← België

Arrest 167408 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 02/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.408 Rolnummer: A. 139719/XIV-16127 Zaak: Arrest 167408 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 02/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-15 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 15:06 Fiche Arrest nr 167.408 van 2 februari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.408 van 2 februari 2007 in de zaak A. 139.719/XIV-16.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. VAN DE SIJPE, kantoor houdende te 9100 SINT-NIKLAAS, Vijfstraten 57 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 9 maart 1962 en van Iraanse nationaliteit, op 29 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 17 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 27 juni 2003, en van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 17 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 1 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, d.d. 27 juni 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-16.127.-1/13 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 10 januari 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. KUSTERS, die loco Advocaat K. VAN DE SIJPE verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 20 december 2000 en verklaart zich vluchteling op 28 december
  4. 1.
  5. Op 17 april 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 26 juni 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U, een Iraans staatsburger afkomstig uit Isfahan, verklaarde ter staving van uw asielaanvraag het volgende: op 14 of 15/4/1379 (Perzische kalender, komt overeen met 5 of 6 juli 2000 volgens de Europese kalender) nam u deel aan een betoging in Abadan naar aanleiding van vervuild water. Toen de gouverneur niet inging op de eisen van de betogers, vielen jullie het gebouw van de gouverneur binnen en vernielden het. Ook u gooide enkele ruiten stuk. Toen u terug buiten kwam werden jullie geslagen door de ordediensten. U merkte dat iemand van de ordediensten op het dak aan het filmen was. Hierop verliet u de betoging en dook u onder. Toen uw echtgenote een convocatie voor u ontving, besloten jullie Iran te verlaten. Ook de problemen die uw echtgenote, XXX (O.V. 5.058.728), kende naar aanleiding van haar vraag om eerherstel voor haar overleden broer, speelden een rol in deze beslissing. Rond 24 augustus 2000 verliet u Iran en op 20 december 2000 kwam u in België aan, alwaar u op 28 december 2000 asiel aanvroeg. B. Motivering Er werden meerdere ernstige tegenstrijdigheden vastgesteld tussen uw opeenvolgende verklaringen (gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken en gehoor op het Commissari- aat-generaal). XIV-16.127.-2/13 Zo verklaarde u, omtrent de incidenten in Abadan, op de Dienst Vreemdelingenzaken, dat de mensen gebouwen en gouvernementele gebouwen in brand staken (zie gehoorverslag DVZ, p.13). Op het Commissariaat-generaal beweerde u echter dat alleen autobanden in brand gestoken werden en verklaarde u niet te weten of er gebouwen in brand werden gestoken (zie gehoorverslag CGVS, p.14). Verder vertelde u, omtrent uw vader, op de Dienst Vreemdelingenzaken, dat u hem niet meer zag sinds de dag van de demonstratie (zie gehoorverslag DVZ, p.13). Op het Commissari- aat-generaal verklaarde u echter dat jullie elkaar nog zagen in Isfahan (zie gehoorverslag CGVS, p.15). Deze tegenstrijdigheden ondermijnen de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Daarnaast is het zeer opmerkelijk dat u geen enkele van de voorgelegde foto's van belangrijke gebouwen en pleinen in Abadan herkende (zie gehoorverslag CGVS, p.14). Ook het gebouw van de gouverneur, waar de betoging plaatsvond en waarvan u verklaarde dat u het binnendrong, herkende u niet. Dit ondermijnt eveneens de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. De convocatie die u voorlegde ter ondersteuning van uw verklaringen kan op zich niet de geloofwaardigheid van uw verklaringen herstellen. Om bewijskrachtig te zijn moet een document een verhaal ondersteunen dat ook samenhangend en geloofwaardig is. In casu is dit niet het geval. De authenticiteit van dit document wordt niet alleen ondermijnd door de tegenstrijdigheden in uw asielrelaas. Ook het feit dat u volgens deze convocatie voor de revolutionaire rechtbank van Abadan werd gedagvaard, terwijl uit informatie van de Commissaris-generaal blijkt dat alle mensen voor de tweede kamer van de 'public court' van Abadan gedagvaard werden en doorgestuurd naar de revolutionaire rechtbank van Ahwaz, doet afbreuk aan de authenticiteit van dit document. Deze informatie werd aan uw administratief dossier toegevoegd. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat u, nadat u Iran hebt verlaten, meer dan drie maanden in een ander land hebt verbleven en dit hebt verlaten zonder vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. U verbleef immers meer dan drie maanden in Turkije (zie gehoorverslag DVZ, p.11) en uit uw verklaringen blijkt niet dat u Turkije verliet uit vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. U haalde in uw verklaringen geen problemen met de Turkse autoriteiten aan. Uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier werd gevoegd blijkt dat Turkije het Verdrag van Genève heeft geratificeerd en dat veel Iraniërs er asiel aanvragen, en een aanzienlijk aantal onder hen ook de status van vluchteling verkrijgen. De overige documenten die u aanbracht in het kader van uw asielaanvraag (identiteitsdocu- menten en krantenartikels) doen geen afbreuk aan bovenstaande motivering. De identiteitsdocu- menten kunnen enkel de identiteit van u en uw familieleden staven. Dit staat niet ter discussie. De krantenartikels tonen enkel aan dat er een incident plaatsvond in Abadan, doch toont uw persoonlijke betrokkenheid niet aan. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat u, nadat u uw land hebt verlaten, meer dan drie maanden in een ander land hebt verbleven en dit hebt verlaten zonder vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”.
