id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.414 Rolnummer: A. 139985/XIV-16217 Zaak: Arrest 167414 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 02/02/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-15 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 15:07 Fiche Arrest nr 167.414 van 2 februari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 167.414 van 2 februari 2007 in de zaak A. 139.985/XIV-16.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat V. LURQUIN, kantoor houdende te 1082 BRUSSEL, Gentsesteenweg 1206 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 22 november 1968 en van Kirgizische nationaliteit, op 2 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 1 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 juli 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 3 juli 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 1 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, d.d. 8 juni 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-16.217-1/8 Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 10 januari 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat V. LURQUIN verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 8 november 1999 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
- Op 5 juli 2000 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 1 juli 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U, van Russische origine en afkomstig vanuit Kirgizië, verliet Kirgizië op 2 november
- Op 8 november 1999 kwam u in België aan waar u op 8 november 1999 het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. U verklaarde dat u Kirgizië verliet omdat u er het slachtoffer was van etnische vervolging omwille van uw toebehoren tot de Russische minderheid. U verklaarde dat u in september 1999 bezoek kreeg van de politie. De politie meldde u dat uw schoonbroer Anatoly gestorven was en dat u zijn lichaam kon ophalen in het mortuarium van het ziekenhuis hetgeen aldus gebeurde. Thuis stelde u vast dat zijn lichaam tekens van geweerschoten vertoonde. Op 15 september 1999 werd uw schoonbroer begraven. Op 24 september 1999 kreeg u opnieuw bezoek van de politie. Ze vroegen u naar documenten en foto’s die uw broer zou hebben. U wist hier echter niets van. U en uw echtgenoot XXX (o.v. 4.904.926) werden door de politie meegenomen. U werd ondervraagd en geslagen. De volgende ochtend kwamen jullie vrij onder voorwaarde dat jullie de documenten van uw broer zouden afgeven. Jullie besloten naar de procureur te gaan om klacht neer te leggen in verband met de dood van uw broer en de mishandeling door de politie. De assistent van de procureur ontving u maar zei niets te kunnen doen. Op 14 oktober 1999 werd uw dochter ontvoerd. Jullie kregen een telefoontje dat jullie de documenten van schoonbroer moesten afgeven. Jullie kregen hiervoor twintig dagen. Jullie belden naar de voormalige baas van uw schoonbroer. Deze stelde niets te kunnen doen tenzij jullie de documenten zouden geven. Op 17 oktober 1999 kreeg u bezoek van een voormalig collega van uw schoonbroer. Deze stelde te weten waar uw dochter was. Samen met hem ging uw XIV-16.217-2/8 echtgenoot naar de door hem aangegeven plek. Daar bevrijdde hij uw dochter met behulp van Anatoly’s voormalige collega. Na de bevrijding van uw dochter kreeg u opnieuw dreigtelefoons. U besloot daarop Bishkek te verlaten. Nadat u in een krant gelezen had dat de collega van uw schoonbroer die geholpen had om uw dochter te bevrijden, overleden was, werd besloten vliegtuigtickets te kopen. Op terugweg naar huis raakte uw echtgenoot betrokken in een ongeval. Als gevolg daarvan kon hij niet onmiddellijk vertrekken. Uit vrees voor uw leven verliet u daarop Kirgizië op 2 november 1999 richting Moskou. Vanuit Moskou vertrok u op 6 november 1999 richting België in het bijzijn van uw twee minderjarige dochters. B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat u het Kirgizisch staatsburgerschap niet bezit, omdat u het nooit aanvaard heeft (zie CGVS, p. 1). Uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt echter dat alle personen die Kirgizisch staatsburger waren op het moment dat de Verklaring van de Staatssoevereiniteit van de Republiek Kirigizië werd aangenomen (15 december 1990) en die tot op heden niet te kennen hebben gegeven dat zij het staatsburgerschap van een andere staat bezitten, als Kirgizisch staatsburger worden beschouwd. Aangezien uit uw verklaringen niet blijkt dat u een ander dan het Kirgizisch staatsburgerschap bezit, moet worden vastgesteld dat u Kirgizisch staatsburger bent. Verder blijkt uit uw verklaringen dat u zich geheel baseert op