liter benzine in drie ondergrondse dubbelwandige houders met een inhoudsvermogen van elk 15.000 liter; - de opslag van 25.000 liter diesel, 7.000 liter petroleum, 7.000 liter gasolie in ondergrondse houders en van 5.000 liter mazout in een enkelwandige boveng- rondse ingekuipte houder; - verschillende pompzuilen voor het verdelen van de opgeslagen brandstoffen; - de opslag in kleinverpakkingen van 100 liter oliën, 100 liter antivries en 100 liter remolie in een bijhorende shop. 1.2. Bij besluit van 19 oktober 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg wordt de termijn voor de afhandeling van de ingediende milieuvergunningsaanvraag met twee maanden verlengd, omdat het "gelet op het verloop van het dossier (...) niet mogelijk is de normale behandelingstermijn van vier maanden te eerbiedigen". 1.3. Bij besluit van 14 december 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg wordt de gevraagde vergunning integraal verleend voor een termijn van twintig jaar, met als bijzondere voorwaarde dat het verboden is de carwash te exploiteren tussen 19.00 u en 7.00 u en op zon- en feestdagen. 1.4. Tegen dit besluit stelt de verzoeker, buurman van het betrokken perceel, beroep in bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw. Naast tal van andere bezwaren die in zijn omstandig beroepschrift worden opgesomd, voert hij onder meer aan dat hij en zijn gezin gezien de beperkte ruimtelijke scheiding "onbeperkte" geluidshinder zullen ondervinden ten gevolge van de exploitatie van de VII-24.685-3/13 inrichting, dat in de onmiddellijke omgeving geurhinder zal optreden bij het vullen van de ondergrondse houders voor brandstoffen, dat de opslag van LPG een te groot risico inhoudt in een omgeving waar een 50-tal woningen gelegen zijn, dat verkeersproblemen kunnen ontstaan op de Tongersesteenweg en dat in de beroepen beslissing niet is onderzocht of de inrichting verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beroepindiener is samenvattend van mening dat de exploitatie van de geplande inrichting "onverantwoord is in de directe omgeving van woonhuizen". 1.5. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen uitgebracht: a. Op 21 februari 2001 verleent de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen gunstig advies over de aanvraag. In dat advies wordt meegedeeld dat de inrichting volgens het toepasselijke gewestplan gelegen is in een woongebied met landelijk karakter. b. De Vlaamse Milieumaatschappij adviseert op 9 maart 2001 gunstig voor het lozen van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater in de openbare riolering mits voldaan wordt aan de van toepassing zijnde voorwaarden van Vlarem en de carwash-installatie uitgerust wordt met een waterbehandelingssysteem dat toelaat om tenminste 70 % van het gebruikte waswater te hergebruiken. c. In haar advies van 26 maart 2001 stelt het bestuur Milieuvergunningen voor om het beroep gegrond te verklaren, de beroepen beslissing op te heffen en aan de b.v.b.a. APPELTANS de gevraagde vergunning te weigeren. Aan dat advies gaan de volgende beschouwingen vooraf : "Overwegende dat de uitbating van de carwash gezien de ligging naast 2 aanpalende woningen voor geluidsoverlast zal zorgen; dat de uitbating van een LPG-installatie temidden van een woonkern niet verantwoord is, wegens een mogelijk ontploffingsrisico; Overwegende dat de uitbating van een benzinestation niet verantwoord is temidden van woonhuizen; dat een dergelijke inrichting thuishoort aan de rand van de woonkern; dat er bovendien aan de rand van de woonkern te Guigoven reeds een ander benzinestation wordt uitgebaat; Overwegende dat de exploitatie van een benzinestation steeds een zekere mate van geluidshinder met zich meebrengt voor de aanpalende woningen wegens de af- en aanrijdende auto's en vrachtwagens; Overwegende dat er zich verkeersonveilige situaties zouden kunnen voordoen daar er zich in de nabijheid van het geplande benzinestation vier dwarsstraten van de Tongersesteenweg bevinden; dat het verkeer van het geplande benzinestation een bijkomende verkeersstroom teweegbrengt in het centrum van VII-24.685-4/13 Guigoven, naast het reeds drukke verkeer van de Tongersesteenweg en de vier