  7. Overwegende dat het huidige beroep vooreerst is gericht tegen de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 17 april 2001 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat deze beslissing echter is bevestigd door de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 juni 2003; dat, gelet op de devolutieve kracht van het in artikel 63/2 van XIV-16.127.-3/13 de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bedoeld dringend beroep bij de Commissaris-generaal, het beroep tegen de voornoemde beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken niet ontvankelijk is, behoudens voor wat betreft het bevel om het grondgebied te verlaten; dat dit bevel ingevolge het instellen van het dringend beroep niet ten uitvoer kan worden gelegd doch “herleeft” ingevolge de bevestigende beslissing tot weigering van verblijf van de Commissaris-generaal; dat in casu uit de expliciete bewoordingen van de middelen blijkt dat geen enkel middel of onderdeel ervan is gericht tegen het bevel om het grondgebied te verlaten van de minister van Binnenlandse Zaken; dat de vordering derhalve ook in die mate niet ontvankelijk is; 3.1.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt: “11.1.1 Het eerste middel van verzoeker bestaat uit de schending van het artikel 62 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 en de algemene rechtsbeginselen der zorgvuldigheid en de motiveringsplicht, doordat het ingeroepen gebrek in de motivering van verzoekers asielaanvraag een miniem karakter vertoont. A. Het Commissariaat-Generaal meent dat er diverse belangrijke tegenstrijdigheden bestaan tussen verzoekers opeenvolgende verklaringen. Verzoeker stelt met klem dat het eerste interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken ernstig te wensen overliet en stelt zich vragen bij de rol van de tolk aldaar, m.n. scheen het verzoeker toe dat deze de Farsi-taal onvoldoende machtig (geworden) was. Verzoeker vernam dat de betrokken tolk reeds meer dan 30 jaar in België verbleef. Hieromtrent heeft verzoeker dan ook ten overvloede zijn onvrede laten blijken n.a.v. zijn verhoor in dringend beroep. Ten exemplatieven titel weze aangehaald dat betrokken tolk op zeker ogenblik aan verzoeker vroeg teneinde voortgang te maken bij het vertalen 'wat is dat (Perzisch) woord in het Engels?' Ook bvb. het woord 'raffinaderij' in het Perzisch was hem niet bekend. Verzoeker ziet in deze omstandigheden de enige oorzaak voor het feit dat er kennelijk belangwekkende tegenstrijdigheden tot ontwikkeling kwamen. Zo heeft verzoeker nooit beweerd dat er gebouwen in brand stonden. Zijn relaas voor het CGVS is dan ook het enig juiste. Voorts is heeft verzoeker zijn vader inderdaad niet meer gezien sinds de demonstratie voor het gouverneursgebouw, in dringend beroep verklaarde hij dan ook letterlijk dat hij hem nadien (in lsfagan) enkel hoorde via de telefoon. B. Het CGVS houdt voor dat verzoeker het gebouw van de gouverneur NIET herkende op de hem voorgelegde foto's. Verzoeker is formeel dat hem het gebouw NIET getoond werd. M.b.t de overige foto's nopens Abadan weze opgemerkt dat verzoeker deze stad hoegenaamd niet goed kent. Hij is geboren en getogen op 6 uur autorijden daarvandaan en werkte enkel in Abadan, d.w.z. 's ochtends vroeg ging hij naar zijn werk en 's avond laat ging hij in zijn woning slapen, steevast langs het zelfde traject. Er kan hem dan ook niet worden aangewreven de andere foto’s dan deze van het gouverneursgebouw niet te herkennen. Verzoeker heeft zodoende een verhaal naar voren gebracht, met concrete feiten, die maken dat verzoeker voldoet aan de voorwaarden van de Conventie van Genève. Minstens verdienen de door verzoeker aangehaalde feiten een nauwgezet onderzoek ten gronde.”; 3.1.
  9. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “2.
  10. Verzoekers werpen in hun verzoekschriften in een eerste middel volgende schendingen op : de schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet, van de zorgvuldigheidsplicht en de motiveringsplicht. 2.1.