dezelfde feiten als die aangehaald door uw echtgenoot ter motivering van zijn asielaanvraag. Uit vergelijking van de diverse verklaringen (CGVS) van u en uw echtgenoot XXX (o.v; 4.904.926), blijkt echter dat door een aantal zwaarwichtige tegenstrijdigheden de geloofwaardig van uw asielrelaas danig in het gedrang komt. Deze tegenstrijdigheden werden uitgebreid en gedetailleerd uiteengezet in de beslissing van uw echtgenoot. Vermits in het kader van uw echtgenoot een negatieve beslissing werd genomen op basis van bedrieglijke verklaringen, kan ten aanzien van uw asielaanvraag onmogelijk een positief antwoord worden weerhouden. Gelet op het voorgaande kan er met betrekking tot uw asielaanvraag geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Vluchtelingenconventie van Genève, worden weerhouden. De door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde documenten (geboorteakte, werkboekje, geboorteaktes kinderen, rijbewijs, diploma, huwelijksakte, overlijdensakte schoonbroer, krantenartikel algemene toestand Kirgizië, rapport Amnesty International 1996 en 2001, brief van Vera uit Moskou en brief schoonmoeder) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat als volgt luidt: “La partie requérante prend un premier moyen de la violation des articles2 et 3 de la loi du 29/07/1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs : absence de motivation formelle et de motifs légalement admissibles. L'article 52 de la loi du 15/12/1980 permet, notamment, à l'autorité compétente de faire dépendre la recevabilité d'une demande d'asile de la production d'un commencement de preuves des persécutions invoquées et d'un récit cohérent du demandeur d'asile. Toutefois, pour faire une application régulière de cette disposition légale, les contradictions ou les imprécisions relevées par les autorités compétentes doivent être d'une importance telle qu'elles ne sont pas raisonnablement explicables (arrêt n/ 101770 du 12/12/2001) En l'espèce, la partie adverse n'a pas permis à la requérante d'expliquer les contradictions relevées alors que celles-ci étaient raisonnablement explicables. Lors de l'audition, l'interviewer a directement interprété les réponses de la requérante et de son époux dans le sens d'une XIV-16.217-3/8 demande frauduleuse et ne leur a pas permis d'expliquer ce qu'il considérait comme des contradictions ou informations erronées. Concernant les différents éléments relevés par la partie adverse dans sa décision (notamment par renvoi à la décision prise pour l'époux):
- la citoyenneté/ nationalité : la requérante et son époux ont précisé qu'ils avaient un passeport russe, qu'ils n'avaient pas fait le changement et ne s'était pas présenté auprès des administrations pour obtenir les documents. Il n'y a pas de contradiction avec la version devant l'Office des Etrangers. M. XXXy déclare en effet : « D'origine, je suis ukrainien. Ma femme est russe. Ensemble, nous habitions au Kirghizistan. J'y habite depuis
- Ma femme y est née » (voir dossier adverse) De même, sur la fiche d'état civil de l’OE, il est renseigné : « Nationalité Kirghizstan citoyenneté, origine : russe » (voir dossier adverse). Par ailleurs, dans le questionnaire renvoyé à la partie adverse, M. XXXindique «Nationalité actuelle / citoyenneté , russe - parents russes - (voir carnet de naissance photocopie) » (voir questionnaire - dossier adverse) La requérante renseigne également « afkomst : russisch » à l'Office. De même, dans le questionnaire envoyé par la partie adverse, elle souligne « nationalité actuelle : russe (voir carnet de naissance ». En outre, il n'apparaît pas des documents invoqués par la partie adverse concernant la citoyenneté que la version de la requérante soit erronée. Il revient à la partie adverse de le démontrer, ce qu'elle ne fait pas. Lors de l'interview de son époux, le fonctionnaire a clairement émis son opinion « je ne CROIS pas que vous veniez du Kirghizistan. » Lorsque M. XXXlui a rappelé disposer de documents probants (déjà déposés au dossier), il a répondu « Des documents, vous pouvez les acheter. Tout le monde le sait ». C'est cet état d'esprit qui sous-tend la motivation des deux décisions et qui n'est pas légalement admissible. La partie adverse devait démontrer en quoi les documents d'identité communiqués étaient des faux. Les documents déposés étaient nombreux et probants. L'argument, non repris dans la décision, mais explicite dans les notes, en vertu duquel « Les documents, vous pouvez les acheter » ne répond aucunement à l'obligation de motivation formelle. La partie adverse ne précise dès lors pas en quoi les documents sont faux et la version des requérants mensongère.
