← België

Arrest 167413 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 02/02/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.413 Rolnummer: A. 139982/XIV-16216 Zaak: Arrest 167413 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 02/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-15 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 15:07 Fiche Arrest nr 167.413 van 2 februari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.413 van 2 februari 2007 in de zaak A. 139.982/XIV-16.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat V. LURQUIN, kantoor houdende te 1082 BRUSSEL, Gentsesteenweg 1206 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 11 november 1962 en van Kirgizische nationaliteit, op 2 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 1 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 juli 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 3 juli 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 1 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, d.d. 8 juni 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-16.216-1/13 Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 10 januari 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat V. LURQUIN verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 1 december 1999 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
  4. Op 5 juli 2000 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 1 juli 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U, van Russische origine en afkomstig vanuit Kirgizië, verliet Kirgizië op 26 november
  6. Op 1 december 1999 kwam u in België aan waar u op 1 december 1999 het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. U verklaarde dat u Kirgizië verliet omdat u er het slachtoffer was van etnische vervolging omwille van uw toebehoren tot de Russische minderheid. U verklaarde dat u op 13 september 1999 bezoek kreeg van de politie. De politie meldde u dat uw broer Anatoly gestorven was en dat u zijn lichaam kon ophalen in het mortuarium van het ziekenhuis. Op 14 september haalde u het lichaam op. Thuis stelde u vast dat zijn lichaam tekens van geweerschoten vertoonde. Op 15 september 1999 werd uw broer begraven. Op 24 september 1999 kreeg u opnieuw bezoek van de politie. Ze vroegen u naar documenten en foto’s die uw broer zou hebben. U wist hier echter niets van. U en uw echtgenote XXX (o.v. 4.904.926) werden door de politie meegeno- men. U werd ondervraagd en geslagen. De volgende ochtend kwamen jullie vrij onder voorwaarde dat jullie de documenten van uw broer zouden afgeven. Jullie besloten naar de procureur te gaan om klacht neer te leggen in verband met de dood van uw broer en de mishandeling door de politie. De assistent van de procureur ontving u maar zei niets te kunnen doen. U stelt dat dit was omwille van uw origine. Op 14 oktober 1999 werd uw dochter ontvoerd. Jullie kregen een telefoontje dat jullie de documenten van uw broer moesten afgeven. Jullie kregen hiervoor twintig dagen. U belde naar de voormalige baas van uw broer. Deze stelde niets te kunnen doen tenzij jullie de documenten zouden geven. Op 17 oktober 1999 XIV-16.216-2/13 kreeg u bezoek van een voormalig collega van uw broer. Deze stelde te weten waar uw dochter was. Samen met hem ging u naar de door hem aangegeven plek. Daar bevrijdde u uw dochter met behulp van Anatoly’s voormalige collega. Na de bevrijding van uw dochter kreeg u opnieuw dreigtelefoons. U besloot daarop Bishkek te verlaten. Nadat u in een krant gelezen had dat de collega van uw broer die geholpen had om uw dochter te bevrijden, overleden was, besloot u vliegtuigtickets te kopen. Op terugweg naar huis raakte u betrokken in een ongeval. Als gevolg daarvan kon u niet onmiddellijk vertrekken. Uit vrees voor haar leven verliet uw vrouw daarop Kirgizië op 2 november 1999 richting Moskou. U kon pas op 26 november 1999 vertrekken. Ondertussen kreeg u nog éénmaal het bezoek van de politie maar u verborg zich voor hen. De politie bedreigde daarop uw ouders. Op 26 november 1999 verliet u dan Kirgizië richting Moskou om vandaar door te reizen naar België. B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u