  11. Verzoekers stellen dat de in de bestreden beslissingen vastgestelde tegenstrijdigheden er in werkelijkheid geen zijn, maar te wijten zijn aan foutieve vertalingen tijdens het gehoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken. Verweerder repliceert dat het verhoorverslag van dit interview precieze en gedetailleerde gegevens van het asielrelaas weergeeft en er geen aanwijzingen kunnen worden uit afgeleid van moeilijkheden die er zich zouden hebben voorgedaan. Bovendien heeft eerste verzoeker tijdens het interview op de Dienst Vreemdeling- XIV-16.127.-4/13 enzaken noch in zijn verzoekschrift tot dringend beroep, melding gemaakt van deze problemen of omstandigheden. De aangetroffen anomalie is bovendien dermate ernstig dat ze niet kan worden verklaard door een verkeerde vertaling door de tolk of een onzorgvuldigheid van de dossierbehandelaar. Tenslotte merkt verweerder op dat verzoeker nergens opmerkingen heeft geformuleerd over eventuele vertaal- of andere communicatieproblemen tijdens zijn interview op de Dienst Vreemdelingenzaken terwijl hij daartoe wel de mogelijkheid had vermits hem zijn verklaringen op het einde van het interview werden voorgelezen in het Perzisch. Verzoeker heeft zijn verklaringen ondertekend waardoor hij bevestigd heeft dat het verhoorverslag overeenstemt met de verklaringen die hij heeft afgelegd. 2.1.
  12. Betreffende de aan verzoeker getoonde foto's van de stad Abadan werpt verzoeker op dat hij de stad onvoldoende kende omdat hij er enkel kwam om te werken. Verwerende partij repliceert dat op de getoonde foto's elementaire gebouwen voorkomen en dat van iemand die daar gedurende verschillende jaren vertoeft, zelfs indien het enkel om te werken is, toch mag verwacht worden dat deze de belangrijkste openbare pleinen en gebouwen in de stad kan duiden. Deze argumentatie geldt in het bijzonder voor het gebouw van de gouverneur, dat verzoeker, hoewel hij beweert dat hij hiervan geen foto te zien heeft gekregen, niet heeft herkend op de foto. Nochtans beweert verzoeker dat hij voor dit gebouw heeft deelgenomen aan een betoging. Verwerende partij wenst de volgende uitspraak van verzoeker tijdens zijn gehoor voor het Commissariaat - generaal aan te stippen. Bij de vraag ‘Herkent u deze foto's?’ worden zeven foto's aan verzoeker voorgelegd, waarvan eventuele opschriften uitgewist zijn. De foto's werden mét correcte duiding aan het administratief dossier, dat door verzoekers en hun raadsman kan worden geraadpleegd, toegevoegd. Verzoeker antwoordt : 1k had geen tijd in Abadan rond te lopen want ik werkte tot 's avonds 7 u. Het gouverneurshuis ken ik, want het was een wit huis en was bekend als het witte paleis. Ik ken ook [een] plein dat standbeeldplein noemde [ ... ]’ (zie gehoorverslag verzoeker p. 13). Vervolgens volgt de vraag aan verzoeker : ‘Lijkt 1 van deze gebouwen op het huis van de gouverneur?’, waarbij de verschillende foto's, o.a. dat van het gouverneurspaleis werden voorgelegd. Verzoekers antwoord is formeel : ‘Nee’ (zie gehoorverslag CGVS verzoeker p.14). Gezien verzoekers expliciete uitspraak omtrent het gouverneurspaleis, en gezien het feit dat deze foto expliciet aan verzoeker werd voorgelegd, kan alleen maar terecht getwijfeld worden aan diens verklaringen hieromtrent. Deze ongeloofwaar- digheid doet terecht twijfelen aan de gehele geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas. 2.1.
  13. Verweerder wenst aangaande de algemene motiveringsverplichting, vervat in de Wet van 29 juli 1991, alsook de specifieke motiveringsverplichting vervat in artikel 62 van de Vreemdelingenwet, aan te stippen dat die motiveringsverplichting tot doel heeft, ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is, een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de handeling dat hij/zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing wel degelijk kent en bovendien in het middel aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt. Hierdoor is het doel van de uitdrukkelij- ke motivering in casu bereikt. 2.1.
  14. Verweerder wenst op te merken dat het zorgvuldigheidsbeginsel hem oplegt zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers werden geconvoceerd voor een interview op het Commissariaat-generaal. Tijdens het interview kregen zij de mogelijkheid hun asielmotieven uiteen te zetten, konden zij nieuwe enlof aanvullende stukken neerleggen en werden zij bijgestaan door een raadsman, dit alles in aanwezigheid van een tolk die de Perzische taal machtig is. Verweerder steunde zich bij het nemen van de bestreden beslissing op alle stukken vervat in het administratief dossier en kwam tot de conclusie, om de redenen die duidelijk in de bestreden beslissing werden vermeld, dat verzoekers asielaanvragen onontvank- elijk waren. Dat niet op zorgvuldige wijze zou zijn te werk gegaan, kan bijgevolg niet worden weerhouden. 2.1.
