← België

Arrest 167412 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 02/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.412 Rolnummer: A. 170697/XIV-24901 Zaak: Arrest 167412 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 02/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-15 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 15:06 Fiche Arrest nr 167.412 van 2 februari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.412 van 2 februari 2007 in de zaak A. 170.697/XIV-24.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. MOSKOFIDIS, kantoor houdende te 3600 GENK, Rootenstraat 21/18 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 2 januari 1930 en van Azerbeidzjaanse nationaliteit, op 2 maart 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 1 februari 2006 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 oktober 2005 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 2 februari 2006; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 9 maart 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, d.d. 12 juni 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-24.901-1/8 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 10 januari 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat A. MOSKOFIDIS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 12 augustus 2005 en verklaart zich vluchteling op dezelfde datum. 1.
  4. Op 4 oktober 2005 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 1 februari 2006 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U verklaarde voor het Commissariaat-generaal van Armeense origine en staatloos te zijn. U beweerde tot vroeg in de jaren vijftig in Baku te hebben gewoond waar u met een man van Azerische origine was gehuwd. Begin jaren vijftig verliet u uw echtgenoot. U bracht uw zoon, XXX O.V.4.813.040), onder bij uw moeder te Armenië. U trok naar Rusland waar u tot kort voor uw vertrek naar België woonde zonder er te zijn geregistreerd. In 1999 haalde u uw kleindochter, XXX (O.V.5.133.236), af bij uw zoon die nog steeds in Armenië woonde. U trok met uw kleindochter naar de Russische Federatie. Toen u uw kleindochter terugbracht bleek uw zoon te zijn verdwenen. Sindsdien zocht u hem in de Russische Federatie en in Oekraïne. Tijdens uw zoektocht verdween ook uw kleindochter. Vanuit Oekraïne trok u naar België waar u op 12 augustus 2005 een asielverzoek indiende. Uw zoon en kleindochter bleken toevallig ook in België te verblijven. B. Motivering Vooreerst dient er te worden gesteld dat er geen geloof kan worden gehecht aan uw verklaringen over uw verblijfssituatie in, aanvankelijk, de Sovjetunie en, later, de Russische Federatie en Oekraïne. U beweerde voor de Dienst Vreemdelingenzaken immers dat uw paspoort destijds werd afgenomen door uw echtgenoot en u het nooit terugkreeg (DVZ, punt XIV-24.901-2/8 20) terwijl u voor het Commissariaat-generaal stelde dat u het paspoort in de Russische Federatie kwijtspeelde nadat u het bewustzijn had verloren. Nadien zou u uw identiteitsdocument niet meer hebben teruggevonden (CGVS, p.2). Na de vaststelling van deze ongeloofwaardige verklaringen inzake uw identiteitsdocument kan er geen geloof meer worden gehecht aan uw beweringen rond uw staatloosheid. Verder dient er te worden gesteld dat, op basis van uw verklaringen voor het Commissari- aat-generaal, uw vrees ten opzichte van de Russische Federatie dient te worden beoordeeld aangezien u stelde sinds het begin van de jaren vijftig zonder problemen in dat land te hebben gewoond (CGVS, p.4). U kon er eveneens in uw levensbehoeften voorzien door te werken (CGVS, p.5). Ook kon u in geval van ziekte of ongevallen rekenen op medische bijstand (CGVS, p.2). Inzake de door u aangehaalde vluchtmotieven moet echter worden gesteld dat deze geen enkel verband houden met en van de vijf criteria voorzien in de Vluchtelingenconventie. U stelde immers naar België te zijn gereisd in de hoop uw zoon terug te vinden (CGVS, p.10). Dit motief heeft een puur persoonlijk karakter zonder enige band met uw ras, uw nationaliteit, uw politieke of religieuze overtuiging, of met uw toebehoren tot een bepaalde sociale groep. Ook in het kader van het asielverzoek van uw zoon XXX (O.V.4.813.040), diens echtgenote XXX (O.V.4.813.040) en uw kleindochter XXX (O.V.5.133.236) werd besloten tot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. Concluderend dit er te worden gesteld dat er in uw hoofde niet kan worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De door u voorgelegde documenten –een kopie van uw geboorteakte, een PV over het verdwijnen van het origineel van uw geboorteakte en een brief over het verdwijnen van uw bijlage 26bis- kunnen aan voorgaande conclusie niets wijzigen aangezien zij geen verband leggen tussen de door u aangehaalde vluchtmotieven en een van de criteria van de Vluchtelingenconventie. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981: artikel 113 quater §2.). (...).”. 2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel uiteenzet dat als volgt luidt: “III. MIDDELEN TOT NIETIGVERKLARING: Onverminderd alle andere middelen aan te voeren na onderzoek van het administratief dossier of ambsthalve op te werpen door de Raad van State , werpt verzoekster de volgende middelen tot nietigverklaring op: Schending van de artikelen 2+3 wet van 29/07/1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de, bestuurshandelingen; schending val] de artikelen 52, 62 en 63/2 van de Vreemdelingenwet + schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, o.a. het materiële motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. Ten onrechte bevestigde het CGVS de beslissing dd. 04/10/2005 van de Dienst Vreemde- lingenzaken waarin wordt gesteld dat verzoeksters asielrelaas niet beantwoordt aan de criteria van de Conventie van Genève. De asielaanvraag van verzoekster is gebaseerd op het feit dat zij geen normaal leven kan leiden in de Russische Federatie. Verzoekster