voor het Commissariaat-generaal verklaarde geen staatsburgerschap te bezitten. U verklaarde dat iedereen bij de omwenteling automatisch het Kirgizisch staatsburgerschap kreeg, maar dat u het niet aangevraagd heeft. U bent uw oude sovjetpaspoort nooit gaan omruilen voor een Kirgizisch paspoort (zie CGVS, p. 1-2). Uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt echter dat alle personen die Kirgizisch staatsburger waren op het moment dat de Verklaring van de Staatssoevereiniteit van de Republiek Kirigizië werd aangenomen (15 december 1990) en die tot op heden niet te kennen hebben gegeven dat zij het staatsburgerschap van een andere staat bezitten, als Kirgizisch staatsburger worden beschouwd. Aangezien uit uw verklaringen niet blijkt dat u een ander dan het Kirgizisch staatsburgerschap bezit, moet worden vastgesteld dat u Kirgizisch staatsburger bent. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat er ernstige tegenstrijdigheden zijn tussen uw opeenvolgende verklaringen (verhoor Dienst Vreemdelingenzaken, bijlage bij vragenlijst CGVS, interview dringend beroep CGVS) die de geloofwaardigheid van uw verklaringen op substantiële wijze ondergraven. Zo verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u op 24 september 1999, één week na de begrafenis van Anatoly op 15 september 1999, samen met uw vrouw door de politie werd meegenomen, (DVZ, vraag 42, p. 1) Tijdens uw interview in dringend beroep werd u echter op 18 september 1999, dus drie dagen na de begrafenis van Anatoly, EN op 24 september meegenomen door de politie (CGVS, p. 8). Met betrekking tot de ontvoering van uw dochter op 14 oktober 1999 verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u een telefoontje kreeg waarin gesteld werd dat u de documenten van uw broer diende af te geven en dat u hiervoor twintig dagen kreeg (DVZ, vraag 42, p. 2). Tijdens uw interview in dringend beroep verklaarde u echter dat u de termijn van drie dagen kreeg om de documenten af te geven (CGVS, p. 17). Van de twintig dagen is geen sprake meer. Verder dient te worden opgemerkt dat er tegenstrijdigheden zijn tussen de verklaringen van u en uw echtgenote, XXX (o.v. 4.896.927) tijdens het interview in dringend beroep voor het Commissariaat-generaal die ernstige schade toebrengen aan de geloofwaardigheid van uw verklaringen. Zo verklaarde u tijdens uw interview in dringend beroep dat het aantal agenten dat de dood van Anatoly kwam melden vier bedroeg (CGVS, p. 13) terwijl uw echtgenote verklaarde dat ze met drie waren (CGVS, p. 9). Daarnaast werd aan u en uw echtgenote tijdens het interview in dringend beroep gevraagd om de twee kogelwonden die jullie op het lijk van Anatoly terugvonden, aan te geven op een tekening. De door u en uw echtgenote aangegeven plaatsen komen hoegenaamd niet met elkaar overeen. U gaf aan dat één wonde aan de linkerkant ter hoogte van het hart zat en de andere in de rechterlong (CGVS, p.11). Uw echtgenote gaf aan dat de beide kogelwondes vlak naast elkaar zaten ter hoogte van het hart (CGVS, p. 8). Vervolgens verklaarde u met betrekking tot het ophalen van het lijk van Anatoly dat u in uw ééntje naar het lijkenhuis reed met een busje dat u gehuurd had (CGVS, p. 13). Uw echtgenote verklaarde echter dat zij samen met u naar het lijkenhuisje reed om het lijk te gaan ophalen en dat u met uw eigen wagen reed (CGVS, p. 11). Bovendien dient nog het volgende opgemerkt te worden aangaande uw paspoort. U verklaarde tijdens uw interview op het Commissariaat-generaal met betrekking tot uw paspoort dat u een rood USSR-paspoort had en dat u nooit een Kirgizisch paspoort gezien heeft (CGVS, p. 4). Uw echtgenote verklaarde echter dat zij, zowel als u als iedereen in Kirgizië een donkerblauw paspoort had (CGVS, p. 2-3). Tot slot dient te worden opgemerkt dat de door u aangehaalde etnische vervolging (moorden, martelingen, fysiek geweld tegenover de Russische minderheid; vragenlijst CGVS, p. 8, 9 e.v) door de Kirgizische autoriteiten en bevolking niet overeenkomt met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd toegevoegd. Uit deze bijgevoegde informatie blijkt dat de Russische minderheid in Kirgizië niet het voorwerp uitmaakt