  15. Volledigheidshalve benadrukt verweerder dat de bestreden beslissing moet worden gelezen als geheel en niet als van elkaar losstaande zinnen. Het is het geheel van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven die verweerder hebben doen besluiten tot de onontvankelijkheid van verzoekers asielaanvraag. Het eerste middel is niet gegrond..”; 3.1.
  16. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van het zorgvuldigheidsbeginsel; van de motiveringsplicht; dat de verzoekende partij aanvoert dat de tolk bij de Dienst Vreemdelingenzaken onvoldoende Farsi (Perzisch) kon, en dat zij dit probleem heeft aangekaart bij het Commissariaat-generaal; dat XIV-16.127.-5/13 zij meent dat de tegenstrijdigheden te wijten zijn aan een foutieve vertaling door deze tolk; dat de verzoekende partij aanvoert dat zij zeker is dat het gouverneursgebouw haar niet werd getoond op foto en dat zij, voor wat betreft de overige foto’s, de stad niet goed kent; 3.1.
  17. Overwegende dat de motiveringsplicht, zoals vervat in artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiverings- plicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op volgende motieven: - de opeenvolgende verklaringen van de verzoekende partij bevatten meerdere ernstige tegenstrijdigheden: omtrent de incidenten in Abadan, verklaarde zij op de Dienst Vreemdelingenzaken dat de mensen gebouwen en gouvernementele gebouwen in brand staken, op het Commissariaat-generaal beweerde ze dat alleen autobanden in brand gestoken werden en wist ze niet of er gebouwen in brand werden gestoken; omtrent haar vader verklaarde ze op de Dienst Vreemdelingenzaken dat ze hem niet meer zag sinds de dag van de demonstratie, op het Commissariaat-generaal verklaarde zij dat ze elkaar nog zagen in Isfahan; deze tegenstrijdigheden ondermijnen de geloofwaardigheid van haar asielrelaas; - de verzoekende partij herkende geen enkele van de voorgelegde foto's van belangrijke gebouwen en pleinen in Abadan; ook het gebouw van de gouverneur, waar de betoging plaatsvond en waarvan ze verklaarde dat zij het binnendrong, herkende ze niet; dit ondermijnt eveneens de geloofwaardigheid van haar asielrelaas; - de convocatie die ze voorlegde ter ondersteuning van haar verklaringen kan op zich niet de geloofwaardigheid van haar verklaringen herstellen; de authenticiteit van dit document wordt niet alleen ondermijnd door de tegenstrijdigheden in haar asielrelaas, ook het feit dat ze volgens deze convocatie voor de revolutionaire rechtbank van Abadan werd gedagvaard, terwijl uit informatie van de Commissaris-generaal blijkt dat alle mensen voor de tweede kamer van de ‘public court’ van Abadan gedagvaard werden en doorgestuurd naar de revolutionaire rechtbank van Ahwaz, doet afbreuk aan de authenticiteit van dit document; XIV-16.127.-6/13 - tenslotte dient te worden opgemerkt dat ze, nadat ze Iran heeft verlaten, meer dan drie maanden in een ander land heeft verbleven en dit heeft verlaten zonder vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A van de Vluchtelingenconventie; zij verbleef immers meer dan drie maanden in Turkije en uit haar verklaringen blijkt niet dat zij dit land verliet uit vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; zij haalde in haar verklaringen geen problemen met de Turkse autoriteiten aan; uit informatie waarover het Commissari- aat-Generaal beschikt blijkt dat Turkije de Vluchtelingenconventie heeft geratificeerd en dat veel Iraniërs er asiel aanvragen, en een aanzienlijk aantal onder hen ook de status van vluchteling verkrijgen; - de overige documenten die zij aanbracht in het kader van haar asielaanvraag (identiteitsdo- cumenten en krantenartikels) doen geen afbreuk aan bovenstaande motivering; de identiteitsdocumenten kunnen enkel de identiteit van de verzoekende partij en haar familieleden staven; dit staat niet ter discussie; de krantenartikels tonen enkel aan dat er een incident plaatsvond in Abadan, doch dit toont haar persoonlijke betrokkenheid niet aan; Overwegende dat, in de mate dat de verzoekende partij de tegenstrijdig- heden wijt aan de tolk bij de Dienst Vreemdelingenzaken, wordt opgemerkt dat de verzoekende partij het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken heeft ondertekend, en daardoor te kennen heeft gegeven dat dit overeenstemt met de inlichtingen die zij heeft verstrekt; dat zij tijdens dit verhoor werd bijgestaan door een tolk Perzisch, zoals zij had gevraagd op 28 december 2000, toen zij zich vluchteling verklaarde; dat de verzoekende partij tijdens het verhoor bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde dat de tolk van het eerste