is van Armeense origine en is staatloos. Verzoekster heeft jarenlang geleefd in de Russische Federatie doch is er nooit geregistreerd geweest. XIV-24.901-3/8 Omdat verzoekster in onmin leeft met haar Azerische ex-echtgenoot en vreest voor represailles , kan zij niet terugkeren naar Armenië. Omdat verzoekster op leeftijd is, geen enkel familielid heeft in de Russische Federatie en tenslotte staatloos is, is een verder normaal leven in de Russische Federatie in de gegeven omstandigheden voor verzoekster niet mogelijk. Gelet op de uitvoerige uiteenzetting die verzoekster heeft gegeven, staat het vast dat verzoekster volledig aan haar lot zal zijn overgelaten in de Russische Federatie indien zij wordt teruggestuurd. Om die reden heeft het CGVS een beoordelingsfout begaan. Uit hoofde van het principe van een goede rechtsbedeling alsook het zorgvuldigheidsbegin- sel (algemeen rechtsbeginsel) had het CGVS een vollediger onderzoek ten gronde dienen te wijden aan alle gegevens van het dossier en rekening dienen te houden met de opmerkingen en argumenten van verzoekster. Het CGVS heeft ten onrechte onvoldoende de problemen erkend die verzoekster ondervindt. Verzoekster is van oordeel dat het CGVS het redelijkheidsbeginsel miskend heeft. Gelet op de door verzoekster uitgewerkte argumenten tijdens haar gehoor op het CGVS, kon deze laatste niet in redelijkheid komen tot de door haar genomen beslissing. De in het dossier voorhanden zijnde feitelijke gegevens zijn onverenigbaar met het door het CGVS genomen besluit. Om al de hierboven aangehaalde redenen dient derhalve de beslissing van bevestiging van weigering van verblijf te worden vernietigd.”; 2.
  7. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “II. Onderzoek van de middelen In een enig middel beroept verzoekster zich op een schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 52, 62 en 6312 van de Vreemdelingenwet en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, o.a. het materiële motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. 2.1 Verweerder wijst er op dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de Commissaris- generaal toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer zij klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is of omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag kan onder meer worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen aangetast zijn door tegenstrijdighe- den, verward zijn of onsamenhangend of in strijd zijn met algemeen bekende feiten (R.v.St. nr. 140.236 van 7 februari 2005). In casu kan geen geloof gehecht worden aan verzoeksters verklaringen over haar verblijfssituatie in, aanvankelijk, de Sovjetunie en, later, de Russische Federatie en Oekraïne omdat zij hieromtrent ongeloofwaardige verklaringen aflegde. Verder blijkt dat verzoekster sinds het begin van de jaren vijftig zonder problemen in de Russische Federatie woonde, waar zij in haar levensbehoeften kon voorzien door te werken en waar zij in geval van ziekte of ongevallen kon rekenen op medische bijstand. Verzoekster verklaarde naar België te zijn gereisd in de hoop haar zoon terug te vinden, wat een motief is dat een puur persoonlijk karakter heeft zonder enige band met verzoeksters ras, haar nationaliteit, haar politieke of religieuze overtuiging, of met haar toebehoren tot een bepaalde sociale groep. 2.2 Verzoekster beperkt zich tot het herhalen van haar vluchtmotieven en tot de opmerking dat het Commissariaat-generaal een beoordelingsfout heeft begaan, zonder ook maar een poging te doen om de concrete motieven van de bestreden beslissing te weerleggen. Verzoekster toont niet aan de hand van concrete elementen aan dat de Commissaris-generaal zijn appreciatiebe- voegdheid zou hebben overschreden door zich te steunen op onjuiste feiten of door op kennelijk onredelijke wijze tot de bestreden beslissing te komen. De bestreden beslissing is op een correcte wijze genomen en gemotiveerd. Naast een uiteenzetting van het vluchtrelaas door verzoekster zelf aangevoerd tijdens haar gehoor op het Commissariaat-generaal bevat de bestreden beslissing gedetailleerde overwegingen die de beslissing afdoende motiveren. 2,3 Verweerder merkt verder op dat het zorgvuldigheidsbeginsel de Commissaris-generaal oplegt zijn beslissingen zorgvuldig voor te bereiden en deze te stoelen op een correcte feitenvinding. De Commissaris-generaal heeft zich voor het nemen van de bestreden beslissing gesteund op alle gegevens van het administratief dossier, op de algemeen bekende gegevens over het voorgehouden land van herkomst van verzoekster en op alle dienstige stukken (R.v.St., nr. 123.728 van 1 oktober 2003). Uit het administratief dossier blijkt verder dat verzoekster op het Commissariaat-generaal werd gehoord. Tijdens het interview kreeg zij de mogelijkheid haar XIV-24.901-4/8 asielmotieven uiteen te zetten en haar argumenten kracht bij te zetten, kon zij nieuwe en/of aanvullende stukken neerleggen en kon zij zich laten bijstaan door een advocaat of door een andere persoon van haar keuze, dit alles in aanwezigheid van een tolk die de Armeense taal machtig is. Dat niet zorgvuldig is tewerk gegaan kan niet worden weerhouden. 2.4 Evenmin kan een schending van het redelijkheidsbeginsel worden volgehouden. De beslissing staat immers geenszins in wanverhouding tot de motieven waarop ze is gebaseerd. 2.5 Ten slotte merkt verweerder op dat verzoekster nergens weergeeft op welke wijze de bestreden beslissing artikel 6312 van de Vreemdelingenwet zou schenden. Het enig middel is niet gegrond.”; 2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van de artikelen 52, 62 en 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijk- heidsbeginsel; dat zij aanvoert dat de Commissaris-generaal een onderzoek ten gronde had moeten voeren, en dat de Commissaris-generaal, na het horen van de argumenten van de verzoekende partij, niet in redelijkheid tot de bestreden beslissing kon komen; 2.