- Décès d'Anatoly Le choc de la nouvelle du décès d’Anatoly peut aisément expliquer que les versions de la requérante et son époux diffèrent quelque peu quant au nombre des policiers venus les informer du décès (3 ou 4), le transport du défunt de la morgue au domicile et la localisation des impacts de balles. Le choc affectif justifie cette différence. Il n'est pas raisonnable d'attendre d'eux qu'ils aient une version parfaitement claire, précise et concordante de la suite des événements au moment du décès de leur proche. Ceci est d'autant plus vrai que ces différents éléments concernent une période in tempore non suspecto, c'est-à-dire avant que la requérante ne découvre qu'il a été assassiné et surtout qu'elle fasse l'objet de menaces des policiers.
- Couleur des passeports La requérante est née à Frounze, devenue Bichkek. Elle a connu le changement de régime et l'indépendance de
- Elle a eu des passeports de deux couleurs, d'abord bleu, puis rouge, en restant toujours russe. Lors de l'indépendance, celui qui devenait Kirghiz avait un passeport bleu. Celui qui restait russe avait un passeport rouge. Son époux a toujours eu un passeport rouge USSR. Ces éléments ne sont pas incompatibles avec la thèse de la partie adverse. La requérante a satisfait à l'obligation de produire un commencement de preuves de ses persécutions et de fournir un discours cohérent. En outre, la partie adverse s'appuie sur le fait que selon les informations en sa possession, les russes ne font pas l'objet de persécutions systématiques de la part des autorités, de par leur simple appartenance à la minorité russe. Premièrement, il n'est pas requis qu'il y ait persécution systématique par l'état. Il peut même s'agir de persécutions venant de civils, où l'état conserve une attitude passive et non protectrice à l'égard de ses citoyens. Deuxièmement, les documents repris au dossier de la partie adverse soulignent bien l'existence de discriminations, de persécutions même si elles ne sont pas systématiques. Troisièmement, d'autres rapports émanant d’Amnesty International (dont celui de 2001) font état de sérieuses préoccupations quant au respect des droits de l'homme et soulignent l'existence de tortures et mauvais traitements en garde à vue, en prison, d'arrestations arbitraires etc. (rapports déposés au CGRA). La partie adverse devait répondre à ces arguments.”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: XIV-16.217-4/8 “2.