interview niet goed was, dat hij niet vertaalde wat de jurist vertelde en dat hij niet tolkte dat de verzoekende partij gefolterd was -volgens de tolk waren slagen geen folteringen-, dat hij niet wist wat “raffinaderij” betekende, dat de tolk de vragen zelf stelde, en dat hij geen Perzisch en Engels kon; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de tegenstrijdigheden een brand betreffen, en of de verzoekende partij haar vader nog zag in Isfahan; dat de vertaalfout die de verzoekende partij aangeeft, met name dat de slagen niet vertaald werden als folteringen, niet van invloed is geweest op het motief betreffende de bedrieglijkheid van haar asielrelaas; dat voor het overige de bestreden beslissing steunt het feit dat de verzoekende partij bepaalde foto’s niet herkende tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal, dat een door haar ingediende convocatie niet geloofwaardig is, en de omstandigheid dat de verzoekende partij meer dan drie maanden in een ander land heeft verbleven en dit heeft verlaten zonder vrees voor vervolging; dat hieruit volgt dat de eventuele vertaalproblemen tijdens het verhoor bij de Dienst Vreemdelingenza- ken niet van die aard zijn dat ze daadwerkelijk een invloed hebben gehad op de bestreden beslissing; dat de zorgvuldigheidsplicht evenmin werd geschonden; Overwegende dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij aanvoert dat zij zeker is dat het gouvernementsgebouw haar niet werd getoond tijdens het verhoor bij het Commissariaat-generaal; dat de foto’s die haar werden getoond zich bevinden XIV-16.127.-7/13 in het administratief dossier; dat zich daarbij een foto van het huis van de gouverneur bevindt, die afkomstig is uit een rapport van Cedoca, missie Iran van 16 mei 2002 tot 6 juli 2002; dat deze foto’s aan de verzoekende partij werden getoond en dat uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal blijkt dat de verzoekende partij het huis van de gouverneur niet herkende op één van de foto’s; dat de verzoekende partij niet aantoont dat de Commissaris-generaal niet in redelijkheid tot zijn vaststelling is gekomen; dat de opmerkingen van de verzoekende partij dat zij de stad niet goed kende, geen afbreuk doet aan de vaststellingen van de Commissaris-generaal; dat de verzoekende partij niet aantoont dat de motiveringsplicht is geschonden; dat het eerste middel ongegrond is; 3.2.
  18. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat als volgt luidt: “II. 1.2 Verzoeker werpt een tweede middel op dat bestaat uit de schending van de vreemdelingenwet van 15 december 1980, meer bepaald het artikel 52 en de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel (algemeen rechtsbeginsel), doordat het Commissariaat-Generaal A. niet zonder onderzoek ten gronde kon besluiten tot het voorhanden zijn van de opgeworpen, beweerde tegenstrijdigheden in het verhaal van verzoeker; en B. ten onrechte voorhoudt dat verzoeker gedurende 3 maanden in Turkije zou hebben verbleven alvorens naar België af te reizen. A. De Commissaris-generaal meende dat er geen geloof kan worden gehecht aan het vlucht- verhaal van verzoeker, terwijl het niet in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het verzoek tot erkenning als vluchteling past, een dergelijk onderzoek naar de waarheid van de aangevoerde feiten te voeren: er moet enkel worden nagegaan of de aangehaalde feiten waarschijnlijk geacht kunnen worden. Een dergelijk diepgaand onderzoek dat toelaat te ontdekken welke delen van het verhaal van verzoeker waar zijn, en welke op beweerdelijke leugens zouden berusten, kan enkel worden gevoerd in de procedure ten gronde. Het CGVS baseert zich daarvoor ten onrechte op enerzijds tegenstrijdigheden en anderzijds het niet-herkennen van gebouwen op foto's (zie daarvoor eerste middel onder II.1.1). Bovendien wordt de authenticiteit van het door verzoeker voorgelegde convocatiedocument door het CGVS in twijfel getrokken. Het CGVS verwijst daartoe naar ingewonnen informatie welke niet zou stroken met de vermelding op de betrokken convocatie, stellende dat 'alle mensen (sic) voor de tweede kamer van de 'public court' van Abadan gedagvaard werden en doorgestuurd naar de revolutionaire rechtbank van Ahwaz'. Het is duidelijk dat het CGVS hier een gebrek aan zorgvuldigheid aan de dag legt en bovendien al te generaliserend te werk gaat (cf. alle mensen, waarbij de vraag rijst om welke mensen het hier dan wel gaat). Feit is dat verzoeker gedagvaard werd, getuige het voorgelegde document, voor de Rechtbank van de Stad Abadan zonder dat centraal in de dagvaarding een onderscheid gemaakt wordt tussen publieke of revolutionaire