van een systematische vervolging door de Kirgizische autoriteiten of bevolking omwille van het loutere toebehoren tot de Russische minderheid. XIV-16.216-3/13 Derhalve moet gesteld worden dat de door u afgelegde verklaringen inzake etnische vervolging bedrieglijk zijn. De bovenstaande tegenstrijdig- en ongerijmdheden laten niet toe nog enig geloof te hechten aan uw verklaringen Gelet op het voorgaande kan er met betrekking tot uw asielaanvraag geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Vluchtelingenconventie van Genève, worden weerhouden. De door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde documenten (geboorteakte, werkboekje, geboorteaktes kinderen, rijbewijs, diploma, huwelijksakte, overlijdensakte broer, krantenartikel algemene toestand Kirgizië, rapport Amnesty International 1996 en 2001, brief van Vera uit Moskou en brief moeder) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. 2.1.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat als volgt luidt: “La partie requérante prend un premier moyen de la violation des articles2 et 3 de la loi du 29/07/1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs : absence de motivation formelle et de motifs légalement admissibles. L'article 52 de la loi du 15/12/1980 permet, notamment, à l'autorité compétente de faire dépendre la recevabilité d'une demande d'asile de la production d'un commencement de preuves des persécutions invoquées et d'un récit cohérent du demandeur d'asile. Toutefois, pour faire une application régulière de cette disposition légale, les contradictions ou les imprécisions relevées par les autorités compétentes doivent être d'une importance telle qu'elles ne sont pas raisonnablement explicables (arrêt n/ 101770 du 12/12/2001) En l'espèce, la partie adverse n'a pas permis au requérant d'expliquer les contradictions relevées alors que celles-ci étaient raisonnablement explicables. Lors de l'audition, l'interviewer a directement interprété les réponses du requérant dans le sens d'une demande frauduleuse et n'a pas permis au requérant ainsi qu'à son épouse d'expliquer ce qu'il considérait comme des contradictions ou informations erronées. Concernant les différents éléments relevés par la partie adverse dans sa décision :
  8. la citoyenneté/ nationalité : le requérant a précisé qu'il avait un passeport russe, qu'il n'avait pas fait le changement et ne s'était pas présenté auprès des administrations pour obtenir les documents. Il n'y a pas de contradiction avec la version devant l'Office des Etrangers. Le requérant y déclare en effet : « D'origine, je suis ukrainien. Ma femme est russe. Ensemble, nous habitions au Kirghizistan. J'y habite depuis
  9. Ma femme y est née » (voir dossier adverse) De même, sur la fiche d'état civil de l’OE, il est renseigné : « Nationalité Kirghizstan citoyenneté, origine : russe » (voir dossier adverse). Par ailleurs, dans le questionnaire renvoyé à la partie adverse, le requérant indique « Nationalité actuelle / citoyenneté : russe - parents russes - (voir carnet de naissance photocopie) » (voir questionnaire - dossier adverse) En outre, il n'apparaît des documents invoqués par la partie adverse concernant la citoyenneté que la version du requérant soit erronée. Il revient à la partie adverse de le démontrer, ce qu'elle ne fait pas. Lors de l'interview, le fonctionnaire a clairement émis son opinion « je ne CROIS pas que vous veniez du Kirghizistan. » Lorsque le requérant lui a rappelé disposer de documents probants (déjà déposés au dossier), il a répondu « Des documents, vous pouvez les acheter. Tout le monde le sait ». C'est cet état d'esprit qui sous-tend la motivation de la décision et qui n'est pas légalement admissible. La partie adverse devait démontrer en quoi les documents d'identité étaient des faux. XIV-16.216-4/13 Les documents déposés étaient nombreux et probants. L'argument, non repris dans la décision, mais explicite dans les notes, en vertu duquel « Les documents, vous pouvez les acheter » ne répond aucunement à l'obligation de motivation formelle. La partie adverse ne précise dès lors pas en quoi les documents sont faux et la version du requérant mensongère.