dwarsstraten in de woonkern; dat het benzinestation bijgevolg voor een bijkomende potentiële verkeersonveiligheid kan zorgen bovenop de reeds bestaande drukke verkeerssituatie; dat ook voor de aanpalende woningen bijkomende verkeersproblemen gecreëerd zullen worden, daar zij bij het buitenrijden, niet alleen zullen moeten rekening houden met het reeds drukke verkeer op de Tongersesteenweg, maar ook met het af- en aanrijdende verkeer van het geplande benzinestation, dat zich vlakbij bevindt; dat bijgevolg kan geconcludeerd worden dat het geplande benzinestation de verkeersonveiligheid in de woonkern van Guigoven zal doen stijgen; Overwegende dat de uitbating van het geplande benzinestation voor bijkomende luchtverontreiniging zal zorgen, wegens de uitwasemingen van het af- en aanrijdende verkeer van het benzinestation". d. De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie stelt op 2 april 2001 voor om het beroep deels gegrond te verklaren. De vergunning voor de LPG-installatie zou dienen geweigerd te worden. Bovendien zou de inrichting uitgerust moeten worden met wachtleidingen om de uitstoot van emissies te beperken en zou 80% van het afvalwater van de car-wash hergebruikt moeten worden. 1.6. Met het thans bestreden besluit wordt het beroep van de verzoeker gedeeltelijk gegrond verklaard. Het beroepen besluit wordt gewijzigd in die zin dat de vergunning voor de LPG-installatie wordt geweigerd, en er wordt een bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarde opgelegd met betrekking tot het voorzien van een damprecuperatiesysteem. De overige bepalingen van het beroepen besluit worden bevestigd; 2. Gegrondheid van het beroep 2.1. Standpunten van de partijen 2.1.1. Overwegende dat de verzoeker als derde middel de schending van de motiveringsplicht aanvoert "doordat het bestreden besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw niet voldoende geantwoord heeft op de argumenten die aanvrager ontwikkeld heeft in zijn bezwaarschrift dd. 25.01.2001, terwijl de toezichthoudende overheid geacht moet worden voldoende te motiveren waarom zij al dan niet ingaat op de aangebrachte motiveringen en argumenten in het kader van het ingediende bezwaarschrift"; 2.1.2. Overwegende dat in haar memorie van antwoord de verwerende partij repliceert als volgt : VII-24.685-5/13 "(...) II.3.2. Vooreerst moet opgemerkt worden dat de verzoekende partij niet uiteenzet waarin de schending van de motiveringsplicht dan wel mag bestaan. Verzoekende partij volstaat zich blijkbaar met het louter poneren van een niet bewezen stelling. Het art. 2, § 1, 2/ van het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State bepaalt dat het verzoekschrift een uiteenzetting van feiten en middelen dient te bevatten. DE TAEYE omschrijft een 'middel' als volgt : Zoals reeds hoger gesteld, bestaat een middel uit de voldoende en duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of het overtreden beginsel en van de wijze waarop volgens de verzoekende partij, deze rechtsregel of dit beginsel wordt geschonden. (...) In casu zet de verzoekende partij niet de wijze (uiteen) waarop (...) het motiveringsbeginsel zou zijn geschonden, dit middel is bijgevolg niet ontvankelijk. II.3.3. Dienaangaande moet de verwerende partij overigens wijzen op het volgende : De verplichting tot formele motivering van bestuurshandelingen opgelegd door de Wet de Motivering Bestuurshandelingen is niet gelijk te stellen met de verplichting tot motivering van de jurisdictionele beslissingen, die door de Grondwet is voorgeschreven. Zo is een bestuur niet verplicht alle door de partijen aangevoerde feitelijke en juridische argumenten te beantwoorden, terwijl een rechter dit wel moet doen. Het bestuur moet bijgevolg -behoudens andersluidende bepaling- niet elk bezwaar tegen bijvoorbeeld een onteigening, een bouwvergunning, een milieuvergunning, een onbewoonbaarverklaring, een tuchtstraf, een afdanking wegens beroepsonbekwaamheid, het ontnemen van een bepaalde functie enz., weerleggen. Het volstaat dat de determinerende motieven voor het besluit worden aangeduid, m.a.w. dat de motivering op zichzelf afdoende is. Dus, anders dan verzoekende partij blijkt te suggereren, moest de verwerende partij niet op alle geopperde bezwaren antwoorden. Een afdoende motivering op zichzelf volstaat. T.a.v. bestuurshandelingen geldt art. 149 Grondwet niet. In casu wordt door de verzoekende partij niet aangetoond dat de motivering niet afdoende zou zijn. Ook het derde middel mist bijgevolg grond"; 2.1.3. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord door de verzoeker wordt uiteengezet dat het middel zoals geadstrueerd in het verzoekschrift voldoende omschreven is, dat immers duidelijk verwezen wordt naar het beroepschrift dat hij heeft ingediend, dat dat beroepschrift deel uitmaakt van het administratief dossier zodat "Uw Raad kan vaststellen dat de toezichthoudende overheid niet voldoende geantwoord heeft op de door verzoeker aangehaalde bezwaren" en dat het niet beantwoorden van die bezwaren "voldoende belangrijk (
- is)om te besluiten dat de motivering van de bestreden beslissing niet voldoende is"; VII-24.685-6/13 2.1.4. Overwegende dat in het verzoekschrift tot tussenkomst wordt gesteld dat de bezwaren die de verzoeker in zijn beroepschrift heeft ontwikkeld voldoende worden beantwoord in het bestreden besluit; 2.1.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog herhaalt dat “er (...) geen sprake (
- is)van een duidelijke omschrijving van de overtreden geachte rechtsregel of het overtreden geachte beginsel, enkel van een plicht die uit dergelijk rechtsregel of dergelijk beginsel zou voortvloeien”, en dat “een middel waarbij de verwerende partij of de Raad van State slechts door het interpreteren van de bedoeling van verzoeker kan uitmaken welke schending van welke rechtsregel is bedoeld en de verwerende partij of de Raad in feite zelf het middel interpreteren, (...) niet ontvankelijk is”; dat zij daaraan toevoegt wat volgt : “Het kan verwerende partij niet kwalijk genomen worden dat zij, daar het middel duidelijkheid miste, bij het gissen naar de geschonden geachte norm ervan uitgegaan is dat de algemene motiveringsplicht door verzoekende partij bedoeld werd. Meer bepaald ging verwerende partij er van uit dat verzoekende partij de motiveringsplicht beoogde zoals deze voortvloeit uit de Formele Motiveringswet die bepaalt dat elke administratieve rechtshandeling gedragen moet worden door motieven die rechtens en feitelijk aanvaardbaar zijn en die derhalve controleerbaar zijn in het wettelijkheidstoezicht. Verwerende partij interpreteerde het derde middel dus als dat dit betrekking had op de formele motiveringsplicht, hetgeen zij terecht mocht veronderstellen op basis van de summiere omschrijving van het middel. Daarvan uitgaand kwam verwerende partij tot de vaststelling dat deze norm niet geschonden werd door de bestreden beslissing, daar de beslissing wel degelijk afdoende gemotiveerd blijkt te zijn. De formele motiveringsplicht houdt immers niet in dat 'alle door de partijen aangevoerde feitelijke en juridische argumenten worden beantwoord', en dat dus 'niet elk bezwaar tegen bijvoorbeeld een milieuvergunning weerlegd moet worden'. Verwerende partij kan hieromtrent naar vaststaande rechtspraak van Uw Raad verwijzen. Het kan verwerende partij geenszins kwalijk genomen worden dat zij het derde middel alsdusdanig interpreteerde. Verzoekende partij was niet precies in de omschrijving van haar middel, en draagt de risico's van een - in haar ogen - foutieve interpretatie door verwerende partij, die zich tegen dit middel dient te verweren. Het Auditoraat is blijkbaar van oordeel dat het derde middel voldoende duidelijk is, in die zin dat zonder enige twijfel naar artikel 52, 3/ VLAREM I wordt verwezen, en de motiveringsplicht die daaruit voortvloeit. Zoals hiervoren door verwerende partij uiteengezet, is het nochtans niet voor de hand liggend dat verzoekende partij déze motiveringsplicht voor ogen had. Gelet op de formulering van de wijze waarop verzoekende partij de niet vermelde norm of rechtsregel geschonden achtte, nl. doordat niet afdoende zou zijn geantwoord op de middelen die zij had uiteengezet in haar beroepschrift, mocht verwerende partij terecht uitgaan van de veronderstelling dat verzoekende partij het afdoend karakter van de motivering van de bestreden beslissing bekritiseerde, en niet zozeer het