rechtbank. Wat het Commissariaat-generaal overigens ook onvermeld laat is de onderaan het betrokken document aangebrachte stempel van de plaatselijke rechtbank van Sansjar, officiële woonplaats van verzoeker. Eén en ander geeft aan dat het CGVS onvoldoende zorgvuldig is geweest bij zijn onderzoek van het voorgelegde document. Welk element sluit overigens uit dat - als de door het Commissariaat-generaal ingewonnen informatie al met de waarheid zou overeenstemmen (hetgeen niet onomstotelijk bewezen wordt) -voor verzoeker een speciale procedure werd gevolgd anders dan deze van de door het CGVS genoemde 'alle mensen'? Uit de voorbereidende werken van artikel 52 van de vreemdelingenwet van 15 december 1980 blijkt dat het onderzoek naar de ontvankelijkheid dié verzoeken dient weg te filteren die ‘manifestement abusives ou non fondée’ zijn (exposé et motif de la loi du 14 juillet 1987, document parlementaire, cession 1986 et 1987, 689/1, p. 7). Zo dienen bijvoorbeeld de verzoeken die gesteund zijn op elementen totaal vreemd aan de voorwaarden van de Conventie van Genève, onontvankelijk te worden verklaard. Maar verzoeker heeft in casu voor het Commissariaat-generaal een coherent verhaal naar voren gebracht, dat duidelijk maakt dat hij voldoet aan de Conventie van Genève. ‘Aan de grondslag van een besluit dienen zorgvuldig vastgestelde feiten te liggen. Om tot een rechtmatig besluit te komen dient het bestuur volledig op de hoogte te zijn van de feiten die de besluitvorming kunnen beïnvloeden.’ (A. VAN MENSEL, ‘De uitdrukkelijke motiverings- XIV-16.127.-8/13 plicht’, in X, De doorwerking van het publiekrecht in het privaatrecht, Gent, Mys & Breesch, 1997, p. 212 nr. 250) De Commissaris-generaal kon niet zonder meer besluiten dat de feiten zoals aangehaald door verzoeker ongegrond zouden zijn, zonder te zijn overgegaan tot een onderzoek ten gronde, dat erin bestaan zou hebben ‘de feiten die de besluitvorming kunnen beïnvloeden’ op hun merites te hebben onderzocht. De feiten die verzoeker heeft aangebracht, zijn van een zodanige aard dat ze niet zonder meer, niet zonder een onderzoek ten gronde, konden worden afgedaan als ‘bedrieglijk’. Door desalniettemin er enige zij het vlugge en oppervlakkige aandacht aan te hebben besteed, heeft de Commissaris-generaal zelf laten verstaan dat de door verzoeker ingeroepen feiten waarschijnlijk zijn - hetgeen het enige is waartoe het ontvankelijkheidsonderzoek zou mogen dienen: een onderzoek naar het waarheidsgehalte van de beweringen en aangevoerde feiten volkomen kaderend binnen de voorwaarden van de Conventie van Genève, dient ten gronde gevoerd te worden. B. Het CGVS geeft blijk van onzorgvuldig optreden, waar gesteld wordt dat verzoeker voor de DVZ zou gezegd hebben dat hij drie maanden in Turkije heeft verbleven alvorens een asielaanvraag in België te doen. Het is opvallend vast te stellen dat het CGVS op dit punt geen vergelijking maakt tussen de verklaringen afgelegd tijdens het eerste interview voor de DVZ en het verhoor in dringend beroep. Immers, gelet op de lamentabele aanpak van de tolk tijdens het eerste interview kan met deze verklaringen geen rekening worden gehouden (zie eerste middel onder II.1.1). Verzoeker heeft nochtans klaar en duidelijk gesteld n.a.v. zijn verhoor voor het CGVS dat hij zich gedurende anderhalve maand in de hoofdstad Teheran heeft opgehouden (in afwachting van een manier om zijn land te verlaten), waarna hij welgeteld 1,5 maand eveneens ondergedo- ken in Turkije heeft verbleven. Dit staat duidelijk te lezen in het verhoorverslag opgesteld in dringend beroep. Zodoende is verzoeker inderdaad pas na drie maanden (en derhalve na een verblijf in Turkije) vanuit Iran in België aanbeland. Zulks verklaart ook het misverstand n.a.v. het eerste interview voor de DVZ. Een gebrek aan zorgvuldigheid induceert een onvolledige weergave van de feiten: verzoeker is niet gedurende 3 maanden in Turkije geweest, het duurde drie maanden alvorens verzoeker in België arriveerde en gedurende deze periode was verzoeker anderhalve maand in Turkije! Het is dan ook totaal onbegrijpelijk en onaanvaardbaar dat verzoekers eerste verklaringen, afgelegd t.a.v. een tolk welke bezwaarlijk als competent kan worden bestempeld, in deze wèl voor waar worden aangenomen, terwijl de verklaringen in dringend beroep welke geheel met de waarheid stroken eenvoudigweg ter zijde worden geschoven niettegenstaande de uitdrukkelijk vraag omtrent het verblijf tussen de vlucht en vervolgens aankomst in België tijdens het verhoor in aanwezigheid van verzoekers raadsman alsmede de uitdrukkelijke vermelding in het gehoorverslag.”; 3.2.