  10. les arrestations du 18 et 24.09.99 : Les différences peuvent raisonnablement s'expliquer. A l'office des Etrangers, l'interview (3 pages d'audition pour 25 au CGRA) a duré peu de temps et la date retenue du 24.09.99 concerne la seconde arrestation et non la première. Au Commissariat Général, le requérant a pu reprendre précisément la chronologie des faits, repréciser les dates. Cela correspond d'ailleurs à la version de son épouse.
  11. Enlèvement de l'enfant. L'office des étrangers reprend dans ses notes un délai de 20 jours. Le requérant affirme n'avoir jamais renseigné 20 jours, mais bien trois jours. Il y a certainement eu une confusion quant aux chiffres à l'Office des Etrangers.
  12. Décès d’Anatoly Le choc de la nouvelle du décès d'Anatoly, le frère du requérant peut aisément expliquer que le requérant et son épouse diffèrent quelque peu quant au nombre des policiers venus les informer du décès (3 ou 4), le transport du défunt de la morgue au domicile et la localisation des impacts de balles. Le choc affectif justifie cette différence. Il n'est pas raisonnable d'attendre du requérant et de son épouse qu'ils aient une version parfaitement claire, précise et concordante de la suite des événements au moment du décès de leur proche. Ceci est d'autant plus vrai que ces différents éléments concernent une période in tempore non suspecto, c'est-à-dire avant que le requérant ne découvre que son frère a été assassiné et surtout qu'il fasse l'objet de menaces des policiers. Le requérant a satisfait à l'obligation de produire un commencement de preuves de ses persécutions et de fournir un discours cohérent. En outre, la partie adverse s'appuie sur le fait que selon les informations en sa possession, les russes ne font pas l'objet de persécutions systématiques de la part des autorités, de par leur simple appartenance à la minorité russe. Premièrement, il n'est pas requis qu'il y ait persécution systématique par l'état. Il peut même s'agir de persécutions venant de civils, où l'état conserve une attitude passive et non protectrice à l'égard de ses citoyens. Deuxièmement, les documents repris au dossier de la partie adverse soulignent bien l'existence de discriminations, de persécutions même si elles ne sont pas systématiques. Troisièmement, d'autres rapports émanant d'Amnesty International (dont celui de 2001) font état de sérieuses préoccupations quant au respect des droits de l'homme et soulignent l'existence de tortures et mauvais traitements en garde à vue, en prison, d'arrestations arbitraires etc. (rapports déposés au CGRA). La partie adverse devait répondre à ces arguments.”; 2.1.
  13. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “2.
  14. Eerste middel: schending van artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Gebrek aan formele motivering. a. Betreffende het staatsburgerschap van verzoekers blijkt duidelijk uit het gehoorverslag voor het Commissariaat-generaal dat verzoeker verklaarde geen staatsburgerschap te bezitten (CGVS gehoorverslag verzoeker p. 1) terwijl hij voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde het Kirgizisch staatsburgerschap te bezitten (DVZ-verslag verzoeker p. l). b. Verweerder wijst er verder op dat verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken 24 september 1999 als arrestatiedatum aanhaalde en voor het Commissariaat-generaal 18 september en 24 september
  15. Verweerder vindt weinig aannemelijk dat tijdsgebrek of een chronologische vertelling van de feiten aan de basis hiervan zouden liggen. c. Met betrekking tot de ontvoering van hun kind merkt verweerder op dat verzoekers verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken een termijn van 20 dagen vermelden (DVZ- verslag verzoeker, vraag 42). Dit verslag werd aan verzoeker ter goedkeuring voorgelezen en door hem ondertekend. Van een vergissing bij de Dienst Vreemdelingenzaken kan dan ook geen sprake zijn. d. Verzoeker verklaarde een rood USSR paspoort te bezitten en nooit een Kirgizisch paspoort te hebben gezien terwijl zijn echtgenote verklaarde dat zij net als haar echtgenoot een blauw Kirgizisch paspoort bezatten. Deze inconsistentie wordt niet door verzoekers in hun verzoekschrift weerlegd. e. Tenslotte is verweerder van oordeel dat de schok van het overlijden van de broer van verzoeker niet als verklaring kan aangehaald worden voor de verschillende tegenstrijdigheden. Zo verklaarde verzoeker ondermeer dat hij het stoffelijke overschot van zijn broer in zijn ééntje XIV-16.216-5/13 was gaan ophalen met een gehuurd busje terwijl zijn echtgenote verklaarde dat ze dat samen hadden gedaan met de eigen wagen van verzoeker. Dergelijke zwaarwichtige inconsistente verklaringen kunnen bezwaarlijk te wijten zijn aan de aard van de gebeurtenissen. Het eerste middel is niet gegrond.”; 2.1.