feit dat niet álle door haar opgesomde bezwaren in het beroepschrift (werden benatnwoord). VII-24.685-7/13 Het Auditoraat gaat volgens verwerende partij te makkelijk uit van het feit dat het duidelijk zou zijn dat als geschonden norm artikel 52, 3/ VLAREM I bedoeld werd. Verwerende partij had het middel anders geïnterpreteerd, en dit kan haar op geen enkele wijze kwalijk worden genomen. Mocht verwerende partij evenwel meteen het middel begrepen hebben zoals verzoekende partij het bedoelde, dan kan Uw Raad inderdaad het middel als voldoende duidelijk, en derhalve als ontvankelijk bestempelen, daar dan duidelijk is dat de rechten van verdediging niet in het gevaar zijn gekomen door deze onduidelijkheid. Doch nu verwerende partij echter dit middel mogelijks anders interpreteerde dan door verzoekende partij bedoeld, zonder dat haar dit kwalijk kan worden genomen, moet vastgesteld worden dat door de onduidelijkheid van het middel de rechten van verdediging geschonden zijn. Voor de interpretatie van een middel, wordt ook rekening gehouden met de wijze waarop de tegenpartij het middel begrepen heeft. Een gebrek aan duidelijkheid in een verzoekschrift met het recht van verdediging van de verwerende partij immers niet schaden (sic). Om die reden moet de uiteenzetting van het middel gelezen worden zoals de verwerende partij ze begrepen blijkt te hebben. In tegenstelling tot wat het Auditoraat dan ook meent, was het derde middel wel degelijk onontvankelijk. Omgekeerd aanvaardt de Raad van State deze exceptie van niet-ontvankelijkheid indien een annulatiemiddel zich tot verschillende interpretaties leent en uit de procedurestukken blijkt dat de verzoeker en de tegenpartij vanuit een verschillende interpretatie vertrokken zijn”; dat zij, wat de gegrondheid van het middel betreft, nog doet gelden wat volgt : “2.1. Bovendien, voor zover het middel geacht zou worden ontvankelijk te zijn, is dit middel - in tegenstelling tot wat het Auditoraat meent - ongegrond. 2.2. Artikel 52, 3/ VLAREM I bepaalt dat de uitspraak over het administratief beroep tegen een in eerste aanleg genomen beslissing over een milieuvergunningsaanvraag een gemotiveerde beslissing moet omvatten over de aanspraken of bezwaren die door de indieners van het beroep werden gesteld. In het beroep haalde verzoekende partij, als beroepsindiener, de volgende bezwaren en aanspraken aan : - geluidshinder carwash : verzoekende partij uitte zijn vrees omtrent een onbeperkte geluidshinder, gelet op de geringe afstand tussen zijn woning en de carwash - lozing bedrijfsafvalwater : verzoekende partij uitte kritiek op het feit dat de beslissing vermeldde dat het 'waarschijnlijk een installatie zonder recuperatie van afvalwater' zou betreffen, en vindt dat er zekerheid moet zijn omtrent het soort installatie - geurhinder bij vullen ondergrondse houders - enkele bezwaren omtrent de LPG-tanks en het ontploffingsgevaar dat gevreesd wordt (veiligheid dus) : niet relevant : thans bestreden beslissing weigert de vergunning voor wat deze tanks betreft, zodat aan de bezwaren hoedanook tegemoet gekomen is - verkeersproblemen - geen rekening gehouden met goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Wat de geurhinder bij vullen ondergrondse houders betreft, wordt in de bestreden beslissing overwogen dat op het verladen en tanken van benzines het VII-24.685-8/13 'terugname gassysteem' zal worden toegepast zodat er zich geen emissies naar de lucht zullen voordoen (= damprecuperatie). Wat de lozing van het bedrijfsafvalwater betreft : wordt door de bestreden beslissing overwogen dat de te vergunnen inrichting het afvalwater zal lozen via een slibvangput/koolwaterstofafscheider, waarbij niet-verontreinigd hemelwater zoveel als mogelijk zal worden opgevangen en gebruikt in de carwash (nl. 85 %). Wat de geluidshinder betreft, wordt in de bestreden beslissing overwogen dat de carwash gezien de ligging naast 2 aanpalende woningen slechts mag worden uitgebaat tijdens de uren tussen 7 u en 19 u op weekdagen, en dat de exploitant daarenboven ertoe gehouden is steeds voldoende maatregelen te treffen om hinder naar de omwonenden toe in voldoende mate te beperken. Het Auditoraat stelt dan ook in haar