  19. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “2.
  20. In een tweede middel beroepen verzoekers zich op de schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, en van het zorgvuldigheidsbeginsel. 2.2.
  21. Verwerende partij wijst erop dat de Conventie van Genève aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag. Van deze bevoegdheid werd door de Belgische wetgever gebruik gemaakt via artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Artikel 52 van de Vreemdelingenwet biedt de Commissaris-generaal de mogelijkheid een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister te bevestigen. Eén van de onontvankelijkheidsgronden is de ‘kennelijke ongegrondheid’ van de asielaanvraag (cfr. Artikel 52, §l, 7/ van de Vreemdelingenwet, waarnaar artikel 52, §2, 2/ verwijst), omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat haar betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Het verhaal moet coherent, geloofwaardig en aannemelijk zijn zonder tegenstrijdigheden. Een andere onontvankelijkheidsgrond is de ‘bedrieglijkheid’ (cfr. artikel 52 § 1, 2/ a van de Vreemdelingenwet, waarnaar artikel 52 § 2, 2/ verwijst). Het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn. Volgens de rechtspraak van de Raad van State kan het bedrieglijk karakter worden vastgesteld indien men tegenstrijdigheden aantoont t.o.v. gebeurtenissen die algemeen bekend zijn of tussen verschillende stukken uit het dossier. 2.2.
  22. Verzoekers stellen vervolgens dat het Commissariaat - generaal onzorgvuldig te werk ging door de authenticiteit van het door verzoeker voorgelegde document in twijfel te trekken. XIV-16.127.-9/13 Verwerende partij repliceert dat verzoekers de aan het administratief dossier toegevoegde informatie, dewelke ten allen tijde door verzoekers en hun raadsman kan geraadpleegd worden, uit zijn context wordt gerukt door enkel één zin te citeren. De volledige tekst luidt als volgt : ‘Deze 300 gearresteerden werden eerst voor de tweede kamer van de Public Court van Abadan gebracht (Abadan heeft acht kamers in de 'Public Court' en één 'revolutionary court) die alle zaken doorverwees naar de revolutionaire rechtbank in Ahwaz waar hun zaak verder zou worden behandeld. Het betrof enkel inwoners van Abadan en dan vooral de heel arme mensen aangezien zij zelfs te arm zijn om water in flessen te kopen. De meeste van de gearresteerden, op een vijftiental na, werden na één maand á 45 dagen vrij gelaten op borg. Sommigen verbleven twee á drie maanden in detentie. Na 5 á 6 maanden werden deze mensen veroordeeld tot geldboetes van 50 á 60.000 Touman (ongeveer 75$). Eén bron vermeldde de zaak van een man die beweerde niets gedaan te hebben en toch drie maanden in detentie had gezeten. De videobeelden wezen echter uit dat hij één van de personen was die de menigte had opgehitst.’ (zie bron Iran / Rapport Cedoca ‘missie Iran van 16 mei tot 06 juli 2002, toegevoegd aan het administratief dossier). Uit bovenstaande passage blijkt duidelijk dat het gaat om alle mensen die naar aanleiding van de problemen in Abadan werden gearresteerd. De informatie stelt expliciet dat álie zaken overgeheveld werden naar de revolutionaire rechtbank en niet slechts enkele. Voor verwerende partij is het dan ook onduidelijk waar verzoekers een onzorgvuldige handelwijze kunnen detecteren nu verzoeker expliciet in zijn gehoor voor het Commissariaat - generaal stelde dat hij voor de revolutionaire rechtbank van Abadan werd gedagvaard (zie gehoorverslag CGVS verzoeker p. 14). De twijfel die opdoemt is vooreerst ingegeven door de ongerijmdheden in verzoekers verklaringen, waardoor aan het document zowiezo minder geloofwaardigheid kan worden gehecht. De bovenstaande informatie, waaruit blijkt dat het document niet voldoet aan de vereisten die de Commissaris - generaal er op basis van betrouwbare informatie mag aan stellen, versterkt de ongeloofwaardigheid en kan deze niet herstellen. Bovendien dient gesteld dat, zelfs indien het document andere informatie zou bevatten, dit alleen maar de geloofwaardigheid van verzoekers verklaring méér ondermijnt. Tot slot is het merkwaardig dat verzoeker opgeroepen wordt om te verschijnen voor de rechtbank te Abadan, en daarvoor een oproep ontvangt die uitgaat van de rechtbank van Shahin Shahr (zie bijlage 1). Verzoeker kan bovendien op geen enkele wijze hardmaken dat hij op één of andere wijze een andere behandeling dan de overige arrestanten zou hebben gekregen en waarom dat zo zou zijn. Noch zijn activiteiten (éénmalige betoging) noch zijn profiel (geen politieke uitingen) spreken dit tegen. Het tweede middel is niet gegrond. 2.