  16. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.1.
  17. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat de Raad van State er bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdig- heden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
  18. XIV-16.216-6/13 van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van de asielaan- vraag van de verzoekende partij heeft besloten omdat: - er ernstige tegenstrijdigheden zijn tussen de opeenvolgende verklaringen van de verzoekende partij die de geloofwaardigheid van haar verklaringen op substantiële wijze ondergraven; - de verzoekende partij op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat zij op 24 september 1999, één week na de begrafenis van Anatoly op 15 september 1999, samen met haar vrouw door de politie werd meegenomen; dat zij tijdens haar interview in dringend beroep evenwel verklaarde dat zij op 18 september 1999, dus drie dagen na de begrafenis van Anatoly, én op 24 september werd meegenomen door de politie; - de verzoekende partij, met betrekking tot de ontvoering van haar dochter op 14 oktober 1999, op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat zij een telefoontje kreeg waarin werd gesteld dat zij de documenten van haar broer diende af te geven en dat zij hiervoor twintig dagen kreeg; dat zij tijdens haar interview in dringend beroep evenwel verklaarde dat zij een termijn van drie dagen kreeg; - er tegenstrijdigheden zijn tussen de verklaringen van de verzoekende partij en van haar echtgenote, XXX, tijdens hun interview in dringend beroep voor het Commissari- aat-generaal, die de geloofwaardigheid van hun verklaringen ernstige schade toebrengen; - de verzoekende partij tijdens haar interview in dringend beroep verklaarde dat vier agenten de dood van Anatoly kwamen melden terwijl haar echtgenote verklaarde dat ze met drie waren; - de door de verzoekende partij en haar echtgenote in dringend beroep aangegeven plaatsen van de kogelwonden op het lichaam van Anatoly, hoegenaamd niet met elkaar overeen- komen; - de verzoekende partij met betrekking tot het ophalen van het lijk van Anatoly verklaarde dat zij in haar ééntje naar het lijkenhuis reed met een busje dat zij had gehuurd; dat de echtgenote van de verzoekende partij evenwel verklaarde dat zij samen met haar echtgenoot naar het lijkenhuisje reed om het lijk te gaan ophalen en dat de verzoekende partij met haar eigen wagen reed; - de verzoekende partij tijdens haar interview op het Commissariaat-generaal met betrekking tot haar paspoort verklaarde dat zij een rood USSR-paspoort had en dat zij nooit een Kirgizisch paspoort heeft gezien; dat de echtgenote van de verzoekende partij evenwel verklaarde dat zij, net zoals de verzoekende partij en iedereen in Kirgizië, een donkerblauw paspoort had; - de door de verzoekende partij aangehaalde etnische vervolging (moorden, martelingen, fysiek geweld tegenover de Russische minderheid), door de Kirgizische autoriteiten en bevolking niet overeenkomt met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd toegevoegd; dat uit deze bijgevoegde informatie blijkt dat de Russische minderheid in Kirgizië niet het voorwerp uitmaakt van een systematische vervolging door de Kirgizische autoriteiten of bevolking omwille van het loutere toebehoren tot de Russische minderheid; dat derhalve moet worden XIV-16.216-7/13 gesteld dat de door de verzoekende partij afgelegde verklaringen inzake etnische vervolging bedrieglijk zijn; - de bovenstaande tegenstrijdigheden en ongerijmdheden niet toelaten enig geloof te hechten aan de verklaringen van de verzoekende partij; - gelet op het voorgaande, in hoofde van de verzoekende partij geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kan worden weerhouden; Overwegende dat de verzoekende partij geen enkel concreet element aanbrengt ter staving van haar