- Eerste middel: schending van artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Gebrek aan formele motivering. a. Betreffende het staatsburgerschap van verzoekers blijkt duidelijk uit het gehoorverslag voor het Commissariaat-generaal dat verzoeker verklaarde geen staatsburgerschap te bezitten (CGVS gehoorverslag verzoeker p. 1) terwijl hij voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde het Kirgizisch staatsburgerschap te bezitten (DVZ-verslag verzoeker p. l). b. Verweerder wijst er verder op dat verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken 24 september 1999 als arrestatiedatum aanhaalde en voor het Commissariaat-generaal 18 september en 24 september
- Verweerder vindt weinig aannemelijk dat tijdsgebrek of een chronologische vertelling van de feiten aan de basis hiervan zouden liggen. c. Met betrekking tot de ontvoering van hun kind merkt verweerder op dat verzoekers verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken een termijn van 20 dagen vermelden (DVZ- verslag verzoeker, vraag 42). Dit verslag werd aan verzoeker ter goedkeuring voorgelezen en door hem ondertekend. Van een vergissing bij de Dienst Vreemdelingenzaken kan dan ook geen sprake zijn. d. Verzoeker verklaarde een rood USSR paspoort te bezitten en nooit een Kirgizisch paspoort te hebben gezien terwijl zijn echtgenote verklaarde dat zij net als haar echtgenoot een blauw Kirgizisch paspoort bezatten. Deze inconsistentie wordt niet door verzoekers in hun verzoekschrift weerlegd. e. Tenslotte is verweerder van oordeel dat de schok van het overlijden van de broer van verzoeker niet als verklaring kan aangehaald worden voor de verschillende tegenstrijdigheden. Zo verklaarde verzoeker ondermeer dat hij het stoffelijke overschot van zijn broer in zijn ééntje was gaan ophalen met een gehuurd busje terwijl zijn echtgenote verklaarde dat ze dat samen hadden gedaan met de eigen wagen van verzoeker. Dergelijke zwaarwichtige inconsistente verklaringen kunnen bezwaarlijk te wijten zijn aan de aard van de gebeurtenissen. Het eerste middel is niet gegrond.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat als volgt luidt: “La requérante prend un second moyen de la violation du principe général de droit selon lequel l'autorité administrative est tenue de statuer en prenant en considération tous les éléments pertinents de la cause. La partie adverse n'a pas tenu compte des éléments précis invoqués par la requérante et son époux. Le Commissariat général n'a retenu que le problème des passeports et des points de détail relevant de l'examen au fond et n'a aucunement pris en considération les nombreux documents déposés par la requérante pour justifier son identité et son pays d'origine (permis de conduire, acte de naissance, diplôme, acte de mariage, carnet de travail, lettres de proches etc.) Ceux-ci ont été directement écartés. La requérante a fait un récit cohérent des événements. Ille a fourni des détails sur les discriminations encourues, sur les persécutions vécues à la suite du décès d'Anatoly. De même, sa version a concordé avec celle de son époux, sauf sur les points de détail concernant le décès d'Anatoly, ce qui peut toutefois logiquement s'expliquer par le choc émotionnel lié à la perte brusque et violente du proche. La partie adverse devait tenir compte des rapports d’Amnesty International déposés par la requérante et faisant état d'une dégradation de la situation des droits de l'homme, notamment mauvais traitements et tortures en garde à vue, arrestations arbitraires.”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “2.
- Tweede middel: schending van het algemeen beginsel dat oplegt dat men bij het nemen van een beslissing alle elementen eigen aan de zaak in beschouwing dient te nemen. Verweerder wijst erop dat in de bestreden beslissingen alle documenten behandeld zijn die verzoekers hebben neergelegd ter staving van hun asielrelaas. Wat betreft de algemene rapporten van Amnesty International die verzoekers hebben neergelegd wijst verweerder erop dat ze de vaststellingen van de Commissaris-generaal niet vermogen te weerleggen, temeer daar verzoekers deze niet betrekken op hun eigen, concrete situatie. Het tweede middel is niet gegrond.”; XIV-16.217-5/8 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste en een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het algemeen beginsel dat stelt dat alle elementen eigen aan de zaak in beschouwing moeten worden genomen bij het nemen van de beslissing; 2.1.
- Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op de bevestigende beslissing van weigering van verblijf die de Commissaris-generaal heeft genomen met betrekking tot haar echtgenoot, XXX; dat de verzoekende partij in voormelde middelen in wezen in hoofdorde stelt dat de beslissing die de Commissaris-generaal ten haren opzichte heeft genomen, onwettig is, vermits zij steunt op de onwettige beslissing die de Commissaris-generaal heeft genomen met betrekking tot haar echtgenoot; dat de verzoeken- de partij haar asielrelaas baseert op de motieven van haar echtgenoot; dat de Commissaris- generaal ten aanzien van de echtgenoot van de verzoekende partij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf heeft genomen, op basis van het bedrieglijk karakter van zijn asielaanvraag; dat, bij arrest nr. 167.413 van 2 februari 2007 van de Raad van State, de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring tegen deze bevestigende beslissing van weigering van verblijf werden verworpen; dat de Raad in dit arrest in wezen heeft vastgesteld dat de Commissaris-generaal op goede gronden kon besluiten tot de bedrieglijkheid, en derhalve tot de onontvankelijkheid, van de asielaanvraag van de echtgenoot van de verzoekende partij; dat de Commissaris-generaal bijgevolg ook ten aanzien van de verzoekende partij op goede gronden een bevestigende beslissing van weigering van verblijf kon nemen; dat het gaat om een “volgbeslissing”, die wettig is; dat de verzoekende partij in het eerste middel bijkomend uiteenzet welke de kleur was van haar paspoorten; dat zij als dusdanig evenwel niet de tegenstrijdigheid weerlegt met de verklaringen van haar echtgenoot; dat de verzoekende partij immers uitdrukkelijk verklaarde dat zij, zowel als haar echtgenoot en iedereen in Kirgizïe, een donkerblauw paspoort had, terwijl de echtgenoot van de verzoekende partij verklaarde een rood paspoort te hebben en nog nooit een Kirgizisch paspoort te hebben gezien; dat het eerste en het tweede middel ongegrond zijn; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat als volgt luidt: “La requérante prend un troisième moyen de la violation de l'article 3 de la convention européenne des droits de l'homme et des libertés fondamentales. Eu égard à l'attitude des autorités kirghiz, il est incontestable que la requérante et son époux risquent d'être arrêté, emprisonné, de façon totalement arbitraire en cas de retour dans son pays. En outre, la fille des requérants, Hélèna, âgée de 15 ans maintenant, a été enlevée et séquestrée par des policiers kirghiz. Elle en garde un traumatisme profond. Un retour au Kirghizistan créera un profond stress et sentiment d'insécurité justifié.”; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: XIV-16.217-6/8 “2.
- Derde middel: schending van artikel 3 EVRM. Bij een schending van artikel 3 EVRM moet de kandidaat vluchteling doen blijken dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat hij in het land waarnaar hij mag worden teruggeleid, een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling. Hij moet deze beweringen staven met een begin van bewijs. De kandidaat vluchteling moet concrete, op zijn persoonlijke situatie betrokken feiten aanbrengen. Een blote bewering of een eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich volstaat niet om een inbreuk uit te maken op artikel 3 EVRM. Een eventualiteit dat artikel 3 EVRM kan worden geschonden volstaat op zich niet (R.v.St., nr. 105.é van 27 maart 2002; nr. 105.262 van 28 maart 2002; nr. 104.674 van 14 maart 2002). Het derde middel is niet gegrond.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van artikel 3 van Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); 2.2.
- Overwegende dat artikel 3 van het E.V.R.M. vereist dat de verzoekende partij doet blijken dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat ze in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, een ernstig en reëel risico loopt om te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat de bescherming verleend via artikel 3 van het E.V.R.M. immers slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing vindt; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt, zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat inzonderheid een loutere bewering of eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op voornoemd artikel; Overwegende dat de verzoekende partij zich in het middel beperkt tot de bewering dat zij vreest op arbitraire wijze te worden gearresteerd en gevangengenomen en dat een terugkeer een gevoel van onveiligheid en stress zou veroorzaken bij haar dochter; dat de verzoekende partij als dusdanig niet aantoont dat ze een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat het derde middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-16.217-7/8 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee februari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . Ch. BAMPS. XIV-16.217-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.414 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.