  23. In een derde middel betwisten verzoekers de stelling als zouden zij langer dan drie maanden in Turkije hebben verbleven. Verzoekers stellen dat zij anderhalve maand in Teheran en anderhalve maand in Turkije verbleven. Verwerende partij merkt op dat verzoekster dan wel beweert voor het Commissariaat - generaal dat zij anderhalve maand in Teheran verbleef, maar dat dit volledig in tegenspraak is met de verklaringen van beide verzoekers voor de Dienst Vreemdelingenzaken. Daar blijkt immers uit de optekening in een grafische tabel (zie gehoorverslagen DVZ verzoeker en verzoekster vraag 41) dat zij van 23 augustus 2000 tot 24 augustus 2000 in Teheran verbleven, vervolgens via Tabriz en Solmas naar Turkije reisden, waarbij de data van 25 augustus 2000 tot 9 december 2000 vermeld staan (verklaring verzoeker). Bij verzoekster staat een analoge verklaring namelijk dat zij van 23 augustus 2000 in Teheran verbleef van 25 augustus 2000 tot 9 december 2000 in lstanbul, Turkije. Bijgevolg kan, rekening houdend met de verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken, geen geloof meer worden gehecht aan de verscheidene verklaringen. Bovendien blijft het gegeven dat verzoekers drie maanden in een derde land verbleven, zonder problemen, overeind, waardoor de motivatie in de bestreden beslissingen terecht is. Het derde middel is niet gegrond.’; 3.2.
  24. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat de verzoekende partij aanvoert dat de Commissaris-generaal niet zonder onderzoek ten gronde kon besluiten tot het aanwezig zijn van tegenstrijdigheden in haar relaas; dat zij meent dat de Commissaris- generaal ten onrechte beweert dat de verzoekende partij drie maanden in Turkije heeft verbleven, omdat zij anderhalve maand in Teheran was en pas daarna anderhalve maand in Turkije; XIV-16.127.-10/13 3.2.
  25. Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever gebruik werd gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdig- heden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat een onderzoek in de ontvankelijkheidsfase door de Commissaris-generaal, waarbij wordt besloten tot de bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid van een asielaanvraag noodzakelijkerwijze een vergelijking inhoudt van de verklaringen van de asielzoeker met bekende objectieve criteria die op het specifieke geval van toepassing zijn; dat dit evenwel niet het onderzoek is dat plaatsvindt tijdens de gegrondheidsfase; dat tijdens de ontvankelijkheidsfase onderzocht dient te worden of er redelijkerwijze van uitgegaan mag worden dat de feiten die de asielzoeker naar voren brengt tijdens zijn asielaanvraag, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie en bovendien niet tegenstrijdig zijn met zijn eigen eerdere verklaringen of objectieve criteria die op het specifieke geval van toepassing zijn; dat dit een onderzoek veronderstelt waarbij de gegevens die worden verstrekt door de asielzoeker op hun geloofwaardigheid worden beoordeeld; dat, om tot de vaststellingen in de bestreden beslissing te komen, er enkel een dergelijk onderzoek nodig was, dat niet kan worden beschouwd als het onderzoek dat wordt bedoeld met het onderzoek in de gegrondheidsfase; Overwegende dat, wat de convocatie betreft, in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt verwezen naar informatie die bij het administratief dossier is gevoegd, betreffende bepaalde feiten die de verzoekende partij ondermeer als asielmotief inriep; dat uit deze informatie blijkt dat “deze 300 gearresteerden werden eerst voor de tweede kamer van de Public Court van Abadan gebracht die alle zaken doorverwees naar de revolutionaire rechtbank in Ahwaz waar hun zaak verder zou worden behandeld”; dat hieruit blijkt dat het niet onredelijk is dat de Commissaris-generaal heeft vastgesteld dat op basis van deze informatie kan worden getwijfeld aan de authenticiteit van een convocatie voor de revolutionaire rechtbank van Abadan; dat de Commissaris-generaal het zorgvuldigheidsbe- ginsel niet heeft geschonden; XIV-16.127.-11/13 Overwegende dat, wat het verblijf van drie maanden in Turkije betreft, voor de problemen met de tolk wordt verwezen naar de analyse van het eerste middel; dat wat de duur van het verblijf in Turkije betreft, uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de verzoekende partij heeft verklaard dat zij van 25 augustus tot 9 december 2000 in Turkije heeft verbleven; dat de Commissaris-generaal in alle redelijkheid kon vaststellen dat de verzoekende partij meer dan drie maanden in aan ander land heeft verbleven en dit heeft verlaten zonder vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de Commissaris-generaal niet onzorgvuldig te werk is gegaan; dat het tweede middel ongegrond is;
  26. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  27. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  28. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-16.127.-12/13 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee februari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-16.127.-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.