argumenten; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissing heeft genomen met inachtneming van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris-generaal in casu heeft besloten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van de verzoekende partij omdat zowel haar opeenvolgende verklaringen als de verklaringen van haar en haar echtgenote tegenstrijdighe- den en ongerijmdheden bevatten die de geloofwaardigheid van haar asielrelaas fundamenteel aantasten; dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij stelt dat zij tijdens het verhoor op het commissariaat-generaal niet de mogelijkheid heeft gehad de beweerde tegenstrijdigheden te verklaren; dat de procedure voor de commissaris-generaal een administratieve en geen jurisdictionele procedure is; dat de Commissaris-generaal ten tijde van de bestreden beslissing niet verplicht was de asielzoeker met zijn tegenstrijdige verklaringen te confronteren; dat, waar de verzoekende partij bepaalde overwegingen van de bestreden beslissing tracht te weerleggen, de verzoekende partij een verklaring post factum geeft, die de tegenstrijdigheden evenwel niet ontkracht; dat van een kandidaat- vluchteling mag worden verwacht dat hij voor de diverse asielinstanties coherente, gedetailleerde en volledige verklaringen aflegt; dat de overwegingen waarop de bestreden beslissing steunt, bevestigd worden door de stukken van het administratief dossier, meer bepaald door de verslagen van de opeenvolgende verklaringen die de verzoekende partij heeft afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal; dat de verzoekende partij het verslag van het verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken heeft ondertekend, en aldus te kennen heeft gegeven dat het overeenstemt met de inlichtingen die zij heeft verstrekt, en dat deze inlichtingen oprecht zijn; dat de verzoekende partij evenmin opmerkingen heeft gemaakt over het verhoor op het Commissariaat-generaal; dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij, met betrekking tot haar staatsburger- schap, aanvoert dat er geen sprake is van enige tegenstrijdigheid in haar opeenvolgende verklaringen, noch waar zij stelt dat de verwerende partij niet zou aantonen waarom de documenten foutief zouden zijn en verzoekers versie bedrieglijk; dat de bestreden beslissing enkel aanhaalt dat de verzoekende partij Kirgizisch staatsburger is; dat dit wordt afgeleid uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd; dat de bestreden beslissing op geen enkel ogenblik melding maakt van een tegenstrijdigheid op dit punt met de verklaringen die de verzoekende partij voor de Dienst Vreemdelingenzaken heeft afgelegd; dat uit de stukken van het XIV-16.216-8/13 administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij wel degelijk tegenstrijdige verklaring- en heeft afgelegd met betrekking tot de termijn voor het overhandigen van de documenten van haar broer aan de ontvoerders van haar dochter; dat de verzoekende partij deze tegenstrijdigheid niet weerlegt middels een eenvoudige ontkenning, noch op grond van de loutere bewering dat men zich op de Dienst Vreemdelingenzaken moet hebben vergist; dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij de tegenstrijdigheid met betrekking tot de data waarop de verzoekende partij door de politie werd meegenomen verklaart door te stellen dat het verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken van veel kortere duur was dan het interview op het Commissariaat-generaal, en dat zij enkel op het Commissariaat-generaal de volledige chronologie van de feiten heeft kunnen geven; dat van een kandidaat- vluchteling mag worden verwacht dat hij voor de diverse asielinstanties coherente, gedetailleerde en volledige verklaringen aflegt; dat de duur van het verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken niet kan worden gezien als reden waarom de