  9. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet); dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld XIV-24.901-5/8 artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdig- heden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
  10. van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van de asielaan- vraag van de verzoekende partij heeft besloten op basis van volgende motieven: - er kan geen geloof worden gehecht aan de verklaringen van de verzoekende partij over haar verblijfssituatie in aanvankelijk de Sovjet-Unie en later de Russische Federatie en Oekraïne; zij beweerde voor de Dienst Vreemdelingenzaken immers dat haar paspoort destijds werd afgenomen door haar echtgenoot en dat ze het nooit terugkreeg terwijl ze voor het Commissariaat-generaal stelde dat ze het paspoort in de Russische Federatie kwijtspeelde nadat ze het bewustzijn had verloren; nadien zou zij haar identiteitsdocument niet meer hebben teruggevonden; na de vaststelling van deze ongeloofwaardige verklaringen inzake haar identiteitsdocument kan er geen geloof meer worden gehecht aan haar beweringen rond haar staatloosheid; - verder dient er te worden gesteld dat, op basis van haar verklaringen voor het Commissari- aat-generaal, haar vrees ten opzichte van de Russische Federatie dient te worden beoordeeld aangezien zij stelde sinds het begin van de jaren vijftig zonder problemen in dat land te hebben gewoond; zij kon er eveneens in haar levensonderhoud voorzien door te werken; ook kon zij in geval van ziekte of ongevallen rekenen op medische bijstand; Overwegende dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag tevens onontvankelijk kan verklaren omdat zij geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat de Commissaris-generaal tot deze conclusie komt op basis van volgende motieven: - inzake de vluchtmotieven die de verzoekende partij aanhaalt moet echter worden gesteld dat deze geen enkel verband houden met één van de vijf criteria voorzien in de Vluchteling- enconventie; zij stelde immers naar België te zijn gereisd in de hoop haar zoon terug te vinden; dit motief heeft een puur persoonlijk karakter zonder enige band met haar ras, haar nationaliteit, haar politieke of religieuze overtuiging, of met haar toebehoren tot een bepaalde sociale groep; - er kan in hoofde van de verzoekende partij niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconven- tie; de door haar voorgelegde documenten –een kopie van haar geboorteakte, een PV over het verdwijnen van het origineel van haar geboorteakte en een brief over het verdwijnen van XIV-24.901-6/8 haar bijlage 26bis- kunnen aan voorgaande conclusie niets wijzigen aangezien zij geen verband leggen tussen de door haar aangehaalde vluchtmotieven en één van de criteria van de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat de verzoekende partij in het middel herhaalt dat zij staatloos is; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van de verzoekende partij op een individuele wijze heeft beoordeeld en zijn beslissing heeft genomen met inachtneming van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de verzoekende partij met haar betoog in wezen aan de Raad van State vraagt om de feiten opnieuw te beoordelen; dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat de verzoekende partij zich in het middel beperkt tot het formuleren van algemeenheden en vage beweringen; dat de verzoekende partij niet tegenspreekt dat het feit dat zij op zoek was naar haar zoon, geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat de verzoekende partij niet aantoont dat de Commissaris-generaal niet in redelijkheid tot zijn beslissing is gekomen; dat de bestreden beslissing steunt op afdoende en pertinente motieven die draagkrachtig zijn; dat de verzoekende partij evenmin aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal het zorgvuldigheidsbeginsel zou hebben geschonden; Overwegende dat artikel 63/2 van de Vreemdelingenwet handelt over de mogelijkheid en de modaliteiten om een dringend beroep in te stellen; dat de verzoekende partij niet aantoont op welke wijze de bestreden beslissing dit artikel zou schenden; dat het enig middel ongegrond is;
  11. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-24.901-7/8 BESLUIT: Artikel
  12. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee februari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-24.901-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.412 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.