verslag terecht vast dat de bestreden beslissing motiveert waarom de inrichting vergund kan worden. Maar anderzijds stelt het Auditoraat dan vast dat de motivering niet voldoende zou weergeven waarom de inrichting uit milieu-oogpunt aanvaardbaar zou zijn in een woonkern en in de directe nabijheid van woningen, hetgeen eigenlijk de kern is van hetgeen verzoekende partij in haar bezwaarschrift aanvoerde. Nochtans geeft de motivering dit wel degelijk weer. De motivering omtrent de geluidsproblematiek en de geurhinder, de enige beroepsargumenten van verzoekende partij die betrekking hebben op de nabijheid van de inrichting bij de woningen, is wel degelijk aanwezig. Op de grief van verzoekende partij omtrent de aanvaardbaarheid van de nabijheid bij een woonkern van de inrichting, hetgeen volgens het Auditoraat terecht als hoofdzaak van het beroepschrift van verzoekende partij beschouwd wordt, werd in de bestreden beslissing dus wel degelijk ingegaan, waardoor er geen schending aangehouden kan worden van artikel 52, 3/ VLAREM I. 2.3. Daar waar het Auditoraatsverslag melding maakt van het bezwaar van verzoekende partij omtrent de verkeersproblematiek, dient inderdaad wel vastgesteld te worden dat de bestreden beslissing daar niet op ingaat, doch verwerende partij dient te wijzen op het feit dat uiteindelijk van de vergunningverlenende overheid niet verwacht kan worden op élke grief in te gaan. Zó ver reikt de motiveringsplicht voortvloeiend uit artikel 52, 3/ VLAREM I niet. Temeer daar alleen al van verzoekende partij meer dan 16 beroepsgrieven uit diens beroepschrift volgden. Het vergunningverlenende bestuur is op grond van de bijzondere motiveringsplicht wel verplicht de geuite bezwaren en aanspraken tegemoet te treden, doch daarbij mag niet het onmogelijke, noch het té verregaande van haar geëist worden. 2.4. Ten slotte dient verwerende partij vast te stellen dat het Auditoraatsverslag, dat uitgaat van het feit dat de schending van artikel 52, 3/ VLAREM I door verzoekende partij ingeroepen werd in het derde middel, blijkbaar ook rekening wenst te houden met de interpretatie van dit middel als zou misschien toch (ook?) de (algemene) formele motiveringsplicht voortvloeiend uit de Formele Motiveringswet beoogd kunnen zijn. Daar waar het Auditoraatsverslag stelt dat de schending van de motiveringsplicht zou blijken uit het feit dat 'uit de opgegeven motivering blijkt immers niet dat de hinder, voornamelijk de geluidshinder, verbonden aan de exploitatie van het benzinestation en de carwash binnen aanvaardbare perken kan worden gehouden gelet op de toch wel zeer precaire ligging van de inrichting temidden van woonhuizen' gaat deze verder dan een toetsing van de beslissing aan artikel 52, 3/ VLAREM I, dat enkel bepaalt dat de beroepsbezwaren beantwoord moeten worden en dit antwoord terug moet te vinden zijn in de beslissing. VII-24.685-9/13 Met bovenstaande alinea uit het Auditoraatsverslag wordt duidelijk het afdoend karakter van de motivering bedoeld, hetgeen niet voortvloeit uit artikel 52, 3/ VLAREM I. Het kan uiteraard niet dat verzoekende partij op onduidelijke wijze de geschonden geachte norm of beginsel aanduidt, waardoor dit voor gevolg heeft dat dit onduidelijke middel als vlag vele ladingen kan dekken. Er kan en moet goede wil aan de dag gelegd worden bij de interpretatie van een middel, doch de rechten van de verdediging stellen daar wel een grens aan. Temeer daar uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij enkel kritiek uit op het feit dat niet afdoende zou zijn geantwoord op de middelen die verzoekende partij heeft uiteengezet in haar beroepschrift, en gelet op het feit dat het Auditoraat van oordeel is dat dit middel in die zin duidelijk is dat daar onomstotelijk uit voortvloeit dat verzoekende partij als geschonden norm artikel 52, 3/ VLAREM I voor ogen heeft, dient dan ook consequent geoordeeld te worden dat verzoekende partij enkel het feit dat diens grieven niet zouden zijn tegemoetgetreden voor ogen had, hetgeen door verzoekende partij (sic) hiervoren werd weerlegd. In de zin dat in het Auditoraatsverslag geoordeeld wordt dat de bijzondere motiveringsplicht voortvloeiend uit artikel 52, 3/ VLAREM I bedoeld