verzoekende partij essentiële elementen van haar asielrelaas niet zou hebben vermeld; dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij stelt dat bepaalde in de bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheden worden verklaard door de emotionele schok die zij en haar echtgenote zouden hebben geleden ingevolge het overlijden van haar broer, nu deze tegenstrijdigheden betrekking hebben op essentiële elementen van haar asielrelaas en aan de basis liggen van de vlucht van de verzoekende partij uit haar land van herkomst; dat van de verzoekende partij kan worden verwacht dat zij in staat is dergelijke elementen op een correcte en coherente manier weer te geven, ongeacht de eventuele emotionele impact van de gebeurtenissen; dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij, omtrent de vervolging door de Kirgizische autoriteiten, stelt dat de vervolging ook kan uitgaan van burgers; dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing immers niet enkel melding maakt van de afwezigheid van een systematische vervolging door de Kirgizische autoriteiten, doch ook vanwege de Kirgizische bevolking; dat de verzoekende partij deze overweging van de bestreden beslissing op geen enkele wijze weerlegt; dat de verzoekende partij tenslotte evenmin kan worden gevolgd waar zij verwijst naar rapporten van Amnesty International; dat de verzoekende partij aan de hand van een dergelijke algemene verwijzing immers geen persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie aannemelijk maakt; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het asielrelaas van de verzoekende partij grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  19. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat als volgt luidt: XIV-16.216-9/13 “Le requérant prend un second moyen de la violation du principe général de droit selon lequel l'autorité administrative est tenue de statuer en prenant en considération tous les éléments pertinents de la cause. La partie adverse n'a pas tenu compte des éléments précis invoqués par le requérant. Le Commissariat général n'a retenu que le problème des passeports et des points de détail relevant de l'examen au fond et n'a aucunement pris en considération les nombreux documents déposés par le requérant pour justifier son identité et son pays d'origine (permis de conduire, acte de naissance, diplôme, acte de mariage, carnet de travail, lettres de proches etc.) Ceux-ci ont été directement écartés. Le requérant a fait un récit cohérent des événements. Il a fourni des détails sur le Kirghizistan, sur les discriminations encourues, sur les persécutions vécues à la suite du décès de son frère. De même, sa version a concordé avec celle de son épouse, sauf sur les points de détail concernant le décès d'Anatoly, ce qui peut toutefois logiquement s'expliquer par le choc émotionnel lié à la perte brusque et violente du proche. La partie adverse devait tenir compte des rapports d’Amnesty International déposés par la requérante et faisant état d'une dégradation de la situation des droits de l'homme, notamment mauvais traitements et tortures en garde à vue, arrestations arbitraires.”; 2.2.
  20. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “2.
  21. Tweede middel: schending van het algemeen beginsel dat oplegt dat men bij het nemen van een beslissing alle elementen eigen aan de zaak in beschouwing dient te nemen. Verweerder wijst erop dat in de bestreden beslissingen alle documenten behandeld zijn die verzoekers hebben neergelegd ter staving van hun asielrelaas. Wat betreft de algemene rapporten van Amnesty International die verzoekers hebben neergelegd wijst verweerder erop dat ze de vaststellingen van de Commissaris-generaal niet vermogen te weerleggen, temeer daar verzoekers deze niet betrekken op hun eigen, concrete situatie. Het tweede middel is niet gegrond.”; 2.2.