werd in het derde middel, kan er niet getoetst worden aan de formele motiveringsplicht zoals die voortvloeit uit de Formele Motiveringswet (noch aan de materiële motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel). Er moeten consequente keuzes gemaakt worden: ofwel is het middel onduidelijk, en dus onontvankelijk, ofwel is het duidelijk (bijv. betrekking hebbend op artikel 52, 3/ VLAREM I) en dient men dan ook de bestreden beslissing consequent enkel aan deze norm te toetsen. Daar waar in het Auditoraatsverslag het derde middel in die zin begrepen wordt dat het artikel 52, 3/ VLAREM I als geschonden norm voorhoudt, wordt, door het afdoend karakter van de motivering in vraag te stellen, eigenlijk ambtshalve een middel opgeworpen, hetgeen Uw Raad in casu niet kan. Uw Raad mag de argumenten van de verzoeker immers niet aanvullen op zodanige wijze dat middelen zouden worden behandeld, die in werkelijkheid niet werden ingeroepen door de verzoeker en die ook niet de openbare orde aanbelangen. Bij de interpretatie van een middel door Uw Raad bestaan immers grenzen, teneinde te voorkomen dat Uw Raad zich in werkelijkheid aan de verzoeker substitueert en het uiteindelijk de rechter wordt die de overheid een proces aandoet, in de plaats van de geadministreerde. Een dergelijke handelwijze van de Raad van State zou immers onverenigbaar zijn met het algemeen geldend beginsel, dat een rechter maar tot het uitoefenen van de hem toegekende bevoegdheden gemachtigd is, indien hij daartoe regelmatig door een rechtzoekende of bevoegde overheid gevorderd wordt. Het derde middel is dan ook ongegrond. 3. Besluit Het derde middel is onduidelijk, en hierdoor onontvankelijk. Indien geoordeeld wordt dat het artikel 52, 3/ VLAREM I is dat verzoekende partij voor ogen had als geschonden norm, dan heeft verwerende partij het middel - zonder dat haar dit kwalijk kan worden genomen- anders geïnterpreteerd, waardoor de rechten van de verdediging geschonden zijn. Voor zover geoordeeld wordt dat het derde middel wel degelijk duidelijk en dus ontvankelijk is, en verwerende partij onterecht de bal missloeg door daarin niet te lezen dat artikel 52, 3/ VLAREM I de geschonden geachte norm is, dient opgemerkt te worden dat de motiveringsplicht die voortvloeit uit dit artikel, geëerbiedigd werd, waardoor het derde middel ongegrond is”; VII-24.685-10/13 2.2. Beoordeling 2.2.1. Overwegende dat het middel voldoende duidelijk werd uiteengezet om te worden begrepen, beantwoord en onderzocht; 2.2.2. Overwegende dat luidens artikel 52, 3/, van Vlarem I de uitspraak over het administratief beroep tegen een in eerste aanleg genomen beslissing over een milieuvergunningsaanvraag een gemotiveerde beslissing moet omvatten over de aanspraken of bezwaren die door de indieners van het beroep werden gesteld; dat een afdoende motivering dus veronderstelt dat in een beslissing zoals de thans bestredene een antwoord wordt gegeven op de bezwaren en aanspraken die een omwonende tijdens de vergunningsprocedure naar voor heeft gebracht; dat hoewel met de verwerende partij kan worden aangenomen dat die specifieke motiveringsvereiste niet inhoudt dat expliciet en in detail een antwoord wordt gegeven op elk van de in beroep aangevoerde argumenten, het niettemin noodzakelijk is dat de beslissing duidelijk de fundamentele redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de in beroep verdedigde stellingen niet worden aangenomen; dat in de regel de motivering in het licht van de in het beroepschrift naar voor gebrachte bezwaren slechts afdoende kan zijn wanneer een antwoord wordt gegeven op de argumenten die met betrekking tot de beoordeling van de hinderlijkheid van de inrichting op de onmiddellijke omgeving het belangrijkste zijn en die in dat opzicht het meest determinerend zijn voor de uitspraak over het ingestelde beroep; 2.2.3. Overwegende dat het bestreden besluit als volgt is gemotiveerd: "Overwegende dat de inrichting gelegen is in de woonkern van Guigoven; Overwegende dat de opslag van benzine en diesel zal gebeuren in ondergrondse dubbelwandige houders; dat deze houders zullen voorzien worden van overvulbeveiliging en lekdetectie; dat de vulpunten zich zullen bevinden boven een vloeistofdichte bodem; Overwegende dat het afvalwater zal geloosd worden via een slibvangput/koolwaterstofafscheider; dat het niet verontreinigd hemelwater zoveel als mogelijk zal worden opgevangen en gebruikt in de car wash eenheden; dat de exploitant ter zitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie heeft vermeld dat ca. 85 % van het bedrijfsafvalwater hergebruikt kan worden; Overwegende dat op het verladen en tanken van benzines het 'terugname gassysteem' zal worden toegepast zodat er zich geen emissies naar de lucht zullen voordoen; dat deze damprecuperatie, ongeacht het verhandelde debiet benzine, zeker noodzakelijk is gelet op de bewoning in de onmiddellijke omgeving; Overwegende dat de carwash gezien de ligging naast 2 aanpalende woningen slechts mag uitgebaat worden tijdens de uren tussen 7 u en 19 u op weekdagen; dat de exploitant daarenboven ertoe gehouden is steeds voldoende maatregelen VII-24.685-11/13 te treffen om hinder naar de omwonenden toe in voldoende mate te beperken (t.g.v. waternevel, geluid,...); Overwegende dat de uitbating van een LPG installatie temidden van een woonkern niet verantwoord is, wegens een mogelijk ontploffingsrisico; Overwegende dat om bovenvermelde redenen het geplande benzinestation met car-wash kan vergund worden met uitzondering van de LPG-zuil en de opslag van 9.800 l LPG die dienen geweigerd te worden"; dat het bestreden besluit, door te verwijzen naar de manier van opslag van de brandstoffen, de lozing en het hergebruik van het geproduceerde afvalwater, de technische voorzieningen waarmee de verdeelinstallatie voor brandstoffen uitgerust zal worden en de openingstijden van de car-wash, motiveert waarom de inrichting, hoewel ze in een woonkern en in de onmiddellijke nabijheid van twee aanpalende woningen gelegen is, vergund kan worden met uitzondering van de LPG-installatie; dat deze motivering echter onvoldoende tot uiting brengt waarom het vergunde benzinestation en de bijbehorende carwash-installatie uit milieu-oogpunt aanvaardbaar zijn in een woonkern en in de directe nabijheid van woningen zoals de verzoeker in hoofdzaak heeft aangevoerd in zijn beroepschrift; dat uit de opgegeven motieven immers niet blijkt dat de hinder, voornamelijk de geluidshinder, verbonden aan de exploitatie van het benzinestation en de car-wash binnen aanvaardbare perken kan worden gehouden, gelet op de ligging van de inrichting temidden van woonhuizen; dat dit des te meer klemt nu het bestuur Milieuvergunningen de aanvraag ongunstig adviseerde precies omdat de "uitbating van de carwash gezien de ligging naast 2 aanpalende woningen voor geluidsoverlast zal zorgen" en de "uitbating van een benzinestation niet verantwoord is temidden van woonhuizen"; dat eveneens dient te worden vastgesteld dat in het bestreden besluit niet wordt ingegaan op het relevante bezwaar met betrekking tot de verkeersonveiligheid, argument dat het bestuur Milieuvergunningen nochtans op grond van een concreet en precies onderzoek van de plaatselijke toestand heeft betrokken bij de ongunstige beoordeling van de vergunningsaanvraag; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 29 juni 2001 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw waarbij het beroep ingesteld tegen het besluit van 14 december 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg houdende het verlenen aan de b.v.b.a. APPELTANS van de vergunning voor het exploiteren van een bevoorradingsstation voor motorvoertuigen met car-wash, VII-24.685-12/13 gelegen aan de Tongersesteenweg te Kortessem, slechts gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en het beroepen besluit in dier voege wordt gewijzigd dat de vergunning voor de LPG-installatie wordt geweigerd en een bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarde wordt opgelegd met betrekking tot het voorzien van een damprecuperatiesysteem. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een februari tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, voorzitter van de VIIe kamer, de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-24.685-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.376 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div