  22. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van het algemeen beginsel dat stelt dat alle elementen eigen aan de zaak in beschouwing moeten worden genomen bij het nemen van de beslissing; Overwegende dat voor de analyse van het tweede middel wordt verwezen naar de analyse van het eerste middel, waarin reeds uitvoerig werd uiteengezet dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat het bestaan van tegenstrijdigheden volstaat om het asielrelaas van de verzoekende partij bedrieglijk, en derhalve onontvankelijk, te verklaren; dat de in de bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheden bovendien niet alleen betrekking hebben op de verklaringen betreffende de dood van Anatoly, maar ook op het aantal dagen dat de verzoekende partij kreeg om de documenten van haar broer te bezorgen aan de ontvoerders van haar dochter en op het tijdstip van haar arrestatie; dat bovendien de emotionele shock, noch het plotse en gewelddadige verlies een afdoende verklaring bieden voor de tegenstrij- XIV-16.216-10/13 digheden betreffende Anatoly, nu deze tegenstrijdigheden betrekking hebben op essentiële elementen van haar asielrelaas en aan de basis liggen van de vlucht van de verzoekende partij uit haar land van herkomst; dat van de verzoekende partij kan worden verwacht dat zij in staat is dergelijke elementen op een correcte en coherente manier weer te geven, ongeacht de eventuele emotionele impact van de gebeurtenissen; dat uit de bestreden beslissing bovendien blijkt dat de Commissaris-generaal wel degelijk rekening heeft gehouden met de door de verzoekende partij ingediende documenten; dat de bestreden beslissing immers vermeldt dat “de door (...) (de verzoekende partij) in het kader van (...) (haar) asielaanvraag neergelegde documenten (geboorteakte, werkboekje, geboorteaktes kinderen, rijbewijs, diploma, huwelijksakte, overlijdensakte broer, krantenartikel algemene toestand Kirgizië, rapport Amnesty International 1996 en 2001, brief van Vera uit Moskou en brief moeder) (...) hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet (wijzigt)”; dat het niet is omdat deze documenten geen gunstige invloed hebben gehad op de beoordeling van de asielaanvraag van de verzoekende partij, dat kan worden gesteld de Commissaris-generaal er geen rekening mee heeft gehouden; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.
  23. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat als volgt luidt: “Le concluant prend un troisième moyen de la violation de l'article 3 de la convention européenne des droits de l'homme et des libertés fondamentales. Eu égard à l'attitude des autorités kirghiz, il est incontestable que le requérant risque d'être arrêté, emprisonné, de façon totalement arbitraire en cas de retour dans son pays. En outre, la fille du requérant, Hélèna, âgée de 15 ans maintenant, a été enlevée et séquestrée par des policiers kirghiz. Elle en garde un traumatisme profond. Un retour au Kirghizistan créera un profond stress et sentiment d'insécurité justifié.”; 2.3.
  24. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “2.
  25. Derde middel: schending van artikel 3 EVRM. Bij een schending van artikel 3 EVRM moet de kandidaat vluchteling doen blijken dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat hij in het land waarnaar hij mag worden teruggeleid, een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling. Hij moet deze beweringen staven met een begin van bewijs. De kandidaat vluchteling moet concrete, op zijn persoonlijke situatie betrokken feiten aanbrengen. Een blote bewering of een eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich volstaat niet om een inbreuk uit te maken op artikel 3 EVRM. Een eventualiteit dat artikel 3 EVRM kan worden geschonden volstaat op zich niet (R.v.St., nr. 105.é van 27 maart 2002; nr. 105.262 van 28 maart 2002; nr. 104.674 van 14 maart 2002). Het derde middel is niet gegrond.”; 2.3.
  26. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van artikel 3 van Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); 2.3.
  27. Overwegende dat artikel 3 van het E.V.R.M. vereist dat de verzoekende partij doet blijken dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat ze in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, een ernstig en reëel risico loopt om XIV-16.216-11/13 te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat de bescherming verleend via artikel 3 van het E.V.R.M. immers slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing vindt; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt, zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat inzonderheid een loutere bewering of eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op voornoemd artikel; Overwegende dat de verzoekende partij zich in het middel beperkt tot de bewering dat zij vreest op arbitraire wijze te worden gearresteerd en gevangengenomen en dat een terugkeer een gevoel van onveiligheid en stress zou veroorzaken bij haar dochter; dat de verzoekende partij als dusdanig niet aantoont dat ze een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat het derde middel ongegrond is;
  28. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  29. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  30. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-16.216-12/13 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee februari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . Ch. BAMPS